3. Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25, Toelichting.pdf
Tekst van het document
Stof
Hoeveelheid
Maximale effect (m)
A (brandbare gas)
1910
460
B2 (toxische gas)
200
995
C3 (zeer brandbare vloeistof)
1100
35
D3 (toxische vloeistof)
50
375
D4 (zeer toxische vloeistof)
50
> 4000
Het plangebied is gelegen binnen de invloedszone van diverse stoffen. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied dient aandacht te worden besteed aan het groepsrisico en de beperkte verantwoording daarvan. Bij de beperkte verantwoordingsplicht (artikel 7 van het Bevt) dient tenminste aandacht te worden besteed aan: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid) Bestrijdbaarheid
26
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels het bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Zelfredzaamheid Voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid, ofwel het vermogen voor mensen om zich zelfstandig in veiligheid te kunnen brengen, is een belangrijke voorwaarde voor de beperking van slachtoffers. Het plangebied bestaat uit de realisatie van appartementen. In basis gaan wij hierbij uit van mensen die zelfredzaamheid zijn of in staat zijn elkaar in veiligheid te brengen. Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van de juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een ramp met brandbaar gas of vloeistof bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren.
Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. Het plangebied wordt goed ontsloten en de ontsluiting kan plaatsvinden door van het spoor af te keren. Voor blootstelling aan een ramp met toxische vloeistof of gas is schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de enige juiste methode. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken af te sluiten zijn tegen de indringing van toxische gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij de parameters. Er dient gebruik te worden gemaakt van een mechanische ventilatiesysteem dat handmatig kan worden uitgeschakeld. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. 4.4.3
Conclusie Gelet op het voorgaande is er geen belemmering op het gebied van externe veiligheid voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen:
vastgesteld
27
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. 4.5.2
VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' In de publicatie bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, versie 2009) is het principe van functiescheiding verder uitgewerkt. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. De VNG-publicatie hanteert verschillende omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied.
4.5.3
Situatie plangebied Het plangebied wordt enkel omgeven door woningen. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen milieubelastende functies. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er tevens geen milieubelastende functie gerealiseerd. Hiermee blijft een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.5.4
Conclusie Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.6
Ecologie
4.6.1
Algemeen De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.
28
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
4.6.1.1
Soorten bescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.
4.6.1.2
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen.
De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Overijssel uitgewerkt in de Omgevingsverordening Overijssel. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
4.6.2
Situatie plangebied
4.6.2.1
Soorten bescherming Ter hoogte van het plangebied is een Quickscan natuurwaardenonderzoek (bijlage 3) uitgevoerd. De resultaten worden hieronder toegelicht. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen gebruiken het plangebied als foerageergebied, en mogelijk nestelen er vogels in de beplanting. Grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepaling verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd beland wordt beschouwd. Om te voorkomen dat vogels gedood worden en bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden, dient buiten de voortplantingsperiode gewerkt te worden, of dient een broedvogelscan uitgevoerd te
vastgesteld
29
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van voorgenomen herontwikkeling van het plangebied als woningbouwlocatie, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdiersoorten niet af. 4.6.2.2
Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Lonnekermeer op ca. 9,2 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Delden, de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte impact van de ingreep (reguliere sloop- en bouwwerkzaamheden), kan een significante verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden oppervlakteverlies, optische verstoring, licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Emissie van stikstof kan echter over grotere afstand de natuur beïnvloeden. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-calculatie uitgevoerd (bijlage 4). De stikstofemissie als gevolg van de verkeersgeneratie welke ontstaat van en naar de toekomstige appartementen is in beeld gebracht. Uit deze AERIUS-calculatie blijkt dat de stikstofemissie in de gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar).
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
4.6.3
Conclusie Het aspect ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Archeologie en Cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1
Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Op 15 december 2019 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente ingestemd met het archeologiebeleid. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond
30
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden. Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer; Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2.500 m2 of meer; Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5.000 m2 of meer; Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer. 4.7.1.2
Situatie plangebied Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de Gemeente Hof van Twente ligt het plangebied in een zone met een hoge verwachting om historisch element en voor een klein gedeelte in de zone middelhoge verwachting. Het hieraan gekoppelde beleidsadvies is als dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2 'in het huidige bestemmingsplan opgenomen. Zie onderstaande afbeelding voor de begrenzing van de dubbelbestemmingen.
