08. Toelichting en regels bestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.
4.2
Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en
30
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets en conclusie In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied', aangezien het plangebied in het buitengebied gelegen is. Het plangebied is gelegen aan de Deldensestraat 158-160 in Goor (buitengebied), waardoor de richtafstanden van de 1e kolom uit figuur 4.1 dienen te worden gebruikt. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woonfuncties aanwezig en een agrarische bestemming (Deldensestraat 115 aanwezig waar zowel een grondgebonden agrarisch bedrijf als niet-grondgebonden agrarisch bedrijf kan vestigen. Voor wat betreft agrarische functies moeten voor het aspect 'Geur' niet de richtafstanden van de VNG-uitgave te worden gehanteerd, maar de wettelijke afstanden vanuit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Of hieraan voldaan kan worden, wordt in paragraaf 4.3 nader op ingegaan. Zoals reeds hiervoor beschreven dient bij de realisatie van nieuwe een nieuwe bestemming gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemming gerealiseerd wordt gerealiseerd. Daarbij spelen twee vragen een rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In het voorliggende geval wordt er één nieuwe woning gerealiseerd. De hierbij behorende functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving, waardoor geen
vastgesteld
31
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
sprake is van het aantasten van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving, en omgekeerd of bestaande functies in de omgeving door de ontwikkeling worden belemmerd in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Nabij het plangebied bevinden zich, zoals vermeld, voornamelijk woonfuncties en een agrarische bestemming met bouwblok waar zowel een niet-grondgebonden als een grondgebonden agrarisch bedrijf zich kan vestigen. De woonfuncties zijn geen milieubelastende functies, waardoor een toesting achterwege kan blijven. Voor de agrarische bestemming met bouwblok geldt voor het aspect 'Geur' de wettelijke afstanden. Zoals reeds aangegeven worden deze in de navolgende paragraaf (4.3) behandeld. Voor de overige aspecten (stof, geluid, gevaar) kunnen de richtafstanden van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' worden gehanteerd. Aan de Deldensestraat 115 ligt een agrarisch bedrijf dat zich bezig houdt met het fokken van melk en rundvee.
Derhalve wordt in de VNG uitgave uitgegaan van 'fokken en houden van rundvee (SBI-2008 0147)', waarbij de volgende richtafstanden gelden: Stof 30 meter Geluid 30 meter Gevaar 0 meter De afstand tussen de bestemmingsgrens van de agrarische bestemming met bouwblok en het plangebied bedraagt circa 140 meter. Gelet op dat alle drie geadviseerde richtafstanden ruimschoots worden behaald, kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van de beoogde woning voor zover het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect 'Milieuzonering' worden dan ook geen belemmeringen verwacht voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.3
Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
Toets en conclusie In de nabije omgeving is een agrarische bestemming met een agrarisch bouwblok gelegen. Het is niet bekend welke soort agrarisch bedrijf hier gevestigd is. Op basis van de Wgv dient er ten minste 50 meter te bestaan tussen een agrarische functie en een
32
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
geurgevoelig object, indien het laastgenoemde buiten de bebouwde kom is gelegen. Daar is sprake van, aangezien in onderhavig geval het plangebied in het buitengebied is gelegen. De onderlinge afstand tussen de toekomstige geurgevoelige objecten (woningen) en de agrarische functies bedraagt circa 140 meter. Aangezien deze afstand bijna drie keer groter is dan de wettelijke afstand, wordt er voldaan aan de Wgv. Vanuit het aspect 'Geur' zijn er dan ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.4
Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets en conclusie Het voornemen is om op het bestaande erf aan de Deldensestraat 158-160 in Goor een schuurwoning te bouwen. Omdat er een nieuwe verblijfsfunctie worden opgericht en niet bekend is of de gronden daartoe geschikt zijn, is een bodemonderzoek noodzakelijk om de milieu-hygiënische bodemkwaliteit te onderzoeken.
Op 20 december 2021 heeft Kruse Milieu BV een verkennend (asbest)bodem onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. De conclusies worden hieronder besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 2. Resultaten veldwerk In totaal zijn er 6 inspectiegaten gegraven, waarvan 2 boringen zijn doorgeboord tot grondwaterstand. Eén diepe boring is afgewerkt met een peilbuis. Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn roest- en oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn bodemvreemde materialen waargenomen (puin). Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 0.95 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: de bovengrond (BG I) is niet verontreinigd; de ondergrond (OG I) is niet verontreinigd; het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium en koper en matig verontreinigd met nikkel; het mengmonster MM FF - 01 bevat asbest, maar het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek.
