CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

03 TAM Omgevingsplan Spenkelinksweg 4, Ambt Delden Motivering (1).pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 14: TAM omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22q Spenkelinksweg 4 Ambt Delden19.838 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.3.2

Nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0'

4.3.2.1

Algemeen De nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0' is de opvolger van de nota Recreatie en Toerisme 2021-2027 en geeft een visie op de recreatieve sector tot 2030. De visie komt voort uit een aantal gezamenlijk gedragen uitgangspunten: Niet voor, maar door stakeholders. We vinden het belangrijk dat de visie samen met de sector is vormgegeven. Dit levert de meeste input op en zorgt -naast draagvlak- ook voor eigenaarschap. Toerisme en recreatie geen doel op zich. De vrijetijdseconomie biedt kansen om het woonplezier van inwoners te vergroten en bezoekers van buiten de gemeente aan te trekken. Goede toeristisch-recreatieve voorzieningen kunnen hier een mooie bijdrage aan leveren. Dit vraagt om een goede balans tussen 'people, planet, profit'. Denken vanuit kansen met oog voor deelgebieden/-thema's. Elke kern in de gemeente heeft zijn eigen karakteristieken, zo ook het buitengebied. Om de gemeente in samenhang te ontwikkelen én tegelijkertijd oog te hebben voor de afzonderlijke kenmerken- werken wij in deze visie vanuit thema's. Dit brengt focus aan in de visie en maakt het mogelijk om deze thema's individueel en vanuit samenhang te versterken. In samenwerking met de regio. Recreanten en toeristen denken niet vanuit gemeentegrenzen en daarom is het essentieel om de regio te betrekken.

Van belang is om als gemeente aan te sluiten bij de regio waar mogelijk en uit te blinken op onderscheidende aspecten. Dit laat zich vertalen naar een ambitie voor 2030:

26

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

"We zijn ambitieus en leggen de lat hoog. Niet door te kiezen voor meer, maar door te kiezen voor beter. We zetten in op een vrijetijdseconomie die jaarrond zorgt voor levendigheid. We blinken uit in ons culturele aanbod. Genieten van activiteiten in de natuur. En zetten de landgoederen en kastelen verder in de spotlights. Kortom, we willen hetgeen wat we hebben nog beter (beleefbaar) maken. We staan open voor nieuw onderscheidend aanbod. Daarvoor geldt dat onze eigen inwoners symbool staan voor de bezoekers die we willen trekken. We maken ons hard om onze eigen (regio)inwoner beter te bedienen. Dit maakt ons ook aantrekkelijk voor bezoekers van verder weg. We richten ons expliciet op de Millennials (met jonge kinderen). Gaan voor kwaliteit en kleinschaligheid. En bedienen nog beter dan nu de actieve natuur- & cultuurliefhebber. Nieuw aanbod laten we aansluiten bij de leefstijlen van eigen inwoners: de inzicht- en stijlzoekers. Met alles wat we doen, dragen we bij aan het geluk en de vitaliteit van inwoners, bezoekers en ondernemers. Niet alleen voor vandaag, maar ook voor toekomstige generaties." 4.3.2.2

Doelen De doelen voor de vrijetijdseconomie 2030 zijn onderverdeeld in de volgende onderdelen: Bewegen & beleven; Jaarrond; Kwalitatief & in samenhang. In voorliggend geval zijn met name de doelen ten aanzien van 'Kwalitiatief & in samenhang' van toepassing. Hierna worden de betreffende doelen benoemd: een divers en kwalitatief aanbod; 1. Groei verblijfsaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers. Van de huidige 7% stijlzoekers die ons bezoekt, streven we naar 10% in 2030. 2. Versterken huidige aanbod: Groei trendsetters dagrecreatie. Behoud hoge middenmoters. 3. Versterken culinair-& agrofood aanbod 4. Groei dagrecreatiefaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers. 5. Gastvrije informatiepunten voor iedereen vindbaar en toegankelijk. een hoffelijke samenwerking; 1. Versterken verbinding onderwijs en vrijetijdseconomie. 2. Versterken onderlinge samenwerking ondernemers. 3. Aansluiten bij regionale samenwerkingsverbanden en hierbij vanuit eigen positionering uitblinken. 4. Op gedeelde thema's actief samenwerken met de Achterhoek.

