02 TAM-omgevingsplan Rikkerinksweg 6 Toelichting
Tekst van het document
Toelichting TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22n Rikkerinksweg 6 Ambt Delden ____ NL.IMRO.1735.BGxRikkerinksweg6 -OP10 Onderneem het zeker. deomgevingsadviseurs.nl
Colofon TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22n Rikkerinksweg 6 Ambt Delden NL.IMRO.1735.BGxRikkerinksweg6-VS10 Datum: 15 juni 2026 Versie: Definitief ____ In opdracht van: Maatschap Schutte Rikkerinksweg 6 7495 RM Ambt-Delden ____ Opgesteld door: De Omgevingsadviseurs Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle deomgevingsadviseurs.nl CS / StP 📞 (06) – 57 84 33 38 ✉ s.tenpierik@deomgevingsadviseurs.nl ____ Gecontroleerd door: AH / StP ____ De vermelde medewerkers in deze rapportage gaan akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
Inhoudsopgave 1 | Inleiding | 5 1.1 | Aanleiding ................................................................................................................................. 5 1.2 | Ligging en begrenzing ............................................................................................................... 5 1.3 | Geldend omgevingsplan ........................................................................................................... 6 1.4 | Doelen van de wet .................................................................................................................... 7 1.5 | TAM-IMRO Omgevingsplan ...................................................................................................... 8 1.6 | De bij het plan behorende stukken ........................................................................................... 8 2 | Planbeschrijving | 9 2.1 | Ontstaansgeschiedenis ............................................................................................................. 9 2.2 | Huidige situatie plangebied ....................................................................................................... 9 2.3 | Toekomstige situatie plangebied ...............................................................................................
9 3 | Beleid en regelgeving | 11 3.1 | Rijksbeleid ................................................................................................................................ 11 3.2 | Besluit kwaliteit leefomgeving ................................................................................................. 12 3.3 | Provinciaal beleid Overijssel ................................................................................................... 14 3.4 | Gemeentelijk beleid................................................................................................................. 20 4 | Aspecten fysieke leefomgeving | 24 4.1 | Geluid door activiteit................................................................................................................ 24 4.2 | Bodemkwaliteit ........................................................................................................................ 25 4.3 | Luchtkwaliteit ........................................................................................................................... 26 4.4 | Omgevingsveiligheid ............................................................................................................... 27 4.5 | Milieuzonering .........................................................................................................................
29 4.6 | Ecologie .................................................................................................................................. 31 4.7 | Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................................. 33 4.8 | Trillingshinder .......................................................................................................................... 34 4.9 | Wateraspecten ........................................................................................................................ 34 4.10 | Verkeer en parkeren................................................................................................................ 37 4.11 | Gezondheid ............................................................................................................................. 38 4.12 | Geur ........................................................................................................................................ 38 4.13 | M.e.r.- beoordeling .................................................................................................................. 39 3 4 5 Juridische toelichting 41 5.1 Wijziging omgevingsplan ........................................................................................................
41 5.2 Toepassing TAM-IMRO ........................................................................................................... 41 5.3 Werkingsgebied ...................................................................................................................... 41 6 Kostenverhaal 42 7 Voorbereiding en participatie 43 7.1 Procedurestappen ................................................................................................................... 43 7.2 Vooroverlegpartners ................................................................................................................ 43 7.3 Participatie .............................................................................................................................. 43 7.4 Zienswijzen ............................................................................................................................. 44 Bijlagen bij de motivering Bijlage 1 Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3 Watertoets Bijlage 4 Quickscan flora en fauna Bijlage 5 AERIUS-rapport Bijlage 6 Aanvullend bodemonderzoek 5 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft voor de pluimveetak op het bedrijf geen bedrijfsopvolging en wil dit onderdeel staken. Hiertoe neemt initiatiefnemer deel aan de Landelijke Beëindigingsregeling voor Veehouderijen, kortweg de Lbv-regeling.
