Rapport Ruimtelijke onderbouwing - 5-6-2025.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
24
Duurzaam Hof van Twente; Dit thema gaat over de verduurzaming van Hof van Twente en over klimaatadaptatie en biodiversiteit. Ondernemend Hof van Twente. Dit thema gaat over allerlei soorten van ondernemen in Hof van Twente, zoals agrarische bedrijvigheid, MKB en horeca.
gemeente zijn en blijven: een fijne leefomgeving met goede voorzieningen, waar mensen hun eigen leven kunnen leiden met ondersteuning waar nodig. Een van de grote opgaven binnen het thema Leefbaar Hof van Twente is de woningmarkt. Er is krapte op de woningmarkt en vooral voor jongeren/starters zijn er onvoldoende woningen en is een soepele doorstroming in veel gevallen niet mogelijk. Dit leidt ertoe dat jongeren en jonge gezinnen - soms noodgedwongen moeten vertrekken. Dat heeft niet alleen effect op de woonbehoeften van de betreffende personen zelf, ook doet het wat met de leefbaarheid binnen de kernen en buurtschappen. Kortom, de opgave is: het woonaanbod van de gemeente Hof van Twente moet beter aansluiten op de huidige, als ook de toekomstige woonbehoefte. we voorzien in voldoende (geschikte) woningen . Een leefbare gemeente betekent dat er voor alle doelgroepen voldoende geschikte woningen beschikbaar zijn, voor zowel haar huidige als haar toekomstige bewoners. Hof van Twente wil in 2040 groeien naar 40.000+ inwoners. Dat is een groei van ongeveer 5.000 inwoners. Op dit moment zijn er nog niet genoeg geschikte woningen voor de huidige en toekomstige vraag naar woningen. Daarom spreekt de gemeente van een woningbouwopgave.
Binnen deze opgave zijn vier ambities opgesteld: Versnellen van de woningbouw; De juiste woning op de juiste plek; Bestaande voorraad toekomstbestendig maken; Waarborgen vitaliteit en leefbaarheid in alle kernen en het buitengebied. Om de versnelling van de woningbouw te realiseren programmeert de gemeente meer woningen dan volgens de prognoses nodig zijn. Daarnaast wil de gemeente zich extra inzetten om leegstand van vastgoed te transformeren naar woningen. De gemeente wil maatwerk leveren voor kernen met een goede mix van (sociale) woningbouw voor jongeren en starters, ouderen en alleenstaanden. Speciale aandacht gaat daarbij uit naar de startende jongeren die op termijn door willen groeien naar een andere passende woning. Tevens wil de gemeente haar ouderen faciliteren die op zoek zijn naar een woonvorm die past bij de levensfase van het ouder worden. De gemeente wil initiatieven faciliteren die voorzien in starterswoningen en geschikte woningen voor ouderen. Daarnaast is de betaalbaarheid van de woning van groot belang. De gemeente zet in op het realiseren van meer betaalbare woningen. Voor de kern Markelo wordt specifiek aangegeven dat ingezet wordt op het bouwen van woningen met specifieke aandacht voor betaalbaarheid en levensloopbestendigheid. Voor wat betreft wonen is er een duidelijke wens: meer woningen voor Markelose starters/jongeren en senioren.
Een voorkeur voor Markeloërs bij woningtoewijzing zou hier aan bij kunnen dragen. Daarnaast is het belangrijk om Markelo met de jeugd te verbinden. Dit hangt volgens Markeloërs vooral samen met het woning- als voorzieningenaanbod. Toets concept Omgevingsvisie Hof van Twente De voorgenomen ontwikkeling voorziet concreet in de realisatie van nieuwe levensloopbestendige sociale (huur)woningen. Daarmee wordt concreet bijgedragen aan de ambitie om meer betaalbare woningen te realiseren die voor starters en ouderen beschikbaar kunnen komen, waarbij een inbreidingslocatie wordt benut. Zoals uit paragraaf 2.2 en 2.3 blijkt sluit het project aan bij de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving. In de woonwijk de Esch zie je voornamelijk vrijstaande- en twee-onder-één-kapwoningen. Binnen deze woningtypes is er verscheidenheid in
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
25
uitwerking. Bouwvolumes en dakvormen, gevelindeling en detaillering, en kleur- en materiaalgebruik kan van straat tot straat verschillen, maar is doorgaans ingetogen van aard. Plekken met eenheid in de architectuur worden afgewisseld met meer differentiatie. Daarnaast sluit het plan aan bij de stedenbouwkundige kenmerken en opzet van het in voorbereiding geplande woningbouw achter woonzorgcomplex de Esch bestaat uit twee bouwlagen met kap. Aan de rand van het woningbouwplan (aan de achterzijde van het projectgebied Noordachtereschweg 3) bestaat de bebouwing uit maximaal één laag met kap om een zachte overgang naar het landschap te creëren. De acht nieuwe woningen die door middel van voorliggend project worden mogelijk gemaakt, zijn allemaal voorzien van één bouwlaag met kap. De goothoogte van de woningen bedraagt 3 meter en de bouwhoogte 7 meter. Daarmee sluit het project stedenbouwkundig aan bij de omgeving. Door de realisatie van de vier sociale woningen op het perceel van Viverion wordt de stedenbouwkundige opzet die geknikt is doorgezet richting de bestaande woonwijk. Daarmee wordt enerzijds een concrete verbinding gemaakt tussen de bestaande dorpsrand en het nieuwe woningbouwplan.