4.3.2.3

Toetsing aan de nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0' De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan bij de uitgangspunten van de nota ‘Beleef hoffelijkheid 2.0’ van de gemeente Hof van Twente. Met de realisatie van luxe plattelandsappartementen en een kleinschalig kampeerterrein met camperplaatsen en trekkershutten wordt het kwalitatieve en diverse vrijetijdsaanbod in het buitengebied versterkt, precies zoals beoogd in de nota. Op het erf worden tevens een natuurzwembad, wellness met sauna's en een wasplaats voor campers gerealiseerd. De nadruk op kwaliteit, kleinschaligheid en natuurbeleving komt overeen met de ambitie om unieke, onderscheidende recreatiemogelijkheden te bieden die aansluiten bij de wensen van (regio)inwoners en actief ingestelde bezoekers.

vastgesteld

27

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

4.3.3

Structuurvisie landelijk gebied

4.3.3.1

Algemeen In de 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente: een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen; een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart; een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument; een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen; een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen; een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur; een goede regionale infrastructuur. In de structuurvisie wordt onder andere ingegaan op recreatie en toerisme en landbouw.

Landbouw De gemeente Hof van Twente kiest ervoor om ruimte te bieden aan een grootschalige gespecialiseerde agrarische sector. Naast het faciliteren van de groei van het agrarische bedrijf onder de voorwaarde van een landschappelijke inpassing richt het beleid zich tevens op het behoud van landschapswaarden die aan agrarische gronden verbonden zijn. Hof van Twente biedt ook mogelijkheden voor verbrede landbouw. Bij een nevenactiviteit zal worden toegezien op het behoud van de agrarische uitstraling en een goede inpassing van het erf. Recreatie en toerisme (kampeerterreinen) Ten aanzien van kampeerterreinen geldt dat het beleid gericht is op voorzetting van de reeds in gang gezette kwaliteitsverbetering. Er is tevens ruimte voor kwalitatief hoogstaand kampeerterreinen. Deze dient bij te dragen aan een differentiatie in aanbod. Kleinschalige kampeerterreinen dragen in belangrijke mate bij aan thematisering van recreatie en aandacht voor het beleven van het platteland. Om deze thematisering te behouden zijn zij alleen toegestaan bij (voormalig) agrarische bedrijven. Nieuwe kampeerterreinen zijn onder voorwaarden van landschappelijke inpassing mogelijk. Kampeerterreinen zijn alleen toegestaan in het oosten van de gemeente. Tevens is het quotum ingesteld dat het totaal aantal standplaatsen niet meer bedraagt dan 10% van de standplaatsen op reguliere kampeerterreinen.

Op ieder terrein kunnen 15 plaatsen worden geboden, waarbij na zorgvuldige afweging afhankelijk van de omgevingskwaliteiten een uitbreiding tot 25 standplaatsen kan worden toegestaan.

28

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

4.3.3.2

Toetsing aan de structuurvisie landelijk gebied Het plangebied ligt binnen het gebied waar nieuwvesting van kampeerterreinen mogelijk is. Het ligt op basis van het kaartbeeld in het oosten van de gemeente bij een agrarisch bedrijf. Daarbij wordt voldaan aan de ambitie om kwalitatief hoogstaande kampeerterreinen te bieden. Het gaat hier immers om kamperen met veel luxe voorzieningen, waarmee het onderscheidend is van andere kampeerterreinen. De 25 plaatsen zijn nodig om een toekomstbestendige functie te maken en het economisch rendabel te maken. Er moet na de het opheffen van de intensieve tak immers een duurzame economische drager gevonden worden. Door de forse investeringen in zowel landschap als sloop, waarbij een grote impuls is, kan dit goed worden onderbouwd. Ten aanzien van landbouw geldt dat het initiatief aansluit bij het zoeken naar verbrede landbouw. Door actuele ontwikkeling is omvorming naar een akkerbouw en veeteeltbedrijf in combinatie met recreatie noodzakelijk om een toekomstbestendig geheel te creëren. Het plan is dan ook in overeenstemming met de structuurvisie landelijk gebied.

