11. VBP Markelo, herziening Hemmelweg ong.pdf
Tekst van het document
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals hierboven zijn beschreven, kan worden gesteld dat voorliggend plan voor de realisatie van één woning 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Tevens kan de realisatie van woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7
Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren dan ook beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's. Europa Kaderrichtlijn Water (KRW).
Nationaal Nationaal Waterplan 2016-2021 (NW); Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
28
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Deltaprogramma; Waterwet. Provinciaal Omgevingsvisie Overijssel; Omgevingsverordening Overijssel. Regionaal / lokaal Waterbeheerplan Rijn en IJssel 2016-2021. Gemeentelijk Rioleringsplan Hof van Twente 2017 - 2020 De opdracht is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoonwater ook relatief schoon blijft. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. Het waterschap Rijn en IJssel is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied.
Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afvalwater en regenwater en voor de aanpak van grondwaterproblemen. Het geldende beleid voor wettelijke zorgplichten ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater is beschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan Hof van Twente 2017 – 2020 (hierna: GRP). Het beleid uit het GRP is gefundeerd op landelijke en regionale wet- en regelgeving en in het verleden gemaakte afspraken. Voor meer informatie over de beleidsuitgangspunten wordt verwezen naar het GRP en de visies, beleidsplannen, afspraken en wetten waar in het GRP naar verwezen wordt. De voor woningbouwlocaties relevante zaken worden in onderstaande passages toegelicht. Watertoetsproces Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van 12 woningen. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.700 m2 en is gelegen aan de zuidoostelijke rand van de kern Markelo. Het plangebied is gelegen in een intrekgebied voor waterwinning. In het plangebied en de nabije omgeving is geen sprake van wateroverlast.
Op voorhand wordt gesteld dat er voldoende mogelijkheden zijn voor de infiltratie van hemelwater dat op het dak van de nieuwe woningen neerkomt. Het hemelwater zal gescheiden worden van het huishoudelijk afvalwater. In onderstaande tabel wordt de watertoets van het waterschap Rijn en IJssel weergegeven.
vastgesteld
29
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Figuur 4.3: Watertoetstabel Conclusie Als gevolg van de ingevulde watertoetstabel is het plan voor een uitgebreide watertoets voorgelegd aan het waterschap. Waterhuishoudingsplan
30
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
De gemeente Hof van Twente heeft een waterhuishoudingsplan opgesteld waarin wordt aangegeven hoe er in het nieuwe plan wordt omgegaan met afvalwater, hemelwater en grondwater. Het waterhuishoudingsplan is aan het waterschap voorgelegd en het waterschap heeft in december 2021 aangegeven in te stemmen met het waterhuishoudingsplan. Het waterhuishoudingsplan is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'water' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.8
Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen
vastgesteld
31
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
weergegeven. Toets
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl). Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van 975 meter van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen. De dichtsbijzijnde risicobron is gelegen op crica 975 meter van het plangebied en betreft een aardgasleiding (NEN6650-leiding) van de Gasunie (N-557-57) met een werkdruk van 40,00 bar. De 100% letaliteitsgrens is gelegen op 50 meter en de 1% letaliteitsgrens is gelegen op 70 meter. Gelet op de afstand van het plangebied tot aan de dichtsbijzijnde risicobron geldt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.9
Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van 12 grondgebonden woningen aan de zuidoostrand van de kern Markelo mogelijk. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een volkstuinencomplex en zal bouwrijp moeten worden gemaakt. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming
32
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
op voorhand niet uitgesloten worden. Derhalve is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. De resultaten zijn in een quickscan natuurwaarden verwerkt (projectnummer 2517, versie 1.0, d.d. 4 mei 2020). De quickscan natuurwaarden is als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Hieronder worden de resultaten van de quickscan natuurwaarden weergegeven. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 950 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. In figuur 4.4 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 4.4: Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (bron: Atlas van Overijssel) De invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op minimaal 3,1 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Borkeld. In figuur 4.5 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied weergegeven.
vastgesteld
33
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Figuur 4.5: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: Atlas van Overijssel) De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura2000-gebied Borkeld is een negatief effect uitgesloten. Stikstofdepositie Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000–gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond.
Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog. De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Op 13 januari 2022 wordt de huidige AERIUS Calculator geactualiseerd. De belangrijkste verandering is de 'afkapgrens' van 25 km voor stikstofdepositie bij alle projecten. De aanleiding voor de
34
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
nieuwe kapgrens is het eindrapport van het adviescollege 'Meten en berekenen Stikstof' (ook wel de 'Commissie Hordijk') en de uitspraak van de Raad van State over de A15 (begin 2021). Eventuele deposities voorbij deze afkapgrens worden niet in beeld gebracht. De nieuwe afkapgrens van 25 km zal vooral voor grotere projecten consequenties hebben. Hoewel in de AERIUS 2020 ook een afkapgrens was opgenomen, gold deze slechts voor wegverkeer en was de afstand veel korter (5 km). Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector.
Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering werkt de stikstofwet verder uit, waaronder de bouwvrijstelling. De vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. Dat betekent bijvoorbeeld dat nog steeds een natuurvergunning nodig kan zijn voor de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door het verkeer op een aan te leggen weg. Het rekeninstrument AERIUS Calculator berekent zowel de stikstof- als ammoniakdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Met het rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof/ammoniak en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof en ammoniak. Op basis van Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering geldt er een vrijstelling voor de bouw-, aanleg- en sloopactiveiten van nieuwe projecten. Voor de gebruiksfase geldt geen vrijstelling. Tijdens de gebruiksfase kan er op verschillende manier stikstof vrijkomen: 1. Gebruik van het gebouw: in het voorliggend geval worden de woningen niet aangesloten op het gasnetwerk, waardoor geen sprake zal zijn van een uitstoot van NOx . Er zal geen emissie plaatsvinden als gevolg van het verwarmen, het koken en/of verwarmen van tapwater in de woning.
Dit onderdeel kan dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten. 2. Verkeersbewegingen gebruiksfase: dit betreft de verkeersbewegingen van- en naar de woningen. Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. In Bijlage 5 is de stikstofberekening als gevolg van de gebruiksfase (verkeer van- en naar de woningen) opgenomen. Hieronder worden de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven. Gebruiksfase Aangezien er gasloos wordt gebouwd, zijn voor de gebruiksfase alleen de verkeersbewegingen relevant. Dit betreft de verkeersgeneratie die de beoogde ontwikkeling te weeg brengt. Als uitgangspunt zijn de kengetallen van CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte,
vastgesteld
35
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
aangehouden. Het plangebied kent een niet stedelijkheidsgraad (< 500 adressen per km) en is gelegen in het gebiedstype rest bebouwde kom. Er worden 12 woningen gebouwd, waarvan 8 rijwoningen en 4 twee-onder-een kapwoningen. Uitgaande van het worst-case scenario wordt voor de verkeersbewegingen uitgegaan van de maximale verkeersgeneratie op grond van de CROW-normen. De maximale verkeersgeneratie van een twee-onder-een kapwoning bedraagt 8,2 verkeersbewegingen per dag. Dit komt neer op in totaal 32 verkeersbewegingen voor twee-onder-een kapwoningen. De maximale verkeersgeneratie van een tussenwoning (rijtjeswoning) bedraagt 7,5 verkeersbewegingen per dag. Dit komt neer op in totaal 60 verkeersbewegingen voor de rijtjeswoningen. In totaal komt dit neer op een totale verkeersgeneratie van afgerond 93 verkeersbewegingen. De totale NOx -emissie in de gebruiksfase van de beoogde woningen bedraagt in totaal <0,1 ton/j. De totale NH3-emissie <0,1 ton/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De totale stikstof- en ammoniak emissie op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de gebruiksfase van de voorgenomen activiteit, is volgens de AERIUS Calculator 2021 nergens hoger dan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Conclusie Als gevolg van de realisatie en het gebruik van twaalf woningen binnen het plangebied komt er zowel NOx als NH3 vrij.
Door uitvoering van onderhavig AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx en NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2021 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen. De Wet natuurbescherming vormt voor het aspect stikstof/ammoniak geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Soortenbescherming Het plangebied is op 7 april 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holten, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'.
Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden', en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. In hoofdstuk 5.5 van de quickscan natuurwaarden uit Bijlage 4 zijn de wettelijke consequenties van de beoogde ingreep op beschermde flora- en fauna weergegeven.