Anderzijds wordt een open ruimte ingevuld waardoor het geheel beter oogt als een stedenbouwkundige afronding van het geheel (samenhang tussen plan Noordachtereschweg en toekomstig woningbouwplan Markelo Noord). Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het project in overeenstemming is met de concept Omgevingsvisie Hof van Twente. 3.4.3 Woonvisie Hof van Twente 2021-2025 De gemeenteraad van de gemeente Hof van Twente heeft op 14 december 2021 de Woonvisie Hof van Twente 2021-2025 vastgesteld. De visie geeft richting aan het wonen binnen de gemeente. De woonvisie vormt daarbij de stip op de horizon en geeft aan waar de gemeente zich de komende jaren op gaat richten. Het geeft de ambities aan en laat zien wat de belangrijkste opgaven zijn waar de gemeente de komende jaren voor staat. De gemeente Hof van Twente streeft naar een gemeente waar het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven is. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat de huidige woningvoorraad optimaal benut moet worden, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij ten allen tijden de landelijke kwaliteit van de gemeente wordt gewaarborgd.
De woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn: 1. Versnelling van de woningbouwproductie; 2. Meer betaalbare woningen realiseren; 3. Passende huisvesting realiseren voor jongeren en de ouder wordende bevolking en zorgen voor meer doorstroming op de woningmarkt; 4. Energieneutraal in 2035 en de bestaande woningvoorraad verder verduurzamen; 5. Leefbaarheid en vitaliteit waarborgen in de kernen en het buitengebied; 6. Bouwen aan een inclusieve samenleving: huisvesten van mensen met een zorgvraag en zorgen voor een evenwichtige huisvesting van huishoudens binnen de gemeente en instromers van buiten. Kwantitatieve behoefte Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de gemeente is krap. Zowel starters als gezinnen en ouderen ervaren moeite bij het vinden van een geschikte woningen. In de koopsector is er momenteel door gebrek aan aanbod nauwelijks keuze. Hof van Twente heeft vanouds een grote voorraad grondgebonden koopwoningen. Door grote vraag van binnen en buiten de gemeente is de beschikbaarheid gering en stijgen de gemiddelde koopprijzen fors. De vrije
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
26
huursector is nog erg klein in de gemeente. Een deel van de behoefte aan geschikte ouderenwoningen zit in de vrije huursector. Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte in Hof van Twente is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag. Uitgaande van een evenwichtige verdeling van de bouwopgave onder alle kernen en het buitengebied, wordt op basis van Primos 2020 voor Markelo uitgegaan van 85-90 nieuwe woningen. Dit aantal is niet in beton gegoten maar moet vooral als richtinggevend worden gezien. Er wordt namelijk daarnaast rekening gehouden met een aanvullende woningvraag. De aanvullende vraag komt voort uit de tendens dat er de laatste jaren meer huishoudens uit andere gemeenten zich in Hof van Twente vestigen én een latente lokale inhaalvraag door de achterblijvende woningbouw van de laatste jaren in Markelo. Kwalitatieve behoefte Momenteel bestaan de kernen en het buitengebied van Hof van Twente voornamelijk uit landelijke en dorpse woonmilieus. Deze wil de gemeente vitaal en sterk houden, maar ook nieuwe kwaliteiten toevoegen. Dit is in lijn met de regionale ambities om meer verstedelijking en stedelijke vernieuwing in Twente te realiseren.
