Bijlage 2 VS De Marke III fase 3, Hengevelde 02 Toelichting.pdf
Tekst van het document
vastgesteld
31
De Marke III fase 3, Hengevelde
Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn onder andere de volgende streefbeelden relevant: Streefbeeld: Kleine kernen vernieuwen hun vitaliteit Alle kernen en buurtschappen hebben hun eigen sterke en zwakke punten. In 2030 wordt het onderscheid tussen de verschillende delen gerespecteerd en krijgt het de ruimte. In die verscheidenheid schuilt de kracht van Hof van Twente. Vanzelfsprekend houden kernen uiteenlopende functies. Maar door bewust accenten te leggen kan iedere kern werken aan een herkenbaar profiel van de eigen sterke punten en zich hiermee profileren. Het sterke punt van Hengevelde is de hechte samenleving en de buurtschappen: landelijk wonen. Streefbeeld: Kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners, maar toch betaalbaar gebleven. Hierbij is het van belang dat de grotere kernen in Hof van Twente een belangrijke woonfunctie houden; hier wonen de meeste mensen. Ze hebben ook de functie om woonruimte te bieden aan mensen die uit het buitengebied komen. In de buurtschappen en het buitengebied wordt het wonen zorgvuldig geïntegreerd in het landschap. Vrijkomende agrarische gebouwen krijgen alleen een andere, bijvoorbeeld woonfunctie, na een zorgvuldige afweging. Structuurvisies en bestemmingsplannen zijn op deze uitgangspunten aangepast.
In het buitengebied en de buurtschappen zal het wonen kleinschalig, groen en duurzaam zijn. Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Toetsing Onderhavig bestemmingsplan past binnen de in de strategische visie geschetste streefbeelden. Er is sprake van de invulling van een uitbreidingslocatie ten westen van Hengevelde. Door de opgenomen beeldkwaliteitscriteria, waarbij ingezet wordt op kwaliteit en het creëren van samenhang in de wijk, wordt ingezet op een kwalitatief hoogwaardige wijk met herkenbare woongebieden, een hoogwaardige openbare ruimte en een logische en leesbare (verkeers)structuur. Hiermee wordt recht gedaan aan het streefbeeld voor het creëren van een hechte samenleving en buurtschap. De voorgenomen ontwikkeling is hierdoor in lijn met het beleid, zoals opgenomen in de 'Toekomstvisie Hof van Twente'. 3.5.2
Structuurvisie Hengevelde In maart 2009 is door de gemeente Hof van Twente de 'Structuurvisie Hengevelde' vastgesteld. De ruimtevraag voor wonen en werken is in Hengevelde van dusdanige omvang, dat deze bij lange na niet binnen de bestaande bebouwde kom kan worden opgevangen. Zonder aan de mogelijkheden binnen de dorpskom voorbij te gaan, dient daarom uitbreidingsgebied te worden aangewezen. Het plangebied is onderdeel van de eerder genoemde nieuwe wijk De Marke III. Bij de locatiekeuze van de wijk is primair voor de landschappelijke insteek gekozen. Het uitgangspunt is om het relatief waardevolle kampenlandschap te ontzien en de uitbreiding(en) in principe in het visueel-ruimtelijk minder waardevolle ontginningenlandschap te projecteren. Ontwikkelingen in het kampenlandschap zijn in deze visie slechts toelaatbaar wanneer ze beperkt van omvang zijn en geen afbreuk doen aan dit landschapstype, maar er liefst juist een versterking voor betekenen. Uiteraard wil dit laatste niet zeggen dat ontwikkelingen in de ontginningsgebieden
32
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
landschappelijk niet om een goede inpassing zouden vragen. Toetsing De uitbreidingslocaties vormen logische voortzettingen van al in gang gezette ontwikkelingen. Bovendien sluiten de uitbreidingen aan op bestaand woongebied respectievelijk bedrijventerrein, wat versnippering van functies over het dorpsgebied en daaraan verbonden milieuproblemen voorkomt. Op de navolgende afbeelding is de visiekaart opgenomen. De nieuwe wijk De Marke III waarin het plangebied tot ontwikkeling zal komen is aangeduid met een rood kader. De voorgenomen ontwikkeling is in de 'Structuurvisie Hengevelde' als zodanig benoemd. Het plan is hierdoor in lijn met het beleid, zoals opgenomen in de 'Structuurvisie Hengevelde'.
