CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting BP Herziening Traasweg 5 Markelo.pdf

Gemeenteraad 21 januari 2025, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 10: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo"17.706 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

wordt voldaan. Zo moet er sprake zijn van een substantiële en integrale kwaliteitsslag op de locatie die tegemoet komt aan de huidige markteisen en dient onderbouwd te worden dat de uitbreiding is afgestemd op de marktvraag. De diepgang van de onderbouwing dient in redelijke verhouding te staan tot de omvang van de uitbreiding. 4.3.2.3

Toetsing aan de 'Structuurvisie Landelijk gebied'. De afgelopen jaren is het recreatiebedrijf binnen het plangebied bezig om de kwalitatieve vraag naar verblijfsrecreatie te upgraden. Dit is wenselijk omdat de eisen van de recreant hoger worden. Verblijfsrecreatie moet gepaard gaan met gemak en luxe. Dit vergt ruimte. Dankzij het uitbreiden van het recreatieterrein met lodges en het landschappelijk inpassen van het terrein wordt het recreatiepark weer aantrekkelijk gemaakt voor recreanten. In Bijlage 1 is het ruimtelijk kwaliteitsplan opgenomen, waarin de landschapsmaatregelen zijn weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het streefbeeld als geformuleerd in de 'Structuurvisie Landelijk gebied'.

4.3.3

Nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0'

4.3.3.1

Algemeen De nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0' is de opvolger van de nota Recreatie en Toerisme 2021-2027 en geeft een visie op de recreatieve sector tot 2030. De visie komt voort uit een aantal gezamenlijk gedragen uitgangspunten: Niet voor, maar door stakeholders. We vinden het belangrijk dat de visie samen met de sector is vormgegeven. Dit levert de meeste input op en zorgt -naast draagvlak- ook voor eigenaarschap. Toerisme en recreatie geen doel op zich. De vrijetijdseconomie biedt kansen om het woonplezier van inwoners te vergroten en bezoekers van buiten de gemeente aan te trekken. Goede toeristisch-recreatieve voorzieningen kunnen hier een mooie bijdrage aan leveren. Dit vraagt om een goede balans tussen 'people, planet, profit'. Denken vanuit kansen met oog voor deelgebieden/-thema's. Elke kern in de gemeente heeft zijn eigen karakteristieken, zo ook het buitengebied. Om de gemeente in samenhang te ontwikkelen én tegelijkertijd oog te hebben voor de afzonderlijke kenmerken- werken wij in deze visie vanuit thema's. Dit brengt focus aan in de visie en maakt het mogelijk om deze thema's individueel en vanuit samenhang te versterken. In samenwerking met de regio. Recreanten en toeristen denken niet vanuit gemeentegrenzen en daarom is het essentieel om de regio te betrekken.

Van belang is om als gemeente aan te sluiten bij de regio waar mogelijk en uit te blinken op onderscheidende aspecten. Dit laat zich vertalen naar een ambitie voor 2030: "We zijn ambitieus en leggen de lat hoog. Niet door te kiezen voor meer, maar door te kiezen voor beter. We zetten in op een vrijetijdseconomie die jaarrond zorgt voor levendigheid. We blinken uit in ons culturele aanbod. Genieten van activiteiten in de natuur. En zetten de landgoederen en kastelen verder in de spotlights. Kortom, we willen hetgeen wat we hebben nog beter (beleefbaar) maken. We staan open voor nieuw onderscheidend aanbod. Daarvoor geldt dat onze eigen inwoners symbool staan voor de bezoekers die we willen trekken. We maken ons hard om onze eigen (regio)inwoner beter te bedienen. Dit maakt ons ook aantrekkelijk voor bezoekers van verder weg. We richten ons expliciet op de Millennials (met jonge kinderen). Gaan voor kwaliteit en kleinschaligheid. En bedienen nog beter dan nu de actieve natuur- & cultuurliefhebber. Nieuw aanbod laten we aansluiten bij de leefstijlen van eigen inwoners: de inzicht- en stijlzoekers.

vastgesteld

29

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Met alles wat we doen, dragen we bij aan het geluk en de vitaliteit van inwoners, bezoekers en ondernemers. Niet alleen voor vandaag, maar ook voor toekomstige generaties." 4.3.3.2