De pluimveestallen worden gesloopt. De stikstofruimte die het bedrijf heeft komt grotendeels te vervallen, wat leidt tot een forse afname van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving van het bedrijf. Hiermee dragen de ontwikkelingen op de locatie direct bij aan het herstel van natuur in deze gebieden. Het bedrijf gaat verder als akkerbouwbedrijf annex caravanstalling, er mogen geen landbouwhuisdieren voor productie meer worden gehouden. Het plan van initiatiefnemer is dit verandertraject op zijn agrarische bedrijf aan te grijpen om nog enkele extra wijzigingen door te voeren. Hierbij wordt het bedrijf in nieuwe vorm nog beter landschappelijk ingepast, en wordt de locatie klaargestoomd voor bewoning door toekomstige generaties. Hiervoor zal een bestaande, sterk verouderde bedrijfswoning worden gesloopt en een vervangende moderne woning als burgerwoning worden teruggebouwd. Met de vrijkomende woonmeters op het perceel wordt ten zuiden van deze verplaatste woning een tweede compensatiewoning gerealiseerd worden. 1.2 Ligging en begrenzing Ligging Het plangebied bevindt zich aan de Rikkerinksweg 6+8 in Ambt Delden.
Binnen het plangebied komen de volgende percelen (deels) voor die kadastraal bekend staan als: • gemeente Ambt Delden, sectie H, perceelnummer 2005; • gemeente Ambt Delden, sectie H, perceelnummer 1904; • gemeente Ambt Delden, sectie H, perceelnummer 1960; • gemeente Ambt Delden, sectie H, perceelnummer 1961; In figuur 1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven met een rode cirkel. Figuur 1 Globale ligging van het plangebied (bron: Kadastralekaart.com)
6 Begrenzing De begrenzing van het plangebied is globaal in figuur 2 weergegeven met een oranje lijn. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de openbare weg met tussenliggende strook met agrarische functie, aan de zuid- en westzijde door bestaande agrarische functies en aan de oostzijde door agrarische gronden. In de noordoosthoek van het plangebied grenst deze aan de burgerwoning van de buren aan de Rikkerinksweg 10. Figuur 2 De begrenzing van het plangebied (Bron: kadastralekaart.com) 1.3 Geldend omgevingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege. Elke gemeente heeft met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 een omgevingsplan van rechtswege, die bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit: • (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; • rijksregels over activiteiten (aangeduid als de bruidsschat). Het nieuwe deel van het omgevingsplan is eerst nog leeg, met uitzondering van eventuele voorbereidingsbesluiten op basis van het overgangsrecht. De regels in het nieuwe deel komen deels tot stand door bestaande regels uit het tijdelijk deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid.
Het wijzigingen/vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan kan ook thematisch gebeuren. Deze overgangsfase duurt tot eind 2031. Op grond van het omgevingsplan van rechtswege, tijdelijke onderdelen 'Buitengebied Hof van Twente vastgesteld op 9 december 2015’gelden in hoofdzaak de volgende functies voor het plangebied:
7 • Agrarisch met waarden Daarnaast geldt de dubbelfunctie, te weten: • Waarde - Archeologische verwachting 3. • Waarde - Archeologische verwachting 1. Ook gelden er nog een aantal gebiedsaanduidingen: • Reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied • vrijwaringszone - radar • Luchtvaartverkeerzone In figuur 3 is een uitsnede opgenomen van de geldende plankaart waarop de voornoemde functies, functie- en gebiedsaanduidingen en het bouwvlak te zien zijn. Het plangebied is globaal aangegeven met rode lijnen. Figuur 3 Uitsnede 'Buitengebied Hof van Twente (2015-12-09)' ( Bron: omgevingswet.overheid.nl) De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor de uitoefening van een grond gebonden agrarisch bedrijf, waarbij binnen bedrijfsgebouwen die binnen het bouwvlak gebouwd moeten worden, uitsluitend één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. Het voorgenomen plan past niet bij recht binnen het geldende omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. De gemeente Hof van Twente heeft aangegeven dat het voorgenomen plan onder bepaalde voorwaarden door middel van het doorlopen van een TAM-omgevingsplan procedure mogelijk gemaakt kan worden.
