08 TAM-omgevingsplan Kanaalweg 2 Markelo Bijlage - Quickscan natuurwaarden.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Kanaalweg 2 Markelo
Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
0
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Kanaalweg 2 Markelo Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 5-7 Lichtenvoorde 7131 PZ
BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever: N+L Landschapsvormgevers Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 7451 versie 1.0 Ligging plangebied: Kanaalweg 2 Markelo Auteur: Ing. P.Leemeise
Status: Definitief Rapportdatum: 1-12-2025 Veldwerk uitgevoerd door: J. van Middelkoop
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
1
Inhoudsopgave Samenvatting .................................................................................................................................................. 3 HOOFDSTUK 1
INLEIDING ............................................................................................................................... 4
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 5
2.1 Situering ................................................................................................................................................ 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 5 HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 7
3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................ 8 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders .................................................................................................................. 9
4.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 9 4.2 Omgevingswet; Natura 2000................................................................................................................. 9 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................... 9 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 10 4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ............................................................. 12 HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING............................................................................................................ 13
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 13 5.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 13 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 14 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 16 HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING .......................................................................................................... 17
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 17 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 17 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 19 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 23 6.5 Historische gegevens en overige bronnen .......................................................................................... 27 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 27 HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES .......................................................................................................................... 27
2
SAMENVATTING Er zijn plannen voor de bouw van een nieuw landhuis met bijgebouw en een tweede bijgebouw ten behoeve van een bestaande woning op een erf aan de Kanaalweg 22 te Markelo. Ook wordt een vijver gegraven en een erftoegangsweg gerealiseerd. Om het zicht op het nieuwe landhuis, vanaf de entree van het erf te versterken wordt een deel van de aanwezige opgaande houtige beplanting geveld. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast door middel van de aanplant van nieuwe beplating. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 21 maart 2025 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: Het plangebied bestaat bebouwing, oud loofbos, struweel en extensief beheerd grasland en ligt in een oud agrarisch cultuurlandschap. De inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in de buurt van leefgebied van verschillende beschermde diersoorten, maakt het plangebied tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Het merendeel van de beschermde soorten staat op de lijst van Nationaal beschermde soorten met vrijstelling in verband met een ruimtelijke ontwikkeling. Voor deze soorten geldt een minder streng juridische kader. Mits deze dieren niet opzettelijk gedood worden, geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats. Deze vrijstelling geldt in Overijssel niet voor steenmarter, hazelworm, wezel en egel. Voor de in het gebied nestelende vogels geldt dat de bezette nesten niet beschadigd of vernield mogen worden. Geadviseerd wordt de beplanting te verwijderen buiten de voortplantingsperiode. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de wettelijke consequenties niet volledig vastgesteld worden. Er dient daarom nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de betekenis van het plangebied voor hazelworm, egel en wezel of er dient direct een Omgevingsvergunning aangevraagd te worden.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor egel, wezel en hazelworm (of directe Omgevingsvergunning aanvragen); • Beplanting verwijderen en graafwerkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);
3
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn plannen voor de bouw van een nieuw landhuis met bijgebouw en een tweede bijgebouw ten behoeve van een bestaande woning op een erf aan de Kanaalweg 22 te Markelo. Ook wordt een vijver gegraven en een erftoegangsweg gerealiseerd. Om het zicht op het nieuwe landhuis, vanaf de entree van het erf te versterken wordt een deel van de aanwezige opgaande houtige beplanting geveld. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast door middel van de aanplant van nieuwe beplating. Omdat een negatief effect op beschermde flora- en faunasoorten en natuurgebied niet op voorhand volledig kan worden uitgesloten, is Natuurbank Overijssel gevraagd de consequenties van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten en gebieden in beeld te brengen en te toetsen aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten )Omgevingswet). In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
4
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Kanaalweg 2 te Markelo. Het ligt in het buitengebied, iets ten zuidoosten van de woonkern Goor. Op de onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een woonerf met parkachtige tuin. Op het erf staan een vrijstaande woning en schuur. Het erf grenst aan de westzijde aan bos en wordt aan de overige zijden begrensd door opgaande bomen en struiken. Een deel van het plangebied bestaat uit extensief beheerd grasland en een deel bestaat uit een verruigd grasland met pitrus. Verspreid in het plangebied staan solitaire loofbomen, maar een deel bestaat uit aaneengesloten houtige beplanting, bestaande uit bomen, struiken en ruigtevegetatie in de vorm van braamstruweel. De schuur heeft bakstenen buitengevels, zonder luchtspouw, en is voorzien van een met dakpannen gedekt zadeldak. Het gebouw beschikt deels over dakisolatie. In het bos ligt een kleine vijver. Hieronder wordt het plangebied weergegeven op de luchtfoto.
