11. Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden_Toelichting.pdf
Tekst van het document
vermelde functies behoren respectievelijk milieucategorie 3.1 (verkoop) en 3.2 (reparatie), met richtafstanden van respectievelijk 50 meter en 100 meter. Het bedrijf bevindt zich op circa 200 meter afstand van het plangebied, waardoor uitgaande van de worst-case situatie eveneens ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Daarnaast worden functies in de omgeving niet belemmert in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. 5.5.4
Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
5.6
Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet Natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet Natuurbescherming.
5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1
Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op een ruime afstand (circa 9,3 kilometer) van het plangebied. In afbeelding 5.2 is dit weergegeven.
vastgesteld
51
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
Afbeelding 5.2: Natura 2000-gebied (Bron: Provincie Overijssel) Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Veel Natura2000-gebieden gebieden zijn kwetsbaar voor stikstofdepositie; stikstofdepositie vormt een bedreiging voor verschillende Habitattypen en de leefomgeving van verschillende Habitatsoorten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient tevens te worden gekeken naar stikstofuitstoot tijdens de gebruiksfase. Gelet op het beperkte aantal woningen en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden is het uitvoeren van een aerius-berekening niet noodzakelijk.
Negatieve effecten kunnen namelijk gelet op het vorenstaande worden uitgesloten. 5.6.1.2
Natuur Netwerk Nederland Natuur Netwerk Nederland (NNN) vormt de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt buiten het NNN, zie afbeelding 4.2 en 5.3.
Afbeelding 5.3: Nederlands Natuurnetwerk (Bron: Provincie Overijssel) Gezien de bestaande bedrijfsfunctie van het plangebied en de bestaande bebouwing ter plaatse, in verhouding tot de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat als gevolg van het voornemen geen verdere aantasting plaatsvindt van de eventueel nog aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
52
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
5.6.2
Soortenbescherming Quickscan natuurwaarden Door Natuurbank Overijssel is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (zie bijlage 4 bij deze toelichting). In onderstaande tekst worden de resultaten kort beschreven, Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied als een weinig geschikt functioneel leefgebied voor zeldzame- en kritische (grondgebonden)diersoorten en als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd. De wettelijke consequenties (soortenbescherming) van de voorgenomen activiteiten kunnen op basis van het uitgevoerde onderzoek echter niet volledig in beeld gebracht worden. Indien bebouwing gesloopt gaat worden, is mogelijk nader onderzoek naar de functie en betekenis van de bebouwing voor vleermuizen vereist. Met name de voormalige maalderij lijkt geschikt, maar wordt vooralsnog behouden. In de regels van dit bestemmingsplan is een bepaling opgenomen waarin is geregeld dat gebouwen slechts gesloopt mogen worden indien redelijkerwijs vaststaat dat vleermuizen het gebouw niet benutten danwel een ontheffing en de nodige mitigerende maatregelen zijn getroffen. Uit het onderzoek is duidelijk geworden dat er vogels in het plangebied nestelen en dat rekening gehouden moet worden met bezette vogelnesten tijdens de uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
Voor de aanwezige amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Vleermuizenonderzoek Door Natuurbank Overijssel is een vleermuizenonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5 bij deze toelichting). In onderstaande tekst worden de resultaten kort beschreven. Uit het onderzoek is gebleken dat de gewone dwergvleermuis een kraamkolonie bezet in één van de te slopen gebouwen (voormalige maalderij) en dat de laatvlieger een zomerverblijfplaats in hetzelfde gebouw bezet. Om het gebouw te mogen slopen dient een ontheffing aangevraagd te worden.
5.6.3
Conclusie Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het NNN en Natura 2000-gebied. Ten aanzien van de soortenbescherming wordt geconcludeerd dat nader onderzoek ten aanzien van vleermuizen mogelijk noodzakelijk kan zijn, afhankelijk van welk gebouw gesloopt wordt. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het slopen dient, indien het verblijf van vleermuizen niet uitgesloten kan worden, een nader onderzoek te worden bijgevoegd en eventueel verplichte vervolgstappen te worden genomen, waaronder wordt verstaan het treffen van mitigerende maatregelen en het verkrijgen van een ontheffing.
vastgesteld
53
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1
Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.7.1.2
Situatie plangebied Het plangebied beschikt hoofdzakelijk over de dubbelbestemming “Archeologische verwachting 2” en voor een minimaal deel de dubbelbestemming “Archeologische verwachting 1”. Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart heeft het gehele plangebied een 'middelhoge verwachting'. Een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart wordt weergegeven op afbeelding 5.4.