Per locatie bepaalt de gemeente welk woonmilieu het meest passend is. Ruimtelijk wordt eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding. Zo wordt niet alleen het waardevolle groen behouden, maar wordt ook gezorgd voor verdichting. De gemeente wil passende huisvesting kunnen bieden voor alle doelgroepen in verschillende levensfasen en met diverse woonwensen. Uit woontafels met jongeren blijkt dat zij moeite hebben om een betaalbare, geschikte starterwoning te vinden. De prijzen zijn hoog en het beschikbare aanbod is beperkt door gebrek aan doorstroming en weinig nieuwe (betaalbare) toevoegingen. Een andere uitdaging is de demografische verandering in de gemeente. In de komende tien jaar komen er circa 1.500 75-plussers bij. Daarmee zal de zorgvraag groter worden evenals de wens van veel oudere huishoudens om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Er wordt daarom ingezet op het bouwen van betaalbare starters- en gezinswoningen, maar ook levensloopbestendige grondgebonden woningen voor senioren. Woningbouwprogramma 2024 Begin 2024 heeft de gemeenteraad van Hof van Twente het woningbouwprogramma uit 2022 geactualiseerd. Het woningbouwprogramma 2024 is een middel om invulling te geven aan de in de woonvisie geformuleerde ambities. In Markelo is de woningbouw de afgelopen jaren ernstig achtergebleven.
De plannen aan de Hemmelweg en Grotestraat zijn een druppel op de gloeiende plaat. Dat heeft tot gevolg dat met name jongeren naar omliggende kernen wegtrekken. Dat een groot deel van deze mensen terug wil keren blijkt uit het grote aantal inschrijvingen van buiten de kern en de gemeente In het woningbouwprogramma 2024 zijn de volgende (relevante) uitgangspunten gehanteerd: Tot 2040 is een lokale behoefte aan minimaal 870 extra woningen, waarvan het overgrote deel voor 2030 nodig; Het is noodzakelijk om 130% van de behoefte te programmeren om zo te zorgen voor voldoende woningen. Dat betekent een woningbouwprogramma van ten minste 1130 woningen; Voor Markelo geldt een minimale behoefte van 130 woningen; De overgrote meerderheid van de inwoners wenst een grondgebonden woning. Wanneer iemand ouder dan 65 jaar is, dan heeft een minderheid behoefte aan een appartement, maar die behoefte is dan wel groter;
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
27
Voor de kern Markelo geldt op basis van het woningbouwprogramma de volgende behoefte en plancapaciteit (begin 2024):
Figuur 3.4: Woningbouwprogramma Markelo (bron: Woningbouwprogramma 2024, gemeente Hof van Twente)
Op dit moment is de totale plancapaciteit in Markelo groter dan de minimale behoefte van 130 woningen. Hiermee kan Markelo voorzien in de behoefte die nog niet aan een specifieke kern is toegerekend. Verder kan Markelo voorzien in bovenlokale behoefte die er is als gevolg van de wooncrisis. Maar, zoals aangegeven wil de gemeente Hof van Twente 130% van de behoefte programmeren. Dat betekent dat er voor Markelo 169 woningen nodig zijn om in deze behoefte te voorzien. Toets Woonvisie Hof van Twente 2021-2025 In lijn met de Regionale Woonagenda sorteert de gemeente Hof van Twente voor op de veranderende woningvraag in de gemeente. Dat betekent dat er meer ruimte wordt geboden voor de behoeften van jongeren, starters en ouderen. Daarbij streeft de gemeente Hof van Twente de doelstelling van de Regionale Woonagenda Twente na waarin kwaliteit en betaalbaarheid centraal staan. Daarom wil de gemeente Hof van Twente meer inzetten op betaalbare woningen en sociale huurwoningen. Het project voorziet in de realisatie van acht levensloopbestendige sociale huurwoningen. Daarmee wordt een concrete bijdrage geleverd aan de lokale woningbouwbehoefte. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de gemeente is krap. Zowel starters als ouderen ervaren moeite bij het vinden van een geschikte woningen.