Doelen De doelen voor de vrijetijdseconomie 2030 zijn onderverdeeld in de volgende onderdelen: Bewegen & beleven; Jaarrond; Kwalitatief & in samenhang. In voorliggend geval zijn met name de doelen ten aanzien van 'Kwalitiatief & in samenhang' van toepassing. Hierna worden de betreffende doelen benoemd: een divers en kwalitatief aanbod; 1. Groei verblijfsaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers. Van de huidige 7% stijlzoekers die ons bezoekt, streven we naar 10% in 2030. 2. Versterken huidige aanbod: Groei trendsetters dagrecreatie. Behoud hoge middenmoters. 3. Versterken culinair-& agrofood aanbod 4. Groei dagrecreatiefaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers. 5. Gastvrije informatiepunten voor iedereen vindbaar en toegankelijk. een hoffelijke samenwerking; 1. Versterken verbinding onderwijs en vrijetijdseconomie. 2. Versterken onderlinge samenwerking ondernemers. 3. Aansluiten bij regionale samenwerkingsverbanden en hierbij vanuit eigen positionering uitblinken. 4. Op gedeelde thema's actief samenwerken met de Achterhoek.

4.3.3.3

Toetsing aan de nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0' In voorliggend geval wordt een bestaand recreatiepark uitgebreid om te voldoen aan de huidige en toekomstige vraag van recreanten. Met de gewenste ontwikkeling wordt een kwaliteitsslag gemaakt voor het recreatiepark en de omgeving. De lodges sluiten aan bij de behoefte van de doelgroepen stijlzoekers (actief en luxe; millennials en gezin met jonge kinderen) en inzichtzoekers (cultuur en natuur; bovenmodaal vooral tweepersoonshuishoudens van 60+). Daarnaast wordt door de landschappelijk inpassing het recreatiepark nog aantrekkelijker gemaakt voor recreanten en de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. Het plan draagt dan ook bij aan het toekomstbestendig houden van het recreatiepark en sluit aan bij de missie van de gemeente om de gemeente aantrekkelijk te houden en waar mogelijk aantrekkelijker te maken door kwaliteitsverbetering. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0'.

4.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het relevante gemeentelijke beleid.

30

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Hoofdstuk 5

M ilieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6. Bro is ook van toepassing op een bestemmingsplan. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit m.e.r..

5.1

Geluid

5.1.1

Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

5.1.2

Situatie plangebied Het gaat in dit geval om het uitbreiden van een bestaand recreatiepark. Er is uitsluitend sprake van het toevoegen van 10 lodges. In artikel 76 van de Wet geluidhinder is bepaald dat de geluidbelasting van bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden. Hieronder valt het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling is een recreatief object in beginsel geen geluidgevoelig gebouw in de zin van de Wet geluidhinder (ABRvS 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1431). In het kader van het 'goede ruimtelijke ordening' kan het desondanks wenselijk zijn om na te gaan wat de geluidsbelasting ter plaatse van lodges is. Wegverkeerslawaai Rondom het plangebied bevinden zich uitsluitend wegen zonder wettelijke geluidszone, danwel wegen waar sprake is van een lage verkeersintensiteit. Eén en ander wordt bevestigd door de geluidskaart van de atlas leefomgeving. Een uitsnede van de geluidskaart ter plaatse van het plangebied (rode omlijning) is in afbeelding 5.1 weergegeven.

vastgesteld

31

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Afbeelding 5.1 Uitsnede geluidskaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Spoorweg- en industrielawaai In voorliggend geval ligt het plangebied niet binnen een wettelijke geluidszone van een spoorweg danwel nabij een gezoneerd industrieterrein. Conclusie Het aspect 'geluid' vormt dan ook geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.1.3

Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is voor het plangebied door Sigma een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting.

