Toelichting VVGB.pdf
Tekst van het document
VERZOEK VVGB Aanvrager:
Pluimveebedrijf Bentelo B.V. Locatie:
Grondhuttenweg 14 7497 NE BENTELO
Opdrachtgever: Pluimveebedrijf Bentelo B.V. Grondhuttenweg 14 7497 NE BENTELO Datum: 8 maart 2022 (versie 5) Uitvoerende: De heer ing. B.H. (Barry) Wopereis VanWestreenen, Adviseurs voor het buitengebied te Lichtenvoorde
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
2
INHOUDSOPGAVE Uitwerking van het verzoek om een VVGB voor de pluimveehouderij van Pluimveebedrijf Bentelo aan de Grondhuttenweg 14 te Bentelo.
TOELICHTING AANVRAAG ............................................................................................................. 4 1.
ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER ............................................................................... 4
2.
VERGUNDE BEDRIJFSSITUATIE................................................................................................ 6
3.
OMVANG GEWENSTE BEDRIJFSSITUATIE ................................................................................ 8
4.
INVOERGEGEVENS ................................................................................................................. 9 INVOERGEGEVENS AERIUS-CALCULATOR .................................................................................................... 9 4.1 WNB-vergunde situatie ........................................................................................................... 9 4.2 Gewenste situatie.................................................................................................................. 10
5.
BEREKENINGEN EN CONCLUSIE ............................................................................................ 10
BIJLAGEN ................................................................................................................................... 12
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
3
Toelichting VVGB
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
4
1.
ALGEMENE GEGEVENS INITIATIEFNEMER
Naam Adres inrichting Kadastrale ligging Soort activiteit Postadres Telefoonnummer Email-adres KVK
: Pluimveebedrijf Bentelo B.V. : Grondhuttenweg 14 7497 NE BENTELO : gemeente Ambt-Delden, sectie L, nummers 186, 447 en 453 : agrarisch bedrijf (het houden van (groot)ouderdieren van vleeskuikens in opfok (< 19 weken)) : Grondhuttenweg 14 7497 NE BENTELO : 06-53354648 : twan@fluttert.nl : 05070529// 000017783461
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
5
2.
VERGUNDE BEDRIJFSSITUATIE
Pluimveebedrijf Bentelo B.V. exploiteert op het perceel Grondhuttenweg 14 te Bentelo reeds jarenlang een agrarisch bedrijf en de vorm van een pluimveehouderij. Voor dit agrarisch bedrijf is op 23 december 1986 een Hinderwetvergunning (thans Omgevingsvergunning Wabo onderdeel milieu) verleend. Deze vergunning is op 10 februari 2009 geactualiseerd. Op grond van deze vergunning mag de volgende veebezetting gehouden worden:
Vigerende vergunning:
10-2-2009 Stalsysteem
Stal
1 tm 6
Emissiepunt
Diercategorie
Aantal dieren
Rav. Code
(groot-) ouderdieren van vleeskuikens in
51000
E 3.100
Ammoniakemissie
BWL / BB code
Omschrijving
Kg NH3 per dierplaats*
Kg NH3 totaal
0
Overige huisvestingssystemen
0,25
12750
Totaal:
12750
Geuremissie
Fijnstofemissie
Fijnstof g OUe per PM10/ dierOUe totaal dier/jaar** plaats** * 0,18
9180
9180
23
Fijnstof totaal
1173000
1173000
* emi s s i e i n kg NH3 per di erpl a a ts per ja a r vol gens de Regel i ng a mmoni a k en veehouderi j ** geuremi s s i efa ctor i n odour uni ts per s econde per di er vol gens de Regel i ng geurhi nder en veehouderi j
** fi jn s tofemi s s i e (g PM10/di er/ja a r) vol gens de l i js t ‘Emi s s i efa ctoren fi jn s tof voor veehouderi j’ op ri jks overhei d.nl
In 2001 is door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor de huidige bedrijfsopzet een vergunning verleend voor een totale ammoniakemissie van 12.750,0 kg. Deze vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming is gebaseerd op / verleend conform de destijds geldende Hinderwetvergunning uit 1986 (51.000 opfokdieren). De betreffende stukken (WNB vergunning 2001 + vergunning incl. bijlagen uit 1986 en 2009) zijn als bijlage 1 & 2 toegevoegd.
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
6
3.
TOETSING BESTAANDE RECHTEN // BELEIDSREGELS INTERN SALDEREN
REALISATIE BEDRIJFSGEBOUWEN // STALLEN Binnen de inrichting / pluimveehouderij aan de Grondhuttenweg 14 te Bentelo zijn, zoals ook uit navolgende luchtfoto uit 2019 kan worden afgeleid, alle bedrijfsgebouwen / stallen voor het houden van dieren gerealiseerd conform de vigerende vergunningen uit 1986 en 2009.
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
7
4.
OMVANG GEWENSTE BEDRIJFSSITUATIE
De gewenste bedrijfsopzet voor de veehouderij aan de Grondhuttenweg 14 te Bentelo is in onderstaande tabel weergegeven. De plattegrondtekening van de gewenste bedrijfsopzet is als bijlage 1 toegevoegd. In de gewenste situatie worden 4 bestaande stallen gesloopt en 3 stallen herbouwd. Daarnaast wordt een bestaande stal emissiearm uitgevoerd en andere bestaande stal wordt in gebruik genomen voor het houden van zoogkoeien. AANVRAAG 2020 E m i Stal Diercategorie s s i (groot-) 4 ouderdieren van vleeskuikens in (groot-) 1 ouderdieren van vleeskuikens in (groot-) 2 ouderdieren van vleeskuikens in (groot-) 3 ouderdieren van vleeskuikens in 5
Zoogkoeien
Stalsysteem Aantal dieren
Rav. Code
7140
E 3.3
28330
E 3.7
28330
E 3.7
28330
E 3.7
30
A 2.100
Ammoniakemissie
Geuremissie
Fijnstofemissie
Fijnstof g OUe per PM10/ dierOUe totaal dier/jaar** plaats** *
BWL / BB code
Omschrijving
Kg NH3 per dierplaats*
Kg NH3 totaal
BWL 2005.10.V6
stal met mixluchtventilatie
0,114
813,96
0,18
1285,2
23
164220
0,129
3654,57
0,18
5099,4
13,8
390954
0,129
3654,57
0,18
5099,4
13,8
390954
0,129
3654,57
0,18
5099,4
13,8
390954
4,1
123
0
0
86
2580
Totaal:
11900,67
stal met warmteheaters met & E 7.4 BWL luchtmengsysteem voor droging 2010.29V2 / 40% strooisellaag stal met warmteheaters met & E 7.4 BWL luchtmengsysteem voor droging 2010.29V2 / 40% strooisellaag stal met warmteheaters met & E 7.4 BWL luchtmengsysteem voor droging 2010.29V2 / 40% strooisellaag 0
overige huisvestingssystemen
* emi s s i e i n kg NH3 per di erpl a a ts per ja a r vol gens de Regel i ng a mmoni a k en veehouderi j ** geuremi s s i efa ctor i n odour uni ts per s econde per di er vol gens de Regel i ng geurhi nder en veehouderi j ** fi jn s tofemi s s i e (g PM10/di er/ja a r) vol gens de l i js t ‘Emi s s i efa ctoren fi jn s tof voor veehouderi j’ op ri jks overhei d.nl
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
8
16583,4
Fijnstof totaal
1339662
5.