Hypothese De hypothese "onverdachte locatie" dient formeel gezien te worden verworpen, aangezien er een overschrijding van de streef- en tussenwaarden zijn aangetoond.
vastgesteld
33
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
De hypothese "asbestverdachte locatie" kan worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond. Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1) zijn lichte en een matige veronteiniging aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 in het bodemonderzoek opgenomen in Bijlage 2 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. In de bovengrond (BG I) en in de ondergrond (OG I) zijn geen verontreinigingen gemeten. Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel. Omdat de onderzoekslocatie niet verdacht is voor nikkel en in de vaste bodem geen verontreinigingen met nikkel is aangetoond, wordt het matig verhoogde nikkelgehalte, met instemming van de gemeente Hof van Twente, beschouwd als een plaatselijk verhoogde achtergrondwaarde. Aanvullend of nader grondwateronderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 01 bevat asbest, maar het gewogen asbestgehalte is lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Slotconclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en het nieuwbouwplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
Vanuit het aspect 'Bodem' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.
4.5
Geluid In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets en conclusie Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wgh bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet:
34
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied is gelegen aan de Deldensestraat in Goor. Deze weg betreft een weg met twee rijstroken gelegen in buitenstedelijk gebied, waar een maximumsnelheidsregime van 50 km/u geldt. Op basis van de Wgh is er langs deze weg een geluidszone aanwezig die aan weerszijde een breedte heeft van 250 meter. Aangezien het plangebied binnen deze geluidszone valt, is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Op 3 december 2021 heeft Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai verricht. Dit onderzoek is als Bijlage 3 opgenomen bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan. Uit het onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de relevante wegen niet wordt overschreden. De hoogste geluidbelasting bedraagt 44 dB, inclusief de wettelijke dB aftrek ten gevolge van zowel de Rondweg (N346) als de Deldensestraat. Daarmee voldoen de geluidbelastingen niet aan de ambitiewaarde uit het geluidbeleid maar wel ruimschoots aan de plafondwaarde.
Uit de berekening van de gecumuleerde geluidbelasting blijkt dat de 53 dB om te voldoen aan het minimale binnenniveau uit het Bouwbesluit niet wordt overschreden. Extra geluidwerende voorzieningen zijn niet noodzakelijk. Railverkeerslawaai Ten zuiden van het plangebied is een spoorweg gelegen. De onderlinge afstand bedraagt circa 480 meter, gemeten vanuit het midden van de spoorweg tot aan het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van deze spoorweg. Derhalve is een onderzoek naar railverkeerslawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig, waarvoor richtafstanden gelden. Voor wat betreft milieuzonering is in paragraaf 4.2 aangetoond dat de geadviseerde richtafstanden ruimschoots worden behaald en ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve is een onderzoek naar industrielawaai niet noodzakelijk. Vanuit het aspect 'Geluid' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.
4.6
Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere
vastgesteld
35
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Toets en conclusie Voorliggend plan maakt de realisatie van één nieuwe woning mogelijk. Het plangebied is gelegen aan een enkele ontsluitingsweg. Dit betekent dat projecten/plannen die maximaal 1500 nieuwe woningen realiseren aangemerkt worden tot projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Aangezien in onderhavig geval het gaat om slechts één woning, kan worden geconcludeerd dat onderhavig plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Omdat de grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland afkomstig is van het wegverkeer, is door middel van de NIBM-Tool tevens een worst-case berekening gemaakt om te laten zien dat de bijdrage aan de luchtverontreiniging door de extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning niet in betekenende mate is. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de woning op maximaal 8,6 verkeersbewegingen per dag gesteld worden. Dit is de maximale dagelijke verkeersgeneratie bij een vrijstaande woning gelegen in het buitengebied. Er zal geen sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op nihil gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 8,6 extra voertuigbewegingen.
De conclusie van de berekening is dat de extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning aan te merken is als niet in betekenende mate.