Visiekaart 'Structuurvisie Hengevelde' (bron: Gemeente Hof van Twente)
vastgesteld
33
De Marke III fase 3, Hengevelde
3.5.3
Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 De woonvisie van de gemeente Hof van Twente is door de gemeenteraad vastgesteld op 16 december 2022. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning, waarbij de huidige woningvoorraad optimaal wordt benut en waar gericht extra woningen worden bijgebouwd. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij de landelijke kwaliteit van de gemeente ten alle tijden wordt gewaarborgd. Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn: 1. Versnelling van de woningbouwproductie. 2. Meer betaalbare woningen realiseren. 3. Passende huisvesting realiseren voor jongeren en de ouder wordende bevolking en zorgen voor meer doorstroming op de woningmarkt. 4. Energieneutraal in 2035 en de bestaande woningvoorraad verder verduurzamen. 5. Leefbaarheid en vitaliteit waarborgen in de kernen en het buitengebied. 6. Bouwen aan een inclusieve samenleving: huisvesten van mensen met een zorgvraag en zorgen voor een evenwichtige huisvesting van huishoudens binnen de gemeente en instromers van buiten. Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de Hof is krap.
Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van ongeveer 90 tot 120 woningen voor de categorie dorps wonen. De oplopende woningbehoefte vraagt om aandacht en concrete acties. Versnelling van de woningbouw in de kernen en het buitengebied is nodig om te voorzien in de woningbehoefte. Omdat de woningbehoefte divers is, kiest de gemeente voor flexibiliteit in programma en locaties. In de Regionale Woonvisie is overeengekomen dat gemeenten alleen voor de aangetoonde lokale behoefte bouwen. Wat betreft de woningbehoefte is vooral behoefte aan ofwel luxere grondgebondenwoningen (2 onder 1 kap of vrijstaand) ofwel levensloopbestendige woningen en appartementen voor 1- en 2 persoonshuishoudens. Er is tevens een tekort aan starterswoningen. Toetsing Binnen het onderhavig plan worden de 20 woningen gerealiseerd aan de westrand van De Marke III in Hengevelde. Met dit bestemmingsplan, gebaseerd op een aangepast stedenbouwkundig ontwerp, worden de huidige woonwensen zo goed mogelijk gehonoreerd, door te kiezen voor flexibiliteit in locaties en programma, zodat ingespeeld kan worden op de actuele vraag. Hoewel hier eerder vrije kavels beoogd waren, is de gemeente Hof van Twente nu voornemens om hier starterswoningen en seniorenwoningen te realiseren.
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkelingen die dit plan mogelijk maakt voorzien in zowel een kwalitatieve als een kwantitatieve behoefte die geldt voor de gemeente als geheel alsook de kern Hengevelde in het bijzonder.
34
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
3.5.4
Kwalitatief woningbouwprogramma Hof van Twente In de woonvisie is geen programmering opgenomen wat betreft aantallen en typen woningen. Dat gebeurt in dit uitvoeringsdocument: het Kwalitatief woningbouwprogramma Hof van Twente, versie januari 2022. Het bevat een uitwerking van de minimale behoefte aan verschillende woningtypen per kern om te kunnen voorzien in voldoende woningen voor de inwoners van Hof van Twente. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de huishoudensprognose, aanvullende behoefte en resulterende richtlijn behoefte per kern.
Tabel met overzicht huishoudensprognose, aanvullende behoefte en resulterende richtlijn behoefte per kern (born: Kwalitatief woningbouwprogramma Hof van Twente) In Hengevelde verwachten we een stijging het aantal huishoudens van mensen >55 jaar. Het aantal huishoudens in jongere leeftijdscategoriën daalt. Er is een flinke inhaalslag te maken door achterblijvende woningbouw in het verleden. De bevolkingsgroep waarin een groot deel van de stijging in aantal huishoudens plaatsvindt is veelal tevreden over de woonsituatie in de bestaande woningvoorraad. Daarmee stagneert de doorstoming. Een deel van deze groep mensen heeft de behoefte te verhuizen en meer levensloopbestendig te gaan wonen. Er is behoefte aan alle woningtypen; vooral voor starters en doorstromers, hoofdzakelijk grondgebonden koopwoningen. Voorzien in levensloopbestendige woningen om doorstroming te faciliteren. De Marke III is momenteel in ontwikkeling. Daarmee wordt de komende jaren een flinke inhaalslag gemaakt. Daarmee vindt een herschikking plaats in de woningmarkt. De huidige plannen voorzien nog onvoldoende in de afspraak uit de regionale woonagenda voor levensloopbestendige woningen. In eerste instantie vooral inzetten op goedkope starterswoningen en levensloopbestendige woningen. Vanuit de markt komen signalen dat Hengevelde momenteel veel instroom van mensen buiten de gemeente kent.
Daarmee kan de gemodelleerde aanvullende behoefte anders uitpakken. Toetsing Het onderhavig plan betreft de realisatie van een deel van de Marke III, zoals benoemd in het kwalitatief woningbouwprogramma. Met het plan worden in totaal 20 grondgebonden woningen gerealiseerd die geschikt zijn voor starters en senioren en
vastgesteld
35
De Marke III fase 3, Hengevelde
voor 30% zal bestaan uit sociale huurwoningen. Het plan sluit daarmee naadloos aan op de lokale behoefte. 3.5.5
Conclusie gemeentelijk beleid Voorliggend plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.
