631935 IHP eindrapportage.pdf
Tekst van het document
2.
3.
DMS 23030260
Als goed huisvader ... De voor onderwijshuisvesting aangewezen gebouwen voldoen gedurende de (resterende) gebruiksduur minimaal aan de wettelijke voorwaarden en eisen op basis van het rechtens verkregen niveau ten aanzien van gebruik (binnenklimaat, veiligheid en gebouwkwaliteit) en op het vlak van energie- en materiaalverbruik. … met ambitie ... Partijen hebben de ambitie om door gerichte investeringen meer dan hun wettelijke aandeel in de reductie van fossiel energiegebruik voor hun rekening te nemen. Ook zetten ze in op een hoogwaardig binnenmilieu, waarbij de afspraken en de ambities als verwoord in de Sectorale Routekaart voor (Primair) Onderwijs en ook de Groene Agenda Kinderopvang als leidraad gelden. … in een transparante samenwerking ...
51
4.
5.
Partijen delen vanuit Total Cost of Ownership hun (onderhouds-) plannen voor de korte, middellange en lange termijn en kiezen inhoudelijke en financiële samenwerking als uitgangspunt van handelen. Doel is om per school tot een efficiënt en effectief maatregelenpakket te komen, waarbij timing, financiering en bundeling in goed overleg worden afgestemd. Als de wens tot bundeling van maatregelen leidt tot het voornemen van een uitstel van handelen, worden de consequenties op impact afgewogen en transparant gecommuniceerd. … en met oog op de eindtermijn ... Voor investeringen in gebouwen hanteren partijen een pragmatische aanpak, gericht op de resterende eindtermijn. Als een (onderhouds-) investering forse financiële consequenties voor een betrokken partner heeft, die over de afgesproken eindtermijn heen gaat, dan moet die zakelijk afgewogen kunnen worden tegen alternatieven, zoals het versnellen of juist vertragen van een voorziening voor nieuwbouw. … investeren met verstand. Partijen wegen investeringen en verbeteringsmaatregelen in locaties zakelijk en in onderlinge samenhang af. •
Aanpassingen ingegeven door veranderde (wettelijke) eisen vanwege gebruik, door onderhoud of ter compensatie van energieambitie (punt 1) worden bij voorkeur gebundeld met investeringen in instandhouding.
•
Deze gebundelde investeringen moeten binnen de eindtermijn naar redelijkheid technisch en financieel afgeschreven (kunnen) worden.
•
Om gewenste aanpassingen op hun waarde te kunnen boordelen, worden ze in hun financiële impact (jaarlijkse kosten en baten) afgezet tegen de vastgelegde eindtermijn (punt 3).
•
Als de afschrijving van een geplande investering daar aanleiding toe geeft dan wordt een verlenging van de eindtermijn overwogen (lees: langer of juist korter gebruik van de school). Dit wordt expliciet voorgelegd voor bestuurlijk besluitvorming.
Maatregelen voor verduurzaming van bestaand maatschappelijk vastgoed zijn kostbaar. Ook inhoudelijke verbeteringen voor het toevoegen van functies aan maatschappelijke gebouwen en onderwijshuisvesting in het bijzonder, vragen altijd forse investeringen. Voorstellen moeten afgewogen worden tegen andere opties. Kwaliteitsverbetering en duurzaamheidsmaatregelen van bestaande schoolgebouwen zijn dan ook per definitie thema van gesprek tussen alle betrokken partijen. Het is vanuit Total Cost of Ownership van belang dat schoolbesturen, gemeente en andere partners samen, met open boeken, zoeken naar de beste oplossing. Partijen kunnen zich aanvullend gezamenlijk en gecoördineerd inspannen om derde geldstromen beschikbaar te krijgen, bijvoorbeeld via subsidies of zakelijke co-investeerders zoals schooldaken ter beschikking te stellen voor energiecoöperaties. Opdracht Ontwikkel samen (gemeente, schoolbesturen en andere maatschappelijke partijen) een verbeterplan voor inhoudelijke versterking en verduurzaming van bestaande (onderwijs-) gebouwen en houdt dat door jaarlijks overleg actueel. Als basis gelden de meerjaren onderhoudsplannen voor de verschillende relevante locaties en analysegegevens (energielabel-analyse en CO2-metingen). Voor de informatievoorziening maken gemeente en schoolbesturen afspraken om een faire beoordeling mogelijk te maken (compleet, meetbaar, geobjectiveerd).
De aanpak geldt voor alle schoolgebouwen, waar geen voorziening voor is afgesproken. Daarbij wordt de prioritering in onderling overleg vastgesteld. Voor de hand ligt een focus op gebouwen, waar een efficiënte samenhang van maatregelen met gepland groot onderhoud aan de orde kan zijn. Realisatietermijn Partijen hanteren de scope van de uitvoeringsagenda als meetpunt voor handelen.
DMS 23030260
52
Uitwerking Partijen stellen samen gedurende 2024 een actief verbeterplan op dat, uitgaande van de wettelijke taakverdeling, leidt tot een gezamenlijke aanpak. Daarbij is de eigenaar van het gebouw in algemene zin als eigenaar van het gebouw verantwoordelijk voor uitvoering van de afgesproken maatregelen. Eindtermijnen Uitgangspunt voor slimmere verbetering is om aanpassingen te relateren aan de resterende gebruiksduur, gedefinieerd door de eindtermijn. In onderstaande tabel wordt deze voor alle gebouwen vastgesteld. Basisschool
Bouwjaar
Eindtermijn
Basisschool Heeckeren
2014
2054
KBS De Albatros
1972
2024 (in ontwikkeling, campus de Whee)
OBS de Boomhut
1972
2024 (in ontwikkeling, campus de Whee)
Prins Constantijnschool
2011
2051
OBS ‘t Gijmink
2010
2050
OBS de Zwaluw
2020
2060
OEC De Welp
2020
2060
OBS Stokkum
1939
2032 (afwijkende eindtermijn kleine scholen)
OBS Brookschoole
1985
2032 (afwijkende eindtermijn kleine scholen)
ODBS Elserike
1981
2032 (afwijkende eindtermijn kleine scholen)
OBS Stedeke
1963
2024
OBS Wiene
1925
2032 (afwijkende eindtermijn kleine scholen)
OBS Azelo
1953
2032 (afwijkende eindtermijn kleine scholen)
IKC Magenta
2020
2060
IKC Erve Hooyerinck
1968, renovatie 2019
2024 en deels 2043 (verlengde levensduur)
Petrusschool
1971, 1998, 2007 en 2009 (renovaties/ uitbreidingen)
2024 en deels 2032 (verlengde levensduur)
IKC Bentelwijz
2007
2047
Voortgezet onderwijs
Bouwjaar
Eindtermijn
VO De Waerdenborch
1970
2024
VO Twickelcollege
1999
2039
08-6
Perspectief voor Kleine Scholen
Binnen Hof van Twente vormen de kleine scholen een belangrijke maatschappelijke waarde. Vijf scholen dreigen binnen de komende vijf jaar volgens de meeste recente prognoses van Pronexus (of vergelijkbaar) te zakken beneden twee keer de instandhoudingsnorm (minder dan 82 leerlingen). Dit de openbare scholen Stokkum, Elserike, Brookschoole, Azelo en Wiene. Een aantal scholen van deze scholen bevindt zich zelfs vlak boven de instandhoudingsnorm (41 leerlingen). De gebouwen zijn relatief
DMS 23030260
53
oud. Ze hebben vaak een meervoudige functie en dragen op die manier bij aan het maatschappelijke leven in hun buurt. Tegelijk staat de continuïteit van de kleine scholen onder druk. De kleine scholentoeslag staat politiek ter discussie en het verantwoordelijke schoolbestuur moet alle zeilen bijzetten om de scholen te kunnen continueren. De in de ‘Scholenvisie basisonderwijs Hof van Twente 2022/2023’ neergelegde norm dat minimaal drie groepen geformeerd moeten kunnen worden, staat op sommige scholen onder druk. Hoewel voor de meeste scholen vanuit zorgplicht een investering in nieuwbouw of levensduur verlengende renovatie aan de orde is, kan dit in praktische zin leiden tot een desinvestering wanneer de betreffende locatie op kortere of middellange termijn gesloten moet worden. In afwachting van een beter perspectief op de toekomstkansen ziet OPO daarom in goed overleg met andere partners af van aanvragen in het kader van zorgplicht vanuit de overtuiging dat de kwaliteit van de bestaande gebouwen ruimschoots voldoende is om goed onderwijs te kunnen bieden aan de kinderen. Partners hebben aanvullend in voorliggend plan voor de kleine scholen een tussenmaatregel afgesproken met het oog op gebouwversterking voor de komende acht jaren (de duur van een schoolcarrière).
