CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

06 TAM IMRO Twikkelerweg 4a Bijlage bij toelichting Ruimtelijk kwaliteitsplan.pdf

Gemeenteraad 25 november 2025, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 8: TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22I Twikkelerweg 4a Markelo15.134 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 4,76 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Borkeld. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

4,76 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren.

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk.

17

Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied neemt toe als gevolg van het bewonen van de nieuwe woning. Gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is niet noodzakelijk.

5.4 Slotconclusie Het plangebied ligt volledig binnen de gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, maar ligt buiten Natura 2000-gebied. Er is sprake van een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Er dient een zorgvuldige afweging onderzocht te worden van alternatieven en er dient een compensatieplan opgesteld te worden. Daarvoor dient de systematiek van de provincie gehanteerd te worden, welke kwantitatief inzichtelijk maakt hoe groot de versterking van het Natuurnetwerk Nederland moet zijn. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen activiteiten worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate aangetast. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is voor zowel de ontwikkel- als gebruiksfase niet noodzakelijk. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.

18

HOOFDSTUK 6 SOORTENBESCHERMING 6.1 Verwachting en bureauonderzoek 6.1.1 Algemeen

Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek op 23-07-2024 door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek

Op 22 juli 2024 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren in of nabij het plangebied aanwezig zijn in de databank. In totaal zijn 545 waarnemingen in de afgelopen 5 jaar opgenomen in de nabije omgeving van het plangebied in de NDFF. De waarnemingen hebben betrekking op de soortgroepen: overige zoogdieren (4), vogels (54), dagvlinders (10), nachtvlinders (120), libellen (1), sprinkhanen en krekels (2), wespen, bijen en mieren (3), alle insecten (21), kevers (6), geleedpotigen exclusief insecten (6), vaatplanten (306), mossen (1), korstmossen (1) en schimmels (10). Er zijn verschillende vogelsoorten opgenomen in het zoekgebied waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is: steenuil, huismus, buizerd, zwarte specht. Verder zijn er nog rode-lijstsoorten opgenomen zoals; grauwe vliegenvanger, haas, huismus, keep, raaf, steenuil en torenvalk. Er zijn echter geen waarnemingen van territoria of nestplaatsen in de het zoekgebied opgenomen in de NDFF (NDFF, 2024). Deze soorten worden verder behandeld in hoofdstuk 6.3 Resultaten. De overige waarnemingen vormen verder geen verbondenheid met het plangebied en vormen verder geen relevantie voor deze studie, anders dan het voorkomen van een bepaalde soort in de nabije omgeving van het plangebied. Voor de verspreiding van de waarnemingen in het zoekgebied, zie luchtfoto onder.

Met de zwarte lijn wordt het zoekgebied in de NDFF weergegeven.

19

6.2 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 23 juli 2024 tijdens de daglichtperiode (ochtend) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Een groot aantal vogels hebben uitgevlogen jongen in deze tijd van het jaar. Enkele soorten kunnen nog bezette nesten hebben. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is matig geschikt naar voortplantingslocaties van grondgebonden zoogdieren. Enkele grondgebonden zoogdieren kunnen zogende jongen hebben in deze tijd van het jaar. Daarnaast benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied.

Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en geschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren. De meeste amfibieënsoorten bezetten in deze tijd van het jaar de voortplantingswateren. Enkele soorten zoals heikikker en bruine kikker hebben de voortplanting voltooid. Er is in het plangebied gezocht naar amfibieën (adulten en juvenielen) en eisnoeren/klompen in wateren. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

20

Reptielen De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar reptielen. Reptielen, zoals levendbarende hagedis kunnen tijdens de geschikte weersomstandigheden waargenomen worden. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor reptielen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied. Dag- en nachtvlinders De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar dag- en nachtvlinders. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de vliegtijd van de meeste beschermde dag- en nachtvlinders. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor beschermde dagvlinders en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende beschermde dagen nachtvlindersoorten. Planten De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar beschermde planten. Het onderzoek is uitgevoerd binnen de bloeitijd van de meeste beschermde planten.

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor beschermde planten en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende beschermde planten. Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als vissen, libellen, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat (ontbreken van water) vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen.