INVOERGEGEVENS
INVOERGEGEVENS AERIUS-CALCULATOR 4.1 WNB-referentie situatie De invoergegevens voor de WNB-vergunde situatie zijn als volgt overgenomen uit de vigerende milieuvergunning uit 1986&2009: •
Stal A:
emissiepunthoogte = 6,0 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,5 m. • Uittreedsnelheid: 4,0 m./sec
•
Stal B:
emissiepunthoogte = 6,0 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,5 m. • Uittreedsnelheid: 4,0 m./sec
•
Stal C:
emissiepunthoogte = 6,0 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,5 m. • Uittreedsnelheid: 4,0 m./sec
•
Stal D:
emissiepunthoogte = 6,0 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,5 m. • Uittreedsnelheid: 4,0 m./sec
•
Stal E:
emissiepunthoogte = 6,0 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,5 m. • Uittreedsnelheid: 4,0 m./sec
•
Stal F:
emissiepunthoogte = 7,2 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,5 m. • Uittreedsnelheid: 4,0 m./sec
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
9
4.2 Gewenste situatie Conform de instructiegegevens van TAUW d.d. 18 mei 2016 zijn de invoergegevens voor de gewenste bedrijfsopzet als volgt: •
Stal 1/2/3:
emissiepunthoogte = 8,9 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,8 m. • Uittreedsnelheid: 4,0 m./sec
•
Stal 4:
emissiepunthoogte = 7,2 m. • Geforceerde mechanische ventilatie • Diameter: 0,5 m. • Uittreedsnelheid: 0,4 m./sec (koker met regenkap)
•
Stal 5:
emissiepunthoogte = 5,0 m. • Natuurlijke nokventilatie
4.3 Externe vervoersbewegingen Provincie Overijssel heeft aangegeven dat naast stalemissies ook vervoersbewegingen meegenomen moeten worden in AERIUS2022. Deze emissies veranderen in de gewenste situatie nagenoeg niet ten opzichte van de vigerende situatie. Ten aanzien hiervan kan nog worden opgemerkt dat de voertuigen die ten tijde van het verlenen van de vigerende vergunning in 1986/2009 gebruikt werden intussen vervangen zijn door nieuwere voertuigen met efficiëntere motoren. Hierdoor daalt de emissie van deze voertuigen. Om echter het worst-case scenario aan te houden, zijn de huidige vervoersbewegingen bij zowel de vigerende situatie als de gewenste situatie als volgt ingevoerd: Vervoersmiddel
Per etmaal
Licht verkeer
5
Middelzwaar verkeer
1
Zwaar vrachtverkeer
3
De externe vervoersbewegingen betreffen bijvoorbeeld het transport van dieren, veevoeder en mest en de auto’s van de medewerkers. Aangezien er een bedrijfswoning op het perceel aanwezig is, is er ook sprake van vervoersbewegingen van bezoekers / leveranciers.
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
10
4.4 Interne vervoersbewegingen Provincie Overijssel heeft aangegeven dat naast stalemissies en aan- en afvoerbewegingen ook vervoersbewegingen op het bedrijf zelf meegenomen moeten worden in AERIUS. Deze emissies veranderen in de gewenste situatie nagenoeg niet ten opzichte van de vigerende situatie. Voorts kan ten aanzien van de interne vervoersbewegingen nog opgemerkt worden dat de tractoren / vrachtwagens die ten tijde van het verlenen van de vigerende vergunning in 1986/2009 gebruikt werden intussen vervangen zijn door nieuwere tractoren met efficiëntere motoren. Hierdoor daalt de emissie van deze voertuigen. Om echter het worst-case scenario aan te houden, is de emissie van de interne vervoersbewegingen bij de vigerende situatie als de gewenste situatie aan elkaar gelijk gesteld. De interne vervoersbewegingen zijn weergegeven in onderstaande tabel: Interne vervoersbewegingen · vigerende situatie
Totale NOx-emissie per jaar (in kg): NO
Type werktuig
Brandstof
Tractor / shovel
41,44
Vermogen Belasting Efficiëntie X X emissiefactor Draaiuren (kW) (%) (gram/kWh) (gram/kWh) (kg/jaar)
Diesel
70
40%
255
emissiefactor
NO
3,7
400
41,44
Totaal:
41,44
4.5 Overige bronnen Naast vervoersbewegingen zijn er op het bedrijf zelf nog meer NOx-bronnen, zoals gasheaters, aanwezig. Deze emissies (gasverbruik) veranderen in de gewenste situatie nagenoeg niet noemenswaardig ten opzichte van de vigerende situatie. Inmiddels zijn de heaters die werden gebruikt ten tijde van het verlenen van de vigerende vergunning in 1987/2007 vervangen door energiezuinige heaters met een hoger rendement. Om echter het worst-case scenario aan te houden, is de emissie van het aardgasverbruik in de vigerende situatie als de gewenste situatie aan elkaar gelijk gesteld. In onderstaande tabel in een overzicht van deze (punt)bronnen weergegeven.
Overige bronnen Type puntbron Heaters (aardgas)
Totale NOx-emissie per jaar (in kg): NO
Brandstof Verbruik (m3 per jaar) Aardgas
10.000
7,00
X emissiefactor NOX emissiefactor (mg/m3) (kg/jaar) 70 7,00 Totaal:
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
11
7,00
5.
BEREKENINGEN EN CONCLUSIE
Op grond van de berekeningen kan het volgende worden geconcludeerd: • De hoogste projectbijdrage vindt plaats op het gebied ‘Lonnekermeer’; • De totale bijdrage in de gewenste situatie bedraagt 1,63 mol/ha/jaar; • Afname ammoniakemissie en -depositie in gewenste situatie t.o.v. vergunde situatie / referentie • In de gewenste situatie is geen sprake van een toename van de stikstofdepositie => het resultaat van de verschilberekening = 0,00 mol. De berekende toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura2000 gebied Korenburgerveen komt voort uit de werkingssfeer /maximale zone van 25 kilometer zoals verwerkt in Aerius-calculator 2022. Uit de verschilberekening blijkt evident dat, deze toename optreed op rekenpunten in dit N2000 gebied op de grens van deze 25 kilometerzone. • Provincie Overijssel (GS) is bevoegd gezag.
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 4:
Plattegrondtekening gewenste bedrijfsopzet Vergunning 1986 en 2009 AERIUS verschilberekening 2022 AERIUS berekening gewenste situatie (2022) Machtiging
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
12
Bijlage 1:
Plattegrondtekening gewenste bedrijfsopzet
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
13
20-01-2022
Bijlage 2:
Vergunning 1986 en 2009
Verzoek VVGB – Grondhuttenweg 14 te Bentelo
14
:
Directie Oost
> ci
5-
1i 1i
w
— .
cv
.-
cv
GLNT
NGEKOMEN
't k UVb 2C31
-c ci
-ø
5-
De heer A.J.S. Fluftert Grondhuttenweg 14 7497 NE BENTELO
z
Landbouw, natuurbeheer
0
-a
en Visserij
-D (0 —J ons kenmerk
datum
14-06-2001
uw brief van
uw kenmerk
TRCO/3548/HTK
09-11-2001
onderwerp
doorkiesnummer
bijlagen
vergunning ex art. 12 Natuurbeschermingswet
0570-668822
-
Geachte heer Fluttert, Op is juni 2001 hebben Gedeputeerde Staten namens de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een aanvraag van de heer Ai.S. Fluttert, Grondhuttewweg Benteto om vergunning op grond van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor het bedrijfsmatig houden van pluimvee op het bedrijf aan de Grondhuttenweg 14 in ontvangst genomen. Naar aanleiding van de gevraagde vergunning deel ik u het volgende mede. Gelet op artikel 13, lid 2 van de Natuurbeschermingswet was voor de desbetreffende aanvraag een verlenging van de in de wet genoemde termijn van drie maanden aan de orde. Bij schrijven d.d. S september 2001 (kenmerk LNL/2001/2077) is deze verlenging aan betrokkene meegedeeld.
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Directie Oost Verzetslaan 30 Postadres: Postbus 554
7400 AN Deventer Telefoon: 0570 - 668888
Adviezen/zienswijzen. Overeenkomstig het bepaalde in de Natuurbeschermingswet heb ik Burgemeester en Wethouders van Hof van Twente (B&W) in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de gevraagde vergunning. Verder is, overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan Natuur en Milieu Overijssel, de Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (GLTO), Stichting Twickel en Milieudefensie Landbouw Twente (Milieudefensie) verzocht om hun zienswijze kenbaar te maken.