Gemeente en OPO maken op grond daarvan concrete en specifieke verbeterafspraken voor de bestaande gebouwen in het verlengde en aanvullend op de Businesscase “Aanpak Permanente Verbetering”. Uitgangspunt is de zorgvuldige inzet van de schaarse middelen, waarbij in een gedragen verbeterplan keuzes steeds worden gewogen op doelmatigheid. Daarbij hanteren gemeente, schoolbestuur en (waar relevant) kindpartners het volgende handelingskader: 1.
2.
3.
4.
DMS 23030260
Als goed huisvader ... De kleine scholen voldoen gedurende de (resterende) gebruiksduur aan de wettelijke voorwaarden ten aanzien van gebruik (binnenklimaat, veiligheid en gebouwkwaliteit) en aan wettelijke eisen op vlak van energie- en materiaalverbruik. … in een transparante samenwerking ... Gemeente en schoolbestuur delen vanuit Total Cost of Ownership hun (onderhouds-) plannen voor de komende acht jaren en kiezen inhoudelijke en financiële samenwerking als uitgangspunt van handelen. Doel is om per kleine school tot een efficiënt en effectief maatregelenpakket te komen, waarbij timing, financiering en bundeling in goed overleg worden afgestemd. Als de wens tot bundeling van maatregelen leidt tot het voornemen van een uitstel van handelen, worden de consequenties op impact afgewogen en transparant gecommuniceerd. … en met oog op de eindtermijn ... Voor investeringen in gebouwen hanteren partijen een pragmatische aanpak, gericht op de resterende eindtermijn van de businesscase: 2032. Als een (onderhouds-) investering (inhoudelijk, maatschappelijk of gebouwelijk) financiële consequenties heeft over de eindtermijn heen dan moet die afgewogen worden tegen alternatieven. Daarbij kan het aan de orde zijn om alsnog een voorziening voor vervangende nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie te overwegen. … investeren met verstand.
Partijen wegen investeringen en verbeteringsmaatregelen in locaties zakelijk en in onderlinge samenhang af. •
(Verplichte) maatregelen uit de Erkende Maatregelenlijsten (EML) worden binnen 5 jaar of de resterende gebruikstermijn terugverdiend door besparingen in energiegebruik. Deze worden door schoolbestuur zelf toegepast.
•
Gebundelde investeringen moeten binnen de eindtermijn naar redelijkheid technisch en financieel afgeschreven (kunnen) worden.
•
Om gewenste aanpassingen op hun waarde te kunnen boordelen, worden ze in hun financiële impact (jaarlijkse kosten en baten) afgezet tegen de vastgelegde eindtermijn (punt 3).
54
Het is vanuit Total Cost of Ownership van belang dat schoolbestuur en gemeente samen, met open boeken, zoeken naar de beste oplossing. Ze kunnen zich aanvullend gezamenlijk en gecoördineerd inspannen om derde geldstromen beschikbaar te krijgen, bijvoorbeeld via subsidies of zakelijke coinvesteerders zoals schooldaken ter beschikking te stellen voor energiecoöperaties. Opdracht Ontwikkel een verbeterplan voor continuering en waar mogelijk verduurzaming van de kleine scholen en houdt dat door jaarlijks overleg actueel. De prioritering wordt in onderling overleg vastgesteld. Voor de informatievoorziening maken gemeente en schoolbesturen afspraken om een faire beoordeling mogelijk te maken (compleet, meetbaar, geobjectiveerd). Realisatietermijn Partijen hanteren de eindtermijn van 2032 als meetpunt voor handelen. Uitwerking Betrokken partijen stellen samen gedurende 2024 een actief verbeterplan op dat, uitgaande van de wettelijke taakverdeling, leidt tot een gezamenlijke aanpak. Daarbij is de eigenaar van het gebouw in algemene zin als eigenaar van het gebouw verantwoordelijk voor uitvoering van de afgesproken maatregelen. Gemeente stelt een additioneel budget beschikbaar als extra tegemoetkoming voor renovatie en verduurzamingsmaatregelen voor kleine scholen, die aanvullend zijn op de EMLvoorzieningen.
Aandachtpunt: de zorg voor continuïteit Beslissingen over instandhouding, opheffing, samenvoeging of fusie van scholen zijn in eerste instantie een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Een schoolbestuur neemt een dergelijke continuïteitsbeslissing echter zelden zonder afstemming met andere partijen omdat deze ook de verantwoordelijkheid raakt van zowel de gemeente (zorgplicht, zorg voor onderwijs en maatschappelijke belang) als van andere aanbieders. Het verdwijnen van een school heeft namelijk invloed op leerlingenstromen en heeft dus altijd impact op het (boven) lokale onderwijsnetwerk. In specifieke gevallen kan vanuit het handelingskader in deze businesscase (stap 3) op zakelijke gronden een overweging aan de orde komen voor een voorziening voor vervangende nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie. Het is dan van belang dat in de besluitvorming een formele continuïteitstoets wordt ingepast, waaraan ook de andere schoolbesturen deel nemen. Dat past binnen de werkwijze in het IHP omdat daarmee een afwijking van de afspraken aan de orde is. Daarnaast kunnen gezamenlijk ook de consequenties voor het overige onderwijsnetwerk beoordeeld worden. Van belang is om drie aspecten formeel te toetsen: 1.
Draagt een voorziening op grond van zorgplicht bij aan de continuïteit van de school doordat ze op de IHP-ordeningsprincipes (hoofdstuk 6) een verbetering tot stand brengt? Elk ordeningsprincipe wordt (onderbouwd) gescoord op groen (verbetering), oranje (gelijk) of rood (verslechtering). 2. Wat zijn de consequenties van het niet voorzien voor het onderwijsaanbod in de gemeente Hof van Twente? De gevolgen voor de strategische thema’s worden in kaart gebracht door elk thema (onderbouwd) te scoren op groen (verbetering), oranje (gelijk) of rood (verslechtering). 3. Kan en wil schoolbestuur (schriftelijk) de continuïteit van de school garanderen voor minimaal de helft van de geldende afschrijvingstermijn voor de investering.