32

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

5.2.2

Situatie plangebied Zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen en/of asbestverdachte materialen waargenomen (indicatieve waarneming). Grond Bovengrond (0.0-0.5 m-mv) De bovengrondmengmonsters MM1 en MM2 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Ondergrond (0.5-2.0 m-mv) De ondergrondmengmonsters MM3 en MM4 bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. Grondwater Tot een diepte van 5 m-mv is op de onderzoekslocatie geen freatisch grondwater aangetroffen. Conform NEN-5740 kan onderzoek indien het freatisch grondwater zich dieper 5 m-mv bevindt buiten beschouwing blijven. Onderzoek van het grondwater is in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten.

5.2.3

Conclusie Op basis van de vorenstaande gegevens wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1

Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan

vastgesteld

33

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2

Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat het project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen (Brzo); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de

34

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. De gemeente Hof van Twente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. 5.4.2

Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is hierin met de blauwe omlijning aangegeven.

Afbeelding 5.2 Uitsnede risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat in de omgeving één risicobron aanwezig is. Het betreft een propaantank van het recreatiepark zelf. Zoals in afbeelding 5.2 is weergegeven worden de nieuw te realiseren lodges ruim buiten de risicocontouren van de propaantank gebouwd. 5.4.3

Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

vastgesteld

35

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden geaccepteerd worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente en daarmee aan te merken als een rustig gebiedstype. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.

36

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1

Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2

Externe werking Hierbij gaat het voornamelijk om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het recreatiebungalowpark betreft een functie dat op basis van de VNG uitgave “Bedrijven en milieuzonering” is aan te merken als een 'kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)'. Een dergelijke functie valt onder milieucategorie 3.1, waarvoor een grootste richtafstand van 50 meter geldt. De functie heeft op basis van de VNG-publicatie de volgende richtafstanden: 30 meter voor geur; 50 meter voor geluid; 30 meter voor gevaar. Op voorhand wordt opgemerkt dat in voorliggend geval sprake is van een uitbreiding van een bestaand recreatieterrein. Doordat het merendeel van het plangebied reeds planologisch is toegestaan, wordt hierna uitsluitend getoetst aan de externe werking van het deel van het plangebied waar de voorgenomen uitbreiding is beoogd. Binnen een straal van 50 meter rondom het deel van het plangebied waar de voorgenomen uitbreiding is beoogd bevinden zich geen milieugevoelige objecten. Hierdoor wordt geconcludeerd dat de voorgenomen uitbreiding niet resulteert in een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige objecten.

vastgesteld

37

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

5.5.3.3

Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In voorliggend geval wordt er een recreatiepark uitgebreid. Dit betreft geen gevoelige functie in het kader van milieuzonering. Omliggende functies vormen dan ook geen belemmering voor het initiatief.

5.5.4

Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht.

De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

5.6.1.2

Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald

38

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Situatie plangebied De in voorliggend bestemmingsplan te realiseren lodges worden niet beschouwd als geurgevoelig objecten in het kader van de Wgv. Gelet op het vorenstaande wordt ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. Het voornemen resulteert eveneens niet in een belemmering voor omliggende veehouderijen.

5.7

Ecologie

5.7.1

Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van die- en plantensoorten.

5.7.2

Gebiedsbescherming

5.7.2.1

Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het projectgebied bevindt zich naast het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied 'Borkeld'. Om inzichtelijk te maken of de voorgenomen ontwikkeling significante negatieve gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hiermee is berekend wat de stikstofemissie is tijdens de toekomstige gebruiksfase (permanente emissie). Hierbij is het van belang of de stikstofemissie al dan niet resulteert in een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De volledige AERIUS-berekening is opgenomen in Bijlage 3 Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Onderzoeksresultaten Uit de rekenresultaten van de berekeningen van de aanlegfase blijkt dat er in de salderingsberekening geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Daarbovenop wordt gesteld dat er in sprake is van een afname in depositie namelijk 0,22 mol/ha/jr.