Fax: 0570 - 668866
B&W geven in het afgegeven advies weer dat voor de inrichting aan de Grondhuttenweg 14 op 23 december 1986 een revisievergunning is verleend voor het houden van 51.000 ouderdieren van vleeskuikens in opfok overeenkomend met een ammoniakemissie van 12.750 kg hetgeen overeenkomt met een depositie van 550,8 mol op het dichtstbij gelegen natuurmonument. Na 23 december 1986 is de vergunde situatie niet meer gewijzigd. Gelet op het feit dat er geen sprake is van een toename van de depositie op het natuurbeschermingswet gebied, zijn B&W van mening dat de vergunning in het kader van de natuurbeschermingswet kan worden verleend. Stichting Twickel geeft aan geen bezwaar te hebben tegen de verlening van de Natuurbeschermingswet vergunning. De milieudruk blijft volgens Stichting Twickel onder
Datum
Kenmerk
Vervolgblad
09-11-2001
TRCO/3548/HTK
2
het niveau dat in de beleidslijn is vastgesteld en op het waterbeheer wordt niet ingegrepen. Milieudefensie geeft aan dat de aan hen opgestuurde stukken onvoldoende zijn om een goede beoordeling te kunnen maken. Op grond van de aan hen opgestuurde stukken is het onduidelijk voor welke situatie eigenlijk vergunning wordt gevraagd. Meitellingen of telgegevens op grond van de mestwetgeving ontbreken bij de aanvraag. Niet is aangetoond welk veebestand aanwezig was op het moment van aanwijzing van "Het Boddenbroek". Volgens Milieudefensie dienen aanvragen die niet voldoende zijn, niet ontvankelijk te worden verklaard. Verder is Milieudefensie van mening dat in de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet voor veehouderijbedrijven niet alleen de depositiewaarde voor ammoniak vastgelegd moet worden maar ook de emissiewaarde en het veebestand. Als alleen een vergund depositieplafond wordt vastgelegd kan een veehouderijbedrijf volgens Milieudefensie nog steeds uitbreiden in emissie en/of dieren, dit is volgens Milieudefensie niet wenselijk in verband met de reeds zeer hoge achtergronddepositie van ammoniak in het gebied. Milieudefensie is van mening dat met deze achtergronddepositie in de beoordeling van de vergunningsaanvraag ook rekening moet worden gehouden.
Ook is Milieudefensie van mening dat niet zonder meer een vergunning verleend behoort te worden, maar dat er moet worden overwogen welke emissiereducerende maatregelen opgelegd kunnen worden. Het bedrijf veroorzaakt immers een aanzienlijke ammoniakuitstoot in de onmiddellijke nabijheid van uitgestrekte natuurgebieden van Twicket. Deze gebieden behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur. Het gaat om natte heidevelden en vennen in de Bentelerheide en de Bentelerzijde met lage belastbaarheid (critical bad) voor ammoniakdepositie. Weliswaar zijn deze gebieden niet als beschermd natuurmonument aangewezen, maar de voorkomende waarden zijn volgens Milieudefensie minstens zo belangrijk als die van het Boddenbroek. Milieudefensie vreest dat o.a. leefgebieden van beschermde planten en dieren door de hoge ammoniakdepositie in hun voortbestaan worden bedreigd, met name de beschermde amfibieën en reptielen. Er behoort volgens Milieudefensie een grondig onderzoek gedaan te worden naar deze nadelige invloeden.
Natuur en Milieu Overijssel en de GLTO hebben geen zienswijze afgegeven. Overwegingen. Algemene overwegingen: Ingevolge artikel 12 van de Natuurbeschermingswet bestaat een individuele vergunningpticht voor het verrichten, doen verrichten of gedogen van handelingen die het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke waarden van, krachtens deze wet, aangewezen natuurmonumenten kunnen schaden en die de wezenlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Mede gelet op bestaande jurisprudentie, strekt de bescherming op grond van de Natuurbeschermingswet zich ook uit tot schadelijke handelingen buiten een in dit kader aangewezen gebied: de zogenaamde externe werking. Het belang dat de Natuurbeschermingswet beoogt te beschermen betreft mede een, in dat kader en op dat belang toegesneden, afweging van de schadelijkheid van de
Datum
Kenmerk
Vervolgblad
09-41-2001
TRCO/3548/HTK
3
ammoniakdepositie. Deze afweging staat daarbij [os van de afweging die terzake op grond van de Interimwet ammoniak en veehouderij/Wet milieubeheer wordt gemaakt. In de uitvoeringspraktijk omtrent de relatie ammoniak en natuurbescherming is er in Overijssel van uitgegaan dat bestaand gebruik rond natuurmonumenten kon worden gecontinueerd. Aan de externe werking zou in dit kader geen vervolg worden gegeven. Nu jurisprudentie anderszins heeft uitgewezen, zal aan de vergunningp[icht in deze (alsnog) gevolg gegeven moeten worden. Specifieke overwegingen ten aanzien van het Beschermd Natuurmonument "Het Boddenbroek". Bij beschikking, d.d. 5 februari 1991, werd het gebied, bekend onder de naam "Heideterreinen op Twicket" door de toenmalige staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen tot beschermd natuurmonument volgens artikel 7 van de Natuurbeschermingswet. Het natuurmonument bestaat uit natte heideterreinen, vennen en broekbossen met langs de randen loof- en naaldbossen. Het gebied is als zodanig aangewezen vanwege de vegetatiekundige en floristische rijkdom. Verder is het monument in faunistisch opzicht van betekenis door het voorkomen van een groot aantal vogelsoorten.
Wezenlijke kenmerken zijn verder de geomorfo[ogische structuur, de opbouw van het bodemprofiel, de gevarieerde opbouw, de voor de fauna noodzakelijke rust en de door het vroegere gebruik tot stand gekomen terreingesteldheid. Het terrein "Het Boddenbroek" maakt onderdeel uit van dit Beschermde Natuurmonument. In een bijlage die was toegevoegd aan de toelichting behorende bij de beschikking tot aanwijzing is onder andere over het terrein "Het Boddenbroek" het volgende vermeld. "Ondanks dat "Het Boddenbroek" geïsoleerd ligt en klein is (slechts 4,8 ha), herbergt het zeer bijzondere natuurwaarden. Naast hakhoutbroekbosjes en grovedennenbossen zijn er ook op kleine schaal heideveldjes, vennen en schraallandjes te vinden. Deze schraatlandjes zijn de Laatste op het landgoed en enkele van de zeer weinige in Twente. In de schraallandjes komt een aantal zeer bijzondere plantensoorten voor (onder andere Blonde en Vtozegge, Alpenrus en Waterpunge).". Verder wordt onder andere nog aangegeven dat door herinvoering van het zeer kleinschalige beheer dit unieke natuurgebiedje behouden kan blijven en naar verwachting een deel van de in het recente verleden verdwenen (zeer) zeldzame planten zich zal kunnen hervestigen, mits nivellerende invloeden uit de omgeving geweerd kunnen worden.
Sinds 1991 zijn er beheersmaatregelen in het terrein uitgevoerd waardoor de vegetatie zich zeer positief heeft ontwikkeld. Door het aanvullende beheer in de afgelopen jaren is het oppervlak van deze vegetaties toegenomen en hebben deze zich verder ontwikkeld. Srecifieke overweaincien ten aanzien van ammoniakdepositie van veehouderiibedriiven. Uitgangspunt in het beleid dat ik voorsta ten aanzien van natuurbescherming waar het de ammoniakdepositie van veehôuderijbedrijven betreft, is dat de ammoniakdepositie het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van een natuurmonument niet mag schaden. Van schade is in ieder geval sprake indien de ammoniakdepositie de in de
Datum
Kenmerk
VervoLgblad
09-11-2001
TRCO/3548/HTK
4
beschikking tot aanwijzing van het natuurmonument genoemde wezenlijke kenmerken van het natuurmonument aantast. In het kader van de Wet milieubeheer is voor de bepaling van de ammoniakdepositie de Interimwet ammoniak en veehouderij (tav) het exclusieve toetsingskader. Waar het de ammoniakdepositie van veehouderijbedrijven op een Beschermd Natuurmonument betreft, sluit ik in de bepaling voor de ammoniakdepositie op grond van de Natuurbeschermingswet aan bij de berekeningsgrondslag van de Iav en de hierop gebaseerde regelgeving. Hoewel ik ook omtrent de bepaling van de toelaatbaarheid van de schade aansluiting bij de voornoemde regelgeving zoek, betekent dit mijns inziens niet dat hiermee de eigenstandige positie van de Natuurbeschermingswet wordt verlaten. Te allen tijde moet elke aanvraag individueel worden beoordeeld op de schadelijkheid voor de wezenlijke kenmerken voor het desbetreffende natuurmonument. Met betrekking tot het voorgaande mag de toelaatbare ammoniakdepositie op een natuurmonument in principe niet meer zijn dan wat via de natuurlijke achtergronddepositie reeds op deze terreinen terechtkomt. Een individueel veehouderijbedrijf mag daar in beginsel niets aan toevoegen. Hierbij hoeft niet de eis te worden gesteld dat tussen de te vergunnen handeling en de te verwachten schade een sterk en direct causaal verband bestaat.