Het project voorziet derhalve in een concrete behoefte aan betaalbare (sociale huur)woningen voor starters en ouderen, waarmee ook een bijdrage kan worden geleverd aan de doorstroming. Daarmee past het project binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen de provincie en de gemeente en de Woonvisie Hof van Twente 2021-2025. 3.5
BELEID WATERSCHAP
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
28
3.5.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 3.5.2 Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022 2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 3.5.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
3.5.4 Beleid waterschap Rijn en IJssel Water in de fysieke leefomgeving Het waterschap Rijn en IJssel draagt zorg voor het water in en rond het plangebied van dit bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht. Dat geeft het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. De fysieke leefomgeving en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Daarnaast wordt onze leefomgeving en het waterbeheer sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
29
Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.
De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Weging van het waterbelang Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij de vaststelling van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen.
Voorbeelden zijn: Grondwater; Oppervlaktewater; Regenwater en; Afvalwater. Op 16 mei 2025 is waterschap Rijn en IJssel via het wateradvies.nl geïnformeerd over het project. Bij ontwikkelingen met een totale oppervlakte kleiner dan 1500 m2 bestaat de opgave voor waterneutraal ontwikkelen uit het oplossen van bestaande knelpunten in de waterhuishouding en het klimaat robuust maken van de nieuwe inrichting. Hiertoe zal geïnventariseerd moeten worden of er bestaande problemen zijn met wateroverlast, en welke oorzaak deze hebben. Ook kan met behulp
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
30
van de klimaateffectatlas (https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) per gemeente bekeken worden of er in het gebied effecten als gevolg van extreme neerslag, droogte of hitte te verwachten zijn. Voor nieuwe ontwikkelingen hanteert het waterschap een bergingseis van 80 mm per m 2 verhard oppervlak. Als gevolg van het project bedraagt de toename van het verharde oppervlak van de woningen, de bergingen, het achterpad en het pad naar de voordeur circa 875 m 2. Dat betekent dat er 70 m3 waterberging aanwezig moet zijn. Om in de waterberging te voorzien worden de (percelen) van de nieuwe woningen door middel van een leiding aangesloten op de wadi naast woonzorgcomplex de Esch. Het hemelwater gaat via een uitlegger per woning naar het hwa-riool en door naar de wadi. De tuinen van de woningen worden op afschot gelegd en het water vindt dan een natuurlijke afvoer en infiltreert in de tuin of in de nabije omgeving. Het hemelwater in de voortuinen wordt via straatkolken naar het hwa-riool en de wadi afgevoerd. Het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op het dwa-riool in de weg. In figuur 3.5 is dit schematisch weergegeven.
Figuur 3.5: Weergave aansluiting op riool en wadi (bron: Grondweg B.V., bewerking Sturris B.V.)
Om de gevolgen van neerslag te onderzoeken is via de klimaatatlas onderzocht wat de gevolgen zijn jaar. Hieronder zijn de gevolgen voor het projectgebied weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
31
Figuur 3.6: Uitsnede klimaatatlas, waterdiepte bij extreme neerslaag, 160 mm (bron: Twents Waternet)
Bij een bui van 160 mm per 2 uur bedraagt de waterdiepte ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen maximaal 0,15 meter. Er zal geen wateroverlast in de woning optreden aangezien de bovenzijde van de begane grondvloer minimaal 30 centimeter bedraagt. Verder geldt dat de weg voor het projectgebied bij dergelijke buien begaanbaar is. Dit is te verklaren doordat het water wordt afgevoerd in de bestaande watergang bij woonzorgcomplex De Esch, welke buiten het projectgebied ligt. De waterdiepte bedraagt aan de achterzijde van het projectgebied maximaal 20 centimeter, waardoor het water niet in de woning stroomt. De bovenzijde van de begane grondvloer bedraagt immers minimaal 30 centimeter. Om een goede waterhuishouding in het projectgebied te garanderen wordt het hemelwater zoals aangegeven aangesloten op de wadi. Voor wat betreft het huishoudelijk afvalwater worden de woningen aangesloten op het gemeentelijke riool. In de anterieure overeenkomst worden de afspraken daarover vastgelegd. vormt geen belemmering voor dit project.
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
32
4. ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Op basis van verschillende paragrafen van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid, waterbelangen, gezondheid en verschillende milieuaspecten, zoals geluid, bodemkwaliteit, lucht, geur, trillingen, omgevingsveiligheid en duurzaamheid. Ook zijn er diverse regels in het Bkl opgenomen over gebiedsbescherming, soortenbescherming en het belang van cultureel erfgoed en archeologische waarden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid. 4.1
PROJECT-MER-BEOORDELING
4.1.1 Wettelijk kader De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MERbeoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen: Eerst wordt bekeken of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1. Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat. Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden gedaan: o Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-merplicht. o Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-merbeoordelingsplicht.
Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk: Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt. 4.1.2 Situatie projectgebied De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een .
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
33
van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject: de aard en omvang van de ontwikkeling; de vormgeving en opzet; de schaalgrootte; de ligging; de voorgenomen functie(wijziging), en; de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van acht nieuwe woningen verdeeld over twee blokken van vier aaneengebouwde woningen. Hoewel het projectgebied op grond van het geldende bebouwde oppervlakte ten opzichte van het project toe. Ondanks dat het project qua vormgeving en opzet aansluit bij de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving, moet het project worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject gelet op de toename van de bebouwde oppervlakte in relatie tot het omgevingsplan. Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd (zie bijlage 1). Daaruit volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten.
Een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk. 4.2
ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING
4.2.1 Wettelijk kader Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met: de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten. De basisprincipes van milieuzonering zoals gehanteerd in de voorheen geldende VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering 2009 blijven echter hetzelfde. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten meer of minder milieugebruiksruimte.
Onder een bedrijfsactiviteit wordt in de VNG verstaan: een activiteit gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen en ook verhuur, opslag en distributie van goederen en eventueel ondergeschikte detailhandel. Dit betekent dat veel andere bedrijven of handreiking. Dit betreft bijvoorbeeld horecabedrijven, detailhandelsbedrijven, leisure-bedrijven, culturele bedrijven enzovoort. Onder milieuhinderlijke activiteiten wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
34
geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder,
4.2.2 Situatie projectgebied In de omgeving van het projectgebied is de woonfunctie het meest dominant aanwezig. Wel bevindt zich op korte afstand van het plangebied een kleinschalig bedrijventerrein en is het woonzorgcomplex De Esch aanwezig waar een maatschappelijke functie geldt. Gelet op de kenmerken van de omgeving wordt het projectgebied aangemerkt . Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Binnen deze gebieden staat een prettig, rustig woongenot als doel centraal. Binnen een rustig woongebied komen incidenteel ook niet-woonactiviteiten voor. Maar deze activiteiten zijn beperkt in aantal, voegen zich naar het primaat van de rustige woonomgeving en veroorzaken doorgaans geen wezenlijke hinder voor de omwonenden. Op grond van het geldende omgevingsplan zijn de percelen Noordachtereschweg 6, 8 en 10 voorzien zijn bedrijven en instellingen toegestaan zoals vermeld in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels van het toegestaan. Voor de toegelaten bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter De afstand van de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen op het perceel achter de minimaal 53 meter. De afstand van de nieuwe woningen naast het woonzorgcomplex bedraagt ten minste 140 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden en kan een aanvaardbaar woonen leefklimaat geborgd worden.
Andersom worden de bedrijven niet onevenredig belemmerd in hun bedrijfsvoering.
centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging. Deze functie gaat goed samen met de woonfunctie. afstandsstap verlaagd zouden kunnen worden. Op basis van de VNG-uitgave kan geconcludeerd worden dat de nieuwe woningen geen belemmering vormen voor de in de omgeving aanwezige milieuhinderlijke activiteiten en bedrijven. Anderzijds kan een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen geborgd worden belemmering voor dit project. 4.3
GELUID
4.3.1 Wettelijk kader Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door weg- en railverkeerslawaai Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
35
Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel.
