06 TAM IMRO Twikkelerweg 4a Bijlage bij toelichting Ruimtelijk kwaliteitsplan.pdf
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Twikkelerweg 4a Markelo
Bijlagen bij de toelichting
concept
47
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Twikkelerweg 4a Markelo
Bijlage 1 ruimtelijk kwaliteitsplan
48
concept
RU I M T E L I J K E K WA L IT E IT S P L A N • Tw i k k e l e r w e g 4 a - M a r k e l o •
Tubbergen,14-03-2025 - Definitief
Ruimtelijk kwaliteitsplan Datum:
14 maart 2025, Tubbergen
Gewijzigd:
-
Status:
Definitief
Opgesteld:
N+L Landschapsontwerpers nl-landschap.nl info@nl-landschap.nl
Auteur: Getekend: Gecontroleerd:
LK DA DE
Inhoudsopgave:
1. Aanleiding 2. Huidige situatie 3. Beleid 4. Nieuwe situatie
2
03 04 06 14
1. Aanleiding 1.1 Voornemen Twikkelerweg 4a Markelo Aan de Twikkelerweg 4a te Markelo bevindt zich een recreatiewoning. Het idee van de initiatiefnemer is ontstaan om de recreatiewoning om te vormen naar een reguliere woning. Om de wens te realiseren moet er gebruik gemaakt worden van een sloopvoucher, waarmee 600 m2 sloopmeters worden ingebracht om een regulier woonrecht op de locatie te vestigen. De sloopmeters worden verkregen aan de Stoevelaarsweg 4, Markelo (590m2), de Heggelerveldsweg 2, Hengevelde (16 m2) en de Lutteveldweg 2a, Markelo (4m2). De functieaanduiding “recreatiewoning” wordt omgezet naar de functieaanduiding “woonbestemming” waarbij daarna voldaan kan worden aan het bestaande beleid voor bebouwing in het buitengebied, het KGO-beleid van de gemeente Hof van Twente.
ingediend, en de uitvoerbaarheid van het bouwplan wordt aangetoond. In dit ruimtelijk kwaliteitsplan wordt een beschrijving gegeven van het voorgenomen plan en hoe dit past in het vigerende beleid. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de eisen en het uitgangspunt voor verbetering van ruimtelijke kwaliteit die de gemeente Hof van Twente stelt.
1.2 Ruimtelijk kwaliteitsplan en Rood-voor-Rood regeling De gemeente heeft in een principebesluit besloten medewerking te kunnen verlenen aan het herontwikkelen van het perceel. Het initiatief is niet in overeenstemming met het omgevingsplan van rechtswege, maar het verzoek past wel binnen het gemeentelijk KGO-beleid (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving). Toegestaan wordt het omzetten van de recreatiewoning naar een reguliere woonbestemming. Het college heeft besloten dat de ontwikkeling middels een wijziging van het omgevingsplan mogelijk kan worden gemaakt. De wijziging is mogelijk onder de voorwaarden dat er een erfinrichtingsplan wordt opgesteld en akkoord wordt bevonden, de sloopvoucher wordt
3
2. Huidige situatie 2.1 Natuurlijk landschap De planlocatie is gelegen aan de Twikkelerweg 4a in het buitengebied ten zuidoosten van de bebouwde kom van Markelo. Het gebied is van oorsprong een uitgestrekt dekzandgebied nabij delen van een stuwwallencomplex. De stuwwallen zijn gevormd in de voorlaatste ijstijd en in de laatste ijstijd is met name in de reliëfrijke gebieden, zoals het plangebied, dekzand afgezet. De overgangsgebieden van hoog naar laag bleken geschikt als landbouwgronden en om erven te stichten. De grond was vruchtbaar en mensen konden hier veilig en droog wonen. De planlocatie ligt in het overgangsgebied van het hoge naar het lage gebied. 2.2 Ligging planlocatie in het overgangsgebied Het natuurlijke landschap is door de mens in gebruik genomen, waardoor er een ingericht landschap ontstond, het cultuurlandschap. De planlocatie bevindt zich op een overgang van het flierenlandschap (oostelijk) naar het ontginningslandschap (ten noorden) en het kampenen essenlandschap (westelijk). Het kampenlandschap is ontstaan op de hoger gelegen delen, die geschikt waren voor het verbouwen van bijvoorbeeld granen. De lager gelegen, nattere gebieden werden gebruikt om het vee op te laten weiden. De heidegebieden waren aanvankelijk nog niet interessant als landbouwgrond, vanwege de geringe vruchtbaarheid ervan.
