11. VBP Markelo, herziening Hemmelweg ong.pdf
Tekst van het document
Chemische parameters (NEN 5740) De locatie is onderzocht volgens de strategie voor een 'diffuus belaste niet lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming' (VED-HE-NL). Vanwege het gebruik als volkstuinencomplex is het analyseprogramma uitgebreid met analyses op bestrijdingsmiddelen (OCB). Omdat het grondwater zich op grotere diepte dan 5 m -mv bevindt is grondwateronderzoek buiten beschouwing gelaten. Om inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond is voor de ondergrond deze strategie gecombineerd met de strategie voor een 'onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Dat betekent dat één of meerdere boringen dieper zijn doorgezet en de ondergrond analytisch is onderzocht. Omdat te verzetten of toe te passen grond moet voldoen aan de eisen die het Ministerie stelt aan PFAS, is het laboratoriumonderzoek uitgebreid met PFAS. Asbest (NEN 5707) De locatie is conform NEN 5707 onderzocht volgens de strategie voor een 'verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld'. Het onderzoek naar asbest en chemische parameters is gecombineerd uitgevoerd. Resultaten en conclusies In onderstaande tabel zijn de resultaten van het bodemonderzoek samengevat weergegeven.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: • plaatselijk is een licht verhoogd gehalte PCB, PAK en minerale olie aangetoond welke is veroorzaakt door de bijmenging met puin en asfalt. Indicatief valt de grond in "niet toepasbaar". • de overige puinhoudende bovengrond is licht verontreinigd met PCB, PAK, zink en Drins. deze grond is geclassificeerd als "industrie". Vanwege de aanwezigheid van PFAS is de grond geclassificeerd als "industrie". • in de ondergrond geen verontreinigde stoffen zijn aangetoond. Deze grond is geclassificeerd als "altijd toepasbaar". • op het maaiveld zijn een aantal stukjes asbest aangetoond, maar in de bodem is geen asbest waargenomen. In de grond is plaatselijk een indicatief gewogen gehalte aan asbest vastgesteld (ruimschoots) onder de halve interventiewaarde (<50 mg/kg d.s.). Doordat binnen het tuinencomplex asbesthoudende platen als afscheiding zijn toegepast is asbest op en in de -6-
bodem terecht gekomen. Op het grootste deel van het terrein is asbest analytisch niet aangetoond. Er zijn geen chemische verontreinigingen aangetoond in gehalten boven de tussenwaarde. Daarnaast is geen asbest aangetoond boven de halve interventiewaarde. Het uitvoeren van een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen bouw- en eventueel graafwerkzaamheden. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 950 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. De invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal.
De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op minimaal 3,1 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Borkeld. In onderstaande figuur is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura2000-gebied Borkeld is een negatief effect uitgesloten.
-7-
Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NO x (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw. Om de emissie/depositie van NOx, als gevolg van de beoogde situatie te berekenen wordt een onderscheid gemaakt in de aanleg- en gebruiksfase. Aanlegfase Betreft de daadwerkelijke bouw van een voorliggend project zoals bouwrijp maken, aanleg van kabels etc.
Tijdens de aanlegfase kan er op twee mogelijke manieren stikstof vrijkomen: 1. Werkvoertuigen op de bouwlocatie: a. betreft het werkmateriaal dat wordt ingezet voor het bouwrijp maken (voorbereidingsfase); b. bouw van de woningen en het kantoorgebouw (realisatiefase); c. de realisatie van landschapsmaatregelen en de afwerking van het plangebied (afrondingsfase). 2. Verkeersbewegingen naar de bouwlocatie: dit betreft de verkeersbewegingen van- en naar de bouwlocatie. De calculator berekent de depositiebijdrage van het wegverkeer met een implementatie uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 tot een afstand van 5 kilometer van de weg. Bij voorliggende ontwikkeling ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied op circa 3,4 kilometer afstand van het plangebied. Verkeersbewegingen van en naar het plangebied moeten daarom worden meegenomen. De verkeersafwikkeling vindt plaats over de Hemmelweg in noordelijke richting (Nachtegaallaan en Goorseweg). Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld.
Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden. Gebruiksfase Betreft het daadwerkelijke gebruik van de voorgenomen ontwikkeling. In dit geval de bewoning van zes woningen en het gebruik van het kantoorgebouw. Ook voor de gebruiksfase kan er op twee mogelijke manieren stikstof vrijkomen: 1. Bewoning van de woningen en gebruik kantoorgebouw: in het voorliggende geval wordt er gasloos gebouwd. Daarmee zal er geen sprake zijn van de uitstoot van NOx. Er vindt geen emissie plaats als gevolg van het verwarmen, het koken en/of verwarmen van tapwater in de woningen of het kantoorgebouw. 2. Verkeersbewegingen gebruiksfase: betreft de verkeersbewegingen die de voorgenomen ontwikkeling te weeg brengt tijdens de gebruiksfase. Zoals hiervoor reeds beschreven ligt de planlocatie op circa 3,4 kilometer van een Natura 2000-gebied. Verkeersbewegingen tijdens de gebruiksfase dienen daarom in de berekening meegenomen te worden. Uitkomsten AERIUS Calculator 2019A De berekeningen zijn uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2019A. Voor de beoogde situatie is gerekend voor het rekenjaar 2020.