36
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Op basis van de quickscan gelden de volgende conclusies: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en nestelen er verschillende vogelsoorten. Van de in het plangebied nestelende vogels, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die vaste verblijfen/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden' en het 'beschadigen en vernielen van vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats'. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende vogels, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vleermuizen niet aangetast. Het aspect 'ecologie' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie De gemeenteraad van Hof van Twente heeft beleid voor archeologie vastgesteld. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente staan archeologische rijksmonumenten en de kans op archeologische vondsten vermeld. Per gebied zijn criteria opgesteld wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op de verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Tevens ligt het in
vastgesteld
37
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
een zone met een historisch element (erf) met een hoge verwachting. Vanwege de ligging in meerdere gebieden geldt de hoogste eis als leidraad. Dat betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Derhalve is door Hamaland advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd (EKU/DIR/HAMA/192581, d.d. 18 februari 2020). Het door Hamaland Advies uitgevoerde onderzoek bestaat uit een KNA conform bureauonderzoek (protocol BRL SIKB 4002) dat aangevuld is met een verkennend en karterend booronderzoek (protocol BRL SIKB 4003). Het archeologisch onderzoek is als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. De resultaten worden hieronder weergegeven. Toets Het bureauonderzoek toont aan dat er zich mogelijk archeologische vindplaatsen uit alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd in het plangebied zouden kunnen bevinden. Het plangebied ligt op een gordeldekzandrug was door geschikt als nederzettingslocatie en foerageergebied voor jagers en verzamelaars en later als nederzettingslocatie voor landbouwende samenlevingen. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van een historisch erf uit de Late Middeleeuwen. De agrarische bewerking van het gebied hebben waarschijnlijk voor een bodemverstoring gezorgd van 30-50 cm-mv.
Onbekend is echter tot hoe diep de bodem daadwerkelijk is verstoord. Het verwachte dekzand van de Formatie van Boxtel met het Laagpakket van Wierden is in alle boringen aangetroffen. Deze C-horizont wordt afgedekt door een moderne bouwvoor en in boring 2 ook door een geroerde laag (Ap1 en Ap2). Deze Ap-horizonten hebben een minimale diepte van 35 cm-mv en een maximale diepte van 70 cm-mv. In alle boringen is de C-horizont vermengd met de bovenliggende horizonten door ploegen, graven en andere grondbewerking gerelateerd aan de functie van het plangebied als moestuin. In boringen 1 en 3 zijn menglagen aanwezig waarbij de C-horizont is vermengd met de resten van de podzol B-horizont (B/C-horizont). Deze laag heeft een diepte van minimaal 55 cm-mv en maximaal 70 cm-mv. In boring 2 is een menglaag aanwezig waarbij de C-horizont is vermengd met de restanten van een eerdlaag (A/C-horizont). Deze laag heeft een diepte van 65 cm-mv tot 85 cm-mv. In boringen 4 en 5 zijn menglagen aanwezig welke bestaan uit een opgebracht pakket waarin de oorspronkelijke eerdlaag, de oorspronkelijke podzol B-horizont en de top van het dekzand met elkaar vermengd zijn geraakt (A/B/C-horizont). Deze laag heeft een dikte van minimaal 15 cm en maximaal 25 cm. Selectieadvies Binnen het plangebied is geen intact bodemprofiel aangetroffen. De C-horizont is afgetopt en vermengd met de bovenliggende lagen.
De oorspronkelijke podzolbodem is mogelijk bewust verspit om de afwatering van het perceel te kunnen bevorderen. Daarnaast reikt de diepte van de geplande bodemverstoring (80 cm-mv) grotendeels in de reeds verstoorde lagen. Om deze redenen is de kans dat met de geplande werkzaamheden archeologische vindplaatsen worden verstoord nihil. Wij achten vervolgonderzoek derhalve niet noodzakelijk. Hierbij moet de opmerking worden geplaatst dat de gebruikte onderzoeksmethode niet erg geschikt is voor het opsporen van kleinschalige steentijdvindplaatsen. Advies regioarcheoloog Het advies van de regioarcheoloog is opgenomen als Bijlage 7. Hieronder wordt het resultaat van de toetsing van het archeologisch onderzoek weergegeven. Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor de periode laat-paleolithicum – nieuwe tijd. Het plangebied ligt op een gordeldekzandrug, met een esdek. Dergelijke gebieden zijn in alle perioden aantrekkelijk geweest voor gebruik en bewoning. Het plangebied is in historische tijden niet bebouwd geweest. Op grond van de uitkomsten van het bureauonderzoek is een
38
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Er zijn vijf boringen gezet. Geen van de boringen heeft een intact bodemprofiel. Het advies van Hamaland Advies wordt overgenomen. Het plangebied wordt, op archeologische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden onverwachts toch archeologische waarden worden aangetroffen geldt, op grond van de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5.11, een meldingsplicht bij de minister. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.