36
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
Hoofdstuk 4 4.1
M ilieu- en omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.- beoordeling worden gedaan. Toetsing In het kader van onderhavige ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling3 uitgevoerd. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer.
Aspect
Beoordeling milieueffecten
Natuur (gebiedsbescherming)
Het uitgevoerde stikstofonderzoek wijst uit dat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet aan de orde zijn. Hiermee worden geen negatieve milieueffecten verwacht.
Natuur (soortenbescherming)
De aanwezigheid van beschermde soorten is uitgesloten middels een flora en fauna onderzoek, of er geldt een provinciale ontheffing. Nader onderzoek is niet benodigd. Met de inachtneming van de zorgplicht en de broedende vogels leidt het plan niet tot negatieve milieueffecten ten aanzien van het aspect 'soortenbescherming'.
Verkeer
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de omliggende wegen zonder te verwachten afwikkelingsproblemen.
Geluid
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omliggende woningen. De toename van het verkeer op de omliggende woningen is echter ruim minder dan een merkbare 40% ten opzichte van de huidige situatie. Van een negatief (milieu)effect is daarom geen sprake.
Lucht
Uit de NIBM-toets blijkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit geeft een goede indicatie dat onderhavige ontwikkeling geen negatief effect zal veroorzaken op het gebied van luchtkwaliteit.
vastgesteld
37
De Marke III fase 3, Hengevelde
De uitkomst van de in vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor alle beschreven milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Conclusie De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van de te verlenen omgevingsvergunning moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Een nieuwe functie mag pas worden toegelaten als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Toetsing Door Ortageo Noordoost B.V. is in september 2019 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd4 ter plaatse van het plangebied. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden gesteld: In de bovengrond zijn uitsluitend verhoogde gehalten aan PFAS (zowel PFOS als PFOA) aangetoond. De gehalten overschrijden de voorlopige achtergrondwaarden waardoor op basis van het momenteel vigerende tijdelijke handelingskader de bovengrond is geclassificeerd als klasse wonen c.q. industrie. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond waardoor deze is geclassificeerd als altijd toepasbaar. De ondergrond is niet onderzocht op PFAS. Het grondwater is (waarschijnlijk van nature) matig verontreinigd met nikkel en bevat licht verhoogde concentraties aan barium, zink en (lokaal) PER. In de grond is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en analytisch geen asbest aangetoond. Wel zijn nabij de houtwal asbesthoudende materialen aanwezig op het maaiveld (analytisch bevestigd).
Het uitvoeren van een nader onderzoek en/of sanerende maatregelen wordt niet noodzakelijk geacht omdat: De aangetoonde gehalten aan PFAS mogelijk kunnen worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde die normaal is voor gebieden met een langdurig historisch gebruik en op basis van de huidige normen geen risico vormen voor het voorgenomen gebruik; In het grondwater naast licht verhoogde concentraties alleen nikkel is aangetoond boven de tussenwaarde, wat gerelateerd kan worden aan een natuurlijk oorsprong; Asbesthoudende materialen uitsluitend zijn aangetroffen c.q. aangetoond op het maaiveld. Dit heeft (nog) geen bodemverontreiniging veroorzaakt. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor het beoogde gebruik. Voor de verwerking van grond elders dient wel rekening te worden gehouden met de verhoogde gehalten aan PFAS: overtollige af te voeren grond is mogelijk niet zondermeer elders toepasbaar. Conclusie
38
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.3
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied zijn de rondom het plangebied aanwezige milieubelastende functies geïnventariseerd. Bij realisatie van de woningen in het plangebied moet voorkomen worden dat de milieugevoelige functies hinder ondervinden van milieubelastende functies in de omgeving, die hoger is dan toegestane normen. Ook moet voorkomen worden dat milieubelastende functies worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door de realisatie van de woningen. Uit het geldende bestemmingsplan en de inventarisatie van de gemeente Hof van Twente blijkt dat in en nabij het plangebied de volgende bedrijven gevestigd zijn:
Bedrijfssoort
Adres
Omschrijving VNG
Grootste richtafstand (m)
Gemeten afstand (m)
Machinefabriek (MHZ)
Janninksweg 1
Machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie (p.o. >= 2.000 m2)
200 (geluid)
± 70
Taxi-, touringcarbedrijf en Verkeersschool (Ter Doest)
Janninksweg 3
Touringcarbedrijven
100 (geluid)
± 60
In het kader van de planontwikkeling is gekeken naar de belemmering afkomstig van de
vastgesteld
39
De Marke III fase 3, Hengevelde
omliggende bedrijven richting en in het plangebied. Bedrijven rondom en in het plangebied Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Omliggende bedrijven mogen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een gevoelige functie, namelijk wonen. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Bij het bepalen van de aanbevolen richtafstanden zijn in de VNG-brochure de volgende uitgangpunten gehanteerd: het betreft 'gemiddeld' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' kan worden uitgegaan van kortere afstanden (verlaging met één afstandsstap); de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. De richtafstanden lopen op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere milieucategorie. Zoals bij de uitgangspunten voor de richtafstanden is gesteld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd (dus van bijvoorbeeld 50 naar 30 meter voor milieucategorie 3.1).