Om deze procedure te mogen opstarten is het opstellen van een TAM-omgevingsplan noodzakelijk, waarin wordt aangetoond dat er voldaan wordt aan de voorwaarden van de gemeente en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In dat kader is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld. 1.4 Doelen van de wet Het vaststellen van een omgevingsplan staat volledig in het teken van het bereiken van de maatschappelijke doelen van de Ow. Artikel 1.3 van de Ow geeft aan dat de wet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, is gericht op het in onderlinge samenhang:
8 a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 2.1, eerste lid, van de Ow schrijft voor dat bestuursorganen, dus ook het gemeentebestuur, de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen. 1.5 TAM-IMRO Omgevingsplan Een TAM-IMRO omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Een TAM-IMRO Omgevingsplan maakt gebruik van de techniek voor planvorming zoals dat gebruikt werd onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl. De TAM-IMRO plannen maken deel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het is immers een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt die opgesteld, bekendgemaakt en beschikbaar gesteld met de IMRO-techniek. TAM-IMRO plannen hebben weliswaar de technische vorm van de bestemmingsplannen die deel zijn van het tijdelijk deel, maar juridisch gezien vallen ze onder het nieuwe deel.
Ze moeten dus ook voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en van de provincie. 1.6 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige TAM-IMRO omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22n Rikkeringsweg 6, Ambt-Delden’ bestaat naast deze motivering uit de volgende stukken. • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1735.Rikkerinksweg6-OP10, Ambt-Delden); • Bijlagen bij de motivering; • Regels; • Bijlage bij de regels. 9 2 Planbeschrijving 2.1 Ontstaansgeschiedenis Ambt Delden is een historische streek en voormalige gemeente in de provincie Overijssel, in de regio Twente. Het gebied ligt rond de stad Delden, maar Ambt Delden zelf was het buitengebied: de landelijke omgeving rondom de stad. Ambt Delden was tot 1 januari 2001 een zelfstandige gemeente in de provincie Overijssel. Het omvatte voornamelijk het buitengebied rondom de stad Delden, die zelf een aparte gemeente vormde onder de naam Stad Delden. Het woord "Ambt" verwijst naar het platteland of het bestuurlijke district buiten de stad. Ambt Delden stond (en staat) bekend om zijn landgoederen, boerderijen, kastelen en een typisch Twents coulisselandschap: een mix van bossen, houtwallen, weiden en akkers. Een bekend voorbeeld is Landgoed Twickel, een belangrijk cultuurhistorisch en landschappelijk element in het gebied.
2.2 Huidige situatie plangebied Initiatiefnemer heeft momenteel een gemengd agrarisch bedrijf met pluimvee (ouderdieren van vleeskuikens), akkerbouw en caravanstalling. Aan de westzijde van het perceel staan drie pluimveestallen voor het houden van ouderdieren. De meest westelijke stal is daarbij voorzien van zonnepanelen om duurzame energie op te wekken. De locatie is sinds oudsher in gebruik als agrarisch bedrijf, met daarbij verschillende extra (hoofd)functies. In de 20e eeuw was op de locatie een aannemersbedrijf van de grootvader van de huidige eigenaar gevestigd. Indertijd rustte dan ook een industriefunctie op het perceel. De woning aan de Rikkerinksweg 10 behoorde in het verleden ook tot de locatie, deze is later afgesplitst en wordt momenteel bewoond door de broer van de huidige eigenaar die verder geen connectie heeft met het bedrijf aan de Rikkerinksweg 6+8. Het gedeelde eigendom van de werktuigenberging direct ten zuiden van de Rikkerinksweg 8 herinnert nog aan deze geschiedenis. Het deel op het kadastrale nummer 2005 behoort bij het perceel van initiatiefnemer. Na het faillissement van het aannemersbedrijf werden de voormalige werkplaats en opslag, toen al, in gebruik genomen als caravanstalling. Bij een algehele bestemmingsplanherziening begin 21e eeuw is de industriefunctie van het perceel verwijderd door de gemeente, en is de functie omgezet in agrarisch.