4.3.4 KGO beleid 2023 "Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst" 4.3.4.1

Algemeen Het gemeentelijke KGO beleid is vastgelegd in de beleidsnota "Grond voor gebruik, ontwikkel nu erfenis voor de toekomst". De beleidsnota voorziet in kaders met betrekking tot rood-voor-rood, het uitbreiden van niet agrarische bedrijven in het buitengebied, hergebruik van Vrijkomende Agrarisch Bebouwing (VAB) en sloopvoucher regeling. Hierna wordt ingegaan op deze kaders.

4.3.4.2

Rood-voor-rood De Rood voor Rood-regeling gaat in de basis nog steeds uit van slopen met gesloten beurs. In de Hof van Twente wordt uitgegaan van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m2, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De eventuele overige opstallen op het erf dienen ook gesloopt te worden en daarvoor kan een zogeheten sloopvoucher worden verkregen. Die ingezet kan worden bij projecten waar de zogeheten restmeters van toepassing zijn. De resterende meters zijn meters boven de 1.000 m2 die overblijven en niet ingezet kunnen worden voor het realiseren van nieuwe compensatiewoningen. Deze rest meters kunnen bijvoorbeeld ingezet worden voor het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen, extra inhoud van bestaande woningen of de uitbreiding van niet agrarische bedrijfsgebouwen. Afbakening van beleid: De maximale inhoud voor de te realiseren woning op de compensatiekavel bedraagt 750 m3. De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing (ensemble) te bewerkstelligen. De compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering.

Het erf en de tuin worden samen met de nieuwe woning en het daarbij behorende bijgebouw op de compensatiekavel gerealiseerd. Uitgangspunt voor de grootte van het bijgebouw op de compensatiekavel is maximaal 150m2. Ook kan extra sloopoppervlakte worden ingezet voor het realiseren van een extra bijgebouw, conform de regels van afwijking “extra bijgebouwen bij woonbestemming tot 450 m2”. De Rood voor Rood-regeling gaat altijd uit van de sloop van het gehele complex

vastgesteld

29

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

met voormalige agrarische gebouwen, erfverhardingen, mestplaten, mestsilo’s, mestkelders, kassen voor hobby en nevenactiviteiten, sleufsilo’s met uitzondering van de bedrijfswoning en karakteristieke bebouwing. Eventueel aanwezige (karakteristieke) bebouwing kan functioneel worden aangewend. De beoordeling vindt plaats conform het beleid betreffende hergebruik voormalig agrarische bedrijfsgebouwen (VAB-beleid). In specifieke situaties kan een gebouw blijven staan voor het uitoefenen van een hobby of economische activiteit, ook als het gebouw niet direct karakteristiek is. Hierbij vindt per geval maatwerk plaats, afhankelijk van de relatie van deze gebouwen met de omgeving, de overig aanwezige en te realiseren gebouwen op het erf en de relatieve afname van de bebouwde oppervlakte. 4.3.4.3

Hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) Uitgangspunt is dat bestaande vrijgekomen voormalige agrarische bedrijfsgebouwen hergebruikt worden voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten. In uitzonderlijke situaties kan medewerking worden verleend aan kleinschalige uitbreiding. Daarbij moet wel inzichtelijk worden gemaakt worden of het bedrijf nog wel op de juiste locatie zit en niet beter kan verhuizen naar een bedrijventerrein. Voor iedere uitbreiding geldt dat als basis inspanning het terrein zorgvuldig landschappelijk dient te worden ingepast, waarbij aansluiting wordt gezocht met de identiteit van het omringende landschap. In aanvulling op de basis inspanning moet voor elke 1 m2 bebouwing het tweevoudige aan landschap ontsierende bebouwing worden gesloopt binnen de Hof van Twente. Verder gelden de volgende toetsingscriteria: de activiteiten moeten binnen de gebouwen plaatsvinden; er mag geen buitenopslag plaatsvinden; de nieuwe functie moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en mag geen ongewenste verstedelijking of aantasting van de landschappelijke waarden veroorzaken. Dit kan eventueel gepaard gaan met sloop van een deel van de bestaande bebouwing.