Afbeelding 4.1: dubbelbestemmingen archeologie Het plangebied overschrijdt de vrijstellingsgrenzen zoals hierboven genoemd. Hoewel een deel van het plangebied bebouwd is, is niet bekend tot hoe diep de bodem verstoord is. Mogelijk kunnen in de bodem nog archeologische resten in gave toestand aanwezig zijn. Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek, in combinatie met een verkennend booronderzoek uitgevoerd (bijlage 5). Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat, afgezien van resten van diepere grondsporen. Het archeologisch belang hiervan is laag. Om deze reden wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Het advies van Laagland Archeologie wordt overgenomen. Het plangebied wordt, op
vastgesteld
31
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
archeologische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden onverwachts toch archeologische waarden worden aangetroffen geldt, op grond van de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5.11, een meldingsplicht bij de minister. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1
Algemeen Ieder bestemmingsplan dient tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (steden)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze worden geborgd in het bestemmingsplan.
4.7.2.2
Situatie plangebied Binnen het plangebied is een school gesitueerd. Dit gebouw is niet aangewezen als monument. Daarnaast is het plangebied niet aangewezen als een gebied met aanwezige cultuurhistorische waarden. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.7.3
Conclusie Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8
Niet-gesprongen Explosieven
4.8.1
Algemeen De gemeente Hof van Twente beschikt over een gemeentebreed historisch vooronderzoek ontplofbare oorlogs-resten: AVG, ‘Vooronderzoek gemeente Hof van Twente’, kenmerk 1662059-VO-03, versie 2 definitief, d.d. 9 februari 2018. Dit onderzoek is opgesteld om op voorhand, voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden, te weten welke gebieden verdacht zijn op conventionele explosieven (CE).
4.8.2
Situatie plangebied Uit het onderzoek van AVG blijkt dat in de omgeving van het plangebied grondgevechten en beschietingen hebben plaatsgevonden. De locaties van deze gevechten zijn, voor zover uit het rapport is af te leiden, slechts indicatief vastgesteld. In verband met artilleriebeschietingen en grondgevechten die in april 1945 in en rond Delden hebben plaatsgevonden is door AVG een verdacht gebied aangemerkt met kenmerk B85 (verdacht op geschutmunitie). Het plangebied is dit verdacht aangemerkt gebied gelegen. Om deze reden is er een risicoanalyse uitgevoerd ter hoogte van het plangebied (bijlage 6). Uit deze risicoanalyse is het volgende gebleken: Buiten de verdachte gebieden kunnen alle werkzaamheden op een reguliere wijze worden uitgevoerd;
32
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Naoorlogs aangebrachte objecten zoals bestrating, hekwerken, eventuele lantaarnpalen, etc., binnen het verdachte gebied kunnen op reguliere wijze worden verwijderd. Naoorlogse kabels en leidingen kunnen op reguliere wijze worden verwijderd. Bij het verwijderen van bomen binnen het verdachte gebied dienen de bomen afgezaagd te worden tot aan het maaiveld. Dit kan op reguliere wijze plaatsvinden. Voor het verwijderen van stobben dient vooraf detectie plaats te vinden. Werkzaamheden die binnen naoorlogs geroerde grond plaatsvinden, kunnen op reguliere wijze uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in de verdachte gebieden (bijvoorbeeld voor het uit te graven cunet voor de toekomstige fundering en het leggen van kabels en leidingen) adviseert Saricon een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een oppervlaktedetectie uit te worden gevoerd tot maximaal 15,50 meter boven NAP (de maximaal verdachte diepte). Uitvoeringstechnisch en met oog op het toekomstig gebruik wordt geadviseerd overkoepelend het vervolgonderzoek in te starten door een oppervlaktedetectie (en eventuele benadering) voor het gehele gebied uit te voeren, zodat toekomstige bouwplannen en uitvoeringsmethoden geen risico’s zullen vormen in het kader van de openbare orde en veiligheid op het gebied van ontplofbare oorlogsresten in dit gebied. 4.8.3
Conclusie Nadat de alle verharding is verwijderd wordt een oppervlaktedetectie uitgevoerd. Zodat het perceel vrij van risico's op niet-gesprongen explosieven ontwikkeld kan worden. Dit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.9
Water
4.9.1
Algemeen Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren dan ook beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's. Europa Kaderrichtlijn Water (KRW).