Wel is in het nieuwe bestemmingsplan toen opgenomen dat de caravanstalling op het bedrijf als volwaardige bedrijfstak toegestaan is tot 1.850 m2. Momenteel is het voortbestaan van deze bedrijfstak verankert in bijlage 4 bij de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023. De caravanstalling vormt dan ook een tak binnen het bedrijf waarmee jaarlijks een volwaardig inkomen verdiend wordt. Het voormalige kantoorgebouw van het aannemersbedrijf is na beëindiging van dit bedrijf omgebouwd naar een tweede bedrijfswoning. Dit betreft de woning aan de Rikkerinksweg 8. Uit het uiterlijk, de indeling en de locatie van dit gebouw is vandaag de dag nog steeds af te leiden dat de oorspronkelijke functie van het gebouw geen woning was. Het gebouw is vandaag de dag enigszins gedateerd van binnen en buiten, bouwkundig aan een forse opknapbeurt toe en slecht gepositioneerd op het erf. 2.3 Toekomstige situatie plangebied Allereerst is de gedateerde bedrijfswoning aan de Rikkerinksweg 8 aan vervanging toe. Deze zal gesloopt worden en een nieuwe (plattelands)woning van 750 m3 met 150 m2 bijgebouw wordt terug gebouwd op de huidige plaats van de pluimveestallen. Deze woning is beoogd voor bewoning door een van de zoons van de initiatiefnemer. Verplaatsing van de woning zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en een verbetering van het straatbeeld.
10 De middelste schuur aan de oostzijde van het bedrijf blijft behouden. Dit gebouw wordt gebruikt voor het stallen van de landbouwtractoren en werktuigen. De bij recht toegestane oppervlakte voor de caravanstalling (1.850 m2) blijft ook hetzelfde in de beoogde situatie. Bijkomend punt is dat op enkele bedrijfsgebouwen nog asbesthoudende golfplaten aanwezig zijn. Deze zullen als onderdeel van het plan gesaneerd worden en worden voorzien van een nieuw dak. Zo is het asbest definitief verwijderd en is de locatie weer klaar voor de toekomst. Het geheel wordt landschappelijk ingepast door aanplant van extra groen in de vorm van erfsingels. Het oostelijke deel van het erf krijgt de functie Wonen-Vab. De sloop van de pluimveestallen zorgt voor een sterke afname van de bebouwing ter plaatse en een forse verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, mede ook door de voorgenomen landschappelijke inpassing. De wens van initiatiefnemer is deze verbetering qua ruimtelijke kwaliteit te verzilveren door toepassing van Rood-voor-Rood. Hiertoe zal een nieuwe woning van 750 m3 met 150 m2 bijgebouw gebouwd worden aan de zuidkant van de huidige pluimveestallen. Hiervoor worden de 1.000 m2 woonmeters vrijkomend bij de sloop van de stallen toegepast. Beoogd is dat de andere zoon van de initiatiefnemer in deze woning zal gaan wonen. Beide nieuwe woningen krijgen de functie Wonen.
Navolgend is de landschappelijke inpassing van de beoogde situatie weergegeven. Figuur 4 Beoogde situatie
11 3 Beleid en regelgeving 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Deze visie is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en geldt op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden, 1 januari 2024. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu.
In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving. De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal; 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers- en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, 12 klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen.
Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgeving inclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgeving inclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Planspecifiek Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Bkl. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit kwaliteit leefomgeving" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. 3.2 Besluit kwaliteit leefomgeving Op 1 januari 2024 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Bkl in werking getreden. Deze nieuwe AMvB heeft de eerdere AMvB Ruimte (Barro) vervangen.
In het Bkl zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen, zoals regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke omgevingsplannen. Per 13 onderwerp worden regels gegeven, waaraan omgevingsplannen zullen moeten voldoen, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 5 bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over: • algemene bepalingen • waarborgen van de veiligheid • beschermen van de waterbelangen • beschermen van de gezondheid en van het milieu • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed • behoud van ruimte voor toekomstige functies • behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.