Figuur 4.1: Tabel 5.78T/5.78U Bkl
Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Voor een beperkt aantal gevallen kan er worden afgeweken van grenswaarden uit het Bkl. Dit kan bij zwaarwegende economische of andere zwaarwegende maatschappelijke belangen (artikel 5.78aa lid 1 onder a Bkl). Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluid door activiteiten (solitaire bedrijvigheid) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
4.3.2 Situatie projectgebied Wegverkeerslawaai Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Het geluidaandachtsgebied is gebaseerd op vaste afstanden. Deze afstanden zijn opgenomen in artikel 17.5 Omgevingsregeling. Daarin zijn de volgende afstanden opgenomen: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
36
De nieuwe woningen zijn geprojecteerd binnen het geluidaandachtsgebied van de Noordachtereschweg, Tolweg en Holterweg. Dit betreft gemeentelijke wegen waarvoor een standaardwaarde geldt van 53 dB (Lden). Om te onderzoeken of het wegverkeerslawaai mogelijk kan leiden tot overschrijding van de RIVM (2022). In figuur 4.2 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Ter plaatse van de nieuwe woningen op het perceel achter Noordachtereschweg 1 bedraagt de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer 44 dB. Ter plaatse van de nieuwe sociale huurwoningen naast woonzorgcomplex De Esch bedraagt de geluidbelasting van het wegverkeerslawaai 43 dB. Daarmee zal de geluidbelasting de toegestane norm van 53 dB voor gemeentewegen en 50 dB voor provinciale wegen niet overschrijden. Tevens blijkt uit het akoestisch onderzoek dat BJZ.nu in het kader van woningbouwplan MarkeloNoord heeft uitgevoerd (versie 23-02-2023) dat ter plaatse van de geplande woningen achter woonzorgcomplex De Esch van dat nieuwe woningbouwplan, de gecumuleerde geluidbelasting niet meer dan 53 dB bedraagt waarbij rekening is gehouden met de komst van de Nieuwe Ontsluitingsweg in Markelo-Noord. Voor de beoogde woningen van nieuwbouwplan Markelo-Noord die grenzen aan de vier nieuwe sociale huurwoningen (naast woonzorgcomplex De Esch) - welke dit project mogelijk maakt - geldt op grond van de resultatentabel in de bijlage van het akoestisch onderzoek van BJZ.nu (woningen 015 en 014) een hoogste geluidbelasting op de gevel van 36,91 Lden, zie onderstaande figuur 4.3.
Figuur 4.3: Uitsnede resultatentabel akoestisch onderzoek Markelo-Noord (bron: BJZ.nu)
Daarmee zal de voorkeursgrenswaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid van 48 dB niet worden overschreden. Tevens wordt de standaardwaarde van 53 dB op grond van het Besluit kwaliteit
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
37
leefomgeving niet overschreden. project. Geluid door activiteiten (solitaire bedrijvigheid) milieuhinderlijke activiteiten geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. it project.
4.4
GEUR
4.4.1 Wettelijk kader In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over opgenomen. In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Eveneens zijn in de bruidsschat regels voor geur opgenomen.
Het gaat hierbij om onder andere de volgende geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2 & paragraaf 22.3.6.5 Bruidsschat); Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3 Bkl & paragraaf 22.3.6.2 Bruidschat); Andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (paragraaf 22.3.6.4 bruidsschat); Geur door het houden van fokteven en nertsen (paragraaf 22.3.6.3 Bruidsschat); In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. 4.4.2 Situatie projectgebied In de omgeving van het projectgebied zijn meerdere (agrarische) bedrijven aanwezig. In onderstaande tabel worden de agrarische bedrijven uit de omgeving weergegeven. Daarbij wordt aangegeven om welk type bedrijvigheid het gaat en wat de afstand is van het agrarisch bouwperceel (bouwvlak) waarbinnen de dierenverblijven gebouwd mogen worden tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwe woningen.
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
38
Adres Bolinkweg 2 Markelo Bolinkweg 3 Markelo Bolinkweg 7 Markelo Larenseweg 1 Markelo Langeweg 2 Markelo
Bedrijfstype Melkveehouderij Melkveehouderij Melkveehouderij Melkveehouderij Varkenshouderij
Afstand 250 meter 360 meter 410 meter 320 meter 440 meter
Aan de Bolinkweg 2, 3, 7 en de Larenseweg 1 zijn melkveehouderijbedrijven gevestigd waarvoor op grond van artikel 5.112 Besluit kwaliteit leefomgeving een vaste afstand geldt aangezien er sprake is van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor. De afstand moet ten minste 100 meter bedragen aangezien de nieuwe woningen (geurgevoelige gebouwen) zijn gelegen binnen de bebouwingscontour geur (bebouwde kom). Aan deze afstanden wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast bevindt zich aan de Langeweg 2 een varkenshouderij. Voor dergelijke veehouderijen gelden geen vaste afstanden maar aan te houden geurnormen. Gelet op de onderlinge afstand(en) en het feit dat bestaande geurgevoelige objecten van derden dichter op het betreffende agrarisch bedrijfsperceel liggen, wordt geconcludeerd dat het betreffende agrarisch bedrijfsperceel niet onevenredig wordt belemmerd in de ontwikkelmogelijkheden als gevolg van voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is ook ten gevolge van dit agrarisch bedrijfsperceel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten ter plaatse van de beoogde geurgevoelige objecten die met voorliggend project mogelijk gemaakt worden.