De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een vergunning Wet natuurbescherming. Als bijlagen bij deze rapportage behoren AERIUS projectbestanden met rekenresultaten (bronnen, rekenpunten en resultaten) van de aanleg- en gebruiksfase. -8-
Aanlegfase De totale NOx-emissie als gevolg van de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling door de inzet van werkvoertuigen en bouwverkeer naar en van het plangebied bedraagt in totaal 33,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstofemissie op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling, is volgens de AERIUS Calculator 2019A nergens hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Gebruiksfase De totale NOx-emissie als gevolg van de bewoning (verkeersgeneratie) bedraagt in totaal 2,4 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstofemissie (NOx) op Natura 2000gebieden, als gevolg van de gebruiksfase van de voorgenomen activiteit, is volgens de AERIUS Calculator 2019A nergens hoger dan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Soortenbescherming Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 12 grondgebonden woningen aan de zuidoostrand van de kern Markelo mogelijk. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een volkstuinencomplex en zal bouwrijp moeten worden gemaakt. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Derhalve is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.
De resultaten zijn in een quickscan natuurwaarden verwerkt (projectnummer 2517, versie 1.0, d.d. 4 mei 2020). Het plangebied is op 7 april 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holten, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd3. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemeneen weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er verschillende vogelsoorten. Van de in het plangebied nestelende vogels, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
-9-
Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende vogels, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vleermuizen niet aangetast. Het aspect 'ecologie' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Externe veiligheid Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 975 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtsbijzijnde risicobron is gelegen op crica 975 meter van het plangebied en betreft een aardgasleiding (NEN6650-leiding) van de Gasunie (N-557-57) met een werkdruk van 40,00 bar. De 100% letaliteitsgrens is gelegen op 50 meter en de 1% letaliteitsgrens is gelegen op 70 meter.
Gelet op de afstand van het plangebied tot aan de dichtsbijzijnde risicobron geldt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen aan de Voordesdijk 2 te Markelo. De afstand van het plangebied tot aan het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bedraagt circa 660 meter. Gelet op de onderlinge afstand van het plangebied tot aan het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf kan geconcludeerd worden dat het aspect 'geur' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd.
Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de - 10 -
wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van 12 woningen. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.700 m2 en is gelegen aan de zuidoostelijke rand van de kern Markelo. Het plangebied is gelegen in een intrekgebied voor waterwinning. In het plangebied en de nabije omgeving is geen sprake van wateroverlast. Op voorhand wordt gesteld dat er voldoende mogelijkheden zijn voor de infiltratie van hemelwater dat op het dak van de nieuwe woningen neerkomt. Het hemelwater zal gescheiden worden van het huishoudelijk afvalwater. Huishoudelijk afvalwater Voor de inzameling en het transport van het huishoudelijk afvalwater wordt een vuilwaterriool aangelegd. Gezien de hoogteligging van het plangebied is het de verwachting dat het vuilwaterriool onder vrijverval op de bestaande gemengde riolering in de Kuperskamp worden aangesloten. Hemelwater Waterafvoer niet naar bestaand bebouwd gebied, maar naar buitenrand.
Om problemen tijdens extreme neerslag in de bestaande wijk te voorkomen (dit vanwege de hoogte ligging van het plangebied), adviseer de afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied richting de es aan de oostzijde van het plangebied te projecteren. Het bestaande systeem van watergangen moet hier waarschijnlijk voor aangepast worden. Bij het ontwerpen van de hemelwatervoorzieningen en het bijbehorende stelsel van watergangen moet rekening worden gehouden met bergings- en afvoereisen van Waterschap Rijn en IJssel. Voor de Hemmelweg wordt geadviseerd geen hemelwaterriool aan te leggen. Hemelwater bovengronds via goten naar wadi’s afvoeren. De afvoer van stresstestbuien moet via de groenstrook in het midden van het plan naar de watergang aan de achterzijde van het plan afgevoerd worden. Grondwater Gezien de huidige hogere ligging van het plangebied verwacht ik in eerste instantie geen problemen met structurele grondwateroverlast. Geohydrologisch onderzoek moet uitsluitsel geven over de bodemopbouw en optreden grondwaterstanden. Conclusie In deze aanmeldingsnotitie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse.
Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen of een zeer beperkt effect optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Wij vertrouwen erop u hiermee van dienst te zijn geweest. Hoogachtend,
Ad Fontem BV, T. Boswerger
- 11 -
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Bijlage 2 Bodemonderzoek
60
vastgesteld