5
Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijn (bron: topotijdreis.nl).
6
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een nieuw landhuis met bijgebouw te realiseren en een nieuwe schuur te bouwen. Om het landhuis te ontsluiten wordt een nieuwe erftoegangsweg aangelegd. Het erf wordt nadien landschappelijk ingepast. Deze inpassing bestaat uit het verwijderen van beplanting en vergroten van een bestaande vijver. Om de vijver aan te kunnen leggen moeten enkele bomen gerooid worden. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld weergegeven.
Tekening van het wenselijke eindbeeld (bron: N+L Landschapsvormgevers).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: • Slopen schuur; • Rooien beplanting; • Bouwrijp maken bouwplaatsen en graven cunet voor de erftoegangsweg; • Graven vijver; • Bouwen landhuis en bijgebouwen; • Bewonen landhuis; 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren voortplantings- en rustplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden;
Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde voortplantings- en rustplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; 7
• •
Opzettelijk doden van dieren; Afname en verdwijnen van functioneel leefgebied van dieren;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden en het bewonen van de nieuwe woningen. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan bos en agrarisch cultuurland. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied.
8
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3.
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 9
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder Omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a.
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit nodig. 4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
10
Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.
Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.
Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie 11
van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e.
tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing). Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habitat van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats.
4.5 Regelgeving ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
12
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.
13
Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren, worden met de groene kleur weergegeven. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode ster aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl).
Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. 5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteit leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan.
Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten;
14
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 8,4 kilometer afstand van Nederlands Natura 2000-gebied.
Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000 gebied is Lonnekermeer. Op de onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Het plangebied ligt op minimaal 8,4 kilometer afstand van gronden die tot Natura 2000 behoren.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de 15
aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (8,4 kilometer) kan een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied tijdens de ontwikkelfase op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft voor de ontwikkelfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) De nieuwe woning wordt niet aangesloten op het aardgas net. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe door het bewonen van het nieuwe landhuis. Gemiddeld genomen neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar een woning toe met circa tien verkeersbewegingen (met lichte voertuigen) per etmaal. Gelet op de toename van verkeersbewegingen en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, kan toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden. Daarom hoeft voor de gebruiksfase geen stikstofberekening uitgevoerd te worden.
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft het voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Ook overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied, zoals geluid, trillingen en optische verstoring, kunnen ook worden uitgesloten.
16
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 21 maart-2025 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Op 21 maart 2025 is de NDFF geraadpleegd om te kijken of er in het verleden planten en dieren zijn waargenomen in en rond het erf die relevant kunnen zijn voor deze studie. In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen die betrekking hebben op het erf. We zijn verschillende planten en een dagpauwoog waargenomen aan de Kanaalweg, net ten westen van het plangebied. Het betreft allen niet beschermde soorten. Deze waarnemingen worden verder buiten beschouwing gelaten. 6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 21 maart 2025 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28).
Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van broedvogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar broedvogels omdat nog niet alle zomergasten zijn teruggekeerd uit hun overwinteringsgebied. Sommige soorten vertonen al wel territorium-indicerend gedrag zoals zang en balts. Slechts enkele soorten hebben een bezet nest in deze tijd van het jaar, zoals bosuilen. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie die het onderzoeksgebied heeft voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties.
Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf- en krab, en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is matiggeschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat de meeste soorten zich nog ophouden in de winterverblijfplaats. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats duiden, zoals uitwerpselen en naar potentiële rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment van de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken in het plangebied. 17
Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. Niet alle amfibieënsoorten zijn al actief in deze tijd van het jaar. Soorten als heikikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander en kleine watersalamander zijn al wel actief en kunnen de voortplantingswateren bezetten, terwijl andere soorten zich nog ophouden in de winterverblijfplaats, meestal diep weggekropen in holen en gaten in de grond. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Reptielen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Niet alle reptielen zijn al actief in deze tijd van het jaar. Soorten als adder, ringslang en levendbarende hagedis kunnen al wel actief zijn op mooie, rustige en zonnige dagen, maar de meeste soorten houden zich nog op in de winterverblijfplaats.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende reptielensoorten. Vissen Het onderzoeksgebied is onderzocht op beschermde vissen. Er zijn geen vissen gevangen, maar het plangebied is beoordeeld op de geschiktheid als leefgebied voor beschermde soorten. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende beschermde vissoorten. Dagvlinders De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar beschermde vlinders omdat imago’s niet actief zijn in deze tijd van het jaar. Vlinders overwinteren in gebouwen, bouwwerken of bomen of als eitje of pop.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende vlindersoorten. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als dag- en nachtvlinders, reptielen, libellen, bladmossen, sporenplanten, vissen, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuw leefgebied koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en planten. In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht zoals beschermde weekdieren (platte schijfhoren en Bataafse stroommossel) en kevers (juchtleerkever, vermiljoenkever en vliegend hert). De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats buiten het functionele leefgebied van bovengenoemde soorten.
Mogelijk komen er populaties van beschermde nachtvlinders (teunisbloempijlstaart), voor in de omgeving van het plangebied. Voor bovenstaande soort geldt dat het plangebied niet als geschikt leefgebied wordt beschouwd omdat alle waardplanten voor deze soort; wilgenroosje, basterdwederik,
18
kattenstaart en teunisbloem ontbreken. Ook voor beschermde dagvlinders geldt dat specifieke waardplanten zoals: breedbladige wilgensoorten (grote weerschijnvlinder en grote vos), sleedoorn (sleedoornpage en grote vos), iep (iepenpage en grote vos) en kamperfoelie (kleine ijsvogelvlinder) ontbreken. Voor alle overige beschermde dagvlinders geldt dat populaties van deze soorten grotendeels gebonden zijn aan natuurreservaten zoals Natura 2000-gebied. Bij het ontbreken van waardplanten is er voor de vlinders geen mogelijkheid om eitjes af te zetten en worden er geen rupsen van deze beschermde vlinders in het plangebied verwacht. Daarom worden ook beschermde dagvlinders verder niet behandeld in deze rapportage. Daarnaast zijn alle beschermde planten (grotendeels) gebonden aan natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of bijzonder standplaatsen zoals spoordijken en speciaal daarvoor ingerichte akkers. Alle beschermde planten stellen kritische eisen aan de standplaats (vochtgehalte, zuurgraad en voedselrijkdom) en bijbehorend beheer. Dergelijke standplaatsen zijn zeldzaam ontbreken in het plangebied. De verspreiding van beschermde planten is vrij volledig opgenomen in de NDFF. De NDFF is geraadpleegd op de aanwezigheid van beschermde soorten.
