3. Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25, Toelichting.pdf
Tekst van het document
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
BESTEMMINGSPLAN TOELICHTING
Datum: Fase: Planid:
vastgesteld NL.IMRO.1735.SDxBernharstr25-VS10
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Inhoudsopgave
Toelichting
2
3
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding Aanleiding Ligging van het plangebied De bij het plan behorende stukken Huidige planologisch regime Leeswijzer
4 4 4 4 5 5
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3
Planbeschrijving De omgeving Bestaande situatie Toekomstige situatie
6 6 6 8
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4
Inventarisatie van relevant beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
9 9 11 15 17
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Uitvoerbaarheidsaspecten Geluid Bodemkwaliteit Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Ecologie Archeologie en Cultuurhistorie Niet-gesprongen Explosieven Water Verkeer en parkeren Kabels en leidingen Besluit milieueffectenrapportage
22 22 23 24 25 27 28 30 32 33 36 37 37
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Juridische vormgeving Inleiding Toelichting op de regels
39 39 39
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
42 42 42
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Toelichting
vastgesteld
3
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding Met het vrijkomen van de locatie Ranninkschool (Bernhardstraat 25 te Delden) zijn er mogelijkheden ontstaan om op deze locatie woningbouw te ontwikkelen. Het plangebied maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Delden Zuid 2015’. Binnen dit bestemmingsplan is woningbouw niet toegestaan. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken moet er voor het plangebied een partiële herziening van het bestemmingsplan worden vastgesteld.
1.2
Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Bernhardstraat 25 in Delden. Het plangebied staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Stad-Delden, sectie A, nummers 6490, 9188 gedeeltelijk en 9339 gedeeltelijk. Met een totale oppervlakte van circa 4.000 m². Afbeelding 1.1 geeft de ligging en globale begrenzing van het plangebied weer.
Afbeelding 1.1: ligging en globale begrenzing plangebied
1.3
De bij het plan behorende stukken Het bestemmingsplan 'Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25' bestaat uit de volgende stukken: Verbeelding; Regels (met bijbehorende bijlagen); Toelichting (met bijbehorende bijlagen) Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van
4
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
het bestemmingsplan en daarin wordt aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat wordt voldaan aan wet- en regelgeving.
1.4
Huidige planologisch regime Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Delden Zuid 2015' vigerend, vastgesteld op 6 oktober 2015 door de gemeenteraad Hof van Twente. Afbeelding 1.2 geeft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan weer.
Afbeelding 1.2: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de volgende bestemmingen: 1. Enkelbestemming 'Maatschappelijk'; 2. Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'; 3. Diverse maatvoeringen en een bouwvlak. De voorgenomen ontwikkeling is op grond van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan vanwege de strijdigheid met zowel de bouw- als gebruiksmogelijkheden. Gelet op bovengenoemde dient ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een partiële herziening van het bestemmingsplan te worden opgesteld, waarin onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt.
1.5
Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en beoogde situatie in en rondom het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht.
vastgesteld
5
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
De omgeving Het plangebied is gelegen in het zuidelijke deel van Delden in de wijk Sint Annabrink. Het plangebied wordt omgeven door woningen. In onderstaande afbeelding is het plangebied en de omgeving weergegeven.
Afbeelding 2.1: luchtfoto met aanduiding plangebied
2.2
Bestaande situatie Binnen het plangebied is de voormalige Ranninkschool gesitueerd. Het gebouw staat sinds halverwege 2020 leeg, nadat diverse schoollocaties samen zijn gegaan op een nieuwe locatie. In de onderstaande afbeeldingen is de bestaande situatie van het plangebied weergegeven.
6
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Afbeelding 2.2: Bestaande situatie plangebied
Afbeelding 2.3: Bestaande situatie plangebied
vastgesteld
7
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
2.3
Toekomstige situatie Het voornemen is om binnen het plangebied woningbouw te ontwikkelen. De nieuwe bebouwing bestaat uit een appartementengebouw met maximaal 12 appartementen. Hoe het appartementengebouw eruit komt te zien wordt in een later stadium bepaald. Wel staat vast dat de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt en maximaal uit twee bouwlagen. Het appartementengebouw wordt mogelijk gemaakt op de hoek Sleutelbloem/Bernhardstraat. Hierdoor ontstaat er meer ruimte tussen de woning Bernhardstraat 27 kan kan het appartementengebouw een eigen kwaliteit krijgen. Een kwaliteit die enerzijds op zichzelf kan staan en anderzijds aansluit op de bestaande bebouwing. In de omgeving staan woonhuizen met een bouwhoogte van 10 meter. De goothoogte varieert van 3,5 tot 6 meter. De bouwhoogte van 8 meter past ondanks de mogelijkheid van een platte afdekking binnen de hoogtes die nu bij recht zijn toegestaan. Door het nieuwe ruimtegebruik ontstaan meer mogelijkheden voor groen en een goede inpassing van het parkeren. In paragraaf 4.10 wordt ingegaan op het aspect verkeer & parkeren en wordt onderbouwd dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. In navolgende afbeelding is het stedenbouwkundig plan weergegeven.