Verdere reducties zijn volgens de toelichting in de VNG-brochure niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht. De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Bij eventuele afwijking van de (indicatieve) richtafstanden uit de VNG dient gemotiveerd te worden dat de planontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
40
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
Janninksweg 1 (MHZ) Aan de westzijde van het plangebied bij de kruising Diepenheimsestraat - Janninksweg ligt de machinefabriek MHZ. Dit bedrijf valt onder milieucategorie 4.1. De richtafstand tot een rustige woonwijk bedraagt hierdoor 200 m (bron: VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009), zoals weergegeven in de onderstaande tabel. Aangezien de woningen op een kortere afstand van de machinefabriek worden gerealiseerd en het aspect 'geluid' daarbij maatgevend is, is een akoestisch onderzoek naar de geluidshinder afkomstig van de machinefabriek uitgevoerd. Hindercontouren t.o.v. rustige woonwijken
t.o.v. gemengd gebied
Geur
50 m.
30 m.
Stof
30 m.
10 m.
Geluid
200 m.
100 m.
Gevaar
30 m.
10 m.
Janninksweg 3 (Transportbedrijf Ter Doest) Bij de kruising Needsestraat (N740) en de Janninksweg is een transportbedrijf (Ter Doest Taxi, Touringcar Verkeersschool) aanwezig. Het transportbedrijf Ter Doest is ook een bedrijf dat valt onder milieucategorie 3.2, met een richtafstand van 100 meter, zoals aangegeven in de onderstaande tabel. Aangezien de woningen op een kortere afstand van dit transportbedrijf worden gerealiseerd en het aspect 'geluid' daarbij maatgevend is, is een akoestisch onderzoek naar de geluidshinder afkomstig van het transportbedrijf uitgevoerd. Hindercontouren t.o.v. rustige woonwijken
t.o.v. gemengd gebied
Geur
10 m.
0 m.
Stof
0 m.
0 m.
Geluid
100 m.
50 m.
Gevaar
0 m.
0 m.
De resultaten en conclusies zijn weergegeven in paragraaf 4.4, waar in gegaan wordt op het aspect industrielawaai. Hieruit blijkt dat industrielawaai geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.4
Geluid Algemeen
vastgesteld
41
De Marke III fase 3, Hengevelde
De mate waarin het geluid onder andere gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn formeel uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing wegverkeerslawaai In het kader van het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd.
Op basis van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Ten gevolge van de omliggende gezoneerde wegen (Needsestraat en Janninksweg) worden de voorkeursgrenswaarde (Wgh) en de ambitiewaarde (gemeentelijk beleid) van 48 dB niet overschreden. Er wordt zowel aan de Wgh als aan het gemeentelijke beleid voldaan. Ten gevolge van de niet-gezoneerde omliggende relevante 30 km/uur wegen (Fluttert en Diepenheimsestraat) worden de gemeentelijke ambitiewaarde en gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB inclusief aftrek conform art. 110g van
42
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
de Wet geluidhinder niet overschreden. Er wordt daarmee zowel aan een goede ruimtelijke ordening als aan het gemeentelijke beleid voldaan. Conclusie Het aspect geluid afkomstig van wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Toetsing industrielawaai In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege industrielawaai van omliggende bedrijvigheid. Het onderzoek naar Transportbedrijf ter Doest6 is uitgevoerd en de conclusies zijn navolgend weergegeven. Langtijdgemiddelde - beoordelingsniveau Uit de berekeningen volgt dat de hoogste geluidbelasting 50 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt niet voldaan aan de ambitiewaarde (40 dB(A)), maar wel aan de plafondwaarde van het gemeentelijke beleid (50 dB(A)). De maatgevende bronnen zijn de wasplaats en de stofzuiger. Elk bouwvlak heeft minstens een zijde die aan de ambitiewaarde voldoet. Omdat er getoetst wordt aan de plafondwaarden, wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid. Er wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit. Als gevolg hiervan is onderzoek naar maatregelen niet benodigd. Maximaal geluidniveau Uit de berekeningen volgt dat de hoogste geluidbelasting 59 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt niet voldaan aan de ambitiewaarden op 11 van de 32 waarneemhoogten, maar wel altijd aan de plafondwaarden van het gemeentelijke beleid.