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen jaarlijks vogels in het plangebied. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn koolmees, pimpelmees, bonte vliegenvanger, spreeuw, bosuil, gewone bonte specht, tjiftjaf, zwartkop, winterkoning, roodborst, heggenmus, merel, zanglijster, grote lijster, wilde eend, houtduif en holenduif. Vogels kunnen nestelen in bomen en struiken, in dichte vegetatie op de grond en in de oude schuur. In de oude schuur is een kerkuilenkast aangetroffen. Er zijn echter geen sporen gevonden, die erop wijzen dat kerk- of bosuilen de kast benutten als nestplaats. Indien uilen de kast daadwerkelijk zouden gebruiken, moeten in de schuur schijtsporen, braakballen en ruiveren gevonden zijn. Ook zijn in de oude schuur geen sporen gevonden van steenuilen, zoals braakballen, ruiveren of schijtsporen.
Indien steenuilen de schuur zouden gebruiken als nest- of rustplaats, dan zouden die sporen aanwezig moeten zijn. Mogelijk benutten holenduiven de kast als nestplaats. Er zijn geen huismussen waargenomen, maar mogelijk nestelen huismussen onder de dakpannen van de woonboerderij (buiten de ontwikkellocatie). Er zijn in het plangebied geen nesten van roofvogels waargenomen. Ook zijn geen potentiële nesten van ransuilen waargenomen.
Foto links: kerkuilenkast op de zolder van de schuur. Foto rechts; foto van de binnenzijde van de kast.
19
Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden gaat mogelijk foerageergebied verloren. Indien deze werkzaamheden uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet nest beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Rooien beplanting (tijdens de voortplantingsperiode van vogels); - Slopen oude schuur (tijdens de voortplantingsperiode van vogels); - Bebouwen en verharden plangebied; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen grondgebonden zoogdieren waargenomen maar gelet op het karakter van het plangebied behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van verschilkende beschermde grondgebonden zoogdieren, zoals das, ree, vos, egel, haas, eekhoorn, bosmuis, rosse woelmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis, steenmarter, boommarter, wezel en bunzing. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied, terwijl soorten als bosmuis, rosse woelmuis, bosspitsmuis, huisspitsmuis, boommarter en wezel er mogelijk ook een verblijfplaats bezetten. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van das, vos, of bunzing aangetroffen. Soorten die wel een verblijfplaats in het plangebied bezetten, doen dat in holen en gaten in de grond, in boomholtes (boommarter) of in de oude schuur (boom- en steenmarter, huisspitsmuis, bosmuis).
Gelet op de aard van het plangebied en de ligging in vrij droog landschap, wordt het plangebied niet als geschikt leefgebied van de hermelijn beschouwd. De holle ruimte tussen de dakpannen en isolatie van de schuur is onderzocht op gebruikssporen van steen- en boommarter. Die zijn niet aangetroffen. Ook zijn geen sporen gevonden die er op wijzen dat steen- of boommarters de kast benutten als verblijfplaats. Er zijn in de schuur geen aanwijzingen gevonden die op het gebruik van de schuur als verblijfplaats van marters duiden. Er zijn geen sporen van dassen in het plangebied aangetroffen. Gezien het voorkomen van de das in de omgeving, is het aannemelijk dat het plangebied tot functioneel leefgebied van dassen behoort, maar de betekenis van het plangebied als foerageergebied is zeer beperkt. Wezels kunnen een verblijfplaats bezetten in holen gaten in de grond, soms niet groter dan een muizenhol. Door het slopen van bebouwing en het uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een verblijfplaats beschadigd en vernield. Door het bebouwen en verharden van plangebied neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren af.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen beplanting; - Slopen bebouwing; - Uitvoeren grondverzet; - Bebouwen en verharden plangebied; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen. Gelet op de oude loofbomen in het bos is het niet uitgesloten dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in hole en gaten in bomen. Ook kunnen vleermuizen een verblijfplaats bezetten in de woonboerderij. De oude schuur beschikt over halfsteens buitengevels en een houten topgevels. Gelet op de aard van de bebouwing, wordt de oude schuur niet als potentiële verblijfplaats van vleermuizen beschouwd. Geschikte potentiële verblijfplaatsen, zoals een luchtspouw, windveer, holle gevelbetimmering of grote zolder ontbreken er. Het plan voorziet niet in het vellen van oude bomen met holen of losse bast en de woonboerderij wordt in het geheel niet beïnvloed. Als gevolg van de voorgenomen plannen wordt geen vleermuis gedood en geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Als gevolg van het bewonen van het landhuis neemt kunstlicht toe in 20
het plangebied. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat dit een negatief effect op een mogelijke verblijfplaatsen in bomen heeft. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Toename kunstlicht; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing, de randen en kronen van het plangebied en boven het grasland. Gelet op de kleine oppervlakte van het plangebied wordt het niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Als gevolg van het bewonen van het landhuis neemt kunstlicht toe in het plangebied. Lichtschuwe soorten, zoals de gewone grootoorvleermuis kan daar enige hinder van ondervinden waardoor de betekenis van het plangebied als foerageergebied iets afneemt. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Toename kunstlicht; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats).
Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor verschillende amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker, kleine watersalamander en mogelijk kamsalamander benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk benutten de ze vijvers als voortplantingsbiotoop. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de kamsalamander ligt. Op 660 meter ten zuidwesten van het plangebied ligt een vijver waar kamsalamanders zijn gemeld (bron: NDFF). De bosvijver ligt aan de rand van het bos en ontvangt weinig direct zonlicht. Ook beschikt de vijver niet over een weelderige onderwatervegetatie.
Dit maakt de bosvijver niet tot een zeer geschikt voortplantingsbiotoop, maar Kamsalamanders zijn plaatstrouw en kunnen voortplantingswateren lange tijd blijven gebruiken, ook als deze door verlanding, langzaam aan minder geschikt geworden zijn. De kleine vijver aan de zuidzijde van het perceel wordt als potentiële voortplantingsplaats voor de kamsalamander beschouwd.
21
Aanzicht op de bosvijver.
Vijver in de zuidhoek van het perceel
Amfibieën bezetten mogelijk een (winter)rustplaats in het plangebied. Ze kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, in de sliblaag van de vijver en onder rommel in de oude schuur. De ontwikkellocatie en de open plek in het bos waar de beoogde vijver is gesitueerd, wordt niet als geschikte verblijfplaats voor kamsalamanders beschouwd. Kamsalamanders (en andere amfibieën) zullen een (winter)rustplaats bezetten onder strooisel, dood hout of holen en gaten in de grond in de houtsingel en bos. De ontwikkellocatie en de open plek in het bos waar de beoogde vijver is gesitueerd wordt wel beschouwd als foerageergebied voor soorten als gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten tijdens de actieve periode wordt mogelijk een gewone pad, bruine kikker of bastaardkikker gedood. Door het bebouwen en verharden van plangebied neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige amfibieënsoorten af. De vijvers worden niet beïnvloed door de voorgenomen plannen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Uitvoeren grondverzet; - Bebouwen en verharden plangebied; Vlinders Een aantal beschermde vlinder is gestaag bezig met een opmars in ons land, zoals grote vos en teunisbloempijlstaart.