Nationaal Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP); Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
vastgesteld
33
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Deltaprogramma; Waterwet. Provinciaal Omgevingsvisie Overijssel; Omgevingsverordening Overijssel. Regionaal/ lokaal Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vechtstromen Gemeentelijk Rioleringsplan Hof van Twente 2017 - 2020 De opdracht is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoonwater ook relatief schoon blijft. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. Het waterschap Vechtstromen is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied.
Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater en regenwater en voor de aanpak van grondwaterproblemen. Het geldende beleid voor wettelijke zorgplichten ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater is beschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Hof van Twente 2017 – 2020 (hierna: GRP). Het beleid uit het GRP is gefundeerd op landelijke en regionale wet- en regelgeving en in het verleden gemaakte afspraken. Voor meer informatie over de beleidsuitgangspunten wordt verwezen naar het GRP en de visies, beleidsplannen, afspraken en wetten waar in het GRP naar verwezen wordt. De voor woningbouwlocaties relevante zaken worden in onderstaande passages toegelicht. 4.9.2
Situatie plangebied
4.9.2.1
Algemeen In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, (grond)wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd.
34
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
4.9.2.2
Watertoetsproces Door de gemeente Hof van Twente is een memo opgesteld, waarmee de waterhuishouding in het plangebied in beeld is gebracht, zie hiervoor bijlage 7. Hieronder wordt ingegaan op hoe er met de voorgenomen ontwikkeling omgegaan wordt met afvalwater en hemelwater en wat voor gevolgen de voorgenomen ontwikkeling heeft op het grondwater. De memo is voorgelegd aan het waterschap en het waterschap heeft hiermee ingestemd. Verhard oppervlak Het terrein van het huidige schoolgebouw, is grotendeels verhard. Ingeschat wordt dat er circa 1.125 m2 dakverharding en circa 2.250 m2 terreinverharding aanwezig is (meer dan 90% van het plangebied is verhard; exclusief de openbare wegen). Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied geschat op circa 850 m2. Dit is ruim 2.400 m2 minder dan in de huidige situatie. Afvalwater Het afvalwater wordt, gescheiden van hemelwater, aangesloten op het gemengde rioolstelsel in de Bernhardstraat en Sleutelbloem / Torendijk (fiets- / voetpad). Verwacht wordt dat het bestaande rioolsysteem deze beperkte toename eenvoudig kan verwerken. Hemelwater De bergingsopgave vanuit het 'Aansluitprotocol hemelwater' bedraagt - in het geval van een inbreiding (groter dan 1.500 m2) - minimaal 20 mm met een overloopvoorziening naar de openbare ruimte.
Vanuit de uitgangspuntennotitie van Waterschap Vechtstromen, dient echter rekening gehouden te worden met 55 mm voor waterberging. Op basis van het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied, is de totale bergingsopgave in het plangebied circa 47 m3. De waterberging zou gevonden kunnen worden in groenblauwe daken en/of waterberging in de groene zones en/of onder de parkeervakken. Wellicht kan ook worden overwogen om een deel van het park, ten zuiden van het plangebied, als waterberging in te richten. Omdat het hemelwater niet geïnfiltreerd kan worden, moet of een afvoer worden gecreëerd voor het overtollig hemelwater naar de DT-riolering (drainage-transport leiding, Ø 300 mm) in de Irenestraat of moet een koppeling gemaakt worden met het hemelwatersysteem (wadi’s) in Braak-West. Als gevolg van de klimaatverandering nemen extreme neerslaggebeurtenissen toe. Om schade aan gebouwen te voorkomen worden ontwikkelingen getoetst aan zogenaamde stresstest. Voor dit plan houdt dat in dat een bui van 70 mm (in 1 uur) geen schade mag veroorzaken. Bij de inrichting van het plangebied moeten de drempels van de woningen daarom bij voorkeur 0,30 m boven straatpeil aangelegd worden; nog na te gaan in hoeverre is dat hier mogelijk is. Op deze wijze ontstaat er bij een extreme bui geen overlast of waterschade in de woningen.