Het plangebied ligt in een bosrijk gebied, waardoor er geen duidelijke landschapskenmerken aan te wijzen zijn. Aangezien rondom de planlocatie vroeger heide is geweest, is het aan
Planlocatie (Bron: geo.overijssel.nl)
Planlocatie (Bron: geo.overijssel.nl)
4
te nemen dat door het proces van successie bos is ontstaan, waardoor het erf onder het ontginningslandschap kan worden geschaald. 2.3 Huidige erfopzet De eerste bebouwing op het perceel is aan het eind van de jaren ‘70 te herkennen op kaartbeelden (derde kaart rechts). De woning is gevestigd op een hoger gelegen dekzandrug (hoogtekaart op p.5) die strekt van het kampenlandschap naar het ontginningslandschap. Aan te nemen is dat de woning hier is gevestigd vanwege de gunstige, droge locatie. Omdat het erf relatief laat is ontstaan kent het geen duidelijk landschapskenmerken, echter wordt de planlocatie, mede vanwege de rechtlijnige wegenstructuur en de genoemde successie, onder het ontginningslandschap geschaard. De kenmerken van het omliggende gebied zijn in de huidige tijd nog terug te vinden. Het erf kent in de huidige tijd een recreatiewoning. 2.4 Nieuwe elementen Omdat het erf de karakteristieken heeft van het ontginningslandschap is het passend om de openheid en de rechtlijnige structuur te behouden. Beplanting vinden we terug in robuuste (laan-)beplanting die zoveel mogelijk behouden dient te blijven.
Omstreeks 1900 (Bron: topotijdreis.nl)
Omstreeks 1950 (Bron: topotijdreis.nl)
Omstreeks 1980 (Bron: topotijdreis.nl)
Hoogtekaart (Bron: viewer.ahn.nl)
5
3. Beleid 3.1 Omgevingsvisie Overijssel Het provinciaal beleid van Overijssel is verwoord en vastgelegd in meerdere beleidsdocumenten. De belangrijkste is de Omgevingsvisie en - verordening Overijssel. In de visie bakent de provincie af wat zij voor de fysieke leefomgeving in Overijssel van provinciaal belang vinden. De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In de visie worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur bekeken in samenhang met een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Het beleid staat primair in dienst van de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel om het toekomstbestendig te houden. De doelstellingen uit de visie zijn door vertaald in de omgevingsverordening, waarbij regels zijn gesteld onder welke voorwaarden ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. 3.1.1 Rode draden en beleidsambities De opgaven en kansen zijn vertaald in centrale beleidsambities en negen beleidsthema’s. Deze worden benaderd vanuit de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd. Vanuit het uitvoeringsmodel (of, waar en hoe) worden generieke beleidskeuzes, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken beschreven.
3.1.2 Generieke beleidskeuzes Deze keuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of Provincie. Het
6
zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. Vooral reserveringen voor integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, ruimtegebruik, waterveiligheid, externe veiligheid, LOG gebieden en begrenzingen als Nationale Landschappen en NNNgebieden zijn voorbeelden van generieke beleidskeuzes. Daarnaast zijn er gebied specifieke beleidskeuzes. De beleidskeuzes hebben geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.3 Ontwikkelingsperspectieven In de visie zijn drie ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en drie voor de stedelijke omgeving. Deze perspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De planlocatie is aangemerkt als “Natuurnetwerk Nederland”. De ambitie behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat voorop, waarbij natuur het belangrijkst is. Tevens moet er een continu en beleefbaar watersysteem zijn. Er mogen geen initiatieven plaatsvinden die ten kosten gaan van het NNN-gebied. Mocht dit wel het geval zijn, wordt er gebruik gemaakt van de zogenaamde NNN-spelregels. De voorgenomen ontwikkeling valt binnen het NNN-gebied maar kan voldoen aan een afwijking voor kleinschalige ontwikkelingen, waardoor in totaliteit geen sprake is van negatieve effecten voor het NNN-gebied.