Afbeelding 5.4: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: gemeente Hof van Twente) Op basis van bovenstaande kaart en de dubbelbestemming “Archeologische verwachting 2” geldt dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m2 archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ter plaatse van de dubbelbestemming “Archeologische verwachting 1” is dit het geval bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m². In voorliggend geval is een archeologisch onderzoek vereist, gezien de omvang van het plangebied (circa 7.800 m²). Laagland Archeologie heeft, ter plaatse van het plangebied en een zone van 500 meter rondom het plangebied, dan ook een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie het rapport in bijlage 6 van deze toelichting. In onderstaande tekst worden de resultaten van de onderzoeken kort beschreven. Resultaten onderzoeken Het plangebied ligt in een zone met een gordeldekzandrug op grondmorenewelvingen en in een zone met haarpodzolgronden. Ter plaatse van het plangebied en onderzoeksgebied zijn geen bekende archeologische waarden geregistreerd. In de directe omgeving van het onderzoeksgebied bevinden zich een grafveld uit de Ijzertijd en een havezate uit de Nieuwe tijd. Op basis van het bureauonderzoek worden resten verwacht uit de periode Neolithicum – Nieuwe tijd.
Verspreid over de toegankelijke delen van het plangebied zijn verkennende boringen
54
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
gezet en op kansrijke locaties is direct opgeschaald naar karterend booronderzoek. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem op veel plekken tot in de C-horizont is verstoord. Op twee plaatsen is nog een intacte B-horizont aangetroffen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans dat het gebied nog archeologische resten met een intacte archeologische context bevat wordt laag geacht. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren. De regio-archeoloog heeft betreffend advies overgenomen. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1
Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
5.7.2.2
Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan is de fabrieksbebouwing wel als uitgangspunt genomen, waarbij (vooralsnog) gedeeltelijk sprake zal zijn van behoud en omvorming ten behoeve van de woonfunctie. Voor meer informatie wordt verwezen naar het stedenbouwkundig plan opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting.
5.7.3
Conclusie Het uitvoeren van een archeologisch vervolgonderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Tevens worden als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden geraakt die een belemmering vormen voor de uitvoering van het gewenste plan.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: 1. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; 2. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan/wijzigingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). 3. Een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan/wijzigingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er
vastgesteld
55
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordlingsplichtig. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan/wijzigingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1
Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 9,3 kilometer afstand van het plangebied. Onder meer vanwege de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied (zie ook paragraaf 5.6.1.1 van deze toelichting). Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
5.8.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden (een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen)
56
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
kan worden geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Zo omvatten het plangebied en de hierbinnen te realiseren bebouwing - in verhouding tot de bestaande bebouwing - een beperkte oppervlakte, terwijl pas bij een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk dat dit plan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r. procedure noodzakelijk maken. 5.8.3
Conclusie Voorliggend plan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het plan.
vastgesteld
57
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
6.1.2
Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Nationale Omgevingsvisie (2021), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).
6.1.3
Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
6.1.4
Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Vechtstromen, Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Rijn en IJssel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Dit plan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak we deze willen bereiken. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Rijn en IJssel en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen.
58
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met onze partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. 6.1.5
Waterplan Hof van Twente Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort. Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.
Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen moet een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid,
vastgesteld
59
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces Het Waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de 'normale procedure' van de watertoets moet worden doorlopen (zie bijlage 7 bij deze toelichting). Vanwege deze procedure is contact opgenomen met het waterschap. Het waterschap heeft in het kader van voorliggend project advies uitgebracht. Dit wordt hieronder kort beschreven. Afvalwater De (concept) stedenbouwkundige schets aan voor de Langenhorsterweg 6 in Ambt Delden geeft de transitie weer van een fabrieksterrein naar een woongebied. In totaal gaat het om 17 woningen. Op basis van een gemiddelde woonbezetting van circa 3 personen wordt uitgegaan van een totale woonbezetting van circa 50 personen. De maximale afvalwaterproductie bedraagt ongeveer 0,5 m3/uur. Het afvalwater wordt, gescheiden van hemelwater, aangesloten op het gemengde stelsel of de drukriolering in de Schoolstraat (één en ander nog nader te onderzoeken); het afvalwater wordt via het rioolgemaal Schoolstraat uiteindelijk naar het rioolgemaal Welbergsweg richting RWZI 't Sumpel te Almelo afgevoerd. De bestaande riolering kan deze beperkte toename eenvoudig verwerken. Hemelwater De bergingsopgave vanuit het 'Aansluitprotocol hemelwater' bedraagt minimaal 20 mm met een overloopvoorziening naar de openbare ruimte.