DMS 23030260
55
09 Financiële vertaling 09-1
Aan de basis – de VNG-normstelling
Belangrijk onderdeel voor de voorzieningen van huisvesting voor onderwijs zijn de normbedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van scholen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) adviseert jaarlijks over deze normbedragen en de meeste gemeenten nemen deze daarna over in hun eigen lokale verordening. Sommige gemeenten wijken daar om moverende redenen van af, bijvoorbeeld omdat de ambities hoger zijn. Ook in een integraal huisvestingsplan kan een gemeente met schoolbesturen aanvullende afspraken maken die afwijkend zijn. De normbedragen voor nieuwbouw van de VNG zijn in hun basis in 2018 bepaald. Ze gaan uit van een sober en doelmatig gebouw dat aan de wettelijke minimumeisen (bouwbesluit) voldoet. Gasloos bouwen en Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) vallen sinds 2021 onder de wettelijke verplichtingen. Aanvullende duurzaamheids- en comfortdoelstellingen als Frisse Scholen8 klasse B en A zijn geen wettelijke verplichting en dus niet inbegrepen in de door de VNG geadviseerde normbedragen. Ook bijkomende kosten voor kwaliteit (denk aan verhoogde transparantie, flexibele wanden, tribunetrappen, etc.) zijn daar niet in opgenomen. De normbedragen zijn opgebouwd uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte (bvo). Dit doet er recht aan dat nieuwbouw van een kleinere school in algemene zin ingewikkelder en relatief duurder is.
Het normbedrag voor een basisschool9 van 200 leerlingen bedraagt € 3.252 /m² bvo en voor een school van 400 leerlingen € 3.011 /m² bvo (normbedragen prijspeil 2024). Voor het voortgezet onderwijs is het normbedrag afhankelijk van de omvang en het aanbod van onderwijs. Bouwkosten kunnen variëren door locatie en regionale invloeden. De stichtingskosten en bovenstaande normbedragen van de VNG zijn inclusief btw, bijkomende kosten (honoraria, heffingen, aansluitkosten, verzekeringen, onvoorzien, etc.) en de kosten voor aanleg en inrichting van het schoolterrein. Aanvullende toeslagen ten laste van de gemeente zijn aan de orde voor verhuiskosten, paalfundering (bij VO), speellokaal (bij S(B)O) of liftinstallatie (bij (V)SO). De gemeente draagt voor eigen rekening het juridische eigendom van het bouwrijpe terrein over aan het schoolbestuur. Projecten laten in de praktijk zien dat meerwaarde mogelijk is door bouwopgaven in een bredere context te bekijken en in te zetten op multifunctioneel ruimtegebruik. Een compact gebouw kan dan resulteren in een ruimere beschikbaarheid van ruimten ten opzichte van de normatieve minimumoppervlakte. Zo kan bijvoorbeeld extra buitenruimte tijdens schooluren voor onderwijs worden ingezet en daarna als speelplek voor kinderen uit te buurt. Geadviseerd wordt om per project de kansen te onderzoeken en specifieke budgetten vast te stellen.
Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds middelen om te kunnen voldoen aan huisvestingsvragen voor onderwijs (zorgplicht). Deze rijksbijdrage is niet geoormerkt maar vrij te besteden. Ze is gebaseerd op algemene verdeelgrondslagen en heeft geen relatie met het aantal leerlingen, het aantal scholen of de leeftijd van de gebouwen in een gemeente. Uitzondering vormen de scholen voor VO en (V)SO waar de bijdrage voor gemeenten wel gestoeld is op leerlingaantallen omdat de scholen een regiofunctie
8
In het in 2021 aangepaste PvE Frisse Scholen geldt klasse C als minimale eis, dat overeenstemt met de bouwbesluiteisen. Op de thema’s lucht en energie heeft aanscherping plaatsgevonden.
9
De normbedragen voor speciaal basisonderwijs (SBO) bedragen ongeveer € 3.239/m² bvo en voor speciaal onderwijs (SO) ongeveer € 3.107 (bij 200 leerlingen).
DMS 23030260
56
hebben. De bijdrage loopt per definitie achter bij de bouwwetgeving omdat ze niet de investering maar gemiddelde jaarlijkse lasten financiert.
Prijsontwikkelingen zijn moeilijk vast te stellen, met name door de fluctuerende en onzekere prijzen voor materialen. In de praktijk is een tekort aan bouwmaterialen en ook personeel. De uiteindelijke kosten blijken pas tijdens het ontwerp- en bouwproces. Vanuit de wet wordt de gemeente geacht om voldoende middelen beschikbaar te stellen voor realisatie van voorzieningen op grond van zorgplicht.
09-2
Toekomstgerichte stichtingskosten
Het is belangrijk om bij voorzieningen in onderwijshuisvesting (nieuwbouw of renovatie) oog te hebben voor investeringen in toekomstvaste gebouwen en duurzaamheid. In een integraal huisvestingsplan kunnen daarvoor aanvullende ambities worden vastgesteld en passende middelen aanvullend beschikbaar worden gesteld. Daarvoor is het Kwaliteitskader Huisvesting voor funderend onderwijs relevant, ontwikkeld door kenniscentrum Ruimte-OK. Dit kwaliteitskader biedt een set van richtinggevende voorwaarden waar een hoogwaardig en duurzaam schoolgebouw aan moet voldoen. Bij nieuwbouw wordt uitgegaan van volledig Energie Neutraal (ENG) en voor het binnenmilieu wordt minimaal het ambitieprofiel uit het Kwaliteitskader gevolgd (Frisse Scholen klasse A en B op onderdelen). Een financiële vertaling op basis van de BDB (Bouwkostendata) is onderdeel van dit Kwaliteitskader. De BDB gaat uit van een basisbedrag op bouwbesluitniveau, vermeerderd met aanvullende kosten voor kwaliteitsthema’s uit het Kwaliteitskader. Onderstaande tabel geeft de financiële investeringen weer. Ook hier geldt dat de werkelijke kosten kunnen afwijken. BDB hanteert indicatieve bandbreedten (van resp. -5/+10% en -15/+15%) vanwege project specifieke variabelen. Basisonderwijs
Schoolgebouw
Bandbreedte min.
Bandbreedte max.
€ 2.693 / m² bvo
€ 2.558 / m² bvo
€ 2.962 / m² bvo
€ 875 / m² bvo
€ 744 / m² bvo
€ 1.006 / m² bvo
€ 3.568 / m² bvo
€ 3.302 / m² bvo
€ 3.968 / m² bvo
Schoolgebouw
Bandbreedte min.
Bandbreedte max.