3.1.4 Gebiedskenmerken Tenslotte wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de gebiedskenmerken. Er zijn vier lagen te onderscheiden (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving). Er gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Er staat omschreven in een catalogus gebiedskenmerken welke kenmerken diverse gebieden en hoe een ontwikkeling invulling dient te krijgen. De gebiedskenmerken zijn richtinggevend op aspecten als landschap, infrastructuur, milieu, bodem en cultuurhistorie. De stedelijke laag is niet opgenomen; deze is niet relevant wat betreft de voorgenomen ontwikkeling. 3.1.5 Natuurlijke laag De natuurlijke laag is aanvankelijk ontstaan zonder toedoen van de mens door onder andere invloeden van abiotische processen als de ijstijden, de wind en water. De planlocatie ligt in een dekzandgebied. Onder invloed van de wind en koude omstandigheden is in de laatste ijstijd dekzand afgezet op hogere delen in het landschap. Door de jaren heen zijn hoogteverschillen gedeeltelijk geërodeerd door de wind, weer versterkt door de wijze van agrarisch gebruik en weer verminderd door de schaalvergroting in de landbouw. In de omgeving zijn hoogteverschillen nog waar te nemen.
Ontwikkelingsperspectief ‘Natuurnetwerk Nederland’. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl).
Natuurlijke laag ‘dekzandvlakte en -ruggen’. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
7
3.1.6 Laag van cultuurlandschap Door menselijk ingrijpen in de natuurlijke omstandigheden ontstaat er een (agrarisch) cultuurlandschap. Het landschap werd functioneel ingericht waarbij men nooit heeft nagedacht over de schoonheid ervan. Nu waarderen wij juist de ingrepen van destijds. De eerste nederzettingen werden gesticht op de overgang van de stuwwallen en dekzandruggen naar de lagere gronden. Het plangebied ligt, volgens de omgevingsvisie, in het overgangsgebied van het oude hoevenlandschap naar het jonge heideen broekontginningslandschap (kaartbeeld boven). De oude hoeven (kampen) liggen hoger en werden gebruikt voor het verbouwen van graan. De kampen werden vruchtbaar gehouden door een mengsel van heideplaggen van het grootschalige open ontginningslandschap en mest. Het ontginningslandschap ontstond rond de jaren ‘30 vanwege de uitvinding van kunstmest en verbeterde afwateringstechnieken. Het erf ligt in een bosrijk gebied, waardoor het geen kenmerken heeft van een genoemd landschap. Vanwege de rechte wegenstructuur rondom het plangebied, wordt het geschaard onder het ontginningslandschap. De ontwikkeling moet bijdragen aan de herkenning van het landschap. Met name de rechtlijnigheid van het landschap is terug te zien op het erf. Van openheid is geen sprake vanwege de ligging in het bos.
Laag van het cultuurlandschap. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl).
Laag van de beleving. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl).
8
3.1.7 Laag van de beleving De planlocatie is omschreven als donkerte. De donkere gebieden zijn veelal de buitengebieden van onder andere Overijssel. Waar elders dorpen, autowegen, kassengebieden en attractieparken zorgen voor licht, is het buitengebied een plek waar men nog de sterrenhemel kan waarnemen. De ambitie is om donkere plekken te behouden en waar mogelijk nog donkerder te maken. De ontwikkeling houdt rekening met deze ambitie, omdat er geen onnodig licht wordt toegevoegd. 3.1.8 NatuurNetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Het natuurnetwerk in Overijssel – waaronder de twee Nationale Parken en een groot deel van de Natura 2000-gebieden in Overijssel - maakt hier deel van uit. Realisatie en bescherming van het NNN is belangrijk voor het behoud en de ontwikkeling van plant- en diersoorten (biodiversiteit). Het ruimtelijk beleid is dan ook gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan voldaan kan worden (het ‘nee, tenzij’-principe). Aan een ontwikkeling in NNN-gebied zijn voorwaarden verbonden, namelijk: 1.