Grondwater In de toekomstige situatie zal door de klimaatontwikkeling de GHG enigszins stijgen. Gelet op de huidige GHG kan deze verhoging leiden tot (potentieel) grondwateroverlast.
4.9.3
Conclusie Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
vastgesteld
35
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1
Verkeersgeneratie Door Goudappel Coffeng is er een verkeerskundig onderzoek (bijlage 8) uitgevoerd. In dit onderzoek is de verkeergeneratie welke ontstaat met de voorgenomen ontwikkeling in beeld gebracht. In het onderzoek is uitgegaan van de realisatie van 15 koopappartementen, in werkelijkheid worden er maximaal 12 koopappartementen gerealiseerd. De komst van 12 koopappartementen levert een totale verkeersgeneratie op van 81 vervoersbewegingen per werkdagetmaal. In het verkeerksundig onderzoek is het effect van de verkeersgeneratie op de omliggende wegen in beeld gebracht. In het onderzoek is ook een andere locatie en de daarbij behorende verkeersgeneratie meegenomen, het gaat om de locatie Toonladder en sporthal De Reiger, tevens gelegen aan de Bernhardstraat. In deze analyse wordt geen rekening gehouden met saldering. Hiermee is worst-case gerekend; het verkeerseffect van de ontwikkeling ligt in de praktijk waarschijnlijk lager, omdat de verkeersgeneratie van de voormalige functies, de sporthal en basisscholen, verdwijnt. In het onderzoek is een analyse uitgevoerd op de wegen Reigerstraat, Bernhardstraat en Sleutelboom.
Uit het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: Wanneer het verkeer verdeeld wordt over de ontsluitingswegen; de Reigerstraat, de Bernhardstraat en de Sleutelbloem, is er voldoende capaciteit voor het extra verkeer, gegenereerd door de woningbouwontwikkelingen. Ook in een ‘worst-case’ scenario waarin al het verkeer gebruik maakt van deze drie ontsluitingswegen, is er voldoende capaciteit voor het extra verkeer, gegenereerd door de woningbouwontwikkelingen. Daarnaast worden er één overzichtelijke ontsluitingen gerealiseerd op de Bernhardstraat. Voor deze wegen geldt een 30 km/h-regime. Deze wegen en de omliggende wegen zijn in voldoende mate ingericht om de beperkte toename aan verkeer eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. De betreffende wegen zijn daar ook op ingericht en voorzien van trottoirs voor voetgangers. De verkeersbewegingen kunnen, gelet op de functie en inrichting van de bestaande wegen, eenvoudig via deze wegen worden afgewikkeld. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10.2
Parkeren Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Hof van Twente beschikt over eigen parkeernormen (versie mei 2016), welke zijn gebaseerd op de CROW-publicatie 317. De kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het voornemen is de realisatie van 12 appartementen in de rest bebouwde kom. Dit komt neer op de volgende parkeervraag volgens de gemeentelijke parkeernormen:
Type woning
36
Parkeernorm per woning
Aantal woningen
Benodigd aantal parkeerplaatsen
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Etage koop duur
2,1
12
25,2
De parkeervraag bedraagt afgerond 26 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig plan is ruimte gereserveerd voor de realisatie van 12 parkeerplaatsen ter hoogte van een te realiseren parkeerhof en 14 haaksparkeren aan de Beethovenstraat. Derhalve geldt dat het plan voorziet in de realisatie van voldoende parkeerplaatsen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1
Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden
4.11.2
Situatie plangebied Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig welke behouden en beschermd dienen te worden.
4.11.3
Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
4.12
Besluit milieueffectenrapportage
4.12.1
Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie
vastgesteld
37
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 4.12.2
Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden, maar het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Het bestemmingsplan is te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r.. Op basis van het vorengaande wordt geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag (gemeente Hof van Twente) om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema's: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
4.12.3
Vormvrije m.e.r. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. is opgenomen als bijlage 9. Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen.