Deze instructieregels gaan over: • voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen • lokale spoorwegen binnen vervoerregio's • lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool • bebouwingscontour jacht • bebouwingscontour houtkap Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Planspecifiek De aspecten: • veiligheid • waterbelangen • gezondheid en van het milieu • landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed behoud van ruimte voor toekomstige functies • behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten komen in hoofdstuk 4 aan de orde. Uit dit hoofdstuk zal blijken dat deze aspecten geen nadelig effect ondervinden door het realiseren van deze nieuwe stal met multifunctionele ruimtes 3.2.1 Ladder voor duurzame inzetbaarheid De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Bkl staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorzieninig of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. 14 De Ladder toets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Voor de Ladder is van belang in hoeverre het plan: • in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging; • en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. Daarbij gaat het enerzijds over bestaande bebouwing en ook over de bebouwing die op grond van het geldende omgevingsplan nog gebouwd kan worden, inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplan activiteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan. Ook als de Ladder niet van toepassing is, dan moet wel de evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gemotiveerd.
Planspecifiek Middels voorliggend TAM-omgevingsplan wordt onder andere een nieuwe woning toegevoegd en de bestaande bedrijfswoning wordt verplaatst. Daarnaast zullen de pluimveestallen gesloopt worden en zal de vervolgfunctie akkerbouw worden met caravanstalling. Op basis van vaste jurisprudentie wordt een plan aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, indien meer dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt. Tevens wordt een plan aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, indien een bedrijfsgebouw wordt uitgebreid met een oppervlakte van meer dan 400 m². Gelet op het vorenstaande in relatie tot voorliggend plan wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit komt doordat er minder dan 11 woningen en minder dan 400 m² aan bedrijfsbebouwing gerealiseerd worden. Gesteld wordt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing is. Als de Ladder niet van toepassing is, dan moet altijd nog wel gemotiveerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In de voorliggende motivering wordt daarin voorzien. De toetsing aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten vindt plaats in hoofdstuk 4. 3.2.2 Conclusie Rijksbeleid De in voorliggend TAM-omgevingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is volledig in overeenstemming met het Rijksbeleid.
3.3 Provinciaal beleid Overijssel 3.3.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Ow. In de Omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. 3.3.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een 15 realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Ow om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. 3.3.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: • generieke beleidskeuzes; • ontwikkelingsperspectieven; • gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Of - generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn.
In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Waar - ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Hoe - gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag ‘hoe’ een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. 16 Figuur 5 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Toetsing van het initiatief aan de Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. Of - generieke beleidskeuzes De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan de generieke beleidskeuzes zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Overijssel. Er zijn in voorliggend geval geen aspecten van belang die een nadere onderbouwing behoeven. Waar – ontwikkelingsperspectieven De locatie behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. In afbeelding 6 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen, waarin de locatie indicatief middels de rode omlijning is aangeduid.
17 Figuur 6 Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) ‘’ Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’’ Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
Toetsing van het initiatief aan het ‘Ontwikkelingsperspectief’ Door het meedoen aan de Lbv-regeling mogen er geen landbouwhuisdieren meer worden gehouden voor productie en zal ook de agrarische functie verwijderd worden. De oostzijde van het erf met de huidige bedrijfswoning Rikkerinksweg 6, de caravanstallingen en de werktuigenberging krijgt de functie wonen-Vab, waarbij het exploiteren van een extensief akkerbouwbedrijf met 1.850 m2 caravanstalling mogelijk blijft. Voor het slopen van de stallen zal een nieuwe woning worden gebouwd en de bestaande bedrijfswoning zal worden verplaatst. Hierdoor ontstaan drie erven die landschappelijk worden ingepast en hierdoor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving versterken. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief passend is binnen het ontwikkelingsperspectief. Hoe – Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hieronder worden de vier lagen toegelicht.
18 1. De natuurlijke laag Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. De locatie Rikkerinksweg 6+8 in Ambt Delden is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Natuurlijke laag’ aangeduid met het gebiedstype ‘Beekdal en natte laagtes’. Zie hiervoor afbeelding 7. Figuur 7 Natuurlijke laag: gebiedstype ‘Beekdal en natte laagtes’ (in cultuur gebracht)’ (Bron: Provincie Overijssel) ‘Beekdal en natte laagtes (in cultuur gebracht) ‘ Plaatselijk is de ‘oorspronkelijke’ beek nog aanwezig. Vaak waren er geen beken, maar zocht het water via de hellende laagtes zijn weg over het maaiveld, met name in de zwakhellende gebieden zoals Salland. De laagtes werden in de loop van eeuwen doorgegraven, verbonden en steeds sterker ontwaterd, waarbij vanaf de vorige eeuw ook de natuurlijke beken over grote lengte zijn rechtgetrokken. Dit alles om de lagere en hogere gronden van het dekzandcomplex sneller te ontwateren ten behoeve van de moderne landbouw.