De combinatie van ontwikkelingen en maatregelen onderbouwd is vanuit een samenhangende visie op het gebied; Natuur Netwerk Nederland. (Bron: overijssel.tercera-ro.nl)
9
2. Het verlies aan ecologische waarden en kenmerken gecompenseerd wordt; 3. Per saldo binnen een redelijke termijn een aantoonbare meerwaarde oplevert in kwaliteit en kwantiteit van het NNN; 4. De samenhang en areaal van het NNN minimaal gelijk blijft. De ontwikkeling in het NNN-gebied wordt gecompenseerd met nieuwe aanplant. Er worden veren aangeplant in de maat 150-200 (hoogte in centimeters) met inheemse soorten, in totaal 40 stuks op een oppervlakte van 1.000 m2. De bomen die geveld worden zijn vooral uitheems, zoals acacia en Amerikaanse eik. De beplanting die daarvoor terug komt bestaat uit inheemse soorten, zoals linde, eik en beuk. Met de voorgestelde compensatie worden geen negatieve effecten verwacht op het bestaande NNN-gebied. 3.2 Planologische situatie Voor het plangebied geldt het omgevingsplan van rechtswege met het onderdeel ‘Buitengebied Hof van Twente’. Op de planlocatie geldt de bestemming ‘bos’ met een functieaanduiding ‘recreatiewoning’. Daarnaast is er een bestemming “waarde - Archeologische verwachting 1”. Tevens wordt de planlocatie aangeduid als ‘reconstructiewetzone extensiveringsgebied’ en “vrijwaringszone - radar”. In de nieuwe situatie wordt de functie omgezet naar “wonen”. Hierbij wordt de recreatiewoning omgezet naar een reguliere woning met bouwmogelijkheden die bij deze functie passen. De voorgenomen
10
ontwikkeling houdt rekening met het landschap waarin het erf gelegen is, door een zorgvuldige landschappelijke inpassing. 3.3 KGO beleid 2023 - 2028 ‘Grond voor gebruik’ De provincie Overijssel wil ontwikkelingen in de groene omgeving samen laten gaan met een impuls in kwaliteit. Daarom is de ‘Kwaliteitsimpuls Groene omgeving’ ontwikkeld als een eenduidige bundeling van diverse bestaande regelingen zoals rood voor rood en vrijgekomen agrarische bebouwing. De basis ligt in het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, de ontwikkelingsperspectieven en de ‘Catalogus Gebiedskenmerken’. Gemeenten kennen daarop een eigen uitwerking. Het gemeentelijk KGO-beleid biedt gedeeltelijk mogelijkheden voor het realiseren van het initiatief. Het hoofddoel van dit beleid is het leveren van een bijdrage aan de versterking van de vitaliteit van het platteland, het behouden van sociale structuren en het realiseren van nieuwe economische dragers in het landelijk gebied. Nieuwe functies kunnen worden toegelaten, afhankelijk van de situering van het landschap, aanwezige natuur- en landschapswaarden en bijvoorbeeld de ligging ten opzichte van agrarische bedrijven en woonkernen. 3.3.1 Rood voor rood De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten. Om de sloop van voormalige bedrijfsgebouwen te bevorderen is het KGO-beleid opgesteld waar Rood voor Rood
een onderdeel van is. Dit beleid heeft als doel het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Voor het slopen van minimaal 1.000 m2 landschap ontsierende bedrijfsbebouwing (inclusief mestsilo’s) kan onder voorwaarden één bouwkavel voor een woning worden toegekend (compensatiekavel). In voorliggend geval zal er gewerkt worden met een sloopvoucher, waarbij 600 m2 aan sloopmeters wordt ingebracht. De sloopmeters worden opgehaald in de vorm van vouchers. De recreatiewoning wordt omgezet naar een reguliere woning. De korrelgrootte van het landschap kan deze ontwikkeling dragen en door de ontwikkeling wordt het NNN-gebied niet aangetast, maar juist versterkt met de nieuwe landschappelijke inpassing en compensatie van het areaal. Er kan worden voldaan aan het beleid. 3.4 Groene metropool Twente Samenwerkingsverband de Groene Metropool Twente (GMT). De variatie tussen gemeenten in de eigen beleidskaders en ruimtelijke plannen binnen de GMT gemeenten bemoeilijkt de uitleg van het beleid aan initiatiefnemers: een eerlijk speelveld en de onderlinge samenhang van de KGO binnen de GMT. Om deze redenen zijn de mogelijkheden voor het harmoniseren van beleidskaders op regionaal niveau, vertaald naar ontwikkelruimte passend bij de regio Groene Metropool Twente. Binnen deze regionale uitgangspunten, blijft er op gemeentelijk niveau ruimte voor eigen invulling en maatwerk.