Afbeelding 2.4: stedenbouwkundig plan
8
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Hoofdstuk 3
Inventarisatie van relevant beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1
Algemeen Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld op grond van de geldende regelgeving. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op het moment dat die wet in gaat. Tot die tijd geldt de NOVI als structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in gaat, zal de NOVI gelden als instrument, zoals in de nieuwe wet is bedoeld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
3.1.1.2
Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
3.1.1.3
Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda Voor Oost-Nederland is een omgevingsagenda opgesteld. Oost-Nederland is een sociaaleconomisch krachtig, vitaal en aantrekkelijk gebied. Oost-Nederland is onderdeel van de dynamische, innovatieve, en door kennis gedreven internationale netwerken en draagt hieraan bij vanuit onderscheidende kwaliteiten en kracht, zoals de sterke clusters op het gebied van Agro-Food, Health, High Tech, Logistiek en Cleantech. Rijk en regio hebben de ambitie de economische kracht en vitaliteit van Oost-Nederland te behouden, versterken en verduurzamen. Dit kan door de gestage economische en demografische groei in de stedelijke regio’s, en de kracht en specifieke kwaliteiten van Oost-Nederland, te benutten. En door grote transities te realiseren op het gebied van energie, klimaatbestendigheid, verduurzaming landelijk gebied en circulaire economie.
De volgende acht omgevingsopgaven vormden de komende jaren de basis voor de Rijk-regio samenwerking: Netwerkkracht stedelijke regio's en robuuste vervoerscorridors; Innovatieve groene Metropoolregio Arnhem, Nijemgen en Foodvalley; Klimaatbestendige groeiregio Zwolle; Internationale en bereikbare technologische topregio Twente; Cleantech Regio: industrie, mensen en leefomgeving in balans; Duurzame (transport)corridor rivierenland; Dynamische IJsselvallei en Twentekanalen;
vastgesteld
9
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Transitie landelijk gebied (en groene schatkamers). 2. De NOVI-gebieden Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Delden is geen onderdeel van deze voorlopige aandachtsgebieden waardoor er geen vraagstukken met extra prioriteit van toepassing zijn. 3.1.1.4
Conclusie Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
3.1.2.1
Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.
3.1.2.2
Toetsing van het initiatief aan de ladder De Ladder geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie met name de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 met nummer ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat niet álle woningbouwprojecten gezien moeten worden als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Zo stelt dat Afdeling dat een bouwplan van niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden beschouwd, in beginsel niet beschouwd moet worden als een stedelijke ontwikkeling waarop de Ladder van toepassing is. Voor woningbouw geldt dat als een woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied, dan wordt voldaan aan de Ladder.
Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en ook de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. De gronden in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. Gelet op de ligging aangrenzend aan de woonbebouwing en de huidige bestemmingen kan geconcludeerd worden dat het plangebied behoort tot het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat er meer dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt, welke in het huidige bestemmingsplan niet mogelijk zijn. Behoefte De voorgenomen ontwikkeling met appartementen in de koopsector, gericht op senioren, sluit aan op de regionale en lokale behoefte. Uit de Regionale Woonagenda Twente 2021-2025 blijkt dat het aantal kleinere huishoudens de komende jaren nog verder toeneemt. Ook grote delen van Twente hebben te maken met vergrijzing, ontgroening en huishoudensverdunning. De focus ligt op inbreiding, transformatie/herstructurering en
10
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
betaalbaarheid/jongeren/senioren/talenten/bijzondere doelgroepen. De voorgenomen ontwikkeling zorgt ervoor dat andere woningen in Delden mogelijk vrij komen voor het invullen van de lokale behoefte en het behoud van jongeren/terugkeerders. Uit de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 blijkt dat de gemeente meer ruimte wil bieden voor de behoeften van jongeren, starters en ouderen. Het streven is om circa 20 tot 30% appartementen te realiseren, waarmee ze inspelen op de toename van kleine huishoudens, waaronder jongeren, empty nesters en ouderen. Daarnaast wil de gemeente meer levensloopbestendige koopappartementen, dit omdat het aantal 75-plussers in de gemeente fors gaat toenemen en een groot deel van deze doelgroep, gezien de inkomenspositie, niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoningen.
3.2
Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. Op 1 mei 2017 zijn de nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening in werking getreden. Nadien hebben er nog meerdere actualisaties plaatsgevonden, waarbij de laatste in december 2021.
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie is een integrale provinciale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen; investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. Om de provinciale ambities waar te kunnen maken, bevat de Omgevingsvisie een Uitvoeringsmodel. In paragraaf 3.2.3 komt het Uitvoeringsmodel aan de orde.
3.2.2
Omgevingsverordening Overijssel De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd. In de verordening staan algemene regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, water en bodem. De Omgevingsverordening geeft regels aan gemeenten die bij het maken van bestemmingsplannen in acht genomen moeten worden. Voor de behandeling van de voorgenomen ontwikkeling aan het provinciaal beleid vindt er in paragraaf 3.2.4 een toetsing aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie en aan de
vastgesteld
11
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
regels gesteld in de Omgevingsverordening plaats. 3.2.3
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities, wordt gebruik gemaakt van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In de navolgende afbeelding is het uitvoeringsmodel en de niveaus daarin weergegeven.