36
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer als gevolg van de nieuwe woning (bron: infomil.nl).
4.7
Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen
vastgesteld
37
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Toets en conclusie
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart Nederland). Uit de inventarisatievan de risicokaart zoals weergegeven in figuur 4.3 blijkt dat er in de omgeving van plangebied een aantal risicobronnen zijn gelegen: Een tankstation (Shell) aan de Enterseweg 10 in Goor. De onderlinge afstand tussen dit tankstation en het plangebied bedraagt circa 1.400 meter. Een pluimveeslachterij (Plukon BV) aan De Spechthorst, Breukersweg 10 in Goor. De onderlinge afstand tussen dit bedrijf en het plangebied bedraagt circa 1.500 meter. Een bedrijf dat gespecialiseerd is in het adviseren en verkopen van gewasbeschermingsmiddelen, zaaizaden, meststoffen en andere benodigdheden. De onderlinge afstand tussen dit bedrijf en het plangebied bedraagt circa 1.210 meter.
38
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Zoals te zien is valt het plangebied buiten de invloedssferen van de genoemede risicobronnen. Gelet op dat het plangebied zich op een ruim grote afstand bevindt van de genoemde risicobronnen, wordt geacht dat er vanuit deze risicobronnen geen gevaren kunnen ontstaan plangebied. Verder bevindt het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid. Vanuit het aspect 'Externe veiligheid' worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
4.8
Water Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.
De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; de waterkwaliteit die onder druk staat: de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen.
vastgesteld
39
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Waterbeheerplan 2016-2021 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem. Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater.
Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Watertoetsproces Op 15-11-2021 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage 2. Door de beantwoording van de vragen is naar voren gekomen dat de normale waterprocedure doorlopen dient te worden. Dit houdt in dat er bij een verdere planvorming een advies van het waterschap Vechtstromen moet worden verkregen. Het waterschap Vechtstromen heeft aangegeven dat deze waterparagraaf aan de hand van de uitgangspuntennotitie van waterschap Vechtstromen, die als leidraad dient bij het doorlopen van het watertoetsproces, nader te worden uitgewerkt op de van toepassing zijnde thema's. Dit omdat bij het uitvoeren van de watertoets de kaarten met normering van gewijzigd en huidig klimaat zijn geraakt.
Dit betekent dat bij het huidige en gewijzigde klimaat het huidige maaiveldniveau onder water kan komen te staan. Het perceel zal voldoende moeten worden opgehoogd om deze wateroverlast te voorkomen. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de woning 30 cm boven straatpeil aan te brengen en een drooglegging van groter dan 80 cm boven GHG (Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand) aan te houden. Verder zal er een waterberging van 55 mm/m2 verhard oppervlak moeten worden aangelegd in de vorm van een wadi of retentievijver of andere vorm van waterberging met vertraagde afvoer naar oppervlaktewater (perceelssloot of bermsloot. Het afvalwater kan aangesloten worden op het aanwezige drukriool. Aandachtpunt hierbij is nadere afstemming met de gemeente of aansluiting op het aanwezige lozingspunt (pompput drukriool) qua capaciteit mogelijk is. Wateroverlast Het vloerpeil van de woning wordt 30 cm boven het straatpeil aangebracht en er wordt een doorlegging van groter dan 80 cm boven GHG aangehouden. Verwerking hemelwater
40
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Er wordt een wadi aangelegd met een overloop op de bestaande sloot ter plaatse van het plangebied. Riolering Voor het lozen van afvalwater zal worden aangesloten op het hogedruk riool van de gemeente Hof van Twente. Hiervoor heeft er afstemming met de gemeente plaatsgevonden.
4.9
Ecologie Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toets en conclusie Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een Quick Scan natuurwaarden die is uitgevoerd door Natuurbank Overijssel. De Quick Scan is opgenomen als Bijlage 4 in het voorliggende bestemmingsplan. Hieronder worden de conclusies besproken. Voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 4. De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.
Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied.
Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Beschermde grondgebonden zoogdieren en vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied meer gebruiken het wel als foerageergebied. Beschermde amfibieënsoorten bezetten geen (winter)rustplaats in het plangebied en gebruiken het ook niet als foerageergebied.
vastgesteld
41
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de solitaire loofboom verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan, mits er een broedvogelscan wordt uitgevoerd indien de sloop- en bouwwerkzaamheden c.q. verwijdering van beplanting tijdens de voortplantingsperiode plaatsvinden.