Omdat er getoetst wordt aan de plafondwaarden, wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid. Er wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit. Als gevolg hiervan is onderzoek naar maatregelen niet benodigd. Indirecte hinder Uit de berekeningen van de indirecte hinder blijkt dat op alle beoogde bouwvlakken voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Schrikkelcirculaire (50 dB(A) etmaalwaarde). Als gevolg hiervan is onderzoek naar maatregelen niet benodigd. Conclusie Het aspect geluid afkomstig van industrielawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Toetsing industrielawaai Machinebedrijf MHZ In het kader van het bestemmingsplan is onderzoek noodzakelijk naar de geluidsbelasting vanwege industrielawaai van omliggende bedrijvigheid. Het onderzoek naar Machinefabriek MHZ7 is uitgevoerd en de conclusies zijn navolgend weergegeven. Langtijdgemiddelde - beoordelingsniveau Uit de berekeningen blijkt dat in totaliteit wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit. De hoogste geluidbelasting bedraagt 48 dB(A). Hiermee wordt niet voldaan aan de ambitiewaarde (40 dB(A)), maar wel aan de plafondwaarde van het gemeentelijke beleid (50 dB(A)). De maatgevende bronnen zijn de heftruck diesel en de open deuren van hal
vastgesteld
43
De Marke III fase 3, Hengevelde
3 en hal 4. Het is tevens belangrijk om aan te merken dat elk bouwvlak minstens een zijde heeft die aan de ambitiewaarde voldoet. Maximaal geluidniveau Uit de berekeningen blijkt dat in totaliteit wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit. Uit de berekeningen volgt dat de hoogste geluidbelasting 64 dB(A) bedraagt. Deze waarde is in de dagperiode waargenomen. De hoogste waarden voor de avond- en nachtperiodes zijn 59 dB(A). Hiermee wordt niet voldaan aan de ambitiewaarden (etmaalwaarde) op 20 van de 32 waarneemhoogten, maar wel aan de plafondwaarden van het gemeentelijke beleid. Maatregelenafweging Als gevolg van het onderzoek van 2013 zijn reeds maatregelen getroffen om een redelijk geluidklimaat te waarborgen in de omgeving van het bedrijf. Dit betreft het plaatsen van een scherm aan de oostzijde van het bedrijfsperceel en geluiddempers voor de verschillende afzuiginstallaties. In voorliggend onderzoek blijkt dat voor de beoogde woningbouw de heftruck diesel en de open deuren van hal 3 en hal 4 maatgevend zijn. Echter wordt geconstateerd dat nadere maatregelen de bedrijfsvoering sterk belemmeren. De resultaten wijzen uit op een overschrijding van de ambitiewaarde, maar niet op een overschrijding van de plafondwaarde. Er wordt geadviseerd om de beoogde situatie als aanvaardbaar te bestempelen.
Hierbij wordt tevens benadrukt dat er aan het Activiteitenbesluit wordt voldaan, als ook aan de gemeentelijke plafondwaaarden. Cumulatie Uit de cumulatieberekeningen van MHZ en Ter Doest tezamen blijkt dat enkel op de eerste verdieping en de gehele zuidelijke gevel van bouwvlak 1 een overschrijding van de plafondwaarde uit het gemeentelijk beleid waarneembaar is. Dit betreffen maximaal 6 rijwoningen. De overschrijding is maximaal 1 dB(A). Deze geluidbelasting is acceptabel te achten om de volgende redenering: de cumulatie toont een scenario waarbij beide bedrijven gelijktijdig voltallig in bedrijf zijn; alle beoogde woningen hebben, ook in cumulatie, geluidluwe gevels; voor beide bedrijven wordt afzonderlijk in totaliteit voldaan aan de plafondwaardes en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit; op basis van het Bouwbesluit 2012 geldt voor de karakteristieke geluidwering van de gevel een minimale eis van 20 dB. Hiermee kan zonder te treffen maatregelen in totaliteit voor alle woningen worden voldaan aan de maximale binnenwaarde van 35 dB(A) voor het aspect industrielawaai. Conclusie Het aspect geluid afkomstig van industrielawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
44
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
4.5
Luchtkwaliteit Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing
vastgesteld
45
De Marke III fase 3, Hengevelde
De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is = 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het totaal aantal woningen dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is 20 woningen. Het aantal te realiseren woningen is kleiner dan 1.500. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 geeft aan dat er bij onder andere een woning sprake is van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico's uit te sluiten, is de lokale luchtkwaliteit onderzocht. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen
Grenswaarde
2022
2030
NO2 concentratie
40 µg/m3
10 - 15 µg/m3
PM10 concentratie
40 µg/m3
16 - 18 µg/m3
14 - 16 µg/m3
PM2,5 concentratie
25 µg/m3
8 - 10 µg/m3
6 - 8 µg/m3
<10
µg/m3
Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire
46
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing Uit de gemeentelijke externe veiligheidsnotitie is naar voren gekomen dat er geen inrichtingen aanwezig zijn binnen de gemeente die een risico vormen voor de bestaande omgeving. Rondom het plangebied zijn volgens de risicokaart geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ten zuiden van het plangebied is de Needsestraat (N740) gelegen. Volgens tellingen (2003) worden over de N740 alleen brandbare vloeistoffen (LF2) vervoerd. Uit de risicokaart valt niet af te leiden dat er transport van brandbaar gas (GF3) te verwachten valt. Het vervoer van gevaarlijke stoffen leidt hierdoor niet tot PR 10-6 contour of relevant groepsrisico. Ook zijn verder geen relevante overige stationaire en/of mobiele bronnen nabij het plangebied gelegen. Op de navolgende afbeelding is een fragment van de provinciale risicokaart opgenomen. De ligging van het plangebied is aangeduid met een rood kader.