4.11
Verkeer / parkeren Het plangebied wordt via de straten Beusbergen, Kuperskamp en Weverskamp ontsloten. Voor de kern Markelo geldt de stedelijkheidsgraad weinig stedelijk. Aangezien het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom geldt dat het plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom. In de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (december 2018) zijn parkeerkencijfers en kencijfers voor de verkeersgeneratie opgenomen. Op grond van de CROW-publicatie geldt voor twee-onder-een-kapwoningen een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning. De totale verkeersgeneratie van de twee-onder-een-kapwoningen bedraagt (4 * 8,2) 32,8 verkeersbewegingen. Voor aaneengebouwde woningen geldt een gemiddelde verkeresgeneratie van 7,4 verkeersbewegingen per woning. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de aaneengebouwde woningen bedraagt derhalve (8 * 7,4) 59,2 verkeersbewegingen. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van 12 woningen bedraagt 92 verkeersbewegingen per dag. Het plan wordt aan twee zijden ontsloten via de bestaande woonwijk met een 30 km/h-regime. De betreffende straten zijn daar ook op ingericht en voorzien van trottoirs voor voetgangers. De verkeersbewegingen kunnen, gelet op de functie en inrichting van de bestaande wegen, eenvoudig via deze wegen worden afgewikkeld.
Het aspect 'verkeer'vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten aanzien van de parkeerbehoefte geldt op grond van de CROW-publicatie voor twee-onder-een-kapwoningen een gemiddelde parkeerbehoefte van 2,2 parkeerplaatsen per woning. De totale parkeerbehoefte van de twee-onder-een-kapwoningen bedraagt afgerond 9 parkeerplaatsen. Voor de aaneengebouwde woningen geldt een gemiddelde parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. De totale parkeerbehoefte van een aaneengebouwde
vastgesteld
39
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
woningen bedraagt 16 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte van het plan bedraagt 25 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig plan is ruimte gereserveerd voor de realisatie van 20 openbare parkeerplaatsen ten behoeve van de aaneengebouwde woningen. Voor de twee-onder-een-kapwoningen geldt dat de parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden opgevangen. Derhalve geldt dat het plan voorziet in de realisatie van voldoende parkeerplaatsen. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
40
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het wijzigingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de
vastgesteld
41
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;
42
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Enkelbestemmingen Groen (artikel 3) De (openbare) groene elementen binnen het plangebied zijn bestemd als 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor gorenvoorzieningen, water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater met daaraan ondergeschikt voet- en fietspaden, toegangspaden en inrriten naar omliggende bestemmingen, speelvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, verblijfsdoeleinden, dagrecreatief medegebruik en parkeervoorzieningen. Binnen deze bestemming kunnen voet- en fietspaden, speelvoorzieningen en waterpartijen worden gerealiseerd. Woongebied - 1 (artikel 4) De bestemming 'Woongebied - 1' is bedoeld als eindbestemming voor nieuwbouwlocaties in het dorp Markelo en geldt derhalve voor onderhavig plangebied. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfast-voorziening. De woningen dienen twee aaneen en/of aaneen gebouwd te worden, waarbij het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het ter plaatse aangegeven aantal.
De maximale goot- en bouwhoogte is middels een bouwaanduiding vastgelegd op de verbeelding. Ook bevatten de bouwregels een regeling die het mogelijk maakt om eventueel een erker bij een gebouw te realiseren.
vastgesteld
43
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het plangebied is in eigendom van de gemeente Hof van Twente en wordt door de gemeente ontwikkeld. De gemeente heeft een exploitatieopzet gemaakt en voldoende middelen gereserveerd om tot uitvoering over te gaan. Op basis van een voorlopige exploitatieopzet voor dit plan kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is. De definitieve exploitatieopzet zal na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan op basis van een voorlopig ontwerp aan de gemeenteraad worden voorgelegd.
44
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Hoofdstuk 7 7.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de opzet van het plan. Waterschap Rijn en IJssel In december 2021 heeft het waterschap Rijn en IJssel aangegeven te kunnen instemmen met de waterparagraaf.
7.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 9 juli 2020 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn 15 zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen zijn beantwoord in de zienswijzennotitie en is opgenomen in Bijlage 8 bij de toelichting.
vastgesteld
45
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
46
vastgesteld
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Bijlagen bij de toelichting
vastgesteld
47
Markelo, herziening Hemmelweg ong.