de nieuwe activiteit mag de bestaande agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmeren in hun bedrijfsvoering; de nieuwe activiteit moet behoren tot de categorie 1 en 2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” dan wel een daarmee gelijk te stellen activiteit; het milieu mag niet extra worden belast ten opzichte van de milieubelasting van het stoppende of gestopte (deel van het) bedrijf (stank, geluid, luchtkwaliteit, veiligheid etc.; de bestaande infrastructuur moet berekend zijn op de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; eventuele parkeerplaatsen worden ingepast in het groen c.q. omgeving; er mag geen sprake zijn van een industriële uitstraling, dergelijke activiteiten behoren op een industrieterrein; er moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing, waarvoor het noodzakelijk is om een landschapsplan voor het totale erf (en de directe omgeving) ingediend moet worden; er mag geen sprake zijn van detailhandel, anders dan ter plaatse vervaardigde producten, waarbij er geen sprake is van enige tussenhandel. reclame-uitingen dienen in overeenstemming te zijn met het reclamebeleid van de gemeente Hof van Twente.

30

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

4.3.4.4

Sloopvoucher-regeling Erfeigenaren die graag de vrijkomende landschap ontsierende gebouwen op het erf willen slopen kunnen hiervoor een sloopvoucher aanvragen. Deze voucher kan op een later moment ingebracht worden bij een project waarvoor sloopcompensatie nodig is. In deze sloopvoucher wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte te slopen bebouwing in aanmerking komt. Deze voucher is 10 jaar geldig en kan ingezet worden bij projecten waarvoor sloopcompensatie nodig is. Om gebruik te kunnen maken van de voucher-regeling moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: de oppervlakte te slopen bebouwing kan niet terug worden gebouwd; de oppervlakte te slopen bebouwing is afkomstig uit de gemeente Hof van Twente; op de slooplocaties blijft maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is de regeling ‘herbouw bijgebouw tot 450 m2’ van toepassing; eerdere verplichtingen kunnen niet in de regeling worden ingebracht; Alle asbest moet worden gesaneerd. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd; Als de functie nog Agrarisch is moet deze gewijzigd worden naar een woonfunctie, tenzij is aangetoond dat de agrarisch functie noodzakelijk is voor de toekomst.

4.3.4.5

Toetsing van het initiatief aan het KGO beleid 2023 Hierna wordt getoetst aan de relevante aspecten van het KGO beleid 2023. Rood-voor-rood Het voornemen voorziet in de sloop van 6.081 m2 aan landschapsontsierende bebouwing in de vorm van stallen van de varkenshouderij. Aangezien er 6.081 m2 aan agrarische bebouwing wordt gesloopt, is er sprake van een substantiële vermindering. Er wordt geen nieuwe woning gerealiseerd. De sloopmeters die niet voor de vervolgfuncties worden gebruikt worden dan ook omgezet naar sloopvouchers. Hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) Voor de vervolgfuncties, in de vorm van het akkerbouwbedrijf en recreatie wordt een schuur van 1.575 m2 hergebouwd. In dit geval is er sprake van maatwerk. Een nieuw bedrijfsgebouw mag namelijk in beginsel niet groter zijn dan 500 m2. Voor de overige 1.075 m2 wordt daarom het dubbelaantal sloopmeters ingezet. In totaal worden voor de schuur 2*1.075= 2.150 m2 aan sloopmeters ingezet. Daarnaast wordt er een multifunctioneel bijgebouw gerealiseerd, onder andere ten behoeve van het kampeerterrein. Dit gebouw heeft een oppervlak van 170 m2. Uit het KGO-beleid blijkt dat voor bijgebouwen het dubbel aantal sloopmeters moeten worden ingezet. Voor dit bijgebouw worden dan ook 340 m2 aan sloopmeters ingezet.