De snelle waterafvoer heeft uiteindelijk geleid tot verdroging bovenstrooms en wateroverlast benedenstrooms. De ambitie is de beekdalen als functionele en ruimtelijke dragende structuren van het landschap betekenis te geven. Ruimte voor water, continuïteit van het systeem zijn leidend. Tevens is de ambitie afwenteling van wateroverlast op stroomafwaarts gelegen gebieden te voorkomen door het beeksysteem als eenheid te beschouwen en het vasthouden van water te bevorderen. Tot slot zijn beekdalen belangrijke verbindingen voor mens, plant en dier Planspecifiek Natuurlijke laag: gebiedstype ‘Beekdalen en natte laagtes’ (in cultuur gebracht)’ (Bron: Provincie Overijssel). Er wordt binnen het bouwvlak een compensatiekavel gerealiseerd en de bestaande bedrijfswoning wordt verplaatst. Ook worden er meerdere grote stallen gesloopt. Er blijft een extensief akkerbouwbedrijf op de locatie over, evenals de bij recht toegestane caravanstalling. Er is geen invloed op waterpeil of de bodem bij deze ontwikkeling.
19 2. De ‘laag van het agrarische cultuurlandschap’ In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben ideeën over schoonheid nooit een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. De planlocatie is op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ gelegen in het landschapstype ‘Oude Hoevenlandschap’. Zie hiervoor afbeelding 8. Figuur 8 Laag van het agrarisch cultuurlandschap ‘Oude Hoevenlandschap’ ‘Oude Hoevenlandschap’ Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven.
Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Het oude hoevenlandschap is in principe geschikt voor het plaatsen van kleine clusters windturbines, met uitzondering van de essen en flanken die slecht geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines. De clusters staan op voldoende afstand van elkaar. Toetsing van het initiatief aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’ Er worden een groot aantal vierkante meters aan bedrijfsgebouwen op de locatie gesloopt, hiervoor in de plaats worden 2 nieuwe erven gerealiseerd en het bestaande erf. Hier komt een compensatiewoning en de bestaande
20 bedrijfswoning die verplaatst wordt. De nieuwe erven en het bestaande erf zullen landschappelijk worden ingepast en doen daarmee geen afbreuk aan de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’. 3. De ‘stedelijke laag’ De locatie heeft op de gebiedskenmerkenkaart de ‘Stedelijke laag‟ geen bijzondere eigenschappen. Deze gebiedskenmerken kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten. 4. De ‘Lust en Leisurelaag’ Met de natuurlijke laag, de laag van het agrarische cultuurlandschap en de stedelijke laag is het spectrum van de ruimtelijke kwaliteit nog niet compleet. De lust & leisurelaag is het domein van de belevenis, de betekenis en identiteit. Het voegt kenmerken toe als landgoederen, recreatieparken, recreatieve routes maar benut ook vooral de kwaliteit van de andere drie lagen. Het maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Het belevenisaspect wordt een steeds belangrijkere pijler onder het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De ambitie is gericht op sterke ruimtelijke identiteiten als motor voor gebiedsontwikkeling. Het gaat er om beleving, betekenis en kwaliteit van de omgeving te versterken en de beleefbaarheid en toegankelijkheid van het landschap te vergroten. Toetsing van het initiatief aan de ‘Lust en Leisurelaag’ De planlocatie is op de gebiedskenmerkenkaart niet aangeduid met een ‘Laag van de beleving’. Deze is dus niet van toepassing op dit initiatief.
Planspecifiek Geconcludeerd wordt dat de in dit TAM-omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische visie, Hof van Twente, zicht op 2030 Algemeen In 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeelden 10 en 14 zijn voornamelijk van belang. Deze worden hierna behandeld. Streefbeeld 10: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats.