In de praktijk zou dit betekenen dat de gelding van de externe werking van de Natuurbeschermingswet oneindig groot wordt. Derhalve wordt door mij voor de vergunningverLening op grond van de Natuurbeschermingswet, in aansluiting op hetgeen de voornoemde Memorie van Antwoord bij de tav hieromtrent stelt, ter beperking van de externe werking aangesloten bij de depositiewaarde die in de tav is aangegeven, te weten 15 mol per hectare per jaar. Door de depositiewaarde als berekeningsgrondslag te nemen voor de bepaling van de schadelijkheid van de handeling voor het natuurmonument, is de afstand van het veehouderijbedrijf tot het natuurmonument in principe relatief. Bovendien kan deze afstand een andere zijn dan de afstand tot het voor verzuring gevoelige gebied op grond van de Wet milieubeheer. De bepaling van de ammoniakdepositie die het veehouderijbedrijf veroorzaakt, veroorzaakte of mocht veroorzaken vindt plaats naar aanleiding van (vergund) milieurecht. Hierbij is het geldend recht uitgangspunt: wijzigingen in wet- en regelgeving, waaronder de Iav en de hierop gebaseerde uitvoeringsregeling(en) en de hierbij gevormde jurisprudentie, na datum van vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer/tav, zijn voor de beoordeling bepalend. Aldus is het moment van besLuit/beschikking op grond van de Natuurbeschermingswet bepalend voor de van toepassing zijnde regelgeving.
Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met eventuele van rechtswege vervallen rechten (artikel 8.18 van de Wet milieubeheer en artikel 27 van de Hinderwet). De vergunningverlening Natuurbeschermingswet heeft niet tot doel een bepaalde inrichting van een stal te realiseren of een bepaald aantal dieren te houden, maar om de schadelijke werking van de depositie op het natuurmonument af te wegen. Dat voor de bepaling van de NH3-depositie gebruik wordt gemaakt van de berekeningsgrondslag uit de tav is van een andere orde. Wijzigingen of ontwikkelingen in de toekomst betekenen niet dat bestaande emissies of deposities tot in lengte van jaren worden beschermd. Hiermee zou een in de toekomst nog nauwelijks aantastbaar miLieuvervuilingsrecht worden
Datum
Kenmerk
Vervolgblad
09-11-2001
TRCO/3548/HTK
5
gecreëerd hetgeen in het licht van de Natuurbeschermingswet die, in tegenstelling tot de Iav, het terugdringen van (te hoge) ammoniakemissies en -deposities uitdrukkelijk tot doel heeft, niet staande kan worden gehouden. Elke wijziging in activiteiten successievelijk milieuvergunning/melding betekent een aparte en eigenstandige afweging in het kader van de Natuurbeschermingswet. Vaststelling van de ammoniakdepositie Grondhuttenweg 14. Op 23 december 1986 is voor het bedrijf aan de Grondhuttenweg 14 een revisievergunning verleend voor het houden van 51.000 ouderdieren van vleeskuikens in opfok. Na 23 december 1986 is de vergunde situatie niet meer gewijzigd. De verleende vergunning komt overeen met een emissie van 12.750 kg NH3. Uit metingen die zijn uitgevoerd door de provincie en de gemeente Hof van Twente is de afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting tot het Natuurbeschermingswetgebied "Het Boddenbroek" bepaald op 460 meter. Dit komt overeen met een depositie van 550,8 mol (depositiefactor 0.0432) op het Beschermde Natuurmonument "Het Boddenbroek". BEOORDELING. Het pluimveehouderijbedrijf, gelegen aan de Grondhuttenweg 14, veroorzaakt een ammoniakdepositie van meer dan 15 mol per hectare per jaar op "Het Boddenbroek".
Mijns inziens is er derhalve sprake van een schadelijke handeling in de zin van artikel 12 van de Natuurbeschermingswet en is een beoordeling in het kader van de vergunningplicht ex artikel 12 van de Natuurbeschermingswet derhalve aan de orde. De onderhavige aanvraag heeft betrekking op agrarische bedrijfsuitoefening waarvoor op 23 december 1986 een revisievergunning is verleend. Op basis van deze vergunning veroorzaakt of mag het bedrijf een ammoniakdepositie veroorzaken op het "Het Boddenbroek" van 550,8 mol per hectare per jaar. Een dergelijke omvang van de ammoniakdepositie levert mijns inziens een bijdrage aan een (verdere) verzuring (en eutrofiëring) van het gebied. Vanuit het oogpunt van natuurbescherming acht ik bescherming tegen deze negatieve effecten van de ammoniakdepositie derhalve benodigd. Niettemin zie ik in dit geval aanleiding de schade als een toelaatbare te moeten zien. Het gaat om de volgende redenen. Het bedrijf is sinds 23 december 1986 op de huidige locatie gevestigd. Na 23 december 1986 zijn er geen nieuwe vergunningen aangevraagd c.q. verleend. In dit gegeven zie ik aanleiding om van een continuering van bestaand gebruik vanaf de datum aanwijzing van het natuurmonument, d.d. 15 februari 1991, te spreken.
Verder zijn van overheidswege richting het desbetreffende pluimveehouderijbedrijf tot medio 2000 geen stappen ondernomen om op een vergunning ex artikel 12 van de Natuurbeschermingswet aan te dringen of is althans geen passende actie terzake ondernomen. Nu tot deze datum niet op de vergunningplicht is gewezen of meer nog vanuit de achtergrond dat de bestaande bedrijvigheid in dit kader zou kunnen worden gecontinueerd, ben ik van mening dat dit heeft bijgedragen aan het plegen van investeringen op het desbetreffende bedrijf.
Datum
Kenmerk
09-11-2001
TRCO/3548/HTK
Vervolgblad
Deze investeringen zijn mijns inziens niet vanuit een onzorgvuldig handelen gepleegd, omdat bij deze investeringen niet op de vergunningplicht ex artikel 12 van de Natuurbeschermingswet is gewezen. Verder ben ik van mening dat de natuurwetenschappelijke waarden van het gebied "Het Boddenbroek" door het uitvoeren van interne maatregelen en het voeren van een intensief beheer in de afgelopen jaren sterk zijn toegenomen. Sinds 1991 zijn er beheersmaatregelen in het terrein uitgevoerd waardoor de vegetatie zich zeer positief heeft ontwikkeld. Door het aanvullende beheer in de afgelopen jaren is het oppervlak van deze vegetaties toegenomen en hebben deze zich verder ontwikkeld. In het licht van het voorgaande ben ik, met Stichting Twickel en de gemeente Hof van Twente van mening dat de vergunning ex artikel 12 van de Natuurbeschermingswet kan worden verleend voor de aangevraagde activiteiten met betrekking tot de inrichting op perceel Grondhuttenweg 14. Met betrekking tot het door Milieudefensie aangehaalde argument dat de toegezonden stukken onvoldoende zijn en derhalve de aanvraag als niet ontvankelijk moet worden verklaard merk ik het volgende op. Bij de bepaling van de ammoniakdepositie die het veehouderijbedrijf veroorzaakt, veroorzaakte of mocht veroorzaken ga ik uit van het vergunde milieurecht.