€ 2.347
€ 2.230
€ 2.582
Aanvullende stichtingskosten
€ 764
€ 649
€ 879
TOTAAL
€ 3.111
€ 2.879
€ 3.461
Basisbedrag stichtingskosten op basis van actuele marktprijzen (bouwbesluit 2023) Aanvullende stichtingskosten TOTAAL
Voortgezet onderwijs Basisbedrag stichtingskosten op basis van actuele marktprijzen (bouwbesluit 2023)
Prijspeil febr.2023. Bedragen (inclusief btw) zijn exclusief grond / sanering (door gemeente aanvullend beschikbaar te stellen) en exclusief indexering
09-3
Tariefstelling Hof van Twente
De gemeente Hof van Twente zet voor haar voorzieningen in op een hoger niveau dan wettelijk minimum. In de uitvoeringsagenda wordt uitgegaan van de marktsituatie plus aanvullende kosten voor ENG, duurzaamheid, Frisse Scholen plus (beperkt) aanvullende kwaliteitscriteria op het gebied van exploitatie, ICT, buitenruimte, dit volgens het Kwaliteitskader. Dat geeft financiële ruimte voor een sober en doelmatig maar toekomstvast gebouw. De in dit IHP gehanteerde rekenbedragen zijn:
DMS 23030260
57
€ 3.568 / m2 bvo (basisonderwijs) en € 3.111 / m2 bvo (voortgezet onderwijs) (prijspeil febr.2023). Geadviseerd wordt om ook voor indexering aan te sluiten bij de BDB-indexcijfers. Gemeente en schoolbesturen stellen per businesscase op basis van de meest actuele inzichten een stichtingskostenraming op, gebaseerd op feitelijke kosten. Er vindt een toetsing aan de normbedragen plaats waarbij afwijkingen worden geanalyseerd en onderbouwd. Nb.: In de gemeentelijke verordening voor onderwijshuisvesting wordt bij kredietverstrekking voor voorzieningen uitgegaan van de (te lage) adviestarieven van VNG. Eigen bijdrage schoolbesturen Een schoolbestuur mag bij nieuwbouw geen financiële bijdrage leveren aan de basiskwaliteit. Schoolbesturen kunnen, binnen de wet- en regelgeving, investeren in het toevoegen van aanvullende kwaliteit (zoals flexibiliteit, duurzaamheid in gebruik, binnenklimaat, etc.). Deze eigen bijdrage is altijd ten behoeve van extra’s boven op de wettelijke basis en gekoppeld aan een terugverdienmodel. Dit betekent dat investeringen binnen een aanvaardbare tijd moeten worden terugverdiend. De voorwaarden daarvoor zijn verruimd en er is wetgeving in voorbereiding die de mogelijkheden verder verruimt (zie hfst.2 ‘financieel’). Het bedrag is door het schoolbestuur, in overleg met de gemeente, vast te stellen (vb. duurzame lening groene droom IKC Magenta en KC Markelo).
09-4
Renovatie ten opzichte van nieuwbouw
Voor de afgesproken voorzieningen wordt in financiële zin altijd uitgegaan van (vervangende) nieuwbouw (normatief recht op ruimte vermenigvuldigd met afgesproken tarief). Dat laat onverlet dat ook gekozen kan worden voor levensduurverlengende renovatie of voor andere maatregelen. In de praktijk blijkt dat deze alternatieven in de hoogte van de investering vaak net zo duur is als nieuwbouw. In hun uitwerking in jaarlijkse kosten is levensduurverlengende renovatie voor de investeerder vaak duurder. Reden is dat voor een renovatie een afschrijvingstermijn geldt voor de levensduurverlenging (25 jaar) in tegenstelling tot bij nieuwbouw (40 jaar). Dat laat onverlet dat handhaving van een bestaand gebouw een goede beslissing kan zijn. Argument is dan dat circulariteit (en hergebruik) een belangrijker aspect van verduurzaming wordt. Bij monumentale panden of locaties van grote maatschappelijke waarde kan het zelfs de enige logische keuze zijn. Sectorplannen voor onderwijshuisvesting en maatschappelijk vastgoed gaan vooralsnog uit van vervangende nieuwbouw als betere alternatief. Voor de hand ligt dan een praktische afspraak om in businesscases bij realisatie van zorgplichtvoorzieningen hergebruik van bestaand vastgoed te wegen.
09-5
Financiële consequenties Uitvoeringsagenda 2025-2028 / 2032
Voorliggend integraal huisvestingsplan voorziet in planmatige aanpassingen. De uitvoeringsagenda geeft inzicht in de fysieke maatregelen in de uitvoeringsperiode. De financiële consequenties zijn normatief benaderd: waar relevante onderwijsinhoudelijke en maatschappelijke gronden (zie ook strategische thema’s) aan de orde zijn, kan worden afgeweken van het normatieve uitgangspunt met betrekking tot huisvestingsvragen. Dit wordt uiteindelijk zichtbaar in de uitwerking door de bouwheer van de businesscases op locatieniveau (in samenspraak tussen gemeente, schoolbesturen en samenwerkende partners). In het IHP zijn maatregelen gedefinieerd waar overeenstemming met betrekking tot prioritering over is met de schoolbesturen. Dit leidt tot een verplichting voor de gemeente om maatregelen te financieren. Investeringen in onderwijshuisvesting vragen een beslag op schaarse middelen. De beschikbaarheid van de financiële middelen kan (mede) bepalend zijn voor het tempo waarmee investeringen gerealiseerd worden.
DMS 23030260
58
Investering onderwijs Prognose Normatief 2038
Investeringen extra buurt- / kindvoorzieningen
Investering OWH
m2 bvo
Totaal
kindfuncties Maatscha
m2 bvo
p.m2 bvo
Totaal
Investering
m2 bvo
IKC
Totaal
Realisatie nieuwbouw Campus De Whee (vervangende nieuwbouw voor OBS De Boomhut, KBS de Albatros &
6638*
€ 21.751.851*
944
944
€ 3.049.929
€ 24.801.780
309
309
€ 188.490
€ 908.290
0
€0
€ 6.136.960
500
€ 1.784.000
€ 5.710.120
€ 5.022.419
€ 37.557.150
VO de Waerdenborch) (2026) incl. gymzaal/sporthal
Grootschalige Renovatie en gedeeltelijke nieuwbouw
163
1180
€ 719.800
Grootschalige Renovatie IKC Erve Hooyerinck (2027)
270
1720
€ 6.136.960
Vervangende nieuwbouw Petrusschool (2028)
179
1100
€ 3.926.120
IKC Diepenheim (OBS Stedeke) (2026)
400
100
€ 32.534.731 Aanpak voor (verduurzaming Kleine scholen (20242028) Aanpak permanente verbetering/ verduurzaming (2024-2032)
€ 250.000
€ 250.000
€ 200.000
€ 200.000
€ 450.000
€0
€ 450.000
€ 32.984.731
€ 5.022.419
€ 38.007.150
*Investeringsbedrag & m² uit Draaijer+Partners rapportage scenario 2 (22.347.171EUR) (vermeerderd met indexering normbedrag 2023 (12,72%) Voorziening op de korte termijn Budget voor over twee uitvoeringstermijnen Geen voorziening (investeren vanuit beleid of beheersmaatregel)
Toelichting bij de bedragen Onderwijshuisvesting:
Investering IKC:
-
De investeringsbedragen voor de onderwijsruimten zijn gebaseerd op normatief recht op vierkante meters vermenigvuldigd met nieuwbouw- tarief uit het IHP. Het is verstandig om rekening te houden met een indexering om het nieuwbouwtarief tot realisatie actueel te houden. Het is wenselijk om bij de start van een project nieuwe, toegespitste leerlingenprognoses te maken naar de dan wenselijke omvang, die voor de school normatief past. In de businesscases moet dan een geactualiseerde stichtingskostenraming worden opgesteld. Raming voor versterking en aanvullingen vanuit in het IHP afgesproken beleid van onderwijsplekken. Daarmee ontstaan kindvoorzieningen, die (voldoende) ruimte bieden aan (1) een zo compleet mogelijk aanbod van kinddiensten voor opvang en zorg en (2) voor maatschappelijke ontmoeting en welzijn, in aansluiting op de omgeving/wijk.