4.10
Archeologie en Cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Volgens het geldende bestemmingsplan kent het plangebied voor een groot deel de dubbelbesteming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en voor een klein deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op deze gronden zijn geen nieuwe gebouwen toegestaan en bestaande legale gebouwen mogen niet worden vergroot. Hiervan kan worden afgeweken middels een omgevingsvergunning. Een omgevingsvergunning is niet nodig wanneer het plangebied niet groter is dan 5.000 m² (verwachting 2) / 10 ha (verwachting 3) of de bodemingrepen niet dieper gaan dan 40 cm beneden het maaiveld. Ook is een omgevingsvergunning niet nodig indien met een archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse van de gronden geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn of waneer het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut. Toets en conclusie
42
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
In onderhavig geval bedraagt de oppervlakte van het plangebied circa 750 m². Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er geen omgevingsvergunning nodig is. Een archeologisch onderzoek is tevens niet nodig. Vanuit het aspect 'Archeologie' worden dan ook geen belemmeringen verwacht. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Toets en conclusie Er zijn binnen het plangebied geen benoemenswaardige cultuurhistorische waarden. Vanuit het aspect 'Cultuurhistorie' zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
4.11
Verkeer / parkeren Het plangebied wordt ontsloten via de Deldensestraat. Deze weg kent twee rijstroken, heeft een maximumsnelheidsregime van 50 km/u en is gelegen in buitenstedelijk gebied. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie als gevolg van het gebruik van de nieuwe woning, wordt gebruik gemaakt van de 381e CROW publicatie waarin landelijke kengetallen instaan die bij ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan gebruikt kunnen worden. Het plangebied is gelegen in het buitengebied en kent een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied met een niet-stedelijk stedelijkheidsgraad geldt een maximale dagelijkse verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen. Geacht wordt dat de huidige infrastructuur deze verkeersbewegingen eenvoudig kan opvangen. Het aspect 'Verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Het parkeren zal, net als in de huidige situatie, plaatsvinden op eigen terrein. Op basis van de 381e CROW uitgave bedraagt de parkeernorm voor een vrijstaande woning minimaal 2 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in parkeerplaatsen voor de nieuwe woning te voorzien. Geacht wordt hiermee dat het aspect 'Parkeren' geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
vastgesteld
43
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan
44
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene procedureregels: Hier staan algemene procedureregels waarin eisen zijn geformuleerd voor het waarborgen van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan; Regels in verband met vrijkomende agrarische bebouwing: Hier staan regels geformuleerd met betrekking tot vrijkomende agrarische bebouwing; Strekking algemene regels: De toepasselijkheid van de algemene regels. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend.
vastgesteld
45
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Bestemmingen Wonen Deze bestemming is opgenomen om de nieuwe woning aan de Deldensestraat 158-160 in Goor mogelijk te maken. De regels van deze bestemming zijn conform de bepalingen van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019' opgenomen. Op basis van de rood voor rood regeling van de gemeente Hof van Twente mag op de compensatiekavel een woning met een inhoud van ten hoogste 750 m³ gebouwd worden. Bij de woning is een bijgebouw van ten hoogste 150 m² toegelaten. Verder geldt dat de woning landschappelijk moet worden ingepast. Voor het borgen van de landschappelijke inpassing is een erfinrichtingsplan opgesteld. Bij de regels van het voorliggende bestemmingsplan is derhalve een voorwaardelijke verplichting opgenomen teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing van de woning.
46
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
vastgesteld
47
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Hoofdstuk 7 7.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in juli 2016 een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. Het plan valt onder categorie B onder 1 waardoor vooroverleg niet nodig is. Waterschap Vechtstromen Op 07-12-2021 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is er voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 12 januari 2022 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.