De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden. De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinder veroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen 21 richtinggevend. Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied.
Streefbeeld 15: Werkgelegenheid in kernen, concentraties technische en productiebedrijven in grotere kernen Dit streefbeeld richt zich op het behouden en stimuleren van lokaal gebonden bedrijvigheid in kleine kernen en het buitengebied. Voor de Rikkerinksweg betekent dit dat kleinschalige, lokaal gebonden bedrijven die passen binnen het agrarische karakter van het gebied worden ondersteund. Niet sociaal-economisch gebonden bedrijven zijn aangewezen op de centrale kernen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied, omdat het plangebied landschappelijk wordt ingepast. Deze inpassing wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting juridisch geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan. Verder wordt in het volgende hoofdstuk aangetoond dat sprake is van een zorgvuldige afweging voor wat betreft de toevoeging van de extra woningen en bebouwing en dat dit in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gelet op het vorenstaande wordt dan ook geconcludeerd dat voorliggend plan past binnen de streefbeelden, zoals geformuleerd in de strategische visie 'Hof van Twente, zicht op 2030' van de gemeente Hof van Twente.
3.4.2 Structuurvisie Landelijk Gebied In 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Een dergelijk 'integratiekader' schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood-voor-rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt. Daarnaast beschrijft deze structuur de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden. Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in het bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.
De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente: • een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen; • een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart; • een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument; • een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen; • een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen; • een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur; • een goede regionale infrastructuur. Om de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden geldt als uitgangspunt dat zo min mogelijk niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing wordt toegevoegd. Dit kan ten koste gaan van de aanwezige landschapswaarden.
Er wordt daarom geen mede- werking verleend aan het toevoegen van nieuwe woningen door het realiseren van geheel nieuwe solitair gelegen woonerven. Dit hangt ook samen met het beschermen van agrarische bedrijvigheid tegen beperkingen die uit de nabijheid van woningen voortkomen. De 22 nieuwe woning kan elders in het buitengebied worden gerealiseerd, indien de nieuwe woning deel uit maakt van een bestaand bebouwingscluster, zoals een buurtschap. Het omvormen van voormalige agrarische erven, naar woonerven wordt ondersteund, mits er tevens een aantoonbare verbetering van ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt hoofdzakelijk tot uitdrukking in de sloop van landschapsontsierende bedrijfsgebouwen, de realisatie van nieuwe landschapselementen rond het erf en het behoud van cultuurhistorische bebouwing. Een steeds groter deel van de inwoners van het buitengebied bestaat uit ouderen. Om hen in staat te stellen zelfstandig te wonen zijn aanpassingen nodig; het aanbod van mantelzorg en welzijnsdiensten dat aan huis geleverd kan worden kan verbeterd worden. Inwoning (bewoning van een woning door twee huishoudens) wordt gefaciliteerd. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen een reeds bebouwd gebied.
Er worden meer gebouwen gesloopt dan teruggebouwd waardoor er dus geen beslag gelegd wordt op extra ruimte in het buitengebied. Zoals reeds beschreven is er een landschappelijk inrichtingsplan voor deze ontwikkelingen opgesteld en als bijlage 1 opgenomen bij de motivering van voorliggend TAM-omgevingsplan. Door het landschappelijk inpassen van de ontwikkelingen binnen het plangebied zal de ruimtelijke kwaliteit versterkt worden. Met het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan wordt de landschappelijke inpassing juridisch geborgd. Verder wordt in het volgende hoofdstuk aangetoond dat sprake is van een zorgvuldige afweging voor wat betreft een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend plan niet in strijd is met de 'Structuurvisie Landelijk Gebied' van de gemeente Hof van Twente. 3.4.3 Rood voor rood regeling Het "Rood voor Rood"-beleid in de gemeente Hof van Twente is gericht op het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied door het slopen van landschapsontsierende agrarische bebouwing in ruil voor de mogelijkheid om een nieuwe woning te bouwen. De regeling beoogt het saneren van leegstaande, landschapsontsierende agrarische gebouwen die hun functie hebben verloren.