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) 3.2.3.1
Generieke beleidskeuzes - of Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van behoefte aan een bepaalde voorziening. Daarnaast zijn er in de Omgevingsvisie gebiedsgerichte beleidskeuzes opgenomen met het oog op het beschermen van waardevolle gebieden en aandachtsgebieden.
3.2.3.2
Ontwikkelingsperspectieven - waar In de Omgevingsvisie worden zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden, drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
12
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
3.2.3.3
Gebiedskenmerken - hoe Nieuwe ruimtelijke opgaven dienen verbonden te worden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken verstaan we de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor de gebiedskenmerken welke zijn onderverdeeld in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
3.2.4 Toetsing van het initiatief aan Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 3.2.4.1
Generieke beleidskeuzes - of Ten aanzien van de generieke en gebiedsgerichte beleidskeuzes zijn artikel 2.1.3, 2.1.5 en 2.2.2 van belang. Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied. In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro.
Met voorgenomen ontwikkeling vindt er een herstructurering plaats binnen bestaand stedelijk gebied en zorgt de ontwikkeling niet voor een extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving. Gesteld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening. Artikel 2.1.5: Ruimtelijke kwaliteit Nieuwe ontwikkelingen in bestemmingsplannen kunnen mogelijk worden gemaakt indien deze de ruimtelijke kwaliteit versterken conform de geldende gebiedskenmerken en wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief. De mogelijkheid bestaat om van het ontwikkelingsperspectief af te wijken indien er sprake is van een sociaaleconomische en/of maatschappelijk belang en voldoende verzekerd is dat er sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In de navolgende twee subparagrafen wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken. Artikel 2.2.2: Realisatie nieuwe woningen Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw. De behoefte aan nieuwe woningen wordt in ieder geval geacht te zijn
vastgesteld
13
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Met de voorgenomen ontwikkeling is aansluiting gezocht op de regionale en lokale behoefte. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de behoefte genoemd in Regionale Woonagenda Twente 2021-2025 en Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten van artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.4.2
Ontwikkelperspectieven - waar Bij het voorliggende initiatief zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de Stedelijke Omgeving van belang. Met 'Stedelijke Omgeving” wordt bedoeld: stedelijke netwerken, steden, dorpen en hoofdinfrastructuur. In de stedelijke omgeving wordt door de provincie onderscheidt gemaakt in de volgende drie ontwikkelingsperspectieven: stedelijke netwerken als motor steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus hoofdinfrastructuur: vlot en veilig Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus', waarna het plangebied binnen dit ontwikkelingsperspectief gelegen is binnen de 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren).
Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten). Binnen gebieden met het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' is ruimte voor herstructurering en transformatie. De school binnen het plangebied is niet meer in gebruik. Er wordt aansluiting gezocht bij de omliggende woonwijk door het gebouw te slopen en hier woningbouw te realiseren. De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd als onderdeel van de bestaande wijk en sluit qua situering en bouwhoogte aan op de woningen in de omgeving. In de omgeving staan woonhuizen met twee bouwlagen en een kap en één bouwlaag en een kap. De nieuwe bebouwing bestaat uit een appartementengebouw bestaande uit maximaal twee bouwlagen.
3.2.4.3
Gebiedskenmerken - hoe Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Natuurlijke laag Het plangebied is gelegen op de grens van de natuurlijke lagen 'Dekzandvlakte en Ruggen' en 'Stuwwallen'. Echter zijn deze natuurlijke lagen ter plaatse van het plangebied niet meer waarneembaar door het voormalige gebruik van het perceel. Agrarische laag Het plangebied is gelegen binnen de agrarische laag 'Oude hoevenlandschap'. Deze
14
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
laag blijft buiten beschouwing, omdat het plangebied gelegen is in stedelijk gebied en geen agrarische eigenschappen heeft. Stedelijke laag Het plangebied is gelegen in een gebied wat zich kenmerkt als 'Woonwijken 1955 - nu'. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp. Herstructurering naoorlogse wijken is een belangrijke opgave voor vitale steden. De wijken van na de oorlog behouden hierbij hun eigen karakter. Ook al neemt bij herstructurering het bebouwd oppervlak in de wijken door meer grondgebonden woningen toe, er blijft collectieve ruimte tussen de bouwblokken. Markante gebouwen zoals leegkomende kerken en winkelstrips worden waar mogelijk behouden door ze een nieuwe functie te geven. In de wijken van de jaren ’70 en ’80 (woonerven) vereisen de kwaliteit van de buitenruimte en de parkeeroplossingen bijzondere aandacht. In de omgeving staan hoofdzakelijk grondgebonden woningen van één tot twee bouwlagen met een kap. De nieuwe bebouwing wordt gerealiseerd als onderdeel van de bestaande wijk en sluit qua situering en oriëntatie aan op de woningen in de omgeving.