Bijlage 1 Aanmeldnotitie m.e.r
48
vastgesteld
Aan: Gemeente Hof van Twente t.a.v. dhr. K. Klieverik Postbus 54 7470 AB Goor Borne, 19 juni 2020 Ons kenmerk: 20AF025 Bijlagen: Geen
Betreft:
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Hemmelweg Markelo
Geachte heer Klieverik, Zoals bij u bekend zijn wij bezig met het opstellen van een bestemmingsplan voor de realisatie van twaalf woningen aan de Hemmelweg te Markelo. Het plan kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer dient in dat geval een m.e.r-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegd gezag (college) voorafgaand aan het ontwerpbesluit inzake de voornoemde omgevingsvergunning. Het college van burgemeester en wethouders neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van deze besluitvorming is voorliggende aanmeldingsnotitie opgesteld. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r.
is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Onderhavig plan, kan worden gekwalificeerd als de aanleg of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Ad Fontem Juridisch Bouwadvies BV Stationsstraat 37 7622 LW Borne T 074 255 70 20 IBAN NL92RABO 0331 6534 27 BIC RABONL2U KvK Veluwe-Twente 08140851 Btw nr. NL 8151.28.939.B01 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
Onderhavig plan heeft betrekking op de realisatie van twaalf woningen. De omvang van het plan blijft hiermee ver onder de indicatieve drempelwaarden waardoor in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden volstaan. In deze vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden beoordeeld of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: • de kenmerken van het project; • de plaats waar de activiteit plaatsvindt; • de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het betreffende project De gemeente Hof van Twente is voornemens om het volkstuinencomplex te herontwikkelen ten behoeve van de realisatie van 12 grondgebonden woningen. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden er 8 rijwoningen gerealiseerd (twee blokken van vier aaneengebouwde woningen) en vier twee-onder-één-kappers. Het plangebied wordt ontsloten via de straten Beusbergen, Kuperskamp en de Weverskamp en er worden 20 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. In onderstaande figuur is de stedenbouwkundige schets weergegeven.
Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Hemmelweg/De Hulpe in het zuidoosten van de kern Markelo. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Markelo, sectie Q, nummer 1483. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.700 m2 waarvan circa 4.000 m2 in gebruik is als volkstuin. Kenmerken van de potentiële effecten Voor wat betreft de potentiele milieueffecten van de planontwikkeling zijn de volgende aspecten van belang/relevant. Verkeerseffecten en luchtkwaliteit -2-
Het plangebied wordt via de straten Beusbergen en de Hemmelweg/Weverskamp ontsloten. Voor de kern Markelo geldt de stedelijkheidsgraad weinig stedelijk. Aangezien het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom geldt dat het plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom. In de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' (december 2018) zijn parkeerkencijfers en kencijfers voor de verkeersgeneratie opgenomen. Op grond van de CROW-publicatie geldt voor twee-onder-een-kapwoningen een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per woning. De totale verkeersgeneratie van de twee-onder-eenkapwoningen bedraagt (4 * 8,2) 32,8 verkeersbewegingen. Voor aaneengebouwde woningen geldt een gemiddelde verkeresgeneratie van 7,4 verkeersbewegingen per woning. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de aaneengebouwde woningen bedraagt derhalve (8 * 7,4) 59,2 verkeersbewegingen. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de realisatie van 12 woningen bedraagt 92 verkeersbewegingen per dag. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 184 verkeersbewegingen (verdubbeling) per dag gesteld worden. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0% gezet kan worden. In onderstaande figuur is de berekening weergegeven.
-3-
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Tevens kan de realisatie van 12 woningen niet aangemerkt worden als de realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen de zone van een Rijks- of provinciale weg. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Archeologie De gemeenteraad van Hof van Twente heeft beleid voor archeologie vastgesteld. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente staan archeologische rijksmonumenten en de kans op archeologische vondsten vermeld. Per gebied zijn criteria opgesteld wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Op de verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Tevens ligt het in een zone met een historisch element (erf) met een hoge verwachting. Vanwege de ligging in meerdere gebieden geldt de hoogste eis als leidraad.