48
vastgesteld
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Bijlage bij de toelichting
vastgesteld
49
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Bijlage 1 Landschappelijke inpassing
50
vastgesteld
Deldensestraat 158-160
Bebouwing a=
Bestaande woning
b=
Nieuw te bouwen woning
c=
Bestaande bijgebouwen
d=
Verharding
Maatregelen Boerenhaag 1,2-1,5 meter hoogte, soort beuk (Fagus sylvatica) of meidoorn (Crataegus monogyna), maat 60 - 100 cm, 5 stuks / m1 in twee rijen, lengte 70 meter, totale aanplant 350 stuks Aanplant bomen met beuk (Fagus sylvatica), maatvoering 14 16 cm, 4 stuks aanplant Aanplant solitaire boom met de soort kastanje (Aesculus hippocastanum) of linde (Tilia cordata), maatvoering 10-12 Aanplant boom- en struikvormers met de soorten haagbeuk (Carpinus betules), zomereik (Quercus robur), lijsterbes (Sorbus aucuparia), sleedoorn (Prunus spinosa) en Gelderse roos (Vibernum opulus) in driehoeksverband, maatvoering 80-100, ca 15 stuks aanplant Door de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen is er sprake van waarneembare verschillen in het landschap. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes. Afhankelijk van het agrarisch ge}bruik door de mens is de door abiotische factoren gevormde bodem veranderd. In het plangebied komt de Laarpodzolgrond voor. Het bodemtype geeft inzicht in de chemische omstan}digheden welke sturend is voor de keuze van het plantmateriaal. Beplanting die namelijk van nature op deze bodemtypen groeit, heeft namelijk veel minder last van ziektes en plagen.
Ze zijn sterker omdat de bodemomstandigheden optimaal zijn voor de soorten. Ook binden inheemse plantensoorten meer insecten, schimmels en mossen aan zich. Op een beekeerdgrond groeit o.a. de winter- & zomereik, beuk, zwarte els (nattere gronden) van nature. Deze soorten, met name de soorten die reeds aanwezig zijn, zullen worden gebruikt in het ontwerp.
Bestaande bomen (soorten beuk, haagbeuk, eik en walnoot) en hagen (beuk), dienen tijdens de bouwwerkzaamheden te worden beschermd Aanplant ondergroei van struikvormers in 2 rijen met de soorten lijsterbes (Sorbus aucuparia), sleedoorn (Prunus spinosa) en Gelderse roos (Vibernum opulus) in driehoeksverband, maatvoering 80-100, plantverband 1.5 x 1.5 m, ca 67 stuks aanplant
Landschap op locatie
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het toevoegen van een woning in het kader van de Rood voor Rood regeling van de gemeente Hof van Twente waarbij elders voormalige agrarische bebouwing is gesloopt. Het plangebied is gelegen aan de Deldensestraat, omgeven door een landschap met grillige vormen in een kleinschalig landschap. Het erf is reeds terug te vinden op kaarten uit 1850 en 1900 (zie afbeelding links) waarbij de bebouwing georiënteerd is op de noordelijk gelegen doorgaande weg tussen Goor en Delden. Het erf ligt in een landschap met verspreide liggende erven behorende bij de ontgininingen in het gebied Gijminkshoek. De erven in het 'oude hoevenlandschap' werden ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze op hoger gelegen gronden in het landschap die individueel werden ontgonnen. Deze kleine schaal van ontginning leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Een samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en - voormalige - heidevelden met lijnen in het landschap, geaccentueerd met begroeiing, die die de 'organische' vormen volgen. De landschapselementen volgen deze lijnen in het landschap.
Door andere landbouwmethoden, prikkeldraad, ruilverkaveling en het gebruik van kunstmest zijn veel van deze houtwallen en bosschages verdwenen. De nieuwe woning zal qua hiërarchie op het erf ondergeschikt worden aan het hoofdgebouw aan de noordzijde van het erf. De woning heeft een opzichzelf staande kavel maar heeft een ruimtelijke relatie met de overige bebouwing. Erfbeplanting is streekeigen, inheems, versterkt het karakter van het erf en sluit aan op bestaande landschapselementen. Op het erf worden diverse beplantingsmaatregelen getroffen om de nieuwe situatie in te passen, passend in het oude hoevenlandschap. De perceelsgrenzen zijn grotendeels reeds voorzien van houtsingels en worden versterkt. Diverse solitaire bomen en heesters markeren het erf en benadrukken het kleinschalige karakter. De nieuwe aanplant sluit aan op de reeds gemaakte plannen van het westelijk naastgelegen perceel en de onlangs aangeplante bomen door initiatiefnemer. Een hagenstructuur wordt aangebracht als markering van de kavelgrenzen en draagt bij aan de herkenbaarheid van het erf.
