CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM-omgevingsplan Rijssenseweg 26 Markelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 16: TAM omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22z Rijssenseweg 26 Markelo17.317 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

26/49

4. Aspecten van de fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen.

4.1

Besluit milieueffectrapportage

4.1.1 Algemeen Onderdeel van de beoordeling is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de m.e.r.-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Project-mer-beoordeling •

Artikel Omgevingswet: 16.43 en 16.88 (eerste lid, onder h).

•

Artikel Omgevingsbesluit: 11.11. Nadere regels project-m.e.r.-beoordeling.

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2.

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.

het project, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten;

27/49

b.

2. 3.

de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.

4.1.2 Situatie plangebied In de beoogde situatie vindt een functiewijziging plaats van ‘Agrarisch met waarden’ naar ‘Wonen-vab’. Hierbij wordt 2303 m2 aan voormalige agrarische bebouwing gesloopt, en worden een dwarsritschöppe en werktuigenberging herbouwd ten behoeve van extensieve akkerbouw en opslag. Naast dat een dergelijke functiewijziging niet vermeld staat in bijlage V van het Omgevingsbesluit, laat toetsing aan bijlage III van de m.e.r.-richtlijn zien dat: •

De omvang van het project beperkt is tot het erf en de directe omgeving;

•

Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen afneemt ten opzichte van de eerdere situatie;

•

De productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder beperkt is;

•

De stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden afneemt;

•

Er geen risico’s voor menselijke gezondheid optreden, en;

•

Cumulatie met andere projecten niet van toepassing is.

Op basis hiervan zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. 4.1.3 Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het project geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt en daarmee niet m.e.r.-plichtig is. Een milieueffectrapportage wordt dus niet nodig geacht. De functiewijziging met sloop en herbouw leidt juist tot een afname van milieubelasting en een verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.2

Activiteiten en milieuzonering

4.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG in 2024 heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit is vervangen door de VNG Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’. Deze handreiking gaat niet meer uit van vast richtafstanden maar van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit. De handreiking biedt een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit. Onderdeel hiervan is de in het verleden gehanteerde Lijst van activiteiten uit de handreiking van 2009. Deze is opgenomen in Bijlage A5 van de Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’. Voor het beoordelen van effecten van geluid en geur in het kader van een principeverzoek biedt dit hulpmiddel voldoende houvast. Voor een vergunningaanvraag kan nader onderzoek noodzakelijk zijn. 4.2.2 Situatie plangebied In de VNG-uitgave Activiteiten en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woongebied' en 'gemengd gebied met wonen'. Een ‘rustig woongebied’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied met wonen’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

28/49

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden behorende bij de omgevingstype gemengd gebied worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt: Tabel 1: basisregel geluid

De nieuwe VNG Handreiking Activiteiten en Milieuzonering kent drie geluidzones gerekend vanuit de tegen geluidsbelasting te beschermen functies zoals wonen: ‘geluid beperkt’, ‘geluid basis’ en ‘geluid verruimd’. Voor een omgevingstype ‘gemengd gebied met wonen’ kan worden aangesloten bij de zone ‘geluid basis’. Voor een omgevingstype ‘rustig woongebied’ kan worden aangesloten bij de zone ‘geluid beperkt’. Om te bepalen welke afstand tussen de geplande activiteit en geluidsgevoelige gebouwen richtinggevend is, wordt gebruik gemakt van onderstaande transponeringstabel uit de ‘VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering’ in combinatie met Bijlage 5 uit dezelfde handreiking. Deze bijlage bevat de indicatieve lijst met inschatting van geluid en geur gekoppeld aan SBI codes. De bijlage kent voor geluid aan de diverse activiteiten een ‘positie’ toe in kolom 5. Aan de hand van de positie kan met behulp van onderstaande tabel een vertaling gemaakt worden naar de zones geluid en de bijbehorende afstanden uit kolom 1 van de tabel. Tabel 2: transponeringstabel richtafstanden VNG