38
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische vormgeving
Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); Afwijken van de bouwregels:
vastgesteld
39
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld parkeren. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen Groen (Artikel 3) De (openbare) groene elementen binnen het plangebied zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming kunnen o.a. voet- en fietspaden, speelvoorzieningen en waterpartijen worden gerealiseerd. Woongebied - 1 (Artikel 4)
40
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Het plangebied wordt volledig gebruikt ten dienste van de functie 'wonen' en is daarom conform de bestemmingssystematiek van Hof van Twente bestemd tot 'Woongebied 1'. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfast-voorziening valt. De bouwregels bepalen dat het gebouw binnen een bouwvlak moet worden gebouwd. Diverse maatvoering zoals bouwhoogte, maar ook het aantal woningen is middels aanduidingen vastgelegd op de verbeelding.
vastgesteld
41
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het plangebied is in eigendom van de gemeente Hof van Twente en wordt ontwikkeld door de gemeente en daarna verkocht aan een andere gegadigde. De gemeente heeft een voorlopige exploitatieopzet gemaakt en voldoende middelen gereserveerd om tot uitvoering over te gaan. Op basis van een voorlopige exploitatieopzet voor dit plan kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is. De definitieve exploitatieopzet zal na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan aan de gemeenteraad worden voorgelegd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Middels een e-mailbericht van 7 januari 2021 vanuit de Provincie Overijssel is aangegeven dat de ontwikkeling in het provinciaal ruimtelijk beleid past. Er worden geen belemmeringen gezien wanneer dit plan in deze vorm in procedure wordt gebracht. Met dit e-mailbericht is het ambtelijk vooroverleg afgerond. Waterschap Vechtstromen Door de gemeente Hof van Twente is een memo opgesteld inzake de waterhuishouding in het plangebied is voorgelegd aan het waterschap en het waterschap heeft hiermee ingestemd.
42
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
6.2.2
Zienswijzen Na overleg met de gemeente Hof van Twente is direct een ontwerp van dit bestemmingsplan, overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening, ter inzage gelegd. Eén ieder wordt, door middel van deze ter inzage legging, in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijze over het plan in te dienen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 16 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Er zijn 10 zienswijzen ingediend. Naar aanleiding van de zienswijzen hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden, zie Bijlage 11 Zienswijzennota.
6.2.3
Participatie De gemeente Hof van Twente heeft op de website van de gemeente de plannen toegelicht. In verband met de destijds geldende coronamaatregelen, is ervoor gekozen om geen fysieke bijeenkomsten te organiseren. De inwoners van de gemeente Delden hebben de kans gehad om digitaal te reageren. Er zijn twee voorkeursvarianten uitgewerkt en gepubliceerd op de website, waarbij de inwoners vier weken de tijd hadden gehad om op de voorkeursvarianten te reageren (voor 21 mei 2021). In de genoemde periode zijn meer dan 300 reacties ontvangen, voor zowel dit plan als het plan aan de Bernhardstraat 1 in Delden. In bijlage 10 is ingegaan op dit participatietraject. Aan de hand van de binnengekomen reacties en de uitgevoerde onderzoeken is de definitieve planopzet bepaald. Voor deze locatie waren twee keuzes in beeld: grondgebonden woningen of een appartementencomplex. Uit het merendeel van de ontvangen reacties is afgeleid dat grondgebonden woningen als meer passend in de wijk worden gezien dan appartementen. Daartegenover staat dat de vergrijzing blijft toenemen en dat er op dit moment onvoldoende aanbod is voor senioren. Met appartementen wordt het woningaanbod in Delden verruimd en kunnen meer doelgroepen bediend worden. De door het college uitgesproken voorkeur voor appartementen blijft gehandhaafd.
Met goede stedenbouwkundige (beeld)kwaliteitseisen wordt het appartementencomplex in de bestaande omgeving ingepast. Tot slot wordt opgemerkt dat aandacht is gevraagd voor o.a. een duurzame ontwikkeling en een goede stedenbouwkundige inpassing in de bestaande woonwijk. De inrichting van de openbare ruimte wil de gemeente samen met de huidige en toekomstige bewoners oppakken.
vastgesteld
43
Opdrachtgever Gemeente Hof van Twente Projectleider Plannaam Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25 Opgesteld door Adres Gemeente Hof van Twente De Höfte 7 7471DK Goor www.hofvantwente.nl