In de tabel is voor investeringen in aanpalende kindvoorzieningen en/of gemeenschapsfuncties een indicatie gegeven, gebaseerd op opgaves van schoolbesturen en gemeente met betrekking tot samenwerkingskansen. In de realisatiefase zal in een programma van eisen een nauwkeurige inventarisatie van de wensen en behoeften worden gemaakt.
DMS 23030260
59
-
Voor onderwijs zijn de genormeerde vierkante meters leidend. Maatwerk is mogelijk en per locatie kunnen andere keuzes worden gemaakt. Bij realisatie van ruimte voor kinddiensten hanteert de gemeente, in goede afstemming met lokale kindpartners en schoolbesturen, de praktische werkwijze dat kindpartners zelf eigendom nemen voor hun gebouwdeel in (integrale) kindcentra. Waar dit in de businesscases niet mogelijk blijkt, kan de gemeente een positie innemen als eigenaar. Ook bij andere maatschappelijke partners (in welzijn en zorg) kan de gemeente deze verantwoordelijkheid nemen. Bij de te sluiten huurovereenkomsten met kindpartners en professionele instellingen kan de gemeente (of de aangewezen exploitant van de voorziening) kostendekkende huurinkomsten verwachten.
Aanvullende kosten De gemeente wordt vanuit de wet geacht om bouwrijpe grond beschikbaar te stellen. Waar panden of gronden moeten worden aangeschaft komen deze kosten aanvullend voor rekening van de gemeente. Het bouwrijp maken van het terrein komt eveneens aanvullend voor rekening van de gemeente. Bij de toekenning van voorzieningen moet daarnaast aanvullend rekening worden gehouden met kosten van tijdelijke huisvesting (als vervangende nieuwbouw op de locatie wordt gerealiseerd), verhuiskosten en sloopkosten. Nb.: •
•
• • •
Sloopkosten zijn 'project specifieke kosten'. De uiteindelijke sloopkosten kunnen variëren, afhankelijk van factoren zoals de aard van het gebouw, de complexiteit van de sloopwerkzaamheden en de eventuele aanwezigheid van asbest. Ze zijn op een later tijdstip, op projectbasis, nauwkeurig te bepalen. Het beleid is erop gericht om, tijdens de businesscases, bestaande gebouwen zo lang mogelijk in te zetten. De noodzaak voor tijdelijke huisvesting is projectafhankelijk en dient steeds grondig te worden overwogen. In eerste instantie moet worden onderzocht of een tijdelijke verhuizing naar ander maatschappelijk vastgoed in de omgeving een haalbare optie is. Als het voortzetten van het gebruik van het huidige gebouw en tijdelijke huisvesting elders geen optie is, kan tijdelijke huisvesting in de vorm van noodlokalen in overweging worden genomen. In de stichtingskosten zijn bijkomende kosten voor aanleg/aanpassing van de omgevingsinfrastructuur (waaronder parkeerterreinen) niet inbegrepen. Aanvullend dient rekening te worden gehouden met kosten of inzet voor (gemeentelijk) projectmanagement. In een aantal businesscases is rekening te houden met resterende boekwaarden van gebouwen die versneld moeten worden afgeschreven.
09-6
Afschrijvingstermijnen
De gemeente Hof van Twente hanteert voor de economische afschrijving van onderwijsgebouwen een afschrijvingstermijn van 60 jaren. Dat wijkt af van de afspraken in de routekaart voor onderwijshuisvesting (afgesloten tussen VNG, PO raad en VO raad), zie Hoofdstuk 4. Die gaat uit van een jaarlijkse vervanging van 2,5% van de onderwijsgebouwen en (dus) van een verkorte afschrijvingstermijn van 40 jaren. Advies is om bij deze wijziging aan te sluiten. In het bepalen van de eindtermijnen van de gebouwen (paragraaf 8.5) is met de versnelde afschrijving rekening gehouden.
09-7
Fonds Permanente Verbetering (Businesscase 7.5)
Gemeente en schoolbesturen beschouwen het als een opdracht om bestaand onderwijsvastgoed geschikt te houden. Voor investeringen in de verbetering trekken schoolbesturen en gemeente vanuit hun eigen verantwoordelijkheid samen op. Jaarlijks stemmen partners hun verbeterprogramma’s in het kader van (groot) onderhoud, verduurzaming, binnenklimaat en inhoudelijke versterking (uitbreiding van toegankelijkheid) af en maken meerjarige verbeterafspraken. Om daarin te kunnen faciliteren wordt
DMS 23030260
60
een gemeentelijk fonds ingesteld, waaruit deze verbeteringen in onderwijsvastgoed gefinancierd kunnen worden. De omvang van dit fonds is voor de periode tot 2032 vast te stellen op € 200.000. Een beroep op het fonds is altijd aanvullend op en in cofinanciering met schoolbestuurlijke investeringen in groot onderhoud en verduurzaming. Door bundeling van geldstromen worden verbeteringen in gebouwen mogelijk gemaakt.
09-8
Aanpak Kleine Scholen (Businesscase 7.6)
Schoolbestuur OPO Hof van Twente en gemeente maken in goed overleg een aandachtplan voor de vijf kleine scholen om de continuïteit te garanderen tot minimaal 2032. Voor noodzakelijke gebouwelijke aanpassingen trekken schoolbestuur en gemeente ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid samen op. Jaarlijks stemmen zij verbeterprogramma’s in het kader van (groot) onderhoud, verduurzaming en inhoudelijke versterking (bijvoorbeeld in de buurthuisfunctie) af en maken verbeterafspraken. Om daarin te kunnen faciliteren wordt door de gemeente een additioneel bedrag vrijgemaakt. Voor de periode 2025-2028 is de maximale gemeentelijke bijdrage €250.000. Dit budget steunt schoolbestuur bij voorstellen voor verbetering en verduurzaming van kleine scholen (los van EML-maatregelen). Bij verbeteringsacties wordt met de eindtermijn van 2032 rekening gehouden om desinvesteringen te voorkomen en instandhouding te waarborgen. Voor de periode 2029-2032 kan schoolbestuur OPO een aanvullende gemeentelijke bijdrage aanvragen. Daarvoor geldt als procedure dat in collegiaal bestuurlijk IHP-beraad daarvoor overeenstemming wordt gezocht met andere schoolbesturen. Daarnaast geldt voorbehoud van toestemming van de gemeenteraad.