In totaal geldt voor de vervolgfuncties daarmee dat er 2.150 m2 +340 m2 = 2.490 m2 aan sloopmeters moeten worden ingezet. Tijdens de vergunningverlening voor de bouw van de plattelandsappartementen is aangetoond dat dit in overeenstemming was met het KGO-beleid. Destijds is er 725 m2 aan agrarische bebouwing gesloopt, separaat van de huidige 6.081 m2. Vanuit het beleid mocht hiervan maximaal 300 m2 woorden ingericht als plattelandsappartementen. Conform artikel 49.4 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' mocht hier bij uitzondering sprake zijn van nieuwbouw, aangezien de ruimtelijke kwaliteit verbeterde door de absolute afname van 325 m2 aan bebouwing en landschappelijk inpassing van de plattelandsappartementen. Binnen dit gebouw worden zes luxe plattelandsappartementen gerealiseerd met een gebruiksoppervlak van 90 m2 per appartment. Sloopvoucher-regeling Na het realiseren van de bovengenoemde ontwikkelingen, blijft er dus (6.081 m² - 2.150

vastgesteld

31

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

m² - 340 m² =) 3.591 m² aan sloopmeters over. Met de gemeente is afgestemd dat de agrarische functie behouden blijft, waarbij het bouwvlak wordt verkleind. Aan de voorwaarden die worden gesteld om gebruik te kunnen maken van de voucher-regeling wordt voldaan. 4.3.5

Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende gemeentelijke beleid.

32

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

Hoofdstuk 5 5.1

Milieuzonering

5.1.1

Algemeen

Omgevingsaspecten

Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)', zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. De VNG heeft de handreiking Activiteiten en milieuzonering uitgevracht als opvolger van de bekende uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 ('het groene boekje') en de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl. Momenteel kan deze echter nog niet worden gebruikt in de gemeente Hof van Twente.

In maart 2023 heeft de VNG daarom een kort advies gepubliceerd hoe in de tussenperiode om te gaan met actualisatie van planregelingen en nieuwe ontwikkelingen. Hierin wordt aangegeven dat de systematiek vanuit de bedrijven en milieuzonering 2009 voorlopig gehandhaafd kan blijven indien voldaan wordt aan de richtafstanden. 5.1.2

Situatie plangebied Akkerbouwbedrijf en kampeerterrein Akkerbouwbedrijven hebben op basis van de VNG-uitgave milieucategorie 2. Voor geluid geldt hierbij een richtafstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige functie, met uitzondering van de bedrijfswoningen binnen het plangebied is de bedrijfswoning aan de Spenkelinksweg 6a. Deze bevindt zich op een afstand van 80 meter van de wagenbergingen. Aan de richtafstand wordt daarmee voldaan. Kampeerterreinen hebben op basis van de VNG-uitgave milieucategorie 3.1. Voor geluid geldt hierbij een richtafstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie, met uitzondering van de bedrijfswoningen binnen het plangebied is de bedrijfswoning aan de Spenkelinksweg 6a. Deze bevindt zich op een afstand van meer dan 100 meter van de camperplaats. Aan de richtafstand wordt daarmee voldaan.

5.1.3

Conclusie Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

vastgesteld

33

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

5.2

Omgevingsveiligheid

5.2.1

Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan.

In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

5.2.2

Situatie plangebied Aan hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart externe veiligheid met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe ster indicatief weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied niet in de nabijheid van risicobronnen of binnen aandachtsgebieden van risicobronnen ligt. Ten noorden van het plangebied ligt een gasleiding. Deze ligt op circa 530 meter van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied van deze leiding. Ten oosten, op circa 930 meter van het

34

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

plangebied wordt propaangas opgeslagen. Gelet op deze afstanden kan geconcludeerd worden dat er geen (veiligheids)maatregelen getroffen hoeven te worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Het aspect externe veiligheid is hiermee voldoende geborgd.