4.5
TRILLING
4.5.1 Wettelijk kader Trillingshinder kan op twee manieren optreden. Enerzijds kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Anderzijds kan er sprake van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid van artikel 5.79 zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de
omgevingsplanactiviteit, gemotiveerd moeten worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. In artikel 22.88 van de Bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
39
gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 4.5.2 Situatie projectgebied In de omgeving van het projectgebied is geen spoorweg aanwezig. De spoorweg tussen Goor en Lochem bevindt zich op een afstand van minimaal 4 kilometer waardoor het aspect trillingshinder van de spoorweg buiten beschouwing kan worden gelaten. Daarnaast bevindt zich in de omgeving van het projectgebied geen zware industrie die leidt tot trillingshinder bij de nieuwe woningen. Het
4.6
OMGEVINGSVEILIGHEID
4.6.1 Wettelijk kader vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: afdeling 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Veiligheid rond luchthavens (afdeling 5.1.2.6 Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het werken met aandachtsgebieden voor omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Plaatsgebonden risico
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
40
Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. 4.6.2 Situatie projectgebied Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op n met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 4.4 is een uitsnede van de kaart weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
41
Op grond van figuur 4.4 blijkt dat er binnen een afstand van 1,3 kilometer van het projectgebied geen externe veiligheidsbronnen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicobron betreft een opslagtank van propaan op Bungalowpark Hessenheem aan de Potdijk 8 in Markelo waarvoor een brand- en explosieaandachtsgebied geldt. De afstand van het projectgebied tot aan het explosieaandachtsgebied bedraagt 1,3 kilometer, waardoor het geen belemmering vormt voor dit project. Ten zuiden van het aandachtsgebied van Bungalowpark Hessenheem ligt het brandaandachtsgebied van de buisleiding van de Gasunie (Leidingstelsel N-557-57). De afstand van het projectgebied tot aan het brandaandachtsgebied van de buisleiding bedraagt 1,4 kilometer. Op basis van voorgenomen ontwikkeling. 4.7
LUCHTKWALITEIT
4.7.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
42
niet hoger is dan 1,2 ug/m3 . Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 4.7.2 Situatie projectgebied Het projectgebied in de gemeente Hof van Twente ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (realisatie van acht woningen), in verhouding tot de de luchtverontreiniging.
Het realiseren van acht woningen blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl. 4.8
BODEM
4.8.1 Wettelijk kader Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn.
Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m². Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
43
4.8.2 Situatie projectgebied Met dit project worden nieuwe bodemgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Om te onderzoeken of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor deze functie, is door Dumea Onderzoek & Advies een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd (projectnummer 2025081, d.d. 15 mei 2025). Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform NEN 5740. Hieronder worden de resultaten weergegeven. Deellocatie A In de bovengrondmengmonsters en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen nikkel en cadmium aangetoond. Deellocatie B In het bovengrondmengmonster en in het ondergrondmengmonster zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster zijn lichte verhogingen nikkel, cadmium en barium aangetoond. Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De waarde voor nader bodemonderzoek (index >0,5) wordt niet overschreden. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.9
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE
4.9.1 Wettelijk kader Archeologie De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Ruimtelijke onderbouwing BOPA Noordachtereschweg 1-3 Markelo
44
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13). 4.9.2 Situatie projectgebied Op grond van het geldende omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente geldt voor het dubbelfunctie geldt een vrijstelling van het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor bouwwerken en grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m 2. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling deze oppervlakte niet overschrijdt, is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast zijn er in het projectgebied geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en/of belemmering vormen voor dit project. 4.10
NATUURBESCHERMING
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Om te onderzoeken of het project in het kader van gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden kan leiden tot wettelijke consequenties ten aanzien van beschermde flora en fauna, is door Natuurbank Overijssel een effectbeoordeling uitgevoerd. De resultaten zijn verwerkt in de quickscan natuurwaardenonderzoek Noordachtereschweg (ongenummerd) Markelo (projectnummer 7621, versie 1.0, d.d. 3 juni 2025). Het rapport is als bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. 4.10.1 Gebiedsbescherming Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Dit volgt expliciet uit artikel 1.2 lid 2 onder h van de Omgevingswet.