21

6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestplaats bezetten in de beplanting. Vogelsoorten die mogelijk een nestplaats in het plangebied bezetten zijn o.a.: houtduif, merel, vink, roodborst, zwartkop en tjiftjaf. Tijdens het veldbezoek zijn geen huismussen visueel- of auditief waargenomen en er zijn geen huismusnesten in het plangebied vastgesteld. Tevens sluiten de dakpannen van de recreatiewoning strak op elkaar aan, zonder kieren of openingen. Gelet op de geïsoleerde ligging van het plangebied en het niet visueel- of auditief waarnemen van huismussen tijdens het veldbezoek vormen een sterke aanduiding dat huismussen geen nestplaats in het plangebied bezetten. De woning en de schuur zijn niet toegankelijk voor vogels. Verder zijn er in het plangebied geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van uilen (braakballen, ruiveren en schijtsporen).

In de aanwezige bomen zijn teven geen roofvogelhorsten vastgesteld en er zijn ook geen holenbomen in het plangebied aanwezig, welke een geschikte nestplaats vormen voor holenbroeders.

De dakpannen van de recreatiewoning sluiten strak op elkaar aan.

Door het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een vogel gedood en mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten als grote bosmuis, boommarter, huisspitsmuis, rosse woelmuis, eekhoorn, egel en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten rosse woel- en huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten onder strooisel en bladeren en in holen en gaten in de grond. De bebouwing is voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk en wordt niet beschouwd als geschikte rust- en voortplantingsplaats. De aanwezige heesters in het plangebied beschikken niet over een dichte onderzijde en een dikke stroosiellaag. Hierdoor worden deze struiken niet als een geschikte rust- en voortplantingsplaats voor egel beschouwd.

Verder zijn er geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van steenmarter (latrines en prooiresten) en zijn er geen (blader)nesten van eekhoorns in het 22

plangebied vastgesteld. Verder zijn er ook geen aanwijzingen gevonden in het plangebied die duiden op de aanwezigheid van boommarters. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechtenof eekhoornholen, regelmatig in inrottigsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. Boommarters maken meestal niet zelf een hol maar passen een bestaand nest aan. Er zijn geen rusten voortplantingsplaatsen van boommaarter in het plangebied vastgesteld. Tijdens het veldbezoek zijn geen aanwijzingen gevonden dat grote bosmuizen een rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Holen van grote bosmuis zijn gemakkelijk aan te treffen door kleine ophopingen van zand en bladeren voor de ingang van het hol. Tevens zijn in het plangebied en directe omgeving geen waarnemingen van grote bosmuis opgenomen in de NDFF (NDFF, 2024). Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer en het ontbreken van geschikte rust- en voortplantingsplaatsen zoals houtstapels, holenbomen en takkenbossen wordt het plangebied niet tot functioneel leefgebied van kleine marterachtigen beschouwd.

Door het verwijderen van strooisel en bladeren en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen strooisel en bladeren; - Uitvoeren grondverzet; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De recreatiewoning beschikt weliswaar over een spouwmuur, maar er zijn geen openstootvoegen of ventilatieopeningen in het metselwerk waargenomen (welke een potentiële invliegopeningen bieden naar de spouwmuur). Verder sluiten de daklijsten en betimmering van het dakoverstek naadloos aan op de buitengevels. De bebouwing zelf is voor vleermuizen niet toegankelijk. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering aangetroffen. Tevens zijn in het plangebied geen bomen met loshangend schors of holtes in het plangebied aanwezig.

De betimmering van het dakoverstek sluit naadloos aan op de buitengevels.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen verblijfplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; 23

• Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt het essentieel foerageergebied voor vleermuizen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker en gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder strooisel en bladeren en in holen en gaten in de grond. De aanwezige bebouwing in het plangebied is voor amfibieën niet toegankelijk en wordt niet beschouwd als geschikte (winter)rustplaats. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Door het verwijderen van strooisel en bladeren en het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Verwijderen strooisel en bladeren; - Uitvoeren grondverzet;