De rooilijn van de bebouwing in de omgeving is daarbij het uitgangspunt. In de huidige situatie bestaat het gehele plangebied uit verharding, in de toekomstige situatie wordt het appartementengebouw omgeven door groen, waardoor er ook een collectieve ruimte ontstaat. Laag van beleving De 'Laag van beleving' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Woonagenda Twente 2021-2025 Op 25 maart 2021 is de Regionale Woonagenda Twente ondertekend. In deze woonagenda worden de prioriteiten welke er de komende jaren zijn op de Twentse woningmarkt geschetst. De woonopgave voor de provincie Overijssel is het toevoegen van 60.000 woningen tot 2030. Een toekomstbestendige woningmarkt betekent in Twente: 1. een inclusieve woningmarkt: wonen voor iedereen 2. een toekomstbestendige leefomgeving: sterke steden en vitale kernen en buitengebied 3. een duurzaam en circulair woningbestand Om de provinciale woonpgave mogelijk te maken is er actie nodig op regionaal vlak: 1. Versnelling 2. Inspelen en voorsorteren op veranderende woningvraag 3. Verstedelijking en stedelijke vernieuwing 4. Sterke dorpen en platteland in het regionale netwerk 5. Verduurzaming / kwaliteitsimpuls bestaande voorraad 6. Toegankelijkheid en doorstroming 7. Toevoegen van 60.000 woningen tot 2030 (in de provincie Overijssel) Hieronder wordt een aantal belangrijke punten uitgelicht welke genoemd staan onder de zeven acties welke op regionaal vlak benodigd zijn. Lokale programmering
vastgesteld
15
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Er wordt onderscheid gemaakt in lokale en regionale programmering. De lokale programmering dient aan te sluiten bij lokale prognoses en woonwensen, onderbouwd in het gemeentelijke woonbeleid en bijbehorende woningbouwprogramma. De focus ligt op inbreiding (maar met ruimte voor aanvullende uitbreiding), transformatie/herstructurering en betaalbaarheid/jongeren/senioren/talenten/bijzondere doelgroepen. Transformatie, inbreiding en herstructurering binnen vijf jaar De komende jaren staan productie, transformatie/herstructurering, kwaliteit, complementariteit centraal. Doormiddel van prestatie- en investeringsafspraken en afwegingskaders kan hier sturing aan gegeven worden. De insteek is dat maximaal ruimte wordt geboden aan het realiseren van inbreidingsplannen die op korte termijn spelen. Dit wil zeggen dat bij inbreidingsplannen met start realisatie binnen vijf jaar geen kwantitatieve kaders gelden. Op kwalitatief gebied dient wel getoetst te worden of het plan en programma aansluiten op de kwalitatieve behoefte, onderbouwd vanuit verschillende kwalitatieve indicatoren en lokaal/regionaal behoefteonderzoek. Deze voorwaarde is van toepassing voor plannen die nog niet in ontwikkeling zijn. Toegankelijkheid en doorstroming Ook grote delen van Twente hebben te maken met vergrijzing, ontgroening en huishoudensverdunning.
Het aandeel kleinere huishoudens neemt de komende jaren nog verder toe. Dit vraagt om een flinke aanpassing van de bestaande woningvoorraad, voornamelijk gericht op het (levensloop)geschikt maken van de woningen voor kleinere huishoudens. Naast voldoende en passende woningen is ‘betaalbaarheid en toegankelijkheid’ van de woningvoorraad in alle gemeenten daarom een belangrijk uitgangspunt van deze regionale woonagenda. Met name starters, jonge huishoudens en mensen met de laagste inkomens hebben in toenemende mate moeite om een woning te vinden. Dat betekent een opgave om voldoende sociale huurwoningen in iedere gemeente te realiseren en te behouden conform tenminste de lokale behoefte, voldoende goedkope koop in iedere gemeente en voornamelijk in de steden (maar ook in mindere mate in de dorpen) ook een middenhuurprogramma toevoegen. Toevoegen van 20.000 - 22.000 extra woningen (in regio Twente) Op basis van de prognoses van de huishoudensgroei tussen 2020 en 2030 en de benodigde ruimere programmering is een behoefte van ruim 15.000 woningen te verwachten tot 2030. Dit aantal wordt als de lokale behoefte gedefinieerd.
Daarnaast heeft Twente een extra woningbouwambitie/-opgave op basis van onder andere de (gedeeltelijke) inloop van het huidige woningtekort (circa 3%), de krapte op de woningmarkt, de verstedelijkingsopgaven en de toenemende migratiestromen vanuit de Randstad en andere landsdelen. Deze extra woningbouwambitie/-opgave bedraagt voor Twente circa 5.000 tot 7.000 woningen tot 2030. De aandachtspunten voor de gemeente Hof van Twente zijn het invullen van de lokale behoefte, behoud jongeren/terugkeerders en transformatie boerenerven. 3.3.1.1
Toetsing initiatief aan Regionale Woonagenda Twente 2021-2025 Uit de Regionale Woonagenda Twente blijkt dat het aantal kleinere huishoudens de komende jaren nog verder toeneemt. Ook grote delen van Twente hebben te maken met vergrijzing, ontgroening en huishoudensverdunning. De focus ligt op inbreiding, transformatie/herstructurering en betaalbaarheid/jongeren/senioren/talenten/bijzondere doelgroepen. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden koopappartementen voor senioren gerealiseerd. Dit zorgt ervoor dat er andere woningen in Delden mogelijk vrij komen voor
16
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
het invullen van de lokale behoefte en het behoud van jongeren/terugkeerders. De lokale programmering dient aan te sluiten bij de lokale prognoses en woonwensen, onderbouwd in het gemeentelijke woonbeleid en bijbehorende woningbouwprogramma. Met de voorgenomen ontwikkeling vindt er een herstructurering plaats binnen bestaand bebouwd gebied. De voorgenomen ontwikkeling wordt binnen vijf jaar gerealiseerd, dit houdt in dat er geen kwantitatieve kaders gelden. Op kwalitatief gebied dient wel getoetst te worden of het plan en programma aansluiten op de kwalitatieve behoefte. In 3.4.2 wordt ingegaan op het woonbeleid van de gemeente Hof van Twente en de kwalitatieve lokale behoefte.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Toekomstvisie Hof van Twente "Zicht op 2030"
3.4.1.1
Algemeen De gemeente Hof van Twente heeft in juni 2010 de toekomstvisie 'Hof van Twente, zicht op 2030' vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks. Globaal kan de gemeente Hof van Twente omschreven worden als een gemeente met meerdere kernen, die een eenheid in verscheidenheid vormt. De kernen zijn allen uniek en voor een groot deel zelfvoorzienend. Wonen, werken, voorzieningen, scholing, recreëren is vaak binnen de eigen of naburige kern mogelijk. Alle kernen en buurtschappen hebben hun eigen sterke en zwakke punten. In 2030 wordt het onderscheid tussen de verschillende delen gerespecteerd en krijgt het de ruimte. In die verscheidenheid schuilt de kracht van Hof van Twente. Vanzelfsprekend houden kernen uiteenlopende functies, maar door bewust accenten te leggen kan iedere kern werken aan een herkenbaar profiel van de eigen sterke punten en zich hiermee profileren. Voor Delden wordt gedacht aan het profiel van een 'Historie' Een landelijke trend is dat in de komende tientallen jaren de bevolking vergrijst en ontgroent. Om deze reden moeten er meerdere woningen gerealiseerd worden voor ouderen. Verder moeten er acties en maatregelen ondernomen worden om de gemeente weer aantrekkelijk te maken voor jongeren.
Verder zal de gemeente zich richten op het verhogen van de kwaliteit van de nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad en het verhogen van het aandeel levensloopbestendige woningen. Herstructurering en nieuwbouw zal samengaan met investeringen in duurzaamheid van woningen. De toekomstvisie geeft een mogelijk toekomstperspectief voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. In deze visie zijn 20 streefbeelden opgenomen. Voor voorgenomen ontwikkeling is vooral streefbeeld 14 van belang.
3.4.1.2 Streefbeeld 14: Kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners, maar toch betaalbaar gebleven De grotere kernen in Hof van Twente houden een belangrijke woonfunctie; de meeste mensen wonen daar. Ze hebben ook de functie om woonruimte te bieden aan mensen die uit het buitengebied komen. Als centraal gelegen kern heeft Goor het meest een stedelijk karakter. In de buurtschappen en het buitengebied wordt het wonen zorgvuldig geïntegreerd in het landschap. Vrijkomende agrarische gebouwen krijgen alleen een andere, bijvoorbeeld woonfunctie, na een zorgvuldige afweging. Structuurvisies en bestemmingsplannen zijn op deze uitgangspunten aangepast. In het buitengebied en de buurtschappen zal het wonen kleinschalig, groen en duurzaam zijn. Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. In 2030 bestaat op het
vastgesteld
17
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
gebied van de volkshuisvesting de grootste opgave uit het vervangen van in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw gebouwde wijken/woningen. Dit gaat gepaard met een verduurzaming. Tegelijk komen als gevolg hiervan ruimtes in kernen vrij die niet direct weer voor woningbouw gebruikt worden. Dit biedt stedenbouwkundig nieuwe kansen. Hier is nadrukkelijk ingespeeld op de kansen van de demografische krimp. De kwaliteit gaat in alles boven de kwantiteit in 2030. Waar vanaf 2020 in de nieuwbouw energieneutrale woningen de standaard zijn, zijn in 2030 ook enkele energiepositieve wijken ontstaan. Daarbij is een verschuiving van type wooneenheden opgetreden. Wooncomplexen met een diversiteit van wooneenheden zijn in de grotere kernen ontstaan. Combinaties met zorgaanbod passen in die opzet. De traditionele twee-onder-één kap woningen zijn geleidelijk wat teruggelopen in aandeel. Daarnaast wordt in 2030 gewerkt aan het energieneutraal maken van relatief nieuwe wijken. 3.4.1.3
Toetsing van het initiatief aan Toekomstvisie Hof van Twente "Zicht op 2030" Met de voorgenomen ontwikkeling vindt er een inbreiding plaats in de kern Delden. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en wordt vervangen door woningbouw welke passend is in de omgeving. De ontwikkeling draagt bij aan het aantrekkelijk houden van woningvoorraad in de kern Delden. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de toekomstvisie van de gemeente Hof van Twente.
