02 TAM-omgevingsplan Rikkerinksweg 6 Toelichting
Tekst van het document
De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
• Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 26 Situatie plangebied De functie van de planlocatie wijzigt naar “Wonen” en “Wonen-Vab”. Er zullen voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt worden en ook wordt de bedrijfswoning op nummer 8 gesloopt. De bestaande bedrijfswoning wordt op de plek van de te slopen bedrijfsgebouwen teruggebouwd, evenals de compensatiewoning. Ook zullen hiervoor in de plaatst twee burgerwoningen worden teruggebouwd. Het bodemonderzoek is weergegeven in bijlage 2 bij de toelichting van dit TAM-omgevingsplan. Conclusie Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • De opgeboorde bovengrond is op meerdere plaatsen als zwak baksteenhoudend beoordeeld; • In MM01 van de bovengrond zijn PCB en lood aangetoond in een gehalte in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Waarschijnlijk is het licht verhoogde gehalte lood gerelateerd aan de baksteen bijmenging, het gehalte PCB’s kan veroorzaakt zijn door het agrarisch gebruik van de locatie.
• In MM02 van de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. • In MM03 van de ondergrond is PCB aangetoond in een gehalte in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. • In geen van de geanalyseerde parameters in grond is de waarde voor nader onderzoek (matig verontreinigd) en/of de interventiewaarde (sterk verontreinigd) overschreden. • De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de boven- en ondergrond vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. • In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten. • De hypothese “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt formeel gezien verworpen. De gemeten gehalten geven echter geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek. Uit vooroverleg met de gemeente volgt dat er, gelet op het voorgaande, aanvullend bodemonderzoek over het gehele plangebied benodigd is om het planvoornemen mogelijk te maken. Dit onderzoek is inmiddels conform NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd. Het aanvullende bodemonderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting bij dit definitieve TAM-omgevingsplan gevoegd. 4.3 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl.
Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en 27 fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Situatie plangebied Door het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie zorgt ervoor dat het ter plaatse niet meer is toegestaan om bedrijfsmatig landbouwhuisdieren voor productie te houden. En heeft daarom een positief invloed op de luchtkwaliteit. Deze wijziging leidt tot een forse afname van de uitstoot van fijnstof en geur.
4.4 Omgevingsveiligheid Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar.
Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: 28 1. Opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). 2. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 3. Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 4. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Situatie plangebied Aan de hand van de kaart ‘externe veiligheid’ is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied.
Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de kaart weergegeven. Het plangebied is met de blauwe I aangegeven. Figuur 9 Uitsnede risicokaart en planlocatie
29 De planlocatie is gelegen in het brand aandachtsgebied, omdat er een pijpleiding van defensie langs de Rikkerinksweg loopt. Gezien het huidige en beoogde gebruik van het plangebied zal dit geen invloed hebben op de veiligheid van de planlocatie. Dit omdat de nieuwe woningen buiten deze contour gebouwd zullen worden en hier dus geen hinder van ondervinden. Verder zijn er in en rond het plangebied geen risicobronnen aanwezig. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.5 Milieuzonering Algemeen Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG-handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand.
De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel functies. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. Er dient daarnaast sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de beoogde situatie. Daarvan is sprake als er een balans is tussen de milieubelastende- en milieugevoelige activiteiten. Situatie plangebied In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in de gemeente Hof van Twente. De locatie ligt in het buitengebied, er zijn verschillende maar vooral agrarische bedrijven in de buurt gelegen. Daarom wordt voor dit plan uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat de richtafstanden met 1 stap verkleind kunnen worden. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt: 30 Interne en externe werking Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. Past de functie in de omgeving? (Externe werking); 2. Laat de omgeving de functie toe? (Interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In de beoogde situatie wordt de functie ‘Wonen’ en ‘Wonen – Vab’, waardoor er geen landbouwhuisdieren voor de productie meer gehouden mogen worden op deze locatie.