24

Reptielen Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van levendbarende hagedis, maar buiten het verspreidingsgebied van hazelworm en ringslang. Ondanks dat het plangebied behoort tot het verspreidingsgebied van levendbarende hagedis, wordt het plangebied niet als functioneel leefgebied van deze soort beschouwd. Het plangebied bestaat namelijk voornamelijk uit gazon, bebouwing en erfverharding en er ontbreekt heide en hoogveen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt geen vaste verblijfplaats beschadigd en/of vernield. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor reptielen niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Geen; Dag- en nachtvlinders Er zijn in het zoekgebied waarnemingen van de grote weerschijnvlinder opgenomen (NDFF, 2024). Echter ontbreken in het plangebied waardplanten voor deze soort zoals; boswilg en grauw wilg. Verder zijn er in het zoekgebied geen beschermde dag- of nachtvlinders opgenomen in de NDFF (NDFF, 2024) en wordt het plangebied ook niet als functioneel leefgebied van beschermde vlinders beschouwd. Er ontbreken waardplanten voor beschermde vlinders in het plangebied zoals teunisbloemen en populier.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermde dag- of nachtvlinder gedood en worden geen eitjes of poppen negatief beïnvloed en wordt het functionele leefgebied niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Geen; Planten Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten vastgesteld en er zijn geen beschermde planten opgenomen in het zoekgebied in de NDFF (NDFF, 2024). Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde plantensoorten verwijderd. Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet - Geen; Rode-lijstsoorten Het plangebied is gecontroleerd op de aanwezigheid van rode-lijstsoorten. Er in de nabije omgeving van het plangebied verschillende rode-lijstsoorten in de NDFF opgenomen: grauwe vliegenvanger, haas, huismus, keep, raaf, steenuil en torenvalk. Er zijn voor deze vogelwaarnemingen uitsluitend ‘’losse waarnemingen’’ opgenomen en geen ‘’broedende waarnemingen’’ of ‘’territoria’’. Het plangebied wordt niet beschouwd als functioneel leefgebied van haas. Verder wordt het plangebied nog als geschikt leefgebied beschouwd voor groene specht en grote lijster. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de populatie rode-lijstsoorten niet af en gaat geen foerageergebied of leefgebied van rode-lijstsoorten verloren.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. 25

6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Verwijderen beplanting buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Grondgebonden zoogdieren Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden en dat vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen en vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen (mits er zorgvuldig gehandeld wordt); Vleermuizen • Verblijfplaatsen Als gevolg van de voorgenomen activiteit wordt er geen vleermuis gedood en wordt er geen verblijfplaats verstoord, beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen;

26

• Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt het essentieel foerageergebied voor vleermuizen niet af. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties .Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes1 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Amfibieën Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat vaste (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden.

Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de vaste (winter)rustplaats negatief beïnvloed worden geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen (mits er zorgvuldig gehandeld wordt);

1

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 27

Reptielen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen reptiel gedood en wordt geen rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties .Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Dag- en nachtvlinders Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde vlinders negatief beïnvloed. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties .Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Planten In het plangebied groeien geen beschermde planten. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties .Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Rode-lijstsoorten Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten is er geen afname van rode-lijstsoorten op populatieniveau en gaat geen foerageergebied of leefgebied van rode-lijstsoorten verloren. Wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingswet: - Geen; Overige soorten Het plangebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit is niet noodzakelijk.

28

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep

Functie

Beschermde soorten planlocatie

Verbodsbepalingen

Aandachtspunt

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels

Foerageergebied

Diverse soorten

Geen

Vaste rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Diverse soorten

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling Art. 11.54 lid 1a Bal

Foerageergebied

Diverse soorten

Vogels

Diverse soorten Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels Vleermuizen Vleermuizen

Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden van dieren Verblijfplaats Foerageergebied

Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast Art. 11.37 lid 1b Bal

Diverse soorten Niet aanwezig Diverse soorten

Geen vogels doden Geen Geen

Vleermuizen Vleermuizen

Vliegroute Doden van dieren

Amfibieën

Foerageergebied

Niet aanwezig Niet van toepassing Diverse soorten

Art. 11.37 lid 1a Bal Niet van toepassing Niet van toepassing; er wordt geen essentieel foerageergebied aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing; functie wordt niet aangetast

Geen

Amfibieën

Vaste rustplaats

Diverse soorten

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Geen

Amfibieën

Voortplantingsplaats

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Geen

Amfibieën Reptielen

Doden van dieren Rust- en voortplantingsplaats Doden van dieren

Diverse soorten Niet aanwezig

Art. 11.54 lid 1a Bal Niet van toepassing

Geen amfibieën doden Geen

Niet van toepassing Niet aanwezig

Niet van toepassing

Geen

Niet van toepassing

Geen

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Geen

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Geen

Vogels

Reptielen Dag- en nachtvlinders Planten

Alle functies

Overige soorten

Geen beschermde planten aanwezig Dieren en overige functies

Diverse soorten

Geen Geen grondgebonden zoogdieren doden Geen Geen bezette nesten negatief beïnvloeden Geen

Geen Geen

Samenvatting van de wettelijke consequenties. Soortgroep

Vaste rustplaats

Voortplantingsplaats

Vliegroute (vleermuizen)

Grondgebonden zoogdieren Vogels

Ja

Ja

n.v.t.