DMS 23030260
61
Bijlage 1. Informatiefundament Hof van Twente (schooljaar 2022-2023)
DMS 23030260
62
Bijlage 2. Gebouwelijke QuickScans
DMS 23030260
63
Bijlage 3. Kader Bij het vormgeven van een IHP dient rekening te worden gehouden met algemene kaders, uitgangspunten en wet- en regelgeving. Dit hoofdstuk beschrijft de maatschappelijke, gemeentelijke en wettelijke kaders in algemene zin. Ontwikkelingen binnen een bepaald kader worden in algemene zin toegelicht. De onderwerpen en vraagstukken zijn in willekeurige volgorde beschreven en geven geen mate van belangrijkheid aan. Gemeentelijk beleid Gemeentelijke taken De gemeente heeft enkele wettelijke taken op het gebied van onderwijs, zoals het handhaven van de Leerplichtwet, het inzetten van leerlingenvervoer, de zorgplicht voor onderwijshuisvesting in het funderend onderwijs en het uitvoeren van onderwijsachterstandenbeleid via bijvoorbeeld Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). Daarnaast moet de gemeenteraad voldoende algemeen toegankelijk openbaar onderwijs borgen. De bevoegdheden zijn beperkt, terwijl de effecten en resultaten van het onderwijs van immense invloed zijn op de manier waarop de maatschappij en lokale gemeenschap worden vormgegeven en (onderling) acteren. Relatie met sociaal domein De gemeente kreeg met de decentralisaties in het sociaal domein in 2015 een taakverruiming; WMO, Jeugdwet, Participatiewet. Het onderwijs valt formeel niet onder de gedecentraliseerde taken in het sociaal domein.
Door de Wet Passend Onderwijs worden scholen echter via de samenwerkingsverbanden verplicht hun ondersteuningsplan af te stemmen op het beleidsplan jeugdhulp, met het doel dat alle kinderen een plek krijgen op een school die past bij hun kwaliteiten en mogelijkheden. Soms is het ook nodig dat onderwijs, jeugdhulp en gemeente afstemmen rondom individuele ondersteuning. Het onderwijs en de lokale overheid hebben elkaar als partners nodig om invulling te kunnen geven aan hun (gezamenlijke) opgaven in het belang van kinderen. Ontwikkelingen zijn te verwachten op het gebied van kinddiensten. Opvang zal de komen jaren nadrukkelijk binnen het gemeentelijke pakket van taken en bevoegdheden terecht komen. Op welke wijze dit formeel invulling gaat krijgen is niet helder maar de intentie is dat kinderopvang vanaf 2025 voor werkenden en vanaf 2028 voor alle kinderen in ieder geval voor een significant deel van de tijd gratis wordt. Wat dit betekent voor het beschikbaar maken van ruimten in relatie tot onderwijshuisvesting is onduidelijk. Maar dat het consequenties zal hebben voor het IHP is evident. Samen werken aan duurzame samenleving Het onderwijs heeft een belangrijke functie in het creëren van kansen voor de kernen in de gemeente.
Door talenten te herkennen en te benutten én vroegtijdig zicht te krijgen op wat stimuleert, draagt onderwijs bij aan vitale participerende burgers en daarmee aan een sterke innovatieve gemeenschap. Het onderwijs moet blijven anticiperen op de veranderende behoeften in de maatschappij, van de kinderen en jongeren, van de ouders en ontwikkelingen in de omgeving. De komende jaren wordt van de gemeente als regisseur in het jeugddomein, en van de onderwijsinstellingen en andere partners eveneens inspanning gevraagd voor het vasthouden van een sterke, duurzame, inclusieve samenleving. Samenwerking biedt daarbij mogelijkheden om kinderen en jongeren kwalitatief hoogwaardige leer- en ontwikkellijnen te bieden in goede voorzieningen. Deze samenwerking vraagt een gezamenlijke visie op inhoud en vorm.
DMS 23030260
64
Wettelijk (wet- en regelgeving) Gedeelde verantwoordelijkheid Het wettelijk kader van onderwijshuisvesting kent een gedeelde verantwoordelijkheid tussen gemeenten en schoolbesturen. De gemeente heeft de zorgplicht om voldoende en adequate huisvesting beschikbaar te stellen voor het PO, (V)SO en VO. De gemeente is (ook financieel) verantwoordelijk voor nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. De verantwoordelijkheid van renovatie is in de huidige wetgeving nog niet vastgelegd, maar de verwachting is dat deze aan het gemeentelijke voorzieningenpakket van onderwijshuisvesting wordt toegevoegd. Het schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid de huisvesting goed te beheren en te exploiteren. Zij draagt de kosten voor de exploitatie van het gebouw (energie, water, en schoonmaak), en ook voor klein en groot onderhoud van het gebouw en de tuin gedurende de gebruikstermijn van het gebouw. Binnen die gedeelde verantwoordelijkheid in onderwijshuisvesting kunnen belangen tussen schoolbesturen en gemeente soms tegengesteld zijn. De gemeente kan er baat bij hebben investeringen laag te houden. De keuze om investeringen in nieuwbouw uit te stellen of te verwijzen naar leegstand is soms verleidelijk, ondanks dat onderhoudskosten of energiekosten (verantwoordelijkheid schoolbestuur) daardoor juist hoger kunnen zijn.
Schoolbesturen hebben tegelijkertijd behoefte aan een gebouw dat goed te exploiteren is: passend bij de omvang van de school, modern en efficiënt, toekomstgericht, en energievriendelijk. Zij kunnen er baat bij hebben om onderhoud te verminderen om sneller in aanmerking te komen voor een nieuw schoolgebouw. Het juridisch eigendom, en daarmee de juridische aansprakelijkheid, ligt in beginsel bij het schoolbestuur. Daardoor mag het schoolbestuur een gedeelte van het gebouw verhuren of in medegebruik geven, mits dit medegebruik is voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs of voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Bij verhuur dient het schoolbestuur aan het college van B&W toestemming te vragen voor het onttrekken van de onderwijsbestemming van het gebouwdeel. Omdat de gemeente het gebouw en de ondergrond bekostigt, heeft zij het economisch claimrecht als het schoolbestuur het gebouw, of een gebouwdeel niet langer gebruikt. In die situatie krijgt de gemeente ook het juridisch eigendom van het betreffende gebouw. Een gemeente of schoolbestuur kan ook het initiatief nemen om delen van het schoolgebouw aan de onderwijsbestemming te onttrekken. In dat geval gaat voor dit gebouwdeel het eigendom over naar de gemeente.
Gemeentelijke verordening als vangnet Gemeenten zijn op grond van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), Wet op het voortgezet Onderwijs (WVO) en Wet op Expertisecentra (WEC) verplicht om een Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs te ontwikkelen en vast te stellen. Gemeenten dienen de schoolbesturen te betrekken en ‘op overeenstemming gericht overleg’ (OOGO) te voeren. In de verordening zijn op basis van gemeentelijk onderwijshuisvestingsbeleid kaders, uitgangspunten en inhoudelijke voorwaarden geregeld. Ook worden de procedures voor het aanvragen van voorzieningen in de huisvesting, toegespitst op specifieke gemeentelijke voorwaarden, vastgelegd. Voorzieningen in de huisvesting zijn:
DMS 23030260
65
•
Voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen10;
•
Herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;
•
Herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;
•
Huur van een sportterrein voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.
Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds bekostiging voor onderwijshuisvesting. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het aanvragen voor de voorziening in de huisvesting (binnen de vastgestelde procedures). Schoolbestuur is in principe bouwheer voor de realisatie. De gemeente stelt bouwrijpe grond en middelen beschikbaar, maar gaat in principe niet zelf aan de slag. Indien schoolbestuur het bouwheerschap niet wenst, dient er een andere partij te worden gezocht, of ligt dit bij de gemeente. De gemeente heeft ook de bekostigingsverantwoordelijkheid voor realisatie, instandhouding en exploitatie van gymnastiekvoorzieningen (lokaal bewegingsonderwijs). Wanneer een school gebruik maakt van een gemeentelijke sportvoorziening, dient de gemeente de accommodatie om niet in gebruik te geven voor het vastgestelde aantal klokuren. Het financieel risico van de exploitatie ligt bij de gemeente. Als de gymnastiekvoorziening, na realisatie door de gemeente, eigendom is van het schoolbestuur, ontvangt deze voor het genormeerde aantal klokuren een vastgestelde vergoeding. Resterende kosten voor exploitatie en instandhouding kunnen via medegebruik opgevangen worden. In het amendement dat in februari 2020 aangenomen is door de Tweede Kamer worden basisscholen verplicht per groep minimaal twee lesuren van 0,75 uur per week bewegingsonderwijs te geven.
De verplichte lestijd voor bewegingsonderwijs in het voortgezet onderwijs varieert naar onderwijstype en leerjaar. De huidige afspraken c.q. bepalingen met betrekking tot de bekostiging en gemeentelijke facilitering van de accommodatie blijven gelden. Investeren in huisvesting ten behoeve van kinderopvang (kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang) valt niet onder de zorgplicht van de gemeente en is daarmee ook geen onderdeel van de verordening. Organisaties voor kinderopvang worden op andere wijze gefinancierd en dienen zelf te investeren in hun huisvesting of een passende huur te betalen voor de huisvesting waar zij gebruik van maken. Maatschappelijke vraagstukken Onderwijshuisvesting dient bij nieuwbouw te voldoen aan de wettelijke bouweisen (bouwbesluit). Aan bestaande onderwijsgebouwen stelt de wetgever slechts beperkte wettelijke eisen. Belangrijkste voorwaarde is dat gebruik als schoolgebouw vergunbaar is en dat dus aan minimale eisen met betrekking tot gezondheid en veiligheid wordt voldaan. Dat is te begrijpen, omdat gebouwen en mogelijk losmaakbare materialen/elementen een levens- en gebruiksduur hebben van vele jaren (minimaal 40 jaar, gebouwniveau). Inhoudelijke veranderingen in het onderwijs kunnen aanleiding zijn voor gemeente en schoolbestuur om deze accommodaties onder de loep te nemen.
Tegelijkertijd vragen maatschappelijke ontwikkelingen als klimaat, circulariteit, energieneutraliteit, Frisse Scholen en duurzaamheid aandacht bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw. Deze ontwikkelingen vinden stap voor stap ook hun plek in bouwregelgeving. 10
(Vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, (gedeeltelijk) in gebruik nemen van bestaand gebouw, verplaatsing van bestaande noodlokalen, terrein voor het realiseren van voorgaande voorzieningen. Inrichting met onderwijsleerpakket en/of meubilair (mits niet eerder bekostigd). Medegebruik ander onderwijsgebouw.
DMS 23030260
66
PO Raad, VO Raad, VNG en Rijk werken samen aan het verbeteren van het wettelijke kader. Momenteel ligt wetgeving voor die de schoolbesturen en gemeente meer gezamenlijke en gelijkwaardige verantwoordelijkheid geeft in de voorzieningen voor de huisvesting. Belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is een wettelijk kader rondom renovatie, waarbij renovatie als levensduurverlenging van tenminste 25 jaar een volwaardig alternatief wordt voor nieuwbouw. De uitdaging voor gemeenten is om intussen keuzes te maken die daar soms op vooruit lopen. Een beter gebouw leidt tot een hogere kwaliteit van het onderwijs (door betere verblijfscondities) en een efficiëntere exploitatie voor het schoolgebouw (waardoor meer geld beschikbaar blijft voor onderwijs). Maar grotere huisvestelijke ambities leiden ook tot een hogere investering. Elke aanscherping van kwaliteitsafspraken voor nieuwbouw kost geld; de bouwkosten worden immers hoger. Belangrijke maatschappelijk ontwikkelingen zijn: •
Energie en CO2-neutraliteit De wetgever ontwikkelt beleid op weg naar energie-efficiëntie. De eerste stap naar deze verduurzaming werd gezet in het Energieakkoord uit 2013. Daarna zijn op wereldschaal in Parijs afspraken gemaakt en deze worden via klimaattafels in publiek-private samenwerking tussen overheid, instellingen, bedrijven en burgers vertaald naar concrete doelstellingen en een praktische aanpak voor Nederland: het Klimaatakkoord. Dit heeft consequenties voor zowel nieuwbouw in de vorm van verscherpte bouweisen als een verplichte aanpak van bestaand vastgoed met als doel het bereiken van CO2-neutraliteit in 2050. Inmiddels is het verplicht om bij nieuwbouw gasloos en bijna energie neutraal (BENG) te bouwen. Vanaf 2030 worden de eisen voor nieuwe gebouwen opgeschroefd naar volledig emissievrij (ENG). Bestaande gebouwen moeten vanaf 2030 voldoen aan minimaal energielabel E. Dat geldt ook voor onderwijshuisvesting (utiliteitsbouw). Er is een routekaart PO en VO ontwikkeld met te nemen stappen voor verduurzaming van schoolgebouwen.
•
Frisse Scholen en Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting Kwaliteit van onderwijshuisvesting is van invloed op de prestaties van de leerlingen en het onderwijzend personeel. Het waarborgfonds & Kenniscentrum Ruimte-OK heeft in overleg met de PO-Raad en de VNG het Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting ontwikkeld, waarin gebouwen worden beoordeeld op verschillende aspecten op de thema’s Beleving, Gebruik en Techniek. Het laat ook zien waar deze basiskwaliteit uitstijgt boven de wettelijke minimumeisen uit het Bouwbesluit. Het Waarborgfonds Kinderopvang heeft een soortgelijk kader opgesteld voor de kinderopvang: Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft als onderdeel van het programma Energiebesparing in de Gebouwde Omgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een Programma van Eisen opgesteld met minimale eisen voor een goed binnenmilieu en een lage energierekening; PvE Frisse Scholen. Frisse Scholen is een kwaliteitskader, waarmee wetgever, gemeenten en onderwijs streven naar verbetering van de kwaliteit van zowel nieuwbouw als ook bestaande scholen, gericht op de verbetering van de verblijfsaspecten Energie, Lucht, Temperatuur, Licht en Geluid.