Fragment provinciale risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl) Binnen de gemeente bevinden zich een aantal hoge druk aardgasleidingen, deze bevinden zich echter niet in of nabij het plangebied. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan
4.7
Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen
vastgesteld
47
De Marke III fase 3, Hengevelde
verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Algemeen Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1.
Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico's in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio's en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen.
De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema's een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid;
48
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma's en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda's Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma's de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda's onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.
Regionaal Waterprogramma Overijssel 2022-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2022 – 2027 Provincie Overijssel is op 15 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Overijssel. De provincie heeft vier ambities: 1. Watersysteem met een goede ecologische en chemische kwaliteit: Een schoon en gezond watersysteem zijn belangrijk om een toekomstbestendig beheer te krijgen; 2. Rekening houden met gevolgen klimaatverandering: de provincie zet zich scherp in op samenwerking met partners om klimaatbestendig en waterrobuust te worden; 3. Versterking ruimtelijke kwaliteit: De investeringen in vormgeving en landschapsinpassingen worden op prijs gesteld. De provincie wil de beleefbaarheid van het watersysteem verhogen; 4. Kosten waterbeheer : De financiering van het waterbeheer voor de oppervlaktewateren, de aanleg en het onderhoud van keringen en de waterhuishouding in algemene zin liggen primair bij de waterschappen. De nadruk wordt verder gelegd op specifieke gebieden die meer aandacht nodig hebben bij een ruimtelijk project: 1. Drinkwateronttrekking: de provincie wil aan de voorkant van de ruimtelijke ontwikkelingen staan, zodat drinkwateronttrekking niet als een belemmering worden ervaren.
De bescherming van grondwater voor menselijke consumptie is ook een prioriteit; 2. Waterwingebieden: Bij de winputten, is alle andere activiteiten dan ten behoeve van de openbare drinkwatervoorzieningen niet toegestaan; 3. Grondwaterbeschermingsgebieden (met stedelijke functies): (risico)afweging en maatwerk in de ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor deze gebieden kaderstellend; 4. Intrekgebieden (met stedelijke functies): In deze gebieden, is het mogelijk om andere functies toe te staan, mits een duurzame functieverweving mogelijk is
vastgesteld
49
De Marke III fase 3, Hengevelde
bijvoorbeeld extensieve recreatie. Daarnaast hecht de provincie veel belang aan (risico) afwegingen in stedelijke gebieden; 5. Innamezone waterwinning: het water in deze gebieden moeten voldoen aan de eisen van oppervlaktewater; 6. Boringsvrije zone drinkwatervoorziening/ industrie/ Sallands Diep: In de boringsvrije zones is het beleid gericht op het behoud van de beschermende bodemlagen. Doorboren van deze bodemlagen is niet toegestaan. In het plan zijn deze programma's verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Overijssel. In de Omgevingsverordening is ondere andere regelgeving opgenomen voor de drinkwatervoorziening en grondwaterbeschermingsgebieden. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij deze gebieden zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma Vechtstromen 2022-2027 Op 15 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap Vechtstromen vastgesteld.
Het Waterschap Vechtstromen laat in het waterbeheerprogramma zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke (bestuurlijke) accenten het waterschap in de samenwerking met de partners willen leggen. Van daar uit wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven inclusief de primaire doelen van het waterschap: Klimaatrobuust: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen Waterkwaliteit op orde: Water moet, zowel ecologisch als chemisch, van goede kwaliteit zijn. Schoon water is de basis voor een veilige leefomgeving en drager van natuur- en landschapskwaliteit. Duurzaamheid: Aandacht voor duurzaamheid is vanzelfsprekend voor een aantrekkelijke leefomgeving. Binnen het thema duurzaamheid staan drie onderwerpen de komende jaren hoog op onze beleidsagenda: 1. vergroening: aandacht voor biodiversiteit en ecologie; 2. CO2-neutraliteit: het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen; 3. omslag naar circulair werken: om kostbare grondstoffen te sparen en afval te voorkomen. Beleven van water: Het waterschap stelt zich open om de verschillende watergangen niet alleen maar functioneel te zien, maar ook om ervan te kunnen genieten.