Essentieel foerageergebied Nee

Nee

Ja

n.v.t.

Vleermuizen Amfibieën

Nee Ja

Nee Nee

Reptielen Dag- en nachtvlinders

Nee Nee

Nee Nee

Wettelijke consequenties Ja

Nader onderzoek vereist Nee

Nee

Ja

Nee

Nee n.v.t.

Nee Nee

Nee Ja

Nee Nee

n.v.t. n.v.t.

Nee Nee

Nee Nee

Nee Nee

Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit vereist Nee, tenzij dieren gedood worden Nee, tenzij vogels gedood, bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden Nee Nee, tenzij dieren gedood worden Nee Nee

Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep.

6.5 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 6.6 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden. 29

HOOFDSTUK 7 CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd2. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit vereist of er dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode.3 In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Het plangebied ligt volledig binnen de gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, maar ligt buiten Natura 2000-gebied. Er is sprake van een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Er dient een zorgvuldige afweging onderzocht te worden van alternatieven en er dient een compensatieplan opgesteld te worden. Daarvoor dient de systematiek van de provincie gehanteerd te worden, welke kwantitatief inzichtelijk maakt hoe groot de versterking van het Natuurnetwerk Nederland moet zijn. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen activiteiten worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate aangetast. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is voor zowel de ontwikkel- als gebruiksfase niet noodzakelijk. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.

Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied beschouwd voor beschermde reptielen en dag- en nachtvlinders. Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. 2

De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, is per 1-12-2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen vanaf die datum niet meer onder de vrijstellingsregeling van de provincie Overijssel. 3 Voor dit type activiteit is geen toepasbare gedragscode beschikbaar. 30

Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.

31

Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Omgevingswet Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Bijlage 5. Jaarrond beschermde vogelnesten in Overijssel

32

Bijlage 2 Toelichting Omgevingswet flora- en fauna-activiteit Drie beschermingsregimes De Omgevingswet kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of Omgevingsvergunning. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een Omgevingsvergunning moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Omgevingswet sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. In het Besluit activiteit leefomgeving is het als volgt verwoord: Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a.

voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en 4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; 33

d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Vrijstelling regelgeving Onder de Omgevingswet is niet altijd een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. Ook zijn voor beschermde soorten andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk. Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.

Welke soorten zijn beschermd? De Omgevingswet kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ (Nationaal beschermde soorten) waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Art. 11.37 Bal Art. 11.37 lid 1a. Het is verboden opzettelijk in het wild levende vogels te doden en vangen.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Art. 11.46. Bal art. 11.46 lid 1a. Het verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Beschermingsregime andere soorten. Art. 11.54 Bal Art. 11.54 lid 1a. Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen

art. 11.37 lid 1b. Het is verboden opzettelijk nesten en eieren te vernielen en te beschadigen

Art. 11.46 lid 1d. Het is verboden de Art. 11.54 lid 1b. Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen

art. 11.37 lid 1b. Het is verboden opzettelijk eieren te rapen of bij zich te hebben

art. 11.46 lid 1 Bal. Het is verboden eieren niet van toepassing van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art. 11.37 lid d. Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Art. 11.46 lid 1b. Het is verboden dieren niet van toepassing opzettelijk te verstoren.

niet van toepassing

Art. 11.46 lid e. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art. 11.54 lid c. Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Verbodsbepalingen omgevingswet

34

Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden is het toegestaan om van de onderstaande soorten de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het opzettelijk ‘doden’ van onderstaande soorten is in sommige provincies eveneens toegestaan. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

35

36

Legenda ‘Overzicht algemene vrijstelling soorten per provincie’.

37

Bijlage 3. Fotobijlage

38

39

Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://Omgevingswet.overheid.nl https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://pdokviewer.pdok.nl/ https://www.ndff.nl/

40

Bijlage 5. Jaarrond beschermde vogelnesten in Overijssel

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4180/documents/59251