Afbeelding 5.1: Risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlasleefomgeving.nl, bewerkt) 5.2.3

Conclusie Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving in het kader van omgevingsveiligheid.

5.3

Geluid door activiteiten

5.3.1

Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

vastgesteld

35

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3.2

Situatie plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling worden er geen geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd. De plattelandsappartementen, trekkershutten en kampeerplaatsen worden niet beschouwd als geluidgevoelige gebouwen. Het Bkl wijst namelijk recreatiewoningen niet aan als geluidgevoelig gebouw. Een geluidgevoelig gebouw is namelijk een gebouw, of een gedeelte daarvan, met een woonfunctie en eventuele nevengebruiksfuncties en in deze gebouwen zijn niet bedoeld voor langdurig gebruik. Aangezien er geen sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelige gebouw is verdere toetsing aan geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen niet aan de orde. De te realiseren recreatie en het akkerbouwbedrijf kunnen wel voor geluidshinder in de omgeving zorgen. Dit deel van het aspect geluid is behandel in paragraaf 5.1 Milieuzonering.

5.3.3

Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.4

Bodemkwaliteit

5.4.1

Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en

36

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 5.4.2

Situatie plangebied De bodemkwaliteit van het plangebied is onderzocht conform NEN5725, NEN 5740 en NEN 5707. Hieruit bleek dat asbest gesaneerd dient te worden. Naar aanleinding hiervan heeft Bureau BAS de aanwezige asbest gesaneerd. Het rapport hiervan is opgenomen in Bijlage 2 van deze ruimtelijke motivering. Hieruit blijkt dat er 4150 m2 met een maximale diepte van 2 meter ontgraven is. Hiermee voldoet de bodemkwaliteit aan de kwaliteitseisen voor het voornemen.

5.4.3

Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Luchtkwaliteit

5.5.1

Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

vastgesteld

37

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. 5.5.2

Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Zo is de verkeersgeneratie (een belangrijke bron van luchtvervuiling) afkomstig van de woningen beperkt. Daarnaast is het voornemen getoetst aan de NIBM-tool. Hieruit blijkt (afbeelding 5.2) dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Afbeelding 5.2: NIBM-tool (Bron: IPLO.nl, bewerkt) 5.5.3

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

38

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandseisen Randvoorwaarden

5.6.2

Situatie plangebied Met de voorgenomen ontwikkeling wordt recreatie mogelijk gemaakt. Om inzicht te geven in de eventuele invloed van geurhinder door omliggende geurbronnen is er een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Om het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen is zowel de voor- als de achtergrondgeurbelasting berekend. Vanwege de dominante veehouderij aan de

vastgesteld

39

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

Spenkelinksweg 6 bedraagt de voorgrondgeurbelasting ten hoogste 27,0 OUE/m3 ter plaatse van het plangebied. Het woon- en leefklimaat qua voorgrondgeurbelasting is volgens de berekening als ‘extreem slecht’ te kwalificeren. Deachtergrondgeurbelasting bedraagt ten hoogste 23,59 OUE/m3. Het woon- en leefklimaat is wat betreft achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied te kwalificeren als ‘tamelijk slecht.Bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat bestaat de volgende vuistregel: de voorgrondgeurbelasting is maatgevend als die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In deze situatie is de voorgrondgeurbelasting maatgevend en is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘extreem slecht’. Gesteld wordt dat dit de maximale belasting bedraagt. Voor zowel de voorgrond als de achtergrondgeurbelasting geldt dat deze op het grootste gedeelte van het plangebied veel lager ligt. Dit houdt in dat de geurbelasting op het grootste deel van het plangebied veel beter is. de zwaarste belasting is aan de noordzijde van het plangebied. Hier zijn de wagenbergingen gerealiseerd. Ter plaatse van de woningen en het kampeerterrein is er sprake van een woon- en leefklimaat dat is te kwalificeren als 'goed'.