Door deze gebouwen te slopen, ontstaat ruimte voor de bouw van nieuwe woningen, mits dit leidt tot een substantiële afname van bebouwing en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De regeling gaat uit van het principe "slopen met gesloten beurs", waarbij de kosten voor sloop en landschappelijke inpassing worden gedekt door de waarde van de nieuw te realiseren woning. Belangrijkste kenmerken van het beleid • Sloopvereiste: Er moet minimaal 1.000 m² aan voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt. In ruil daarvoor mag één nieuwe woning worden gebouwd, met een maximale inhoud van 750 m³. Deze woning wordt bij voorkeur gerealiseerd op of nabij de slooplocatie, mits dit landschappelijk goed is ingepast. • Eenmalige toepassing per erf: Een erf kan slechts één keer gebruikmaken van de Rood voor Rood- regeling. Na toepassing van de regeling is het niet toegestaan om in de toekomst opnieuw gebruik te maken van deze regeling op hetzelfde perceel. • Landschappelijke inpassing: Voor de nieuw te bouwen woning is een goede landschappelijke inpassing vereist. Dit houdt in dat de woning moet passen binnen het bestaande landschap en dat er mogelijk aanvullende maatregelen genomen moeten worden om de woning visueel in te passen. • Sloopvouchers en woonmeters: De gemeente werkt met sloopvouchers, waarbij de eerste 1.000 m² aan gesloopte bebouwing wordt omgezet in 'woonmeters'.
Deze woonmeters kunnen worden gebruikt voor het realiseren van een nieuwe woning of andere wooninitiatieven. Overgebleven meters, de zogenaamde 'restmeters', kunnen worden ingezet voor andere doeleinden, zoals het vergroten van bijgebouwen of het uitbreiden van bestaande woningen. 23 Planspecifiek Het initiatief voorziet ook in het realiseren van één compensatiekavel op de plek van de te slopen pluimveestallen. Van de te slopen bebouwing wordt 1.000 m² ingezet voor de realisatie van een rood-voor-rood-compensatiekavel. Deze woning wordt gerealiseerd op de plek waar gesloopt wordt en landschappelijk ingepast. 24 4 Aspecten fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen. 4.1 Geluid door activiteit In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl).
De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). En ook is in de bruidsschat opgenomen in welke situaties een geluidsonderzoek nodig is (art 22.60 lid 1 Bruidsschat Omgevingsplan). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl.
Dit zijn gebouwen en gedeelten van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Plan specifiek In de beoogde situatie vervalt de agrarische functie. De planlocatie krijgt de functie ‘Wonen’’ en ‘’Wonen- . Dit plan voorziet in een extra geluidsgevoelig gebouw in de vorm van een compensatiewoning aan de westkant van het perceel. Ook wordt de bestaande bedrijfswoning op nummer 8 verplaatst naar de westkant van het perceel. Daarnaast zit de dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak, op een afstand van ongeveer 350 meter van het bouwvlak van initiatiefnemer. Gezien deze afstand, is er geen geluidsonderzoek nodig. 25 Railverkeerslawaai en industrielawaai In de nabijheid van de planlocatie is geen spoorweg of een geluidgezoneerd bedrijventerrein gelegen.
Daaruit blijkt dat de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan. Wegverkeer De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van een nieuwe woning ( voor de bestaande bedrijfswoning, die wordt gesloopt) op een afstand van circa 53 meter gemeten vanaf de voorgevel tot de dichtstbijzijnde gemeentelijke weg. Ter vergelijking: de bestaande bedrijfswoningen op het perceel is op een aanzienlijk kortere afstand van de weg gesitueerd. De compensatiewoning ligt op een afstand van circa 99 meter afstand vanaf het hart van de weg. Ook maakt dit plan het niet mogelijk dat de woningen richting de bestaande weg uitgebreid wordt. Conclusie Deze nieuwe ontwikkeling draagt bij een betere milieukwaliteit doordat de nieuwe woningen verder vanaf de weg gesitueerd worden. Geluid vormt daarom ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.2 Bodemkwaliteit Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie.