14. bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, herziening hoogspanning tracé Almelo - Hengelo toelichting, regels en bijlagen.pdf
Tekst van het document
Onderzoeksopzet en werkwijze
8
Datum uitvoering
6 – 9 november 2018 en mei-juli 2019
Veldteam Weersomstandigheden
P.C. Teekens (senior KNA-archeoloog), J. Kuit en H. Booij (cultuurtechniek/milieu) Zonnig, circa 12 – 18 graden Celsius
Boortype
7/10 cm Edelmanboor, zuigerboor (5 cm)
Methode conform Leidraad SIKB8 Motivatie methode
N.v.t. (verkennende boringen) Op basis van het bureauonderzoek worden diverse vindplaatstypen verwacht uit de periode (laat) paleolithicum – nieuwe tijd (veelal beginnend direct onder het maaiveld). De verwachtte resten zijn met name te verwachten op de hogere delen in het landschap (dekzandruggen- en/of – welvingen, plaggendekken). Met de gekozen methode – een verkennend booronderzoek bestaande uit
Tol e.a. 2012
Blad 12 van 25
Antea Group Archeologie 2018/179 Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 432422 17 september 2019 revisie 01 TenneT TSO B.V.
Aantal boringen
1 boring om de 50 m op het hart van het kabeltracé, is er niet primair op gericht om archeologische resten aan te treffen (hiervoor is de gehanteerde boordichtheid en -intensiteit te gering), maar is wel uitermate geschikt om 1) de bodemopbouw en 2) de bodemkwaliteit (gaafheid) te bepalen. Met deze methode kan ook goed de aan- of afwezigheid van de dekzandruggen- en/of welvingen, plaggendekken (kansrijke zones) of de lagere delen in het landschap (kansarme zones) worden bepaald. In de lagere delen van het landschap – beekdalen – kunnen losse vondsten uit met name de ijzertijd en Romeinse tijd voorkomen. Zie verder het gespecificeerd verwachtingsmodel) 55 (114 – 160, 242, 243, 150a, 151a, 152a, 153a, 154a, 155a)9
Diepte boringen
1,2 à 4,0 m - mv10
Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap
N.v.t. (de boringen zijn daar waar open ontgravingen gepland zijn op het hart van het tracé met een onderlinge afstand van 50 m gezet. Plaatselijk is de tussenafstand kleiner wanneer op korte tracédelen bij het in- en uittredepunt van een gestuurde boring een boring is gezet TopCon Hiper GPS
Wijze inmeten boringen Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering
N.v.t.
Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering
Bij akkers: redelijk (indien er geen gewas op aanwezig was) Weilanden: slecht (gras) In het geval van onbegroeide akkers is het terrein tussen de boringen systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren N.v.t.
Afwijkingen t.o.v. PvA
3.3
ASB / NEN 5104 Snijden, brokkelen, doorwoelen en visuele inspectie van de boorkernen N.v.t.
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in bijlage 3 en de situatiekaarten alsmede geomorfologische kaarten in de kaartenbijlage. Daar zijn ook kaarten t.a.v. de bodekwaliteit (gaafheid) te raadplegen.
9
Boringen 114 – 119 konden, vanwege het ontbreken van betredingstoestemming, nog niet worden gezet en dienen in een later stadium alsnog uitgevoerd te worden. Vanwege een tracéwijziging zijn boringen 141 - 144 en 150 – 160 niet meer relevant. Daarnaast zijn hierdoor 6 aanvullende boringen gezet; boringen 150a, 151a, 152a, 153a, 154a en 155a. 10 Boring 147 kon vanwege puin (puinpad) niet verder dan 0,3 m – mv worden doorgezet.
Blad 13 van 25