Het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied (in openbaar als particulier terrein) bedraagt circa 2.280 m2. Hiermee is de totale bergingsopgave in het plangebied bijna 46 m3. Uit het wateradvies van het waterschap aan de gemeente blijkt dat er kan worden afgekoppeld op bestaande waterlopen. Een aanvullende voorziening, bijvoorbeeld in de vorm van een wadi, is niet noodzakelijk. Als gevolg van de klimaatverandering nemen extreme neerslaggebeurtenissen. Om schade aan gebouwen te voorkomen worden ontwikkelingen getoetst aan zogenaamde stresstest. Voor dit plan houdt dat in dat een bui van 70 mm (in 1 uur) geen schade mag veroorzaken. Bij de inrichting van het plangebied moeten de drempels van de woningen daarom minimaal 0,30 m boven straatpeil aangelegd worden. Op deze wijze ontstaat er bij een extreme bui geen overlast of waterschade in de woningen. Grondwater De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) in plangebied wordt ingeschat op ongeveer NAP+11,30 meter. Het maaiveld verloopt vanaf de Langenhorsterweg van circa NAP+13,90 meter naar circa NAP+13,40 meter aan de Schoolstraat. De ontwateringsdiepte varieert tussen 2,1 m en 2,6 m. In de toekomstige situatie zal door infiltratie van hemelwater en door de klimaatontwikkeling de GHG enigszins stijgen. Gelet op de huidige GHG zal naar verwachting deze verhoging niet leiden grondwateroverlast.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.
60
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planopzet
Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
7.2
Opbouw van de regels
7.2.1
Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Dit bestemmingplan is opgesteld conform de normen van de SVBP 2012 (Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012). De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidende regels
7.2.2.1
Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
7.2.2.2
Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt de digitale verbeelding.
vastgesteld
61
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
7.2.3
Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a: Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Afwijken van de bouwregels: Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: Omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.
7.2.4
Algemene regels Anti-dubbeltelregel (Artikel 6): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels (Artikel 7): Dit artikel bevat diverse regels omtrent bestaande maatvoering, dakhelling van gebouwen, situering van woningen, herbouw of nieuwbouw van gebouwen in geval van calamiteit en situering van bijgebouwen en paardenbakken. Algemene gebruiksregels (Artikel 8): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Algemene aanduidingsregels (Artikel 9): in de algemene aanduidingsregels zijn zones aangegeven waarvoor bijzondere regels gelden. Deze zones zijn weergegeven op de verbeelding. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene wijzigingsregels (Artikel 11): In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan op ondergeschikte punten te wijzigen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene procedureregels (Artikel 12): In deze regels zijn algemene procedurele eisen opgenomen om de uitvoerbaarheid van de in dit plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid te waarborgen. Overige regels (Artikel 13): Dit artikel omvat enkele aanvullende regels met betrekking tot het parkeren en het laden en lossen van goederen.
7.2.5
Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels (Artik el 14 en Artikel 15). In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
62
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
7.3
Bestemmingen Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouwen gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Woongebied' De voor 'Woongebied aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, waarbij inwoning is toegestaan. Ter plaatse van de aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden' zijn het aantal aangegeven woningen toegestaan (in totaal 17). Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan.
Daarnaast zijn ter plaatse onder meer aan huis verbonden beroepen en een bed & breakfast toegestaan, evenals de bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, tuinen en erven. Woningen moeten voldoen aan bepaalde kenmerken met betrekking tot de maatvoering (goot- en bouwhoogte en inhoud), waarbij voor de woningen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' andere kenmerken gelden dan de overige woningen. Bijgebouwen moeten eveneens voldoen aan bepaalde kenmerken, zo mag de afstand tot het hoofdgebouw maximaal 25 meter bedragen en mogen woningen over maximaal 150 m² aan bijgebouwen beschikken. Voor woningen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' geldt dat de oppervlakte per woning maximaal 75 m² zijn. De goothoogte van bijgebouwen is maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter. Voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn twee verschillende hoogtes opgenomen (afhankelijke van de situering van de erf- en terreinafscheidingen ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw. De woningen ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' mogen ieder over 1 balkon beschikken, hiervoor zijn eveneens een maximale breedte en diepte maten opgenomen.
'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' Gronden waar een archeologische waarde in een dubbelbestemming is opgenomen zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ter bescherming van deze gronden zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
vastgesteld
63
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
64
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden
Hoofdstuk 9
Vooroverleg en inspraak
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
9.1.2
Provincie Overijssel Het plan is in het kader van vooroverleg naar de provincie Overijssel gestuurd. De provincie heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de inhoud van voorliggend plan.
9.1.3
Waterschap Vechtstromen Het plan is in het kader van vooroverleg naar waterschap Vechstromengestuurd. Het waterschap heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de inhoud van voorliggend plan.
9.2
Inspraak In voorliggend geval wordt geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.
9.3
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen.
vastgesteld
65
Opdrachtgever Gemeente Hof van Twente Projectleider Plannaam Buitengebied Hof van Twente, herziening Langenhorsterweg 6 Ambt Delden Opgesteld door Adres Gemeente Hof van Twente De Höfte 7 7471DK Goor www.hofvantwente.nl