3.4.2
Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat de huidige woningvoorraad optimaal benut moet worden, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. De woonvisie 2021-2025 behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn: 1. Versnelling van de woningbouwproductie. 2. Meer betaalbare woningen realiseren. 3. Passende huisvesting realiseren voor jongeren en de ouder wordende bevolking en zorgen voor meer doorstroming op de woningmarkt. 4. Energieneutraal in 2035 en de bestaande woningvoorraad verder verduurzamen. 5. Leefbaarheid en vitaliteit waarborgen in de kernen en het buitengebied. 6. Bouwen aan een inclusieve samenleving: huisvesten van mensen met een zorgvraag en zorgen voor een evenwichtige huisvesting van huishoudens binnen de gemeente en instromers van buiten. Versnellen van de woningbouw In de koopsector is er momenteel door gebrek aan aanbod nauwelijks keuze. Hof van Twente heeft vanouds een grote voorraad grondgebonden koopwoningen. Door grote vraag van binnen en buiten onze gemeente is de beschikbaarheid gering en stijgen de gemiddelde koopprijzen fors.
In de sociale huursector is er sprake van meer ontspanning. Binnen dit segment is de komende jaren vooral behoefte aan meer levensloopbestendige woningen en appartementen voor 1- en 2 persoonshuishoudens. De vrije huursector is nog erg klein in de gemeente Hof van Twente. Een deel van de behoefte aan geschikte oudere woningen zit in de vrije huursector. Tot en met 2030 is er in de gemeente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte in Hof van Twente is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag. Om daadwerkelijk versnelling van de woningbouw te realiseren zet de gemeente een
18
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
aantal stappen: 130% van de woningbehoefte programmeren. Zo wordt voorkomen dat door planuitval vertraging ontstaat in de woningbouw. Dit betekent dat de gemeente over minimaal 850 woningen in harde plannen wil beschikken. Voor de huidige harde plannen worden de mogelijkheden voor versnelling van de uitvoering bekeken. Van zachte plannen wordt beoordeeld wat de mogelijkheden zijn om deze versneld hard te maken. De processen en beleidsdoelstellingen voor woningbouwprojecten worden doorgelicht en stroomlijnen deze waar nodig. Dit zorgt voor optimale doorlooptijden. Het aanwijzen van een kwartiermaker die woningbouwversnelling gaat aanjagen. Gebruik maken van de mogelijkheden die het ministerie van BZK en de provincie Overijssel bieden voor financiële ondersteuning voor de inzet van extra capaciteit. Momenteel bestaan de kernen en het buitengebied van Hof van Twente voornamelijk uit landelijke en dorpse woonmilieus. Deze dienen vitaal en sterk gehouden te worden, maar men wil ook nieuwe kwaliteiten toevoegen zoals bijvoorbeeld met Op Stoom in Goor. Dit is in lijn met de regionale ambities om meer verstedelijking en stedelijke vernieuwing in Twente te realiseren. Per locatie bepalen we welk woonmilieu het meest passend is. Ruimtelijk wordt eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding.
Zo behoudt de gemeente niet alleen het waardevolle groen, maar zorgen ze ook voor verdichting. De juiste woningen op de juiste plek In lijn met de Regionale Woonagenda sorteert de gemeente voor op de veranderende woningvraag. Dit betekent meer ruimte bieden voor de behoeften van jongeren, starters en ouderen. Binnen het woningbouwprogramma wordt 60 tot 70% ruimte gereserveerd voor grondgebonden woningen. Dit type woning is aantrekkelijk voor een breed publiek: gezinnen, stellen maar ook ouderen kunnen met grondgebonden woonvormen bediend worden (patiowoningen, bungalows). Het streven is om circa 20 tot 30% appartementen te realiseren, waarmee de gemeente Hof van Twente inspeelt op de toename van kleine huishoudens, waaronder jongeren, empty nesters en ouderen. Hierbij wordt 10% gereserveerd voor flexibele (tijdelijke) woningen, voornamelijk in het sociale huursegment. Woningcorporaties in Hof van Twente verwachten dat de vraag naar sociale huur de komende jaren ongeveer gelijk blijft. De vraag is of dit als gevolg van Corona zo blijft. Daarom blijft de gemeente dit in overleg met de woningcorporaties nauwlettend volgen. Er is in ieder geval extra aandacht nodig voor de veranderende huishoudenssamenstelling, 1-en 2 persoonshuishoudens, en de aansluiting van de bestaande sociale huurwoningen hierop.