Dat betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Derhalve is door Hamaland advies een archeologisch onderzoek uitgevoerd (EKU/DIR/HAMA/192581, d.d. 18 februari 2020). Het door Hamaland Advies uitgevoerde onderzoek bestaat uit een KNA conform bureauonderzoek (protocol BRL SIKB 4002) dat aangevuld is met een verkennend en karterend booronderzoek (protocol BRL SIKB 4003). Het bureauonderzoek toont aan dat er zich mogelijk archeologische vindplaatsen uit alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd in het plangebied zouden kunnen bevinden. Het plangebied ligt op een gordeldekzandrug was door geschikt als nederzettingslocatie en foerageergebied voor jagers en verzamelaars en later als nederzettingslocatie voor landbouwende samenlevingen. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van een historisch erf uit de Late Middeleeuwen. De agrarische bewerking van het gebied hebben waarschijnlijk voor een bodemverstoring gezorgd van 30-50 cm-mv. Onbekend is echter tot hoe diep de bodem daadwerkelijk is verstoord. Het verwachte dekzand van de Formatie van Boxtel met het Laagpakket van Wierden is in alle boringen aangetroffen. Deze C-horizont wordt afgedekt door een moderne bouwvoor en in boring 2 ook door een geroerde laag (Ap1 en Ap2).
Deze Ap-horizonten hebben een minimale diepte van 35 cm-mv en een maximale diepte van 70 cm-mv. In alle boringen is de C-horizont vermengd met de bovenliggende horizonten door ploegen, graven en andere grondbewerking gerelateerd aan de functie van het plangebied als moestuin. In boringen 1 en 3 zijn menglagen aanwezig waarbij de C-horizont is vermengd met de resten van de podzol B-horizont (B/C-horizont). Deze laag heeft een diepte van minimaal 55 cm-mv en maximaal 70 cm-mv. In boring 2 is een menglaag aanwezig waarbij de Chorizont is vermengd met de restanten van een eerdlaag (A/C-horizont). Deze laag heeft een diepte van 65 cm-mv tot 85 cm-mv. In boringen 4 en 5 zijn menglagen aanwezig welke bestaan uit een opgebracht pakket waarin de oorspronkelijke eerdlaag, de oorspronkelijke podzol B-horizont en de top van het dekzand met elkaar vermengd zijn geraakt (A/B/C-horizont). Deze laag heeft een dikte van minimaal 15 cm en maximaal 25 cm. Selectieadvies Binnen het plangebied is geen intact bodemprofiel aangetroffen. De C-horizont is afgetopt en vermengd met de bovenliggende lagen. De oorspronkelijke podzolbodem is mogelijk bewust verspit om de afwatering van het perceel te kunnen bevorderen. Daarnaast reikt de diepte van de geplande bodemverstoring (80 cm-mv) grotendeels in de reeds verstoorde lagen.
Om deze redenen is de kans dat met de geplande werkzaamheden archeologische vindplaatsen worden verstoord nihil. Wij achten vervolgonderzoek derhalve niet noodzakelijk. Hierbij moet de opmerking worden geplaatst dat de gebruikte onderzoeksmethode niet erg geschikt is voor het opsporen van kleinschalige steentijdvindplaatsen. Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor de periode laat-paleolithicum – nieuwe tijd. Het plangebied ligt op een gordeldekzandrug, met een esdek. -4-
Dergelijke gebieden zijn in alle perioden aantrekkelijk geweest voor gebruik en bewoning. Het plangebied is in historische tijden niet bebouwd geweest. Op grond van de uitkomsten van het bureauonderzoek is een verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. Er zijn vijf boringen gezet. Geen van de boringen heeft een intact bodemprofiel. Het advies van Hamaland Advies wordt overgenomen. Het plangebied wordt, op archeologische gronden, vrijgegeven. Het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden onverwachts toch archeologische waarden worden aangetroffen geldt, op grond van de Erfgoedwet, art. 5.10 en 5.11, een meldingsplicht bij de minister. Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'archeologie' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Geluid Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: • in stedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; • in buitenstedelijk gebied: o voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; o voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; o voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.
Deze zonering geldt niet: • voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; • voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; • wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Markelo. Het plangebied wordt via de straten Beusbergen en Hemmelweg/Weverskamp ontsloten. De straten Beusbergen en Hemmelweg/Weverskamp zijn gelegen in een zone waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km per uur. Daarnaast bedraagt de afstand van het plangebied tot aan de dichtstbijzijnde weg waarvoor een maximumsnelheid geldt van 50 km per uur (Prinses Beatrixstraat) circa 320 meter. Derhalve geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen een geluidszone langs een weg. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect 'geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.
Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Ortageo Noordoost B.V. een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd op de locatie Hemmelweg in Markelo. het doel van het bodemonderzoek is om de bepalen of de actuele bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. -5-