Dit zorgt niet voor fysieke wijzigingen met nadelige effecten op de omgeving. Ook wordt een woning zelf niet gezien als een milieubelastende activiteit. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Er is sprake van een nieuwe functie naar Wonen, het dichtstbijzijnde agrarische perceel is gelegen op een afstand van circa 450 meter vanaf de compensatiewoning. Deze afstand voldoet ruim aan de gestelde richtafstand waardoor de nieuwe functie geen hinder ondervindt van de bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Woon- en leefklimaat In deze situatie is er sprake van het verplaatsen van de bestaande bedrijfswoning op nummer 8 en het toevoegen van een compensatiekavel doormiddel van rood voor rood. De verdere werkzaamheden op de locatie zullen gelijk blijven (caravanstalling en opslag) waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op de omliggende (bedrijfs)woningen. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
31 4.6 Ecologie Algemeen De Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur bevatten onder de Omgevingswet de regels met betrekking tot natuurbescherming. De regels met betrekking tot stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. Bescherming in het kader van de natuur is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natura 2000-gebieden en het Nederlands Natuurnetwerk. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van beschermde natuur. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied '' ligt op circa 8 kilometer afstand van het projectgebied. Het verbod op het houden van landbouwhuisdieren op deze locatie heeft een positief effect op de beschermde Natura 2000-gebieden. Door deze ontwikkeling vindt er minder stikstofuitstoot plaats.
Figuur 10 Afstand planlocatie tot nabijgelegen Natura 2000-gebied (bron: AERIUS)
32 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied ligt niet in een NNN. Het meest dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 250 meter afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Figuur 11 Planlocatie ten opzichte van NNN-Gebied (bron: GeoPublisher-viewer) Soortenbescherming De soortenbescherming richt zich onder andere op de bescherming van dier- en plantensoorten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Een quickscan flora & fauna is bijgevoegd als bijlage 4 bij de toelichting bij dit plan.
33 Op basis van de quickscan flora & fauna planvoornemen kan er worden geconcludeerd dat er geen werkzaamheden plaatsvinden, die negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000 gebieden, beschermde Natuurmonumenten, Natuurnetwerk Nederland of natuur buiten het NNN. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 4.7 Archeologie en cultuurhistorie Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie De locatie is gelegen binnen een gebied met een archeologische verwachtingwaarde.
De voor 'Waarde – Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Het geldende omgevingsplan heeft aan het plangebied de functie 'Waarde - Archeologische verwachting 1' toegekend. Dat betekent dat de voor deze functie aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In principe is het hierdoor niet toegestaan om op deze gronden nieuwe gebouwen te bouwen en bestaande en legale gebouwen te vergroten. Hiervan kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Een omgevingsvergunning is niet nodig als: • uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn op de betrokken locatie; • het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut; • de voor het bouwen benodigde grondbewerkingen niet dieper zijn dan 0,40 m vanaf maaiveld of het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2.
Het gebied waar de beoogde sloop- en bouwwerkzaamheden plaats zullen vinden, is ruimschoots kleiner dan 2.500 m². Dat betekent dat een omgevingsvergunning niet noodzakelijk is, evenals archeologisch onderzoek. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 34 4.8 Trillingshinder Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 bruidsschat van de bruidsschat. De Omgevingswet beschermt trilling gevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
Trillingshinder is met name een aandachtspunt indien de afstand tot het spoor van minder dan 250 meter bedraagt. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Situatie plangebied Bij deze ontwikkeling voorziet in de verplaatsing van de bestaande bedrijfswoning op nummer 8 en het toevoegen van een compensatiekavel doormiddel van rood voor rood. Er is al sprake van een bedrijfswoning. De verplaatsing veroorzaak geen extra trillingen. Andersom geldt dat de bedrijfswoning ook een trilling gevoelig gebouw is net als een woning met een woonfunctie. De verplaatste bedrijfswoning en compensatiekavel liggen op een ruime afstand van het spoor. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.9 Wateraspecten Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie.
Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. 35 Watervisie 2050 Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld.
In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners. De drie belangrijkste opgaves zijn: • de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering; • de waterkwaliteit die onder druk staat: • de transitie naar een duurzame ontwikkeling. De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie.
Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe. Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaat robuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt: • Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting. • Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem. • Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem. Weging van het waterbelang in voorliggend plan Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. 36 Voorbeelden zijn: • grondwater; • oppervlaktewater; • regenwater en; • afvalwater.
Planspecifiek Op 22 april 2025 is een digitale watertoets uitgevoerd op de website hetwateradvies.nl. De watertoets is als losse bijlage opgenomen bij deze motivering. Door beantwoording van de vragen blijkt overleg nodig te zijn met het waterschap Vechtstromen. Voorliggend plan dient derhalve aan het waterschap voorgelegd te worden. Advies waterschap Vechtstromen Oppervlaktewater Legger Het plangebied wordt begrensd door een leggerwaterloop (de Hagmolenbeek) aan de zuidzijde en door het Twentekanaal (zijtak Almelo) aan de oostzijde. Op de Hagmolenbeek is de waterverordening van het waterschap Vechtstromen van toepassing. Bij de inrichting van het terrein dient een beschermingszone van 5 meter vanaf de insteek van de watergang obstakelvrij te blijven. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone is een watervergunning vereist. Invloed op plan De nieuwe gebouwen op de locatie en de landschappelijke inpassing (te realiseren bomen en houtwal), worden op zodanige wijze geplaatst dat er ruim 5 meter vrije ruimte tot de Hagmolenbeek overblijft. Waterkering Op de kade langs het Twentekanaal is het beleid voor waterkeringen van toepassing. Zie de tekst die is gegenereerd door de digitale watertoets.
Onderdeel van het beleid voor het borgen van meerlaagsveiligheid is dat er geen nieuwe kwetsbare functies worden gerealiseerd in achterliggende gebieden die gevoelig zijn voor overstroming. Aangezien in het plangebied 2 nieuwe woningen zijn voorzien is de bescherming tegen overstroming op deze locatie wel een aandachtspunt. Wij verzoeken jullie om aan te geven hoe hier in het plangebied mee wordt omgegaan. Er wordt maar 1 nieuwe woning gerealiseerd (zuidelijke woning), de noordelijke woning betreft verplaatsing van het bouwrecht van de Rikkerinksweg 8 in westelijke richting, verder van het Twentekanaal af. Verder is het plangebied op een van de hoogste punten (+ 11,1 m NAP) gelegen ten opzichte van andere locaties rondom de zijtak Almelo. Het is aannemelijker dat een eventuele overstroming noordelijker plaatsvindt, zoals in het Deldenerbroek nabij het Grasbroek of nabij Ypelo / de Doorbraak (beide ongeveer + 9,7m NAP). Uit de normeringskaart van waterschap Vechtstromen vormt dan ook geen risico op inundatie van minder dan 1:100 jaar. Hemelwater Compensatie verhard oppervlak In de ruimtelijke onderbouwing dient ook aangegeven te worden hoe in het plangebied omgegaan wordt met hemelwater dat afstroomt van de verharde oppervlakken.
Het waterschap streeft naar een klimaatrobuuste inrichting van het gebied en wil bij nieuwe ontwikkelingen voorkomen dat afwenteling van wateroverlast naar de omgeving kan optreden. We vragen daarom om het hemelwater van de verharde oppervlakken zo veel mogelijk te bergen alvorens het afgevoerd wordt naar het oppervlaktewater, Voor nieuw verhard oppervlak hanteren wij een bergingsvolume van 95mm binnen het plangebied. 37 Invloed op plan De beoogde ontwikkelingen zorgen ervoor dat het verhard oppervlak op het perceel sterk afneemt. Er wordt 4.053 m2 staloppervlak + 117 m2 oppervlak van de woning aan de Rikkerinksweg 8 gesloopt, hier komen 2 woningen (+- 150 m2 per stuk) en 2x 150 m2 bijgebouw voor terug. Qua oppervlakte bestrating zijn er per saldo geen wijzigingen, de bestrating aan de zuidzijde en noordzijde van de stallen vervalt, evenals de noordwestelijk gelegen inrit. Hiervoor in de plaats komt de bestrating in de vorm van een oprit naar beide woningen. Per saldo is er dus sprake van een afname van ongeveer 3.570 m2 verhard oppervlak. Conclusie Vanuit het aspect 'Water' zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan. 4.10 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling.
Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW bovengenoemde publicatie opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Hierbij wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde aangehouden. Plan specifiek Verkeersbewegingen In de huidige situatie is hier een pluimveebedrijf gevestigd. De geschatte aantal verkeersbewegingen zijn in beeld gebracht op basis van de CROW-kengetallen. Op basis van de CROW-kengetallen kan de beoogde situatie worden aangemerkt als categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’. Voor deze categorie geldt een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 verkeersbewegingen in het buitengebied per dag ( dit keer omdat er 2 woningen worden gerealiseerd).
Deze verkeersbewegingen zullen niet leiden tot een onacceptabele toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van het voormalige gebruik. Dit omdat het agrarische bedrijf beëindigd wordt en veel meer verkeersbewegingen met zich meebrengt. Verkeersveiligheid Het plangebied heeft een goede ontsluiting middels een brede uitrit op de Rikkerinksweg. Het verkeer kan met goed zicht het erf op en af rijden. Dit zorg voor een goede bereikbaarheid van het perceel. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren en te draaien. Dit voorkomt gevaarlijke situaties op de Rikkerinksweg. Parkeren De geschatte aantal parkeerplekken is in beeld gebracht op basis van de CROW-kengetallen. Op basis van de CROW-kengetallen kan de beoogde situatie worden aangemerkt als categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’. Voor deze categorie geldt een kengetal van 1,7 tot 2,5 parkeerplekken in het buitengebied. Omdat er 2 huizen worden gerealiseerd zullen er maximaal 5 parkeerplekken gerealiseerd moeten worden. Hiervoor is voldoende ruimte op het erf. Parkeren vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren geen beperking vormt voor het voorgenomen initiatief. 38 4.11 Gezondheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid.
Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen.
Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. Plan specifiek Voorliggend voornemen ziet toe op het toevoegen van een nieuwe woning en de bestaande bedrijfswoningen worden beide omgezet naar een woonfunctie. In voorgaande paragrafen is aangetoond dat er geen functie wordt gerealiseerd die nadelige gevolgen heeft ten behoeve van de gezondheid van omwonenden. Conclusie Voor wat betreft het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.12 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelplangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt.
In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. Situatie plangebied In de beoogde situatie worden de veehouderijactiviteiten op het erf beëindigd en worden de pluimveestallen en voedersilo’s gesloopt. Daarmee verdwijnt de geurbron op het eigen erf. De beoogde caravanstalling, 39 akkerbouwtak en opslag van machines en materieel (werktuigenberging), brengen geen relevante geurhinder met zich mee. De voormalige vuilstort aan de noordzijde van de planlocatie is, zoals de naam doet vermoeden, momenteel niet meer als zodanig in gebruik. Deze is in zijn geheel afgedekt met een dekzandlaag, ingeplant met bos en in het midden voorzien van zonnepanelen. Er is dus geen sprake van relevante geuremissie vanaf deze locatie. De meest nabije veehouderij van derden ligt op ruime afstand van de locatie, namelijk op ongeveer 340 meter.
Dit betreft de kalverhouderij aan de Hoffmeijerweg 4a. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstand van 100 meter op grond van de meest actuele VNG-brochure over milieuzoneringen. Direct naast de planlocatie is reeds een bestaande burgerwoning van een derde gelegen (Rikkerinksweg 10), waar de omliggende veehouderijen reeds aan dienen te toetsen bij ontwikkelingen op hun bedrijf. Mede gelet op de ruime afstand tot omliggende veehouderijen, worden deze bedrijven dus niet in relevante mate in hun ontwikkelmogelijkheden beperkt als gevolg van onderhavig planvoornemen. Door het beëindigen van de eigen veehouderijactiviteiten neemt de geurbelasting op en rond het erf af. Ten aanzien van de omliggende veehouderijen geldt dat de gemeente in het omgevingsplan en via het Besluit kwaliteit leefomgeving moet waarborgen dat sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Gelet op de reeds aanwezige woonfunctie aan de Rikkerinksweg 10, die iets dichter bij de betreffende veehouderij ligt dan onderhavige planlocatie, en voorts de afname van de eigen geurbron, kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling uitvoerbaar is vanuit het aspect geur. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.13 M.e.r.- beoordeling Onderdeel van de beoordeling is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage.
Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer- beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.- beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is nog maar één mer-beoordelingsprocedure.
Project-mer-beoordeling Artikel Omgevingswet: 16.43 en 16.88 (eerste lid, onder h). 40 Artikel Omgevingsbesluit: 11.11. Nadere regels project-mer-beoordeling. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en 2. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd. Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1. het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b.
de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; 2. de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en 3. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. Plan specifiek In de beoogde situatie gaat het om het toevoegen van één woning met bijgebouw en het omzetten van de voormalige bedrijfswoningen naar burgerwoningen (één behorende bij het extensieve akkerbouwbedrijf annex caravanstallingsbedrijf, de andere als volledige burgerwoning). De ontwikkeling is niet van dien aard dat er sprake is van een plan-mer-plichtige plan of programma. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat het voornemen geen gevolgen voor het milieu met zich meebrengt. Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
41 5 Juridische toelichting 5.1 Wijziging omgevingsplan Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 5.2 Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan. 5.3 Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22n Rikkerinksweg 6 Ambt-Delden, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1735.BGxRikkerinksweg6-OP10 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
42 6 Kostenverhaal Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zal de overheid vaak kosten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. De wettelijke regeling voor kostenverhaal is niet van toepassing voor gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal dan wordt verrekend via de gronduitgifte of de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Van belang is of er sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (artikel 13.11 Ow). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie. In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in artikel 8.14 Ob.
Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (artikel 13.11 Ow). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht. Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (artikel. 13.13 Ow). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst. 43 7 Voorbereiding en participatie In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht. 7.1 Procedurestappen Dit plan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1 Ontwerp Het ontwerp TAM-omgevingsplan is behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders.
Het plan heeft vervolgens van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026 gedurende zes weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. 7.1.2 Vaststelling In het ontwerpplan was als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat voorafgaand aan realisatie van de woningen aanvullend bodemonderzoek benodigd was. Inmiddels heeft dit onderzoek plaatsgevonden, waaruit volgt dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie van het perceel. Omdat het onderzoek uitgevoerd is, kan de voorwaardelijke verplichting uit het plan worden gehaald. Dit is in deze definitieve versie van het plan verwerkt, waardoor de gemeenteraad het plan gewijzigd kan vaststellen. 7.1.3 Beroep Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. 7.2 Vooroverlegpartners Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.
Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg. Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd. De korte procedure is van toepassing. Het waterschap heeft in dit vooroverleg enkele aandachtspunten meegegeven voor de planontwikkeling. Deze zijn in acht genomen bij de verdere ontwikkeling van het plan. Door het voldoen aan deze uitgangspunten is verder vooroverleg daarom niet noodzakelijk geacht. 7.3 Participatie In het kader van voorliggend plan heeft initiatiefnemer contact gehad met de bewoners van de Rikkerinksweg 10 om hen te informeren over de voorgenomen wijzigingen. Zij hebben kennisgenomen van de plannen en hebben geen bezwaren kenbaar gemaakt tegen het omzetten van de pluimveestallen naar burgerwoningen. In de ruime omgeving van de locatie (>350 meter) zijn geen agrarische bedrijven, burgerwoningen of andere opstallen van derden gelegen.
44 7.4 Zienswijzen Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling. Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon eenieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen. 45 De Omgevingsadviseurs is er voor ondernemers, initiatiefnemers en ontwikkelaars in het buitengebied. Voor doorpakkers en veranderaars die vooruitkijken en verder willen. Zo dragen we bij aan succesvol en toekomstbestendig ondernemen in het buitengebied. Onderneem het zeker. Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle (088) 565 7857 info@deomgevingsadviseurs.nl deomgevingsadviseurs.nl