Samen met woningcorporaties Viverion en Wonen Delden wordt op een evenwichtige verdeling van de woningvoorraad over de huurklassen gestuurd. De gemeente steeft de doelstellingen van de Regionale Woonagenda Twente na, waarin kwaliteit en betaalbaarheid centraal staan. De gemeente wil op de volgende manieren meer betaalbare woningen realiseren: het overwegen van een gerichte inzet van de bestemmingen ‘sociale koop’ en geliberaliseerde huurwoning voor middenhuur’ in het bestemmingsplan door middel van het inzetten van een doelgroep verordening. Sturen op het woningbouwprogramma van marktpartijen, daar waar de gemeente grondeigenaar is, via anterieure overeenkomsten. Sturing op woningbouwprogramma’s van woningcorporaties door het maken van prestatieafspraken. Bij projecten waar de gemeente grondeigenaar is zorgen voor voldoende betaalbare woningen. Verkennen van mogelijkheden voor betaalbaar wonen door transformatie van leegstaand vastgoed, flexibele woningen en ruimte voor nieuwe woonvormen.
vastgesteld
19
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Het aantal 75-plussers in de gemeente gaat fors toenemen. Een groot deel van doelgroep zal, gezien de inkomenspositie, niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning, waardoor de behoefte aan woningen in de vrije sector huur en koop toeneemt. Zodoende zet de gemeente in op het realiseren van meer levensloopbestendige appartementen, patiowoningen en meergeneratiewoningen. Ook nodigen ze initiatiefnemers uit om met innovatieve, kleinschalige woonconcepten te komen (o.a. voor meerdere generaties). 3.4.2.1
Toetsing van het initiatief aan Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 Ruimtelijk wordt er vanuit de gemeente eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van inbreiding, de bestaande onbenutte functie maakt plaats voor woningbouw waar vraag naar is. De gemeente wil meer ruimte bieden voor de behoeften van jongeren, starters en ouderen. Het streven is om circa 20 tot 30% appartementen te realiseren, waarmee ze inspelen op de toename van kleine huishoudens, waaronder jongeren, empty nesters en ouderen. Daarnaast wil de gemeente meer levensloopbestendige koopappartementen, dit omdat het aantal 75-plussers in de gemeente fors gaat toenemen en een groot deel van deze doelgroep, gezien de inkomenspositie, niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoningen. De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit appartementen in de koopsector, gericht op senioren. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025.
3.4.3
Welstandsnota
3.4.3.1
Algemeen De gemeenteraad van Hof van Twente heeft voor de hele gemeente een welstandsnota vastgesteld met criteria voor de welstandstoets. Daarbij is zowel het buitengebied als de kernen ingedeeld in verschillende gebieden aan de hand van karakteristieken van de bestaande bebouwing. Per gebied zijn criteria opgesteld die door de welstandscommissie worden gebruikt bij het beoordelen van aanvragen om vergunning. Daarbij wordt onder andere gelet op de plaats, de hoofdvorm en de detaillering. Er zijn geen welstandsvrije gebieden. Naast de gebiedscriteria zijn objectgerichte criteria opgesteld die niet voor een gebied, maar voor een bouwwerk gelden. Het gaat dan om regels voor bijvoorbeeld monumenten, landgoederen en serrestallen. Onderhavig plangebied is gelegen in het welstandsgebied 'buurten'.
3.4.3.2
Buurten Kenmerken De bebouwing in de kernen bestaat voor het grootste deel uit woonbuurtjes met laagbouw. De woningen liggen veelal verscholen achter en tussen de linten. In de straten valt te zien dat de dorpen stukje bij beetje zijn gegroeid. Grofweg zijn vier stijlperiodes te onderscheiden: de vooroorlogse bouw, de jaren '50 en '60, de jaren '70 en '80, recente bouw. Beleid Door de verschillen per tijdsperiode ontstaat in de kernen een ruim aanbod aan huurwoningen en koopwoningen. Inzet van het beleid is om de rustige uitstraling die de verschillende woonbuurtjes hebben te koesteren. Criteria De Welstandsnota bevat diverse criteria met betrekking tot plaatsing, hoofdvorm, gevel, aan-, uit- en bijgebouwen en dakkapellen, detaillering en erfafscheidingen. Voor dit
20
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
deelgebied ligt de nadruk in de criteria bij de omgang met de gevel en het dak. Hierin wordt aansluiting gezocht bij de andere panden in de straat. Incidenteel afwijkende panden vormen de uitzondering op de regel. 3.4.3.3
Toetsing van het intiatief aan Welstandsnota Op dit moment is de ontwikkelaar van het toekomstige appartementencomplex nog niet bekend. De kwaliteit wordt op een later moment getoetst, bij het aanvragen van de bouwvergunning. Wel staat vast dat het appartementengebouw mogelijk wordt gemaakt op de hoek Sleutelbloem/Bernhardstraat. Hierdoor ontstaat er meer ruimte tussen de woning Bernhardstraat 27 kan kan het appartementengebouw een eigen kwaliteit krijgen. Een kwaliteit die enerzijds op zichzelf kan staan en anderzijds aansluit op de bestaande bebouwing.
vastgesteld
21
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Hoofdstuk 4
Uitvoerbaarheidsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van de verrichte onderzoeken naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2) en dient er inzicht gegeven te zijn over de uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan, onderbouwd op basis van diverse onderzoeken. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, spoortrillingen, bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheid, kabels en leidingen, bedrijven en milieuzonering, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, water, verkeer en parkeren, en het Besluit milieueffectrapportage.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
4.1.2
Situatie plangebied De beoogde woningbouw wordt op basis van Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten industrie-, railverkeers- en wegverkeerslawaai als bedoeld in de Wgh.
4.1.2.1
Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Van industrielawaai in de zin van de Wgh is geen sprake.