Door dat aanbod aan een groter publiek toegankelijker te maken, groeit ook het besef dat een gezond watersysteem van cruciaal belang is. Duurzaam financieel beleid: dit onderdeel bevat meerdere ramingen inzake onder andere exploitatiekosten of belastingopbrengsten, zodat het waterschap om een duurzame manier omgaat met inkomsten en uitgaven. Tot slot wordt de geplande koers vertaald in concrete tactische doelstellingen per beleidsonderdeel. Toetsing Bij de vaststelling van bestemmingsplan 'De Marke III fase 2' heeft de toetsing voor onderhavig plangebied reeds plaats gevonden. Daarin is naar voren gekomen dat de
50
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
gemeente Hof van Twente streeft naar een vitaal en robuust watersysteem en waterketen, waarbij zichtbaar water bijdraagt aan een positieve beleving van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dit is vertaald naar de volgende uitgangspunten voor de hemelwaterstructuur in De Marke III: hemelwater van particulier terrein wordt bovengronds aangeboden aan de straat; hemelwater wordt bovengronds via goten in het wegprofiel afgevoerd naar wadi's; de wadi's komen uit in de westelijke groenzone die deels ook fungeert als groene berging; aan de westzijde ligt een ondiepe watergang die aansluit op het regionale watersysteem; het uitgangspunt is om 40 mm hemelwater te bergen binnen het plangebied; In de toekomst zal afgekoppeld hemelwater vanuit Hengevelde op 2 locaties afvoeren op groene waterberging De Marke III. De ruimte voor wadi's in het stedenbouwkundig plan voor het groter geheel is ruim voldoende om 40 mm hemelwater te kunnen bergen. In extreme neerslagsituaties lopen de wadi's over naar de groene waterberging waardoor wateroverlast voorkomen wordt. Het overtollige hemelwater van het bedrijventerrein wordt op het 'eigen' terrein tijdelijk geborgen in een voorziening van 40 mm waterberging. De watergang aan de westzijde van het plangebied voert het overtollige hemel- en grondwater vertraagd af naar het landelijke watersysteem.
De DWA (droog weer afvoer) van De Marke III kan onder vrijverval aangesloten worden op het gemengde rioolstelsel van De Marke II. Op de overgang tussen De Marke II en III dient een terugslagklep geplaatst worden en het afvalwater dient 24 uur gebufferd te kunnen worden in het stelsel van De Marke III. Duurzaamheid Door het toepassen van wadi's en daarmee het zichtbaar afvoeren van water naar bovengrondse voorzieningen wordt gebruik van materialen (buizen) beperkt en wordt bespaard op toekomstige beheerkosten. Het gekozen systeem is hiermee duurzaam. Effecten op het watersysteem In het kader van de verplichte watertoets dienen diverse effecten op het watersysteem als gevolg van toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen (bestemmingsplannen) te worden verkend. Bij het doorlopen van de watertoets wordt een aantal waterthema's beschouwd. Hierna is voor ontwikkeling De Marke III per thema het effect op het watersysteem (waterketen en gronden oppervlaktewatersysteem) weergegeven. Veiligheid Dit thema heeft betrekking op waterkeringen en overstromingsrisico's. Deze aspecten zijn niet van toepassing op het plangebied. Wateroverlast Volgens het waterbeheerplan van het waterschap Vechtstromen wordt het plangebied niet gebruikt voor regionale waterberging. Dit betekent dat bij ontwikkeling geen compensatie van de waterberging nodig is. In het plangebied ligt een waterloop van het waterschap.
Bij hevige neerslag loost het rioolstelsel van de kern Hengevelde op de kop van deze waterloop. Volgens het waterschap is er geen sprake van een stedelijke wateropgave. De versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de aanleg van verhard oppervlak in het plangebied wordt gecompenseerd door waterbergende voorzieningen
vastgesteld
51
De Marke III fase 3, Hengevelde
aan te leggen binnen het plangebied. Watervoorziening Dit thema heeft betrekking op het bergen van overtollig water (met name in de winter) met als doel om verdroging/vocht te korten in de zomer te voorkomen. In het plangebied worden wadi's aangelegd. Het hemelwater wordt opgevangen in deze wadi's en kan daar infiltreren in de bodem en komt daarmee ten goede aan het grondwater. Volksgezondheid In het plangebied ligt een watergang van het waterschap waarop de keur van toepassing is. Op deze watergang wordt een paar keer per jaar (licht) verontreinigd rioolwater geloosd. Deze bestaande watergang wordt ter hoogte van de geplande nieuwbouw vervangen door een ondergrondse leiding die zal fungeren als afvoerroute voor het overstortend rioolwater. De frequentie van de overstortingen en de hoeveelheid zal afnemen, doordat de gemeente in de toekomst bij rioolvervanging verhard oppervlak af gaat koppelen van het gemengde rioolstelsel in Hengevelde. Dit afgekoppelde water wordt op dezelfde ondergrondse leiding aangesloten en zorgt daarmee voor doorspoeling. Grondwateroverlast Omdat de huidige grondwaterstanden te hoog zijn voor de functie wonen wordt het plangebied opgehoogd als maatregel om voldoende ontwatering te realiseren. Daarnaast wordt ter plekke van de wadi's drainage aangelegd.