Uitsnede verbeelding omgevingsplan van rechtswege. (Bron: omgevingswet.overheid.nl)
11
Het buitengebied is een plek om te leven, wonen, werken en te genieten. Het is dynamisch, ontwikkelt zich en is voor iedereen belangrijk vanwege het bijzondere karakter. In het buitengebied is echter ook een transformatie gaande die vraagt om ruimte voor ontwikkelingen die passen bij deze verandering. Naast agrarische erven komen er ook diverse vormen van niet-agrarische bedrijvigheid voor in het buitengebied. Ook deze bedrijven kunnen te maken krijgen met vraagstukken op het gebied van uitbreiding. De voorgenomen ontwikkeling hoort tot de rood voor rood regeling, waarbij landschap ontsierende gebouwen worden gesloopt op andere locaties waardoor een sloopvoucher wordt verkregen. Hoofdzaak hierbij is dat het belang van de initiatiefnemer en het maatschappelijk belang in evenwicht zijn met elkaar. Nieuwe ontwikkelingen moeten leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de regionale spelregels voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van ZuidwestTwente. Er wordt namelijk rekening gehouden met het bestaande landschap en de nieuwe erfopzet zal passend zijn in het landschap en in het bestaande erf. Ook wordt het NNN-gebied gerespecteerd en versterkt.
3.5 LOP Hof van Twente & Haaksbergen De gemeenten Haaksbergen en Hof van Twente hebben een LOP op laten stellen. Het plan dient een samenhangende visie op landschapskwaliteit te bevatten en de bouwstenen en inrichtingsprincipes aan te geven voor landschapsontwikkeling. Opgaven voor het LOP zijn het beschrijven van de huidige en gewenste kwaliteit en structuur. Waar en in hoeverre is er ontwikkeling, bescherming, onderhoud en herstel nodig en haalbaar. Daarbij moet er ruimte worden geboden aan wonen, werken en recreëren. Daarnaast dient het LOP voorstellen te bevatten voor de afstemming van de dynamiek op het landschap. Zodanig dat er sprake zal zijn van behoud, zorgvuldige inpassing en nieuwe ruimtelijke kwaliteit. Er zijn verschillende thema’s geformuleerd. Onder meer het werken aan de duurzame structuur van het landschap met aandacht voor de verschillende deelgebieden. Het behouden van de verweving in de waardevolle ensembles. Werken aan de ontwikkeling van een nieuwe verweving in het agrarisch werklandschap en werken aan de samenhang tussen de kernen en het omliggende landschap, met aandacht voor verbetering van de randen en routes vanuit de kernen het landschap in. De planlocatie is omschreven als “veldontginningslandschap” in een stuwwal en verzamelgebied en valt onder het thema “Behoud en ontwikkeling”.
De planlocatie ligt in het veldontginningslandschap, waarbij nieuwe ontwikkelingen landschapspatronen moeten
12
behouden en versterken. De landschapsontwikkeling in een stuwwal en verzamelgebied is vooral gericht op het behoud van het ensemble en de beleving van het reliëf. Ontwikkelingen in de landbouw, recreatie en natuur dienen hier beter op te worden afgestemd. Over het thema ‘Behoud en ontwikkeling’ geeft het LOP aan dat er kansen liggen om natuurgebieden te versterken en te beheren, waarbij de landschapsstructuren een aandachtspunt zijn. De voorgenomen ontwikkelingen passen binnen de gestelde doelen van het LOP.
Planlocatie
13
4. Nieuwe situatie 4.1 Samenvatting huidige situatie Het erf aan de Twikkelerweg 4a te Markelo ligt in het dekzandgebied en wordt geschaard onder het ontginningslandschap. Echter, is het heideveld op dit perceel door successie gegroeid tot bos. De rechtlijnige structuren zijn wel te herkennen in de omgeving. Het erf is aan het eind van de jaren ‘70 op de historische kaartbeelden te zien. Er is een woning te zien, die in de huidige tijd gebruikt wordt als recreatiewoning. De woning bevindt zich in een NNN-gebied.
4.3 Maatregelen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit De volgende maatregelen worden genomen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit: Compensatie van NNN-gebied. Waar mogelijk uitdunnen en voorzien van nieuwe aanplant (F); Bestaande houtopstanden behouden (G); Bos wordt opgeschoond, met name uitheemse soorten worden verwijderd.
4.2 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie wordt de recreatiewoning omgezet naar een permanente woning (A). Hiervoor wordt een nieuwe aanduiding van de woonbestemming geplaatst (E). Ook komt er een bijgebouw ten behoeve van de woning (B). Bij het plaatsen van de woonbestemming wordt er rekening gehouden met de bestaande bomen en worden deze behouden (G). Vanwege de ligging in het NNN-gebied (D) is het van belang dat waar mogelijk dit behouden blijft en versterkt wordt. Bij de nieuwe inpassing worden 19 bomen geveld (overwegend uitheemse soorten) (I), maar dit wordt gecompenseerd met 40 nieuwe, inheemse bomen op een nabij gelegen perceel (F). Ook wordt het gehele bos opgeschoond door het, met name, verwijderen van uitheemse soorten. Het perceel blijft dus volledig in het groen en het NNN-gebied wordt behouden en versterkt.