Hierbij is het geldend recht uitgangspunt: wijzigingen in wet- en regelgeving, waaronder de Iav en de hierop gebaseerde uitvoeringsregeling(en) en de hierbij gevormde jurisprudentie, na datum van vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer/Iav, zijn voor de beoordeling bepalend. Aldus is het moment van besluit/beschikking op grond van de Natuurbeschermingswet bepalend voor de van toepassing zijnde regelgeving. Omdat voor het desbetreffende bedrijf na de verleende revisievergunning geen nieuwe vergunning meer is verleend, dient deze vergunning van 23 december 1986 naar mijn mening uitgangspunt te zijn voor de te verlenen Natuurbeschermingswetvergunning. Bij de bepaling van de ammoniakdepositie die het betreffende pluimveehouderijbedrijf veroozaakt sluit ik aan bij de berekeningsgrondslag van de Iav en de hierop gebaseerde regelgeving. De bij de vergunning gevoegde stukken bevatten naar mijn mening voldoende gegevens om conform deze berekeningsgrondslag te beoordelen hoeveel depositie het betreffende bedrijf veroorzaakt op het natuurmonument. Naar aanleiding hiervan ben ik in tegenstelling tot hetgeen Milieudefensie opmerkt van mening dat de aanvraag terecht in behandeling is genomen en aldus beoordeeld kan worden voor de NH3-depositie op "Het Boddenbroek".
Met betrekking tot de mening van Milieudefensie dat niet alleen de depositie van ammoniak moet worden vastgelegd maar ook de emissiewaarde en het veebestand merk ik op dat ik deze mening niet deel. Naar mijn mening is namelijk de ammoniakdepositie die een bedrijf veroorzaakt op een natuurmonument de af te wegen handeling. Deze ammoniakdepositie op een natuurmonument kan namelijk de natuurwetenschappelijke betekenis van een natuurmonument schaden. Daarom ben ik van mening dat de depositiewaarde als berekeningsgrondslag moet worden genomen voor de bepaling van de schadelijkheid en niet de emissiewaarde en het veebestand.
Datum
Kenmerk
Vervolgblad
09-11-2001
TRCO/3548/HTK
7
Met betrekking tot de door Milieudefensie aangehaalde achtergronddepositie merk ik op dat ik ten aanzien van de gehanteerde berekeningswijze aansluit bij de berekeningsgrondslag van de Iav. Dit overigens zonder hiermee de eigenstandige positie van de Natuurbeschermingswet te willen verlaten. Aangezien factoren met betrekking tot (een) achtergrondbelasting niet in de berekeningswijze zijn voorzien, zijn deze niet bij de vaststelling van de NH3-depositie betrokken c.q. heb ik deze niet beoordeeld in de individuele vergunning voor veehouderij bedrijven.
Met betrekking tot de opmerking van Milieudefensie dat moet worden overwogen welke emissiereducerende maatregelen opgelegd kunnen worden, ben ik van mening dat de veroorzaakte ammoniakschade van veehouderijbedrijven waarvan de agrarische bedrijfsuitoefening sinds 1 januari 1997 geen wijziging heeft ondergaan als een voldongen feit moet worden geaccepteerd. Aan dergelijke veehouderijbedrijven die eventueel benodigde aanpassingen en investeringen hebben gerealiseerd en die over een onherroepelijke milieuvergunning beschikken dienen naar mijn mening geen verdergaande beperkingen te worden opgelegd. Naar aanleiding van het vermelde in de zienswijze van Milieudefensie over mogelijke ammoniakschade veroorzaakt op overige natuurgebieden die niet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument merk ik op dat ik dit in een beoordeling in dit kader niet kan meewegen omdat deze zaken betrekking hebben op gebieden die niet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument. In het kader van de vergunningverlening ex artikel 12 Natuurbeschermingswet vormen de schadelijke handelingen op een beschermd natuurmonument namelijk het uitgangspunt. BESLUIT Op grond van mijn beoordeling met betrekking tot de door de heer A.J.S.
Fluttert ingediende aanvraag voor een vergunning ex artikel 12 van de Natuurbeschermingswet voor het bedrijfsmatig houden van ouderdieren van vleeskuikens in opfok in de inrichting Grondhuttenweg 14 verleen ik de vergunning voor een maximale depositie van 550,8 mol op "Het Boddenbroek", onderdeel uitmakend van het Beschermde Natuurmonument "Heideterreinen op Twickel". BEZWAAR Een belanghebbende kan tegen dit besluit binnen zes weken ingaande op de dag na toezending van voorgenoemd besluit bij de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, p.a. provincie Overijssel, Postbus 10078, 8000 GB Zwolle een bezwaarschrift indienen. Het bezwaarschrift dient te worden ondertekend en bevat ten minste: a. naam en adres; b. de dagtekening; C. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar zich richt; d. de gronden van het bezwaar. Voor inlichtingen over de bezwaarschriftenprocedure kunt'u zich wenden tot de provinciale medewerker de heer G. Mensink, telefoonnummer 038 425 24 28.
Datum
Kenmerk
Vervoigbiad
09-11-2001
TRCO/3548/HTK
8
De mogelijkheid bestaat, om in gevat van onverwijlde spoed, een voorlopige voorziening te vragen bij de voorzitter Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Voorwaarde voor het vragen van een voorlopige voorziening is dat u tevens een bezwaarschrift, zoals hiervoor vermeld, bij de staatssecretaris heeft ingediend. Voor het in behandeling nemen van een verzoek om een voorlopige voorziening is griffierecht verschuldigd. Deze vergunning is de eerste zes weken nog niet geldig. De werking van deze vergunning blijft namelijk opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken (artikel 19 Lid 2 van de Natuurbeschermingswet); deze beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na verzending van deze brief (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). Indien beroep (c.q. bezwaar) wordt ingesteld blijft de werking van deze vergunning opgeschort totdat op het beroep (c.q. het bezwaar) is beslist.
DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ, voor deze, DE PLAATSVERVANGD DIRECTUR—--II
m o-
CC:
Gedeputeerde Staten van Overijssel Burgemeester en Wethouders van Hof van Twente Natuur en Milieu Overijssel Stichting Twickel Gewestelijke Land- en Tuinbouw Organisatie te Deventer Milieudefensie Landbouw Twente afd. rechtsbescherming directie Juridische Zaken de heer Th. van Eijsden, directie Natuurbeheer
nr. 16/86 Burgemeester en wethouders der gemeente Ambt Delden; gelezen het verzoek d.d. 30 juni 1986 van de heer A.J.S. Fluttert, wonende Grondhuttenweg 14 te Bentelo, om vergunning ingevolge de Hinderwet voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning in verband met uitbreiding van zijn pluimveebedrijf op het perceel kadastraal bekend gemeente Ambt Delden, sectie D, nummers 2846 en 2847; overwegende: dat de uitbreiding een vermeerdering betreft van het aantal opfokslachtkuikenouderdieren met 19.000 en het oprichten van een kadaverkontainer; dat de aanvraag is gepubliceerd in het Deldens Weekblad van 6 augustus 1986; dat de openbare kennisgeving is verzonden aan de betrokken adviseurs en omwonenden; dat naar aanleiding hiervan d.d. 28 augustus jl. een bezwaarschrift is ingediend door de heer H.M. Grefte, Orondhuttenweg 9; dat dit bezwaarschrift tijdig is ingediend en derhalve ontvankelijk is; dat de volgende bezwaren worden aangehaald; 1. stankoverlast bij de woning tengevolge van: a. de opgerichte opslagloods die wordt gebruikt voor huisvesting van pluimvee, waardoor de afstand is verminderd tot 92 meter; b. gebruik van ontsmettingsmiddelen (vrijkomende gevaarlijke dampen); c. geplaatste kontainer voor opslag van kadavers; 2.