29/49

Interne en externe werking Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De voorgenomen functiewijziging naar ‘Wonen-vab’ leidt niet tot een situatie waarin het woon- en leefklimaat van omwonenden, alsook de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies, in ernstige mate wordt aangetast. De beperkte activiteiten ter ondersteuning van extensieve akkerbouw vallen onder milieucategorie 2 ‘akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter voor geur tot gevoelige functies en 30 meter voor geluid. De dichtstbijzijnde woning aan de Rijssenseweg 55a ligt op circa 80 meter van de bijgebouwen die voor deze activiteit gebruikt worden. De richtafstanden worden daarmee ruimschoots gehaald. De externe werking van het plan is ruim binnen aanvaardbare grenzen. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. De functie ‘Wonen-vab’ wordt aangeduid als een milieugevoelige functie, in tegenstelling tot de voormalige functie ‘Agrarisch met waarden’.

Deze nieuwe functie ondervindt geen hinder van omliggende bedrijven. Aan de Rijssenseweg 57a, aan de overzijde van het plangebied, ligt een winkel in ijzerwaren en gereedschappen. Op dezelfde locatie gaat ook handel in park- en tuingereedschap plaatsvinden. De richtafstanden voor deze twee bedrijfstypen (groothandel in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur en groothandel in overige consumentenartikelen) betreft 30 meter voor geluid en 10 meter voor geur. De afstand van de perceelgrens van deze functie tot de woning in het plangebied is 36 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Van hinder van omliggende functies is dan ook geen sprake. Omgekeerd zorgt de voorgenomen ontwikkeling niet voor een beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 4.2.3 Conclusie Zowel de interne als externe werking van de voorgenomen functie en activiteiten is toereikend. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:

30/49

•

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.

•

Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.

•

Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

•

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. 4.3.2 Situatie plangebied Op de locatie worden de veehouderijactiviteiten beëindigd. De bestemming wordt omgezet van agrarisch naar wonen-vab. De woning binnen het plangebied is een bodemgevoelig gebouw. Op locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit bodemonderzoek is gebleken dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Ter plaatse van het overige terrein is sprake van een licht verhoogd PAK-gehalte, passend bij de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Dit vormt geen beperking voor de gewenste bestemmingswijziging. Ter plaatse van de voormalige dieseltank is een licht verhoogd gehalte minerale olie aangetroffen. Deze valt onder de algemene zorgplicht. Bij ontgraving dient de verontreinigde grond zoveel als mogelijk te worden verwijderd. Hiervoor zal in de uitvoeringsfase een plan van aanpak worden opgesteld en voorgelegd aan het bevoegd gezag. Nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk, omdat het gemeten gehalte zowel op het overige terrein als in de druppelzone ruim onder de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg ds) ligt. Hiermee is statistisch aannemelijk dat geen overschrijding zal optreden.

De bodem vormt derhalve geen belemmering voor het vaststellen van dit TAM-omgevingsplan. Voor de gedetailleerde inhoud van het bodemonderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 bij de toelichting bij dit plan. 4.3.3 Conclusie De bodemkwaliteit wordt geschikt geacht voor de huidige en toekomstige functie (wonen-vab). Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

31/49

4.4

Geluid

4.4.1 Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

• • •

woningen Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling:

•

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter;

•

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter;

•

voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

32/49

1. 2. 3.

4. 5. 6.

geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt; het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt; besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen.

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluid door activiteiten In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidsbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

4.4.2 Situatie plangebied Met het voorgenomen plan wordt een agrarische functie gewijzigd in een woonfunctie. De bestaande agrarische bebouwing op het terrein wordt gesloopt, en wordt vervangen door twee nieuwe bijgebouwen ten behoeve van extensieve akkerbouw en opslag. De bedrijfswoning verandert in deze situatie in een burgerwoning. Deze woning was, en is nu nog steeds, een geluidgevoelig gebouw. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorweg, en van geluidbelasting door industrie is ook geen sprake. Het dichtstbijzijnde industrieterrein ligt op meer dan 2,5 kilometer afstand. Daarentegen ligt het plangebied wel naast een provinciale weg. De geluidbelasting op de voorgevel (Lden) betreft 60 dB. Dit is weergegeven in de onderstaande afbeelding.

33/49

Afbeelding 10: geluid door wegverkeer