Hoewel uit het geuronderzoek volgt dat ter plaatse van een beperkt deel van het plangebied sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde uit artikel 5.109 Bkl, wordt voldaan aan de grenswaarde. Gelet op de ligging van het plangebied in het buitengebied, de beëindiging van de intensieve veehouderij op het perceel zelf, de ruimtelijke spreiding van de geurbelasting en de situering van de verblijfsfuncties, kan het woon- en leefklimaat ter plaatse gemotiveerd aanvaardbaar worden geacht. Voor het kampeerterrein en de trekkershutten geldt dat sprake is van niet-permanent recreatief gebruik, waardoor deze functies niet als geurgevoelig gebouw worden aangemerkt. Daarnaast is in paragraaf 5.1 Milieuzonering aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten niet leiden aantasting va het woon- en leefklimaat van omliggende woningen. 5.6.3

Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Trillingshinder

5.7.1

Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1.

Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden

40

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven. 5.7.2

Situatie plangebied Er is geen sprake van het realiseren van trillinggevoelige gebouwen. Daarnaast is er geen sprake van het toevoegen van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Aangezien de afstand tot de dichtst bijgelegen spoorlijn circa 1,6 kilometer bedraagt, is geen nader onderzoek nodig naar spoortrillingen.

5.7.3

Conclusie Vanuit het aspect trillingshinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Gezondheid

5.8.1

Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.

5.8.2

Situatie plangebied In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging. Daarnaast wordt vermeld dat ook de ter plaatse aanwezige milieukwaliteit verbeterd. Doordat op de locatie in de toekomst geen veehouderijbedrijf mag worden uitgeoefend, wordt zowel het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf als een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf uitgesloten. In de toekomstige situatie worden hobbymatig dieren gehouden. Deze kleinschaligheid leidt echter tot een substantiële verbetering ten opzichte van het veehouderijbedrijf. Door de staking van de veehouderij, met als gevolg dat de ammoniakemissie aanzienlijk zal afnemen, wordt bovendien bijgedragen aan verbetering en bescherming van de gezondheid. Daarmee wordt de leefomgeving verbeterd, wat een positieve invloed heeft op de

vastgesteld

41

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

gezondheid. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet. 5.8.3

Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

5.9

Water

5.9.1

Algemeen Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.

Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater; Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken

42

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. Waterplan Hof van Twente Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort.

Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd. Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd. 5.9.2

Situatie plangebied Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Middels een watertoets is het Waterschap geïnformeerd over het voornemen, opgenomen in Bijlage 6 van deze motivering. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Er worden geen waterbelangen geraakt. Hierna is de standaard waterparagraaf opgenomen. Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak af.

Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Er is geen sprake van het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de

vastgesteld

43

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Op deze wijze kan regenbui T=100+10% worden opgevangen in het plangebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Grondwaterbeheer De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. 5.9.3

Conclusie Met de voorgenomen activiteitten binnnen het plan worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

5.10

Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

5.10.1

Gebiedsbescherming

5.10.1.1

Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijking van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;

44

vastgesteld

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 5.10.1.1.1

Situatie plangebied Als onderdeel van gebiedsbescherming en de beoordeling van of het voorliggende plan negatieve effecten heeft voor Natura 2000-gebieden, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (AERIUS) door van Engberts Adviseurs. Na invoer van de noodzakelijke gegevens in de AERIUS Calculator blijkt dat het project niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden. De stukken behorende bij de berekening zijn opgenomen in Bijlage 4 van deze motivering.

5.10.1.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

5.10.1.2.1

Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 1,8 kilometer afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.10.2

Soortenbescherming

5.10.2.1

Algemeen Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

5.10.2.2

Situatie plangebied Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 5 van deze motivering. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Als gevolg van het verwijderen van beplanting tijdens

vastgesteld

45

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente 22q Spenkelinksweg 4, Ambt Delden

de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën opzettelijk gedood worden, dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. 5.10.3

Conclusie Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

5.11

Archeologie & Cultuurhistorie

5.11.1

Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4289/documents/59953