toezegging van aanvrager dat geen verdere uitbreidingen zouden plaats vinden; dat betrokkene zijn bezwaarschrift heeft toegelicht in de vergadering van de raadscommissie voor bezwaar- en beroepschriften van 3 november 1986; dat betrokkene tijdens die zitting meegedeeld heeft dat hij met aanvrager in het verleden de afspraak heeft gemaakt dat er een afstand in acht zou worden genomen van 150 meter tussen zijn pand en de op te richten bedrijfsbebouwing door de heer Fluttert; dat hem tijdens deze zitting werd meegedeeld dat deze afspraak werd gemaakt in verband met een eerder aangevraagde vergunning ingevolge de Hinderwet, die inmiddels is ingetrokken, zodat die afspraak bij de onderhavige hinderwetaanvraag juridisch niet relevant is te achten; - 2 -
-2dat in genoemde vergadering tevens is verschenen aanvrager met zijn adviseur, de heer Benschop; dat aanvrager mededeelde dat de uitbreiding van 19.000 kippen niet alle zullen worden gehuisvest in de nieuwe schuur; daarin worden slechts maximaal 6.000 dieren ondergebracht; dat de commissie adviseert de vergunning te verlenen en daaraan de voorwaarde te koppelen dat tenminste 2x per week de kadavers worden afgevoerd, en de bezwaren gedeeltelijk gegrond, ongegrond c.q. niet-ontvankelijk te verklaren; dat het bezwaar genoemd onder la gedeeltelijk betrekking heeft op het feit dat een opslagloods zal worden gebruikt voor huisvesting van pluimvee; dat het feit dat een bouwvergunning is verleend voor een opslagloods, doch dat deze thans een ander agrarisch gebruik krijgt, geen bezwaar is dat in het kader van de Hinderwet behoort te worden beoordeeld, zodat het niet-ontvankelijk moet worden geacht; dat het bedrijf door deze uitbreiding een totale omvang krijgt van 51.000 opfokslachtkuikenouderdieren, hetgeen overeenkomt met 1.134 mestvarkenseenheden; dat beoordeling kan plaats vinden aan de hand van categorie IV van de algemene richtlijnen ingevolge de brochure "Veehouderij en Hinderwet"; dat op grond hiervan bij voornoemde veebezetting een minimum-afstand is vereist van 92 meter; dat de werkelijke afstand van de schuur tot de woning van de heer Grefte 92 meter is, zodat wordt
voldaan aan de richtlijnen; dat op grond hiervan en door het stellen van voorwaarden kan worden aangenomen dat er geen onaanvaardbare overlast wordt ondervonden door betrokkene; dat het bezwaar met betrekking tot de te korte afstand dan ook ongegrond wordt geacht; dat het gebruik van ontsmettingsmiddelen behoort tot de normale bedrijfsvoering; dat aanvrager in genoemde hoorzitting heeft meegedeeld dat voor het schoonmaken van de hokken water en halamiet wordt gebruikt; dat van het gebruik van halamiet geen stank wordt ondervonden; dat tevens werd meegedeeld dat de hokken éénmaal per jaar worden uitgerookt met vloeibare formaline; dat gezien de frequentie van het gebruik hiervan geen sprake is van onaanvaardbaar gevaar, schade of hinder; dat het bezwaar genoemd onder lb daarom ongegrond moet worden verklaard; dat betrokkene in het bezwaarschrift aangeeft tevens stankoverlast te ondervinden van de kadaverkontainer; dat hieraan kan worden tegemoet gekomen door het stellen van de voowaarde dat de kadavers tenminste 2x per week moeten worden afgevoerd; dat dit bezwaar daarom gegrond moet worden verklaard; dat de toezeggingen van aanvrager dat geen verdere uitbreidingen zullen plaatsvinden, afspraken zijn van privaatrechtelijke aard; - 3 -
-3dat dit bezwaar bij de beoordeling van de Hinderwet, i.c. een publiekrechtelijke regeling, geen rol mag spelen; dat dit bezwaar, genoemd onder 2, dan ook niet-ontvankelijk moet worden geacht; dat de ontwerp-beschikking tot het verlenen van de vergunning d.d. 4 november 1986 is opgesteld; dat deze d.d. 11 november jl. werd verzonden aan aanvrager, de heer H.M. Grefte en de betrokken adviseurs; dat voornoemde ontwerp-beschikking werd gepubliceerd in het Deldens Weekblad van 12 november jl.; dat de betrokken adviseurs geen aanleiding hebben gezien opmerkingen te maken m.b.t. de ontwerp-beschikking zodat aangenomen mag worden dat zij zich met de inhoud kunnen verenigen; dat de heer H.M. Grefte naar aanleiding van bovengenoemde ontwerp-beschikking een bezwaarschrift, gedateerd 20 november 1986, ingekomen d.d.
21 november 1986, heeft ingediend; dat dit bezwaarschrift tijdig is ingediend en derhalve ontvankelijk is; dat hij in dit bezwaarschrift aangeeft bezwaren te hebben tegen de ontwerp-beschikking en tevens dat een nadere motivatie op korte termijn zal worden meegedeeld; dat betrokkene is opgeroepen voor de op 8 december 1986 gehouden vergadering van de raadscommissie voor bezwaar- en beroepschriften; dat op het moment dat deze vergadering werd gehouden de eerdergenoemde nadere motivatie nog niet was ontvangen; dat betrokkene in die vergadering meedeelde van mening te zijn dat hij bij het bepalen van de vereiste minimum-afstand ingevolge de brochure "Veehouderij en Hinderwet" als exploitant van een klein agrarisch bedrijf, niet in categorie IV moet worden beoordeeld; dat hij meende in categorie III te moeten worden beoordeeld, zodat de minimum afstand 100 meter zou moeten zijn; dat de bezwaarde mededeelde dat de redenen waarom de afstand tussen zijn bedrijf en dat van de heer Fluttert tenminste 100 meter zou moeten zijn, schriftelijk uiteen zouden gezet, doch dat dat helaas niet v66r het tijdstip van deze vergadering heeft kunnen plaats vinden; dat de commissie van oordeel is dat categorie IV steeds moet worden toegepast, wanneer in de naaste omgeving slechts agrarische bedrijven aanwezig zijn, waarbij de grootte van die agrarische bedrijven niet maatgevend is; dat de commissie
de bezwaarde desondanks in de gelegenheid wil stellen diens nadere motivatie op schrift te stellen en daarom besluit haar advies aan het gemeentebestuur één week op te schorten; dat de bezwaarde verklaart met elk der in de concept-vergunning opgenomen voorwaarden te kunnen instemmen, doch twijfelt of de aanvrager zich daaraan stipt zal houden; dat echter, de vrees dat een vergunninghouder zich niet of niet geheel houdt aan de opgelegde voorwaarden, geen grond mag zijn de vergunning te weigeren, doch dat in eventueel voorkomende gevallen passende maatregelen moeten worden getroffen; - 4 -
-4-dat de commissie bezwaar- en beroepschriften op 17 december 1986 opnieuw in vergadering bijeen is om een advies te geven m.b.t. dit bezwaarschrift; dat op die datum nog geen schrijven was ontvangen van de heer Grefte; dat de commissie adviseert, met inachtneming van het gestelde in de hoorzitting, de vergunning te verlenen conform de ontwerp-beschikking; dat d.d. 19 december 1986 een brief is binnengekomen van de heer Grefte, waarin hij zijn bezwaren uiteenzet; dat in die brief geen gezichtspunten naar voren komen, die niet reeds bij de bezwaren naar aanleiding van de aanvraag en in de hoorzittingen zijn beoordeeld; dat, gezien de ligging van het bedrijf ten opzichte van andere in de nabijheid gelegen bedrijven, geen onaanvaardbaar gevaar, schade of hinder valt te verwachten waaraan niet door het stellen van voorwaarden kan worden tegemoet gekomen; gelet op de Hinderwet; besluiten: I.
de bezwaren van de heer H.M. Grefte, voornoemd, gericht tegen de aanvraag genoemd onder: La: gedeeltelijk ongegrond c.q. niet-ontvankelijk te verklaren b: ongegrond te verklaren c: gegrond te verklaren 2.niet-ontvankelijk te verklaren;
II. de bezwaren van de heer H.M. Grefte, voornoemd, gericht tegen de ontwerpbeschikking d.d. 4 november 1986, ongegrond te verklaren; III. aan de heer A.J.S. Fluttert, voornoemd, vergunning te verlenen voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning in verband met uitbreiding van zijn pluimveebedrijf op het perceel kadastraal bekend gekend gemeente Ambt Delden, sectie D, nummers 2846 en 2847, overeenkomstig de hierbij gevoegde en gewaarmerkte voorwaarden. Bentelo, 23 december 1986. Burgemeester en wethouders voornoemd. De secretaris, De burgemee
n r.