Ook ligt het plangebied in de nabijheid van een populatie kleine ijsvogelvlinders (Weldammer bosschen) (bron: NDFF). Grote vossen hebben en brede range aan waardbomen, zoals
22
wilgen en zomereiken. Mogelijk planten grote vossen zich voort in de bomen in het plangebied, maar geschikte waardplanten voor teunisbloempijlstaarten ontbreken in het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen plannen wordt geen beschermde vlinder gedood en wordt geen ei of pop beschadigd of vernield. Ook wordt het leefgebied (waardplanten) van beschermde vlinders niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Reptielen Gelet op de inrichting en gevoerde beheer, wordt het plangebied niet beschouwd als geschikt leefgebied voor reptielen, uitgezonderd de hazelworm. Het plangebied moet beschouwd worden als functioneel leefgebied voor hazelwormen. De soort wordt vermeld in de NDFF in de Weldammer bosschen (bron NDFF). Het plangebied ligt in een oud agrarisch cultuurland. Hazelwormen kunnen in dergelijke landschapstypen voorkomen in lage dichtheden. Het ontbreken van waarnemingen in het plangebied of directe omgeving, sluit de aanwezigheid van deze soort in het plangebied niet uit. Hazelwormen kunnen een verblijfplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder rommel of opgeslagen spullen. Tijdens de actieve periode houden ze zich op in dichte vegetatie en strooisel. Het bos en de ruigte graslanden ernaast worden beschouwd als potentiële leefgebied.
Potentieel leefgebied voor hazelwormen.
Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het verwijderen van beplanting en vergraven van grond tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet nest negatief beïnvloed. Mogelijk wordt een vogel gedood en een ei beschadigd en vernield. Ook neemt het areaal foerageergebied af. Voor het doden van vogels en beschadigen/vernielen van eieren kan geen Omgevingsvergunning verkregen worden. Deze werkzaamheden dienen daarom buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. De nesten die mogelijk negatief beïnvloed worden zijn niet jaarrond beschermd. 23
Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Beplanting verwijderen buiten de voortplantingsperiode; - Grondverzet uitvoeren buiten de voortplantingsperiode uitvoeren (of broedvogelscan uitvoeren); Grondgebonden zoogdieren Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Met uitzondering van wezel, egel, steen- en boommarter geldt voor de soorten die er een voortplantings- en/of rustplaats bezetten een vrijstelling van de verbodsbepaling (beschadigen/vernielen van de voortplantingsen rustplaats). Mogelijk bezetten soorten als steenmarter, egel, boommarter en wezel een verblijfplaats in het plangebied. Door het verwijderen van de kerkuilenkast, slopen van de schuur en uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een verblijfplaats beschadigd en vernield. De voortplantings- en rustplaats van steenmarter, egel, boommarter en wezel is beschermd en mag alleen met een Omgevingsvergunning negatief beïnvloed worden. Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren in het plangebied geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Er geldt geen vrijstelling voor het doden.
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie onderstaande tabel voor toepasbare vangmiddelen) of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit vereist.
Toepasbare vangmiddelen om beschermde grondgebonden zoogdieren weg te vangen uit het plangebied (Bron: Omgevingsverordening Overijssel, 2024).
Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van een verblijfplaats van wezel en egel is mogelijk, maar deze stap mag overgeslagen worden, en mag gekozen worden om direct een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen. Om de aanwezigheid van een verblijfplaats van steen- en boommarter vast te stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van het plangebied voor egel en wezel, of direct Omgevingsvergunning aanvragen; - Nader onderzoek uitvoeren naar de aanwezigheid van een verblijfplaats van steen- en boommarter; - Geen beschermde grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);
24
Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden wordt geen vleermuis gedood en wordt geen verblijfplaats negatief beïnvloed. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen mogelijk iets af. Deze afname is echter dusdanig gering, dat het niet leidt tot het aantasten van de functionaliteit van de verblijfplaats van vleermuizen. Er is daarom géén sprake van overtreding van een verbodsbepaling. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Met uitzondering van de kamsalamander, behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt voor het beschadigen/vernielen van de voortplantings- en rustplaats omdat sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Deze vrijstelling geldt niet voor de kamsalamander omdat deze beschermd is volgens de Habitatrichtlijn. Kamsalamanders worden echter niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen plannen. De aanwezigheid van de kamsalamander op de ontwikkellocatie kan op basis van het uitgevoerde onderzoek uitgesloten worden.
1 Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een
vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 25
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden (zie tabel op de vorige pagina), of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt2 te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen beschermde amfibieën opzettelijk doden;