DMS 23030260
67
Voor alle thema’s zijn prestatie-eisen voor drie kwaliteitsniveaus omschreven; C, B en A. Op de thema’s energie en lucht dient bij nieuwbouw minimaal voldaan te worden aan klasse B, om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit. Gemeente, schoolbestuur en kindpartners zoeken samen op lokaal niveau een balans in de ambities en investeringen in gebouwkwaliteit. •
Duurzaamheid Onderwijshuisvesting moet de gebruiksfunctie duurzaam ondersteunen. Daarbij zijn neutraliteit in energiegebruik en ook kwaliteit en hergebruik van materialen voor de hand liggende thema’s. Maar daarnaast moet ook aandacht zijn voor de continuïteit van geschiktheid van een schoolgebouw. Goede, relevante schoolgebouwen kunnen het onderwijs, en vooral de te verwachten veranderingen daarin, op lange termijn faciliteren. Gemeenten, schoolbesturen en kindpartners moeten ook vanuit dat inhoudelijke perspectief samen beoordelen of investeren in onderwijsgebouwen zinvol is met een blik, die verder gaat dan vandaag en morgen.
•
Circulaire economie Een transitie naar een circulaire economie is gaande, waarin hergebruik van materialen en grondstoffen en gebruik van hernieuwbare grondstoffen de uitgangspunten zijn. Door toekomstgericht relevante schoolgebouwen te realiseren wordt ingespeeld op de doelstellingen voor het Rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050. Gemeenten, schoolbesturen en kindpartners moeten beslissen of desbetreffende toekomstgerichte investeringen passen bij de onderwijs- gebouwen en visie.
Een eerlijke balans De taakverdeling tussen gemeente en schoolbesturen voor adequate huisvesting kan problemen opleveren. Partners hebben immers niet altijd gelijke belangen. Gemeente heeft er baat bij als het schoolbestuur een gebouw goed exploiteert en lang actief onderhoudt tot bij voorkeur zelfs na het einde van de gebruiksduur. Schoolbestuur ziet graag dat een gemeente proactief (vroeg) investeert in nieuwbouw van een efficiënt te exploiteren gebouw. De eerder geschetste maatschappelijke ontwikkelingen maken het gecompliceerder om tot afspraken te komen binnen het bestaande wettelijk kader. Daarbij zijn verschillende thema’s relevant: •
De discussie over duurzaamheid heeft een nieuwe dimensie gekregen door de snel scherper wordende eisen met betrekking tot energiegebruik. Vanuit duurzaamheidseisen wordt het onderscheid tussen exploitatie/onderhoud en investering minder relevant. Om die reden wordt het voorstel gedaan om renovatie, naast nieuwbouw c.q. opwaardering tot nieuwbouwvoorwaarden van een bestaand gebouw, een onderdeel van het voorzieningenpakket te laten worden (met als uitgangspunt dat dit leidt tot een levensduurverlenging van tenminste 25 jaar).
•
Het wordt relevanter dat vanuit Total Cost of Ownership een verband wordt gelegd tussen investeringen vanuit wettelijke zorgplicht en onderhoudsplannen van schoolbesturen op de middellange en lange termijn. Onderhoudsgelden kunnen dan immers samengevoegd worden met investeringsmiddelen om tot efficiënte maatregelen te komen.
•
Om dit te verbinden kan het helpen als schoolbesturen ruimte krijgen om mee te investeren in huisvesting vanuit hun materiële instandhoudingsvergoeding. Tot nu is dat ingewikkeld en slechts beperkt toegestaan voor het Voortgezet Onderwijs; enkel voor co-investeren in maatregelen, die in exploitatie terug verdiend kunnen worden. Voor het Primair Onderwijs en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs zijn de beperkingen stringenter en uitbreiding van de mogelijkheden behoort tot de aan het Rijk aangereikte voorstellen voor een wetsaanpassing van PO Raad, VO Raad en VNG.
•
Een heldere en bindende planning op de middellange en lange termijn (tot 20 jaar) is noodzakelijk. Het is daarom waarschijnlijk dat het instrument Integrale Huisvestingsplanning (IHP) een wettelijke verankering krijgt en voor elke gemeente een verplichting wordt. Ook de procedures ten aanzien van jaarlijkse aanvragen dienen daarbij aangepast te worden aan de nieuwe werkelijkheid.
DMS 23030260
68
Goede financiële randvoorwaarden Bouwprijzen veranderen over tijd en ook op dit moment vindt een sterke ontwikkeling plaats. Deze volgt op een eerdere correctie na de recessie van 2008. De huidige prijsstijgingen worden ingegeven door verschillende omstandigheden. De laatste jaren zijn capaciteitsproblemen ontstaan in bouwmaterialen. Ook nemen de kosten van energie sterk toe en ook door stijgende personeelskosten stijgen de bouwkosten met tientallen procenten. Dit wordt versterkt door de toenemende kwaliteitseisen voor duurzaamheidsvragen, soms vooruitlopend op wettelijke verankering. Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG) is een verplichting, vooruitlopend op ENG en (zelfs) klimaatneutraliteit. In het verlengde van COVID is ook de aandacht voor binnenklimaat en luchtverversing sterk toegenomen. Gemeenten hanteren doorgaans normbedragen in hun verordening voor nieuwbouw en uitbreiding. De VNG stelt jaarlijks deze normbedragen vast als advies aan gemeenten. De normen gaan uit van ‘sober en doelmatig bouwen’ en zijn gebaseerd op het bouwbesluit. Gemeente kunnen dan in overleg met schoolbesturen, een balans zoeken op een hoger kwaliteitsniveau op basis van de beschikbare financiële ruimte. Daarbij zijn verschillende aandachtspunten relevant: •
Betaalbaarheid in relatie tot opgave: Toegekende bouwbudgetten in de uitvoeringsplanning moeten leiden tot uitvoerbare plannen. Dit vraagt van gemeente en schoolbesturen om in goed overleg een balans te zoeken tussen het toekennen van voorzieningen in het kader van zorgplicht en de soms beperkte financiële ruimte van de gemeente.
•
Kwaliteitsvoorwaarden: Hogere eisen vertalen zich in een hogere bouwprijs. De kwaliteitseisen zullen de komende jaren verder toenemen vanwege stappen in de richting van energieneutraliteit. Extra eisen leiden vaak tot grotere prijsstijgingen en later vlakken die dan af. Er moet daarom gestreefd worden naar een balans tussen kwaliteitseisen en het beschikbaar te stellen bouwbudget.
•
Eigen bijdrage van schoolbesturen: Schoolbesturen in het Voortgezet Onderwijs mogen vanuit Total Cost of Ownership (TCO) benadering mee-investeren in nieuwbouw of renovatie van een school als deze extra investeringen (in duurzaamheid) binnen een aanvaardbare tijd kunnen worden terugverdiend. De verwachting is dat deze mogelijkheden worden uitgebreid naar het Primair en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs.
•
Lokale marktomstandigheden: De VNG baseert de normbedragen op een algemeen beeld van de prijsontwikkeling in de bouw. In verschillende delen van het land gelden vaak andere voorwaarden en het is aan een gemeente zelf om daar in IHP of verordening keuzes in te maken.
•
Continuïteit: Bouwprijzen kunnen binnen korte termijn sterk fluctueren. Met het oog op de te verwachten veranderingen in eisen de komende tijd, lijkt het voor de hand te liggen om in IHP en verordening afspraken te maken over hoe met prijsstijgingen kan worden omgegaan. Dit met het oog op de langjarige realiseerbaarheid van een gedragen, vast te stellen uitvoeringsprogramma.
DMS 23030260
69
KVK 14117641 BTW NL8208.81.004.B01 IBAN NL61 INGB 0652 867413
RO groep Zuid +31 43 350 00 50 info@rogroep.nl