16/86
Voorwaarden behorende bij de hinderwetvergunning ten name van: De heer A.J.S. Fluttert rondhuttenwegl4 7497-----------------------NE Bentelo
N.B. De met een 1 aangegeven voorwaarden zijn van toepassing. 0 1. Dunne mest, gier, spoel- en of schrobwater moeten uit de stal worden afgevoerd naar de hiertoe bestemde vloeistofdichte opslagruimte (kelder of silo). Indien deze opslagruimte niet onder de stal is gelegen moet het transport naar de opslagruimte geschieden door middel van een gesloten riool. De opslagruimte mag niet zijn voorzien van een overstort. De opslagruimte moet door middel van goed sluitende deksels of luiken gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het ledigen. • 2. Mest van pluimvee, geen dunne mest zijnde, moet worden opgevangen en bewaard, binnen de gebouwen van de inrichting. Na elke opfokperiode moet in de hokken aanwezige mest direct worden afgevoerd uit de inrichting. o 3. De in de stallen aanwezige vaste mest moet zoveel mogelijk
dagelijks worden verzameld en overgebracht naar de betonplaat, waarvan de plaats op de tekening is aangegeven. De stapeling van de mest op deze betonplaat moet op zodanige wijze geschieden, dat alle uittredende vocht of door middel van een ringgoot en een daarop aansluitend gesloten riool of middels een op afschot gelegde plaat of anderszins wordt afgevoerd naar de opslagruimte bedoeld in voorwaarde 1. • 4. Bij het verwijderen van mest en gier mag de omgeving niet worden verontreinigd. Transport van dunne mest en gier moet daarom geschieden in volledig gesloten tankwagens, die in een zindelijke staat moeten zijn. Vaste mest moet worden getransporteerd, in daarvoor geschikte transportmiddelen, die op correcte wijze zijn beladen. O 5. Het terrein van de inrichting mag niet worden bevloeid of op
andere wijze van een laag mest of gier worden voorzien. Deze bepaling is niet van toepassing bij het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk.
• 6. Mest en gier mogen niet via een overloop in een greppel, gegraven put of ander open basin kunnen geraken of daar op andere wijze worden gedeponeerd. N.B. Het lozen op sloten, kanalen of ander oppervlaktewater zonder vergunning (van het waterschap Regge en Dinkel) is verboden bij de Wet Verontreiniging oppervlaktewateren. -2-
GEMEENTE AMBT DELDEN
-2-
• 7.
Indien op de ventilatiekokers op het dak van de stal een regenkap is aangebracht moet deze zodanig zijn uitgevoerd, dat de luchtstroom naar boven gericht blijft.
• 8.
Ramen van stallen moeten, voorzover zij geen functie hebben voor de lucht~ inlaat in de stal, gesloten worden gehouden. Deuren moeten zelfsluitend zijn. Wanneer in de stallen dan wel op of nabij het erf ongedierte (zoals ratten, muizen of vliegen) worden waargenomen, dienen doelmatige bestrijdingsmaatregelen te worden genomen.
• 9.
• 10.
Het voer moet worden bewaard in uitsluitend voor dit doel gebezigde bewaarplaatsen, die rat- en muiswerend zijn uitgevoerd.
• 11.
Het pneumatisch vullen of doen vullen van voedersilo's en tankwagens als bedoeld in voorwaarde 4 is verboden tussen 20.00 en 7.00 uur. Hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van voedersilo's moet worden voorkomen door het via ontiuchting ontwijkende stof op doeltreffende wijze op te vangen.
• 12.
Kadavers van dieren mogen niet op het terrein van de inrichting worden begraven, zij dienen in afwachting van afvoer uit de inrichting te worden geborgen in een deugdelijke waterdichte verpakking, of in een goed gesloten speciaal daartoe bestemde ruimte.
S 13. De op het terrein van de inrichting aanwezige kadaverkontainer dient tenminste 2 x per week te worden geledigd. • 14. Op het terrein van de inrichting mag geen mest worden gedroogd of verbrand. $ 15. De electrische installatie mag geen storing veroorzaken in radioof televisie ontvangst. • 16. De inrichting moet te alle tijd in een schone en ordelijke toestand en de stallen en installaties in een goede staat van onderhoud verkeren.
Behoort bij besluit van burgemeester en wethouders d.d. De secretaris,
mc
i-------
I&rnvrl. 1-
-
--0 - -
""~1 7'*~ - X zong
--------------
Behoort bij besluit van Burgemeester en Wethoudo, .nr.
ockltro1ain2øht
AMBT D DEN
n
-
_3
n.
uN11986'\
.
tZ25c.
•
No. 161
2
-tL 2 foi
\i;
iccLej,.
OCAL
rf'jdÂj k kh'e4Qda1rQrs. c,FtaIc
Werknummer
1
Datum
2.85- 2
Grotestraat 19 - AA Diepenheim Lc;7 7478 1
Telefoon 05475 2000 1 Vorgerstraat 3 7496AT1-(engevetde Telefoon 05473 473 -
Schaal
Details
-
Opdrachtgever
-F4e.r4.
IZI be4.dj
o Harrie Ten Dam o Henk De Leeuw
A re- li itektenburo Ten Dam .De Leeuw •hbo
„„te
el
Iè'Hof van \ •Twente 0406
,0 Pluimveebedrijf Bentelo B.V. De heerA.J.S. Fluttert Grondhuttenweg 14 7497 NE Bentelo
Postbus 54 7470 AB Goor Telefoon: 0547 858585 Fax: 0547 858586 E-mail: info@hofvantwente.nl Website: www.hofvantwentenl
Uw brief van:
Uw kenmerk:
Ons kenmerk:
Datum:
Mpm 6464
17 februari 2009
Behandeld door:
Bezoekadres:
E. Bisaku
Verzonden:
de Höfte 7 Goor
FFR
Bijlage(n): Onderwerp:
Div. Beschikking actualisering voorschriften
Geachte heer Fluttert, Op 10 februari 2009 hebben wij uw milieuvergunning d.d. 23 december 1986 geactualiseerd. U ontvangt in verband hiermee: • een exemplaar van de openbare kennisgeving van ter visie legging van de beschikking; • een exemplaar van de beschikking met voorschriften. In de kennisgeving staan de inspraakmogelijkheden vermeld. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Hoogachtend, namens burgemeester en wethouders van Hof van Twente,
E. Bisaku administratief medewerker afdeling Vergunningen en handhaving.
VERNIEUWEND
DENKEN, VERNEUWEND
DOEN
( Hof van \ *Twente
WET MILIEUBEHEER Kennisgeving beschikking
De onderstaande beschikking en bijbehorende stukken liggen vanaf 19 februari 2009 gedurende 6 weken ter inzage in het infocentrum in de centrale hal van het gemeentehuis aan de Höfte 7 te Goor, op ma. van 12.30 tot 19.00 uur en op di. t/m vr. van 9.00 tot 17.00 uur. Beschikking: Naam vergunninghouder Straat en huisnummer Postcode en plaats
: A.J.S. Fluttert : Grondhuttenweg 14 : 7497 NE Bentelo
Actualisering voorschriften van de milieuvergunning d.d. 23 december 1986.
Adres van de inrichting Kadastraal bekend
: Grondhuttenweg 14 : Ambt Delden, sectie L, nrs. 186, 447 en 448 (gemeente Hof van Twente)
Strekking van de beschikking: Wij hebben de vergunning geactualiseerd. BEROEP tegen deze beschikking kan worden ingesteld door belanghebbenden: a. die tijdig zienswijzen hebben ingediend tegen de ontwerpvergunning; b. zijnde adviseurs die advies konden uitbrengen over de ontwerpvergunning; c. die bezwaar hebben tegen de wijzigingen die in de vergunning ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn aangebracht; d. die redelijkerwijs niet kunnen worden verweten geen zienswijzen te hebben ingediend tegen de ontwerpvergunning. Het beroepschrift moet binnen 6 weken worden ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA s'Gravenhage. Zij die beroep instellen kunnen bij een spoedeisend belang een verzoek indienen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek moet binnen bovengenoemde termijn worden gericht aan de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een niet terstond van kracht verklaarde beschikking wordt pas van kracht als op dat verzoek door de Raad van State is beslist
Datum: 18 februari 2009 Hoogachtend, n
ens burgemeester en wethouders van Hof van Twente,
E isaku administratief medewerker afdeling Vergunningen en handhaving.
I
Voor nadere inlichtingen Gemeente Hof van twente sector Ruimte
Telefoonnummer 054 7-858585
0,5
Hofvan •Twente S
WET MILIEUBEHEER
Beschikking actualisering voorschriften Datum besluit: 10 februari 2009
kenmerk: MPM 6464
Naam aanvrager Naam inrichting Straat en huisnummer Postcode & woonplaats
: De heerA.J.S. Fluttert Pluimveebedrijf Bentelo B.V. : Grondhuttenweg 14 : 7497 NE Bentelo
Adres inrichting Kadastraal bekend
: Grondhuttenweg 14, Ambt Delden : (gemeente Hof van Twente), sectie L, nrs. 186, 447 en 448.
Soort beschikking
: actualisering voorschriften op basis van artikel 8.22 Wet milieubeheer (verder Wm)
Inhoud van de beschikking: Het betreft het actualiseren van de voorschriften in het belang van de bescherming van het milieu (artikel 8.22 Wm). Op 23 december 1986 is er een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge de Hinderwet (Hw) verleend voor een pluimveebedrijf. In artikel 8.22 van de Wm is aan het bevoegd gezag de verplichting opgelegd om regelmatig te bezien of de beperkingen waaronder een vergunning is verleend, en de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. In het tweede lid van artikel 8.22 is bepaald dat het bevoegd gezag de beperkingen waaronder de vergunning is verleend en de voorschriften die daaraan zijn verbonden, aanvult, intrekt dan wel alsnog beperkingen aanbrengt of alsnog voorschriften aan de vergunning verbindt. Wij zijn van mening dat de voorschriften behorende bij de vergunning uit 1986 niet meer toereikend zijn en dat deze moeten worden geactualiseerd. De revisievergunning d.d. 23 december 1986 ingevolge de Hw (nu Wm) blijft van kracht naast de geactualiseerde voorschriften.
VERNIEUWEND
DENKEN,
Procedure De procedure is geregeld in artikel 8.6 en hoofdstuk 13 van de Wm en is overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgevoerd, waarbij toepassing is gegeven aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De procedure voor het actualiseren van de voorschriften is geregeld in art. 8.22 van de Wm. De actualisatie en ontwerpbeschikking met voorschriften hebben gedurende een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Van de geboden mogelijkheid tot het: • indienen van zienswijzen; • het uitbrengen van adviezen; • aanvragen van een gedachtenwisseling, is geen gebruik gemaakt. Overwegingen Voor de inrichting aan de Grondhuttenweg 14 is op 23 december 1986 een revisievergunning ingevolge de Wm verleend voor het houden van de volgende veebezetting: •
51.000 (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok; jonger dan 19 weken
Rav code E 3
Op grond van de Rav komt bovengenoemde veebezetting overeen met een ammoniakemissie van 12.750,0 kg NH3 per jaar. IPPc De IPPC-richtlijn heeft betrekking op installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan: a) 40.000 plaatsen voor pluimvee b) 2.000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg) of c) 750 plaatsen voor zeugen. In de vigerende vergunning worden de drempelwaarden voor pluimvee overschreden De IPPC-richtlijn is dus van toepassing. IPPC-omgevingstoetsing Door de minister van VROM is op 25 juni 2007 een Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij opgesteld. De beleidslijn is bedoeld als handreiking voor het uitvoeren van de omgevingstoetsing die op grond van de IPPC-richtlijn ten aanzien van de ammoniakemissie vanuit veehouderijen dient te worden uitgevoerd. De beleidslijn heeft alleen betrekking op veehouderijen die onder de werkingssfeer vallen van de lPPC-richtlijn en is alleen van toepassing als dergelijke veehouderijen uitbreiden in aantal dieren. Zolang een IPPC-veehouderij niet uitbreidt, kan worden volstaan met het toepassen van BBT. Voor de inrichting aan de Grondhuttenweg is sprake van een bestaande situatie. Er is geen sprake van uitbreiding zodat BBT zal moeten worden toegepast. BBT Wat onder BBT wordt verstaan is omschreven in artikel 1.1 van de Wm.
Op grond van artikel 8.11, lid 4, van de Wm worden in artikel 5.a.1 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer (lvb, gebaseerd op bijlage IV van de lPPC- richtlijn) een aantal aspecten opgesomd waarmee bij de vaststelling van BBT voor een inrichting rekening moet worden gehouden. In het tweede lid, onder a van dit artikel worden de door de Europese Commissie bekendgemaakte BREF's (BBT-referentiedocumenten) die in een ministeriële regeling (de
Regeling Aanwijzing BBT-documenten) zijn aangewezen, genoemd als documenten waarmee bij het vaststellen van de voor een inrichting in aanmerking komende BBT rekening moet worden gehouden. Ook voor de intensieve pluimvee- of varkenshouderijen die onder de werking van de IPPC-richtlijn vallen, is er een BREF opgesteld (Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Pigs en Poultry, juli 2003). Deze is op 7 juli 2003 vastgesteld door de Europese Unie. De BREF voor de intensieve veehouderij is inmiddels ook aangewezen in de regeling aanwijzing BBT-documenten. Oplegnotitie Op 30 juli 2007 heeft het ministerie van VROM de Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij vastgesteld. In de notitie worden het toepassingsgebied (reikwijdte en inhoud) van de BREF en de relatie tussen de BREF en de relevante Nederlandse regelgeving beschreven. De oplegnotitie moet in samenhang met de BREF worden gelezen. Bovendien is de oplegnotitie opgenomen in de Regeling aanwijzing BBT-documenten, zodat bij het bepalen van de voor een veehouderij in aanmerking komende beste beschikbare technieken eveneens met deze notitie rekening moet worden gehouden. Inhoud BREF De milieuaspecten van de intensieve veehouderij die in het BREF-document vooral aan de orde komen zijn mest en ammoniak.
In het BREF-document is ervoor gekozen de mestproblematiek integraal te beschouwen, waardoor er ook aspecten behandeld worden (bijv. het uitrijden van mest) die wel op het terrein van het bedrijf maar buiten de grenzen van de inrichting plaatsvinden. Het BREF-document behandelt de beste beschikbare technieken voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij onderverdeeld naar een aantal aspecten, te weten: goede landbouwpraktijk in de intensieve pluimvee- en varkenshouderij; 1. 2. voerstrategieën voor pluimvee en varkens; huisvestingssystemen; 3. 4. water in de pluimvee- en varkenshouderij; energie in de pluimvee- en varkenshouderij; 5. opslag van pluimvee- en varkensmest op bedrijfsniveau; 6. 7. behandeling van pluimvee- en varkensmest op bedrijfsniveau; het uitrijden van pluimvee- en varkensmest. 8. Voor enkele huisvestingssystemen en technieken voor mestverwerking geeft het BREFdocument aan dat deze voorwaardelijk BBT zijn. In de oplegnotitie van Infomil wordt aangegeven hoe in Nederland wordt omgegaan met de bovenstaande aspecten. Goede landbouwpraktijk in de intensieve pluimvee- en varkenshouderij 1. In de BREF wordt een aantal aanbevelingen gegeven voor de bedrijfsvoering om de algemene milieuprestaties van een intensieve pluimvee- of varkenshouderij te verbeteren.
Deze aanbevelingen omvatten onder andere de verplichting een boekhouding bij te houden van water- en energieverbruik, de hoeveelheden veevoer, het geproduceerde afval en de op het land gebrachte mest. Verdere aanbevelingen hebben betrekking op scholing, planning en programmering. De registratieverplichting voor veevoer en mest in het kader van de Meststoffenwet is voldoende om ook aan de eisen van de BREF te voldoen. In de bijgevoegde voorschriften is een registratieverplichting opgenomen voor het water- en energieverbruik en het (gevaarlijk) afval. Tot slot behoren de aanbevelingen met betrekking tot scholing, planning en programmering tot de primaire eigen verantwoordelijkheid van de veehouder en hoeven deze verder niet te worden meegenomen in deze beoordeling. Voerstrategieën voor pluimvee en varkens. 2. BBT in de BREF omvat minimalisatie van het stikstof- en fosfaatgehalte van mest door de hoeveelheid en samenstelling van het voer goed af te stemmen op de behoefte aan essentiële aminozuren en fosfor van de dieren. 3