Met deze landschappelijke inpassing wordt voldaan aan het gestelde beleid.
14
A:
Om te zetten recreatiewoning naar woonhuis.
B:
Nieuw te bouwen bijgebouw.
C:
Erfverharding.
D:
Bestaand NNN-gebied.
E:
Nieuw te plaatsen aanduiding woonbestemming.
F:
Te compenseren NNN-gebied ten plaatste van (E). Waar mogelijk uitdunnen en voorzien van nieuwe aanplant. Veren aanplanten in de maat 150-200 (hoogte in centimeters) met de soorten: linde, eik en beuk. Totaal: 40 stuks op een oppervlakte van 1000 m2.
G:
Bestaande te behouden houtopstanden.
H:
Agrarisch bouwland.
I:
Te vellen bomen op perceel. Totaal 19 stuks met een gemiddelde DBH van 30/40 centimeter. De boomsoorten die geveld worden; - acacia, 1x; - Amerikaanse eik, 8x; - grove den, 6x; - kastanje, 1x; - zomereik, 3x. De herplant wordt bij (F) beschreven.
Ten plaatse van de woonbestemming dient er zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met bestaande bomen. Het gehele bos dient te worden opgeschoond met name het verwijderen van uitheemse soorten. De eiken op het woonperceel blijven waar mogelijk behouden, het perceel zal dus volledig in het groen ingepast blijven.
Fragment uit 1930 (bron: topotijdreis.nl)
Nieuwe situatie (Bron: N+L) Project: Landschappelijke inpassing
Getekend:
DA
Status:
DO
Noord:
Adres:
Twikkeler weg 4a
Gecontroleerd:
NH
Formaat:
A3
Schaal: 1:10 0 0
^
Plaats:
Markelo
Datum:
27-01-2025
15
l a n d s c h a p s o n t w e r p e r s
16
Oldenzaalseweg 38 • 7651 KC Tubbergen • info@nl-landschap.nl • www.nl-landschap.nl
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Twikkelerweg 4a Markelo
Bijlage 4 Quickscan natuurwaarden
concept
113
QuickScan natuurwaardenonderzoek Twikkelerweg 4a Markelo
Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
1
Colofon QuickScan natuurwaardenonderzoek Twikkelerweg 4a Markelo Effectbeoordeling in het kader van de Omgevingswet, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Nobelstraat 7-5 7131 PZ Lichtenvoorde BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0850-509852
Opdrachtgever: N+L Landschapsontwerpers Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 6683 versie 1.0 Ligging plangebied: Twikkelerweg 4a Markelo Auteur: H. van Gijn
Status: definitief Rapportdatum: 06-02-2025 Veldwerk uitgevoerd door: J. Tamminga
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2
Inhoudsopgave SAMENVATTING ................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1
INLEIDING ................................................................................................................................ 6
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED ...................................................................................................................... 7
2.1 Situering ................................................................................................................................................ 7 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................ 7 HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN .................................................................................................... 8
3.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ............. 9 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................ 9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied. ................................................................................................ 9 HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS .................................................................................................................. 10
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 10 4.2 Omgevingswet; Natura 2000............................................................................................................... 10 4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming ................................................................................................. 10 4.4 Specifieke zorgplicht............................................................................................................................ 11 4.5 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ...................................................................... 13 HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................................ 14
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 14 5.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................................................. 14 5.3 Natura 2000......................................................................................................................................... 15 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................ 18 HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING ........................................................................................................... 19
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ...................................................................................................... 19 6.1.1 Algemeen...................................................................................................................................... 19 6.1.2 Bronnenonderzoek ....................................................................................................................... 19 6.2 Veldonderzoek .................................................................................................................................... 20 6.3 Resultaten ........................................................................................................................................... 22 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep ............................................................................ 26 6.5 Historische gegevens en overige bronnen. ......................................................................................... 29 6.6 Volledigheid van het onderzoek.......................................................................................................... 29 HOOFDSTUK 7
CONCLUSIES........................................................................................................................... 30
3
SAMENVATTING Er zijn concrete plannen om een bestaande recreatiewoning te vergroten en te verbouwen naar woonhuis, gelegen aan Twikkelerweg 4a te Markelo. Tevens wordt er één nieuw bijgebouw in het plangebied gerealiseerd en wordt een deel van de aanwezige beplanting verwijderd. Verder wordt het plangebied nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van linde, eik en beu en erfbeplanting. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 23 juli 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde (natuur)gebieden, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied ligt volledig binnen de gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, maar ligt buiten Natura 2000-gebied. Er is sprake van een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Er dient een zorgvuldige afweging onderzocht te worden van alternatieven en er dient een compensatieplan opgesteld te worden. Daarvoor dient de systematiek van de provincie gehanteerd te worden, welke kwantitatief inzichtelijk maakt hoe groot de versterking van het Natuurnetwerk Nederland moet zijn. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen activiteiten worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate aangetast. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en de afstand tot het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, op voorhand uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is voor zowel de ontwikkel- als gebruiksfase niet noodzakelijk. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen ook worden uitgesloten.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied beschouwd voor beschermde reptielen en dag- en nachtvlinders. Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.
De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. 4
Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); • Onderzoek uitvoeren naar zorgvuldige afweging naar alternatieven; • Compensatieplan opstellen;
5
HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen om een bestaande recreatiewoning te vergroten en te verbouwen naar woonhuis, gelegen aan Twikkelerweg 4a te Markelo. Tevens wordt er één nieuw bijgebouw in het plangebied gerealiseerd en wordt een deel van de aanwezige beplanting verwijderd. Verder wordt het plangebied nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van linde, eik en beu en erfbeplanting. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Overijssel (Natuurnetwerk Nederland).
6
HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Twikkelerweg 4a te Markelo, gemeente Hof van Twente. Het ligt op circa 2 kilometer ten zuidoosten van de woonkern Markelo en wordt omgeven door bos- en landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: topotijdreis.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit bebouwing, beplanting, erfverharding en gazon. De bebouwing bestaat uit een recreatiewoning en een schuur. De recreatiewoning beschikt over gemetselde buitengevels (met spouwmuur) en over een dakpannen gedekt dak. De schuur is volledig van hout en is gedekt met golfplaten. Het aanwezige grasland bestaat uit een soortenarme vegetatie en wordt intensief beheerd. De beplanting bestaat uit enkele loof- en naaldbomen (o.a. zomereik), heesters en jonge opslag. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wodt verwezen naar de fotobijlage.
Luchtfoto met de begrenzing van het plangebied, aangegeven met de gele lijnen (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten).
7
HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om de bestaande recreatiewoning te vergroten en te verbouwen naar woonhuis. De bouwwerkzaamheden bestaan o.a. uit het verwijderen en aanbrengen van metselwerk, het verwijderen en aanbrengen van vloeren, het verwijderen en vervangen van het dak en het aanbrengen van isolatiemateriaal. Tevens wordt er één nieuw bijgebouw in het plangebied gerealiseerd en wordt een deel van de aanwezige beplanting verwijderd. Aangenomen wordt dat een deel van de aanwezige erfverharding verwijderd en vervangen wordt en dat er nieuwe erfverharding wordt aangelegd. Verder wordt het plangebied nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van linde, eik en beu en erfbeplanting. Op onderstaande afbeelding wordt een plattegrond van het wenselijk eindbeeld weergegeven.
Plattegrond van het wenselijk eindbeeld (bron: N+L Landschapsontwerpers).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit : • Verwijderen beplanting; • Verbouwen woning; • Realiseren vergroting woning en bijgebouw; • Aanleggen erfverharding; • Aanleggen beplanting; • Bewonen nieuwe woning;
8
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van rooi-, sloop- en bouwwerkzaamheden en het bewonen van de nieuwe woning. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan bosperceel en verharde weg. De beschermde soorten-/waarden in het aangrenzende bosperceel ondervinden geen extra licht- of geluidsverstoring door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Immers ligt het plangebied aangrenzend aan de Twikkelerweg, waar dagelijks verkeer overheen rijdt, waardoor beschermde soorten/waarden in het aangrenzende bosperceel al enige gewenning hebben aan geluids- en lichtverstoring.
Het is niet aannemlijk dat beschermde waarnen buiten het plangebied negatief beinvloed worden door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden. De invloedsfeer is lokaal.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelijk aan het plangebied.
9
HOOFDSTUK 4 TOETSINGSKADERS 4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt.
4.2 Omgevingswet; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.
4.3 Omgevingswet; Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (Artikel 11.37 t/m Artikel 11.40 Bal): 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van, van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b.
de activiteit uitvoering geeft aan: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Soorten Habitatrichtlijn (Artikel 11.46 t/m Artikel 11.48 Bal); Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; 10
c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Andere Soorten (Artikel 11.54 Bal) Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. Het verbod geldt niet als: a.