4.1.2.2
Railverkeerslawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de wettelijke geluidzone van een spoorlijn.
4.1.2.3
Wegverkeerslawaai Wanneer een nieuw geprojecteerde geluidsgevoelige functie binnen de geluidszonering van een weg valt, dient getoetst te worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) en de uiterste grenswaarde. Deze grenswaarde voor wegen in stedelijk gebied is 63 dB. Wegen die geen zone (artikel 74, lid 2 Wgh) hebben, en waarop de Wet geluidhinder dus niet van toepassing is, zijn: Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Het plangebied bevindt zich in de nabijheid van een aantal niet-zoneplichte 30 km/uur-wegen (Bernhardstraat,Torendijk en Wijnhuisstraat). De geluidbelastingen vanwege deze wegen hoeven formeel niet te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen van deze niet-zoneplichtige wegen beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
22
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
4.1.3
Onderzoeksresultaten akoestisch onderzoek Het uitgevoerde akoestische onderzoek naar de spoorweg en niet-zonneplichtige wegen is als bijlage 1 bijgevoegd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: Bernhardstraat De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 49 dB op de noordgevel van het gebouw. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB, zoals opgenomen in de Wet geluidhinder, marginaal overschreden en ruimschoots voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Het treffen van geluidbeperkende maatregelen stuit uit verkeerskundig, financieel en stedenbouwkundig oogpunt op overwegende bezwaren. Gezien de beperkte overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor een 30 km/uur-weg is een hogere grenswaarde op grond van Wet geluidhinder niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het advies om voor het borgen van een goed woon- en leefklimaat aan te sluiten op de binnenwaarde van 33 dB zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Hierbij wordt uitgegaan van de geluidbelasting van deze weg zonder aftrek conform artikel 110g Wgh van ten hoogste 54 dB.
4.1.4
Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreiniging te voorkomen en de goede kwaliteit van de bodem te behouden. De gemeente wil bodemaspecten tijdig meenemen in de planvorming. Bij het beoordelen van bestemmingsplannen wordt beoordeeld of de kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik.
4.2.2
Situatie plangebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage 2 opgenomen. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: Zintuiglijke waarnemingen In boringen 02, 04 en 07 zijn geroerde bodemlagen aangetroffen. Daarnaast zijn in de bovengrond van boring 07 een laag glas- en baksteenhoudend materiaal aangetroffen. De bovengrond van boring 11 is matig baksteenhoudend en bevat één baksteen. De bovengrond van boorpunt 12 is zwak bitumenhoudend. Verder zijn plaatselijk in de boven- en ondergrond van de onderzoekslocatie
vastgesteld
23
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
bijmengingen met baksteen en/of beton aangetroffen. Grond In de bovengrond van de onderzoekslocatie is een licht verhoogd gehalte som-PAK gemeten in één separaat grondmonster. In de overige grondmengmonsters van de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden aangetoond. Asbest Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. Grondwater In het ondiepe grondwater zijn geen overschrijdingen van de streefwaarden gemeten. Resumé Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. 4.2.3
Conclusie Gelet op de uitkomsten van het verkennende bodemonderzoek wordt de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het huidige gebruik en de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet Luchtkwaliteit. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De wet voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekenende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
24
vastgesteld
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.3.2
Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van de voorliggende ontwikkeling (realiseren van 12 appartementen) is het aan te merken als een project welke 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging. Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat de achtergrondconcentraties in 2020 aan fijn stof PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied respectievelijk 15,5 µg/m³, 8,5 µg/m³ en 11 µg/m³ bedraagt. De achtergrondbelastingen liggen ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 en NO2 en ruimschoots onder de grenswaarde van 20 µg/m³ voor PM2,5.
4.3.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Er wordt voldaan aan wet- en regelgeving en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
vastgesteld
25
Delden-Zuid 2015, herziening Bernhardstraat 25
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid staat verwoord in de Nota externe veiligheidsbeleid 2012 – 2015 “Veiligheid zonder absolute zekerheid”. Binnen de gemeente bevinden zich enkele risicovolle bedrijven. Naast opslag van gevaarlijke stoffen vindt vervoer daarvan plaats via weg, water, spoor en buisleidingen. Op de site www.risicokaart.nl staan de risicovolle bedrijven vermeld. Ten aanzien van nieuw vestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Kern van het te voeren beleid is dat wordt voldaan aan de minimale wettelijke eisen en verantwoord gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden. 4.4.2
Situatie plangebied Aan hand van de Signaleringskaart Externe Veiligheid is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Singaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: Ten noorden van het plangebied op circa 320 meter ligt de spoorlijn Zutphen – Hengelo waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze transportroute is onderdeel van het Basisnet. Ten zuidwesten is op circa 900 meter de inrichtingsgrens van For Farmers gelegen. Deze inrichting kent geen externe veiligheidsrisico's buiten de inrichtingsgrens. Over het spoor worden diverse gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is gelegen buiten de 200 meter waar het groepsrisico verantwoord dient te worden. In navolgende tabel is weergegeven welke stoffen er over het spoor worden vervoerd en wat de maximale effectafstand (1% overlijdenskans) is.