Deze drainage wordt alleen toegepast om te voorkomen dat de grondwaterstand boven het niveau van de huidige GHG stijgt. Oppervlaktewaterkwaliteit Het afvalwater van de Marke III wordt geheel gescheiden van het hemelwater afgevoerd en aangesloten op het rioolstelsel van de Marke II. Het hemelwater wordt via goten afgevoerd naar wadi's. Deze wadi's hebben een bergende en zuiverende functie. De eventuele vervuiling die in het hemelwater aanwezig is, blijft achter in de zodelaag van de wadi en komt dus niet in het oppervlaktewater terecht. Verdroging/natte natuur Het uitgangspunt van het waterstructuurplan voor De Marke III is dat er grondwaterneutraal gebouwd wordt. Door het plangebied op te hogen, is het niet nodig de huidige grondwaterstanden structureel te verlagen. Door het toepassen van wadi's wordt het hemelwater dat in het plangebied valt vast gehouden binnen het gebied en komt dit water ten goede aan het grondwater, net als in de huidige situatie. Riolering en zuivering Ter hoogte van het plangebied lozen drukrioleringsgebieden op het gemengd rioolstelsel van Hengevelde. Dit veroorzaakt stank- en aantastingsproblemen. Deze problemen zouden opgelost kunnen worden door een nieuwe persleiding aan te leggen vanaf De Marke III langs de zuidzijde van Hengevelde naar de persleiding van het waterschap. De gemeente heeft hier niet voor gekozen, omdat de kosten (ca.
€ 400.000) van de aanleg en exploitatie van de nieuwe persleiding hoog zijn. Om de genoemde problemen op te lossen worden doelmatiger maatregelen getroffen. Het afvalwater van de Marke III wordt geheel gescheiden van het hemelwater afgevoerd en onder vrij verval aangesloten op het rioolstelsel van de Marke II.
52
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
Conclusie Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.8
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing In een quick scan natuur8 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat verschillende Natura 2000-gebieden op circa 10 km van het plangebied liggen. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn verstoringen zoals licht, geluid, trillingen en optische verstoringen op voorhand uit te sluiten. Echter is een toename van stikstofdepositie door de ontwikkeling op stikstofgevoelige habitattypen op voorhand niet uit te sluiten. Daarom dient er een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd, dit wordt behandeld in paragraaf 4.9.
Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Essentiële elementen, zoals essentieel
vastgesteld
53
De Marke III fase 3, Hengevelde
leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan
4.9
Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.
Toetsing In het kader van de Wet natuurbescherming is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt in een onderzoek stikstofdepositie9. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt dat uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie
54
vastgesteld
De Marke III fase 3, Hengevelde
Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd.
4.10
Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing De gemeente Hof van Twente beschikt over een Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, waarop zowel de bekende waarden als de trefkans op nog onontdekte waarden zijn aangegeven. Op basis van deze kaart kan worden bepaald wat de archeologische verwachting is. Voor iedere verwachting gelden andere voorwaarden met betrekking tot archeologie. Navolgende uitsnede van de archeologische verwachtingskaart geeft de ter plaatse geldende verwachtingswaardes weer.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied (bron: Gemeente Hof van Twente) Uit de archeologische verwachtingskaart komt naar voren dat het plangebied grotendeels in een zone ligt met een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter of gelijk aan 10 hectare archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het gebied dat binnen het onderhavig plan binnen de zone ligt met een lage archeologisch verwachting beslaat nog geen hectare. Een deel van het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting. Dit betreft de uitbreiding van de bouwvlakken aan de Bomhof. Bij een hoge archeologische verwachting moet onderzoek worden uitgevoerd bij verstoringen dieper dan 40 cm en oppervlakte van 2500 m2 of meer. Dit is binnen het onderhavig plan niet van toepassing. Dit betekent dat er geen onderzoek nodig is geacht naar de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Daarbij komt dat ter plaatse geen archeologische dubbelbestemming c.q. archeologische gebiedsaanduiding geldt, waarmee wordt gesteld dat het aspect archeologie geen belemmering vormt. De