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1°.een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Ow een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Omgevingswet. Er is dan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit nodig.
4.4 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Het Bal geeft aan waaruit de specifieke zorgplicht in ieder geval bestaat. Dat is hierna toegelicht.
11
Toelichting op de verschillende verbodsbepalingen Bal.
12
Het is niet geheel duidelijk wat de consequenties zijn van een effect van een activiteit op soorten die vermeld staan op de Rode Lijst, evenals het toetsen van het effect van een activiteit op ‘trekvogels’. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1° van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2° van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3° dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4° voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Nieuw is de zorgplicht voor het aantasten van belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van vogels en soorten van de Rode lijst. Voor activiteiten die leiden tot overtreding van een verbodsbepaling dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen te worden (dit heette in de Wet natuurbescherming een ontheffing).
Indien sprake is van het aantasten van belangrijk leefgebied of natuurlijke habit van een Rode lijstsoort, dient een document opgesteld te worden. Dit zal vergelijkbaar zijn met een ecologisch werkprotocol (EWP). In een EWP wordt beschreven op welke wijze een negatief effect op beschermde soorten, soorten van de Rode Lijst en belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats voorkomen kan worden, of hoe dit hersteld kan worden. Ook wordt een monitoringsplicht ingevoerd tijdens en na de uitvoering van de werkzaamheden, indien maatregelen getroffen worden. Dit geldt alleen voor belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats.
4.5 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland Het Besluit kwaliteit leefomgeving is een AMvB onder de Omgevingswet waarin onder andere regelgeving over de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opgenomen. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels te n aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. 13
HOOFDSTUK 5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland.
5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken).
Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt volledig binnen gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland (NNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode lijnen aangeduid. Gronden die tot de Natuurnetwerk Natuurnetwerk behoren worden met de groene kleur aangeduid. (bron: atlasleefomogeving.nl/kaarten). 14
Toetsing aan provinciaal beleid Voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie Overijssel beleidsregels vastgesteld in de Omgevingsverordening Overijssel. Deze beleidsregels zijn als volgt: Artikel 4.62 (afwijking voor kleinschalige ontwikkelingen) In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan voorzien in een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als: a. er uit onderzoek blijkt dat een zorgvuldige afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden; b. de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate wordt aangetast; en c. er maatregelen worden getroffen waardoor per saldo: 1) versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden; of 2) een vergroting van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland plaatsvindt. Conclusie Er is sprake van een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen gronden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Er dient een zorgvuldige afweging onderzocht te worden van alternatieven en er dient een compensatieplan opgesteld te worden. Daarvoor dient de systematiek van de provincie gehanteerd te worden, welke kwantitatief inzichtelijk maakt hoe groot de versterking van het Natuurnetwerk Nederland moet zijn.
Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen activiteiten worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate aangetast. Bescherming houtopstanden De regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Besluit activiteit leefomgeving (Bal). Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art 11.129. Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de bebouwingscontour houtkap (art 11.111 lid 2 Bal). De regels gelden niet voor: • Houtopstanden kleiner dan 10 are; • Bomenrijen bestaande uit 20 bomen of minder; • Houtopstanden op erven of in tuinen13; • Bomen of struiken voor de teelt van vruchten of noten; • Windschermen om boomgaarden; • Kerstbomen niet ouder dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • het dunnen van een houtopstand voor de bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand; • Beplantingen van populieren, wilgen, essen of elzen voor productie van biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar worden geoogst, bestaan uit minstens 10.000 stoven/ha/be plantingseenheid en die zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Op de onderstaande kaart wordt de bebouwingscontour houtkap weergegeven met de rode kleur:
15
De bebouwingscontour houtkap wordt met de rode kleur aangegeven en de ligging van het plangebied wordt met de zwarte cirkel weergegeven. Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour houtkap (bron: Webapp Houtkap Omgevingswet DSO).
Toetsing aan regelgeving: De bomen in het plangebied vallen buiten de bebouwingscontour houtkap, zie bovenstaande kaart. De bomen in het plangebied vormen geen bomenrij omdat de bomen ver uit elkaar staan en de kronen van de bomen elkaar niet raken. Hierdoor geldt er voor het van de houtopstand geen algemene meld- en herplantplicht.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op.
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere 16