Buitengebied Hof van Twente, herziening Deldensestraat 158-160 Goor
Bijlage 2 Verkennend (asbest)bodem onderzoek
52
vastgesteld
RAPPORT VERKENNEND (ASBEST)BODEMONDERZOEK conform NEN5740 en NEN5707 Deldensestraat 158 - Goor
Opdrachtgever Ad Fontem
Locatie: Deldensestraat 158 7471 KZ Goor
December 2021
Kruse Milieu BV Adres: Huyerenseweg 33 7678 SC Geesteren
Internet: info@krusegroep.nl www.krusegroep.nl
Tel: 0546 - 63 96 63 KvK: 06068751 BTW-nr: NL 8019.25.125.B01
Bankgegevens: ABN AMRO: NL34ABNA0501538739
Rapport Verkennend (asbest)Bodemonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 Deldensestraat 158 - Goor
Opdrachtgever Ad Fontem Stationsstraat 37 7622 LW Borne
Locatie: Deldensestraat 158 7471 KZ Goor
Projectcode: 21071116
Rapportagedatum: 20 december 2021
Auteur: Mevr. ing. H. Stevelink
Kruse Milieu BV
INHOUD Pagina 1
Inleiding
1
2
Locatiegegevens Beschrijving huidige situatie Vooronderzoek Bodemsamenstelling en geohydrologie
2 2 2 3
3
Uitvoering bodemonderzoek Onderzoeksstrategie Veldwerkzaamheden Analyses Toetsing chemische analyses Toetsing asbestanalyses
4 4 5 5 6 7
4
Resultaten Algemeen Veldwerkzaamheden Resultaten en toetsing van de chemische analyses Bespreking resultaten chemische analyses Resultaten asbestanalyses Bespreking resultaten asbestanalyses
8 8 8 10 10 11 11
5
Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
12
6
Literatuur en bronvermelding
14
Bijlagen I Regionale ligging locatie Ontgravingstekening Deldensestraat 160 te Goor BUSmelding, oktober 2012 Ontgravingstekening Deldensestraat 160 te Goor SWECO, november 2020 Boorplan verkennend bodemonderzoek Kruse Milieu BV, december 2021 II Boorstaten Legenda boorstaten III Resultaten chemische analyses Toetsing chemische analyses IV Resultaten asbestanalyses V Informatie gemeente Hof van Twente VI Verklaring van enkele gebruikte termen en afkortingen
Kruse Milieu BV
Project: 210071116
1
Inleiding
Dit rapport beschrijft het verkennend (asbest)bodemonderzoek, dat in opdracht van Ad Fontem op een terreindeel aan de Deldensestraat 158 in Goor door Kruse Milieu BV is uitgevoerd. De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijzing en de geplande nieuwbouw van een woning. Het bodemonderzoek is noodzakelijk in het kader van de bestemingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning. Hiervoor dient de milieukundige kwaliteit van de bodem bekend te zijn. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de bovengrond van de onderzoekslocatie wordt beschouwd als verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De onderzoekslocatie wordt beschouwd als onverdacht voor chemische componenten. De onderzoeksopzet gaat uit van: - NEN5725, Bodem.
Leidraad bij het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek”, NNI Delft, oktober 2017; - NEN5740, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” NNI Delft, januari 2009; - de aanvulling NEN5740/A1, "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”, NNI Delft, februari 2016; - NEN5707 + C2, “Bodem - Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond”, NNI Delft, december 2017. De doelstelling van het onderzoek op een onverdachte locatie is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater. De doelstelling van het onderzoek op een asbestverdachte locatie is vast te stellen of de vooronderstelde verontreinigingskern ook daadwerkelijk op de vermoede plaats aanwezig is en in hoeverre de verontreinigde stoffen in de grond de normwaarden overschrijden. Het veldwerk is uitgevoerd in december 2021 conform BRL SIKB 2000 en de protocollen 2001, 2002 en 2018, waarvoor Kruse Milieu BV is gecertificeerd. Hierbij wordt verklaard dat Kruse Milieu BV financieel en juridisch onafhankelijk is van de opdrachtgever.