Uit de rekenresultaten van de berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er in de salderingsberekening geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Daarbovenop wordt gesteld dat er in sprake is van een afname in depositie namelijk 0,30 mol/ha/jr. Hieruit wordt geconcludeerd dat een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden is uitgesloten. Het project is in het kader van de Wnb, aangaande de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig.

vastgesteld

39

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

5.7.2.2

Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormt de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 2,6 kilometer van het plangebied. Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.7.3

Soortenbescherming

5.7.3.1

Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

5.7.3.2

Situatie plangebied In voorliggend geval is ter plaatse van het plangebied door AnteaGroup in 2019 een natuurtoets uitgevoerd. Deze natuurtoets in in 2023 vervolgens geactualiseerd. De memo ten behoeve van de actualisatie is in bijlage 4 opgenomen. Binnen het plangebied is de grote bosmuis en de egel aangetroffen en kan de aanwezigheid van de bunzing en wezel niet worden uitgesloten. Wat betreft de egel wordt opgemerkt dat deze soort niet is vrijgesteld in de provincie Overijssel (Wnb art. 3.10) en daarmee beschermd, een ontheffing is dan ook noodzakelijk. Om de aanwezigheid van de grote bosmuis aan te tonen of uit te sluiten is opdracht gegeven om onderzoek uit te voeren (zie bijlage 5).Tijdens het onderzoek is de soort niet aangetoond. Voor de uitvoering van het voornemen zijn betreft de grote bosmuis vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere acties noodzakelijk. Wel dient rekening te worden gehouden met de Zorgplicht voor vrijgestelde soorten als de rosse woelmuis en de huisspitsmuis. Voor de egel zijn maatregelen noodzakelijk, deze kunnen gecombineerd worden met die voor de bunzing en wezel. Hiertoe is een advies inrichtingsplan voor de bunzing, wezel en egel opgesteld (bijlage 6).

5.7.4

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

40

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1

Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2

Situatie plangebied De gemeenteraad van Hof van Twente heeft het archeologische beleid verwerkt in het geldende bestemmingsplan. Het deel van het plangebied waar de gewenste uitbreiding is beoogd bevat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' mogen zonder archeologisch onderzoek geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld verstoord wordt of het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 2.500 m2. Omdat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling de onderzoeksgrens voor archeologisch onderzoek mogelijk wordt overschreden, is door AnteaGroup een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Het hele rapport is opgenomen in Bijlage 7. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. Op basis van de resultaten ven conclusies van het archeologisch (veld)onderzoek wordt geadviseerd om het onderzochte gebied voor wat betreft archeologie vrij te geven.

5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1

Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.8.2.2

Situatie plangebied In het plangebied is er geen sprake van karakteristieke gebouwen. Ook in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen monumenten. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt dan ook geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen.

vastgesteld

41

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

5.8.3

Conclusie Het uitvoeren van een nader archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Tevens worden als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden geraakt die een belemmering vormen voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plicht zijn indien een passende beoordeling op basis van art. 2.8 van de Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r..

Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

42

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1

Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming In de AERIUS-berekening (Bijlage 3) wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

5.9.2.2

Drempelwaarden Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (plan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (plan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.

Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. In voorliggend geval gaat het om directe eindbestemmingen en is sprake van een besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

Het plan betreft de uitbreiding van een recreatiebedrijf. De ontwikkeling is concreet beschreven in paragraaf 3.1. In onderdeel D 10 wordt onder een stedelijke ontwikkeling het volgende verstaan: 'de aanleg wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 250.000 bezoekers of meer per jaar;

vastgesteld

43

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

2. Een oppervlakte van 25 hectare of meer, of 3. Een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. In voorliggend geval gaat het om een bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van 10 lodges. Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. In dit geval is uit de milieuaspecten in Hoofdstuk 5 gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten van de ontwikkeling ten aanzien van de omgeving. Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is hiermee niet noodzakelijk. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Het bevoegd gezag zal een besluit nemen op de in deze paragraaf opgenomen vormvrije m.e.r. beoordeling. 5.9.3

Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

44

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Hoofdstuk 6

Wateraspecten

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2

Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationaal waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De belangrijkste ambities richten zich op een veilig en klimaatbestendige delta, een concurrenende, duurzame en circulaire delta en een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

6.1.3

Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

6.1.4

Waterschap Rijn en IJssel Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Het waterschap Rijn en IJssel heeft de doelen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de lange termijn doelen voor de beleidsthema's al vastgesteld; het waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft aan hoe het waterschap in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar het waterschap in 2027 denkt te staan.

vastgesteld

45

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

6.1.5

Waterplan Hof van Twente Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort. Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.

Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2

Watertoetsproces Het Waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de 'normale procedure' van de watertoets moet worden doorlopen (Bijlage 8). Vanwege deze procedure is contact opgenomen met het waterschap. Het waterschap komt nog met een advies.

6.2.3

Waterhuishoudkundige aspecten Waterhuishouding

46

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het projectgebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. Het projectgebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone of herinrichtingszone langs een waterloop, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied. Afvalwater Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijk rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel heeft voldoende capaciteit om het afvalwater zonder problemen kan verwerken. Hemelwater De verharding neemt toe met circa 1.200 m2 in landelijk gebied. Een dergelijke toename van verharding is, gezien de ligging in het buitengebied, verwaarloosbaar. In en om het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden om ervoor te zorgen dat er sprake is van voldoende waterbergingsmogelijkheden. Oppervlaktewater Het plan voorziet niet in het realiseren van extra oppervlaktewater of het verwijderen van bestaand oppervlaktewater. Grondwater Het plan voorziet niet in een aanpassing van het grondwaterpeil of de onttrekking van grondwater. Binnen het plangebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend.

vastgesteld

47

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planopzet

Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

7.2

Opbouw van de regels

7.2.1

Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP 2012 (Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012). De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.

7.2.2

Inleidende regels

7.2.2.1

Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

7.2.2.2

Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.

48

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

7.2.3

Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a: Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Afwijken van de gebruiksregels: Deze afwijking geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van functies die in eerste aanleg strijdig zijn met de bestemmingsomschrijving of de specifieke gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: Omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

7.2.4

Algemene regels Anti-dubbeltelregel (Artikel 8): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels (Artikel 9): Dit artikel bevat diverse regels omtrent bestaande maatvoering, dakhelling van gebouwen, situering van woningen, herbouw of nieuwbouw van gebouwen in geval van calamiteit en situering van bijgebouwen en paardenbakken. Algemene gebruiksregels (Artikel 10): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. In dit artikel is tevens de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing opgenomen. Er is bewust gekozen om deze bepaling in de algemene gebruiksregels op te nemen, omdat het kampeerterrein binnen twee bestemmingen wordt gerealiseerd. Het is wenselijk om de verplichting in de algemene regels te koppelen aan beide bestemmingen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 11): in deze regels is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.

De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels (Artikel 12): In deze regels is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan op ondergeschikte punten te wijzigen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene procedureregels (Artikel 13): In deze regels zijn algemene procedurele eisen opgenomen om de uitvoerbaarheid van de in dit plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid te waarborgen.

7.2.5

Overgangs- en slotregels In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

vastgesteld

49

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

7.3

Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouwen gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. "Bos" De noordzijde en westzijde van het plangebied is voorzien van de bestemming "Bos". Door middel van deze bestemming is gewaarborgd dat aan deze zijden, conform het ruimtelijk kwaliteitsplan, een bosstrook is toegestaan en gerealiseerd wordt. 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' Het gehele plangebied is voorzien van de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'. De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bedrijfsmatige exploitatie van een recreatieterrein ten behoeve van verblijfsrecreatie.

Binnen het plangebied is de geldende bestemming overgenomen, waarbij 10 extra lodges worden mogelijk gemaakt. Daarnaast is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen uit het ruimtelijk kwaliteitsplan. Voor het overige is aangesloten op de geldende recreatiebestemming. 'Waarde - Archeologische verwachting 1' De bestemming '' is opgenomen ter bescherming van archeologische waarden. Het beleid dat voor deze bestemming geldt is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen dieper van 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2. 'Waarde - Archeologische verwachting 2' De bestemming '' is opgenomen ter bescherming van archeologische waarden. Het beleid dat voor deze bestemming geldt is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen dieper van 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m2. 'Waarde - Archeologische verwachting 3' De bestemming '' is opgenomen ter bescherming van archeologische waarden. Het beleid dat voor deze bestemming geldt is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen dieper van 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 10 ha.

50

vastgesteld

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

Hoofdstuk 8

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemers en de gemeente Hof van Twente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

vastgesteld

51

Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening Traasweg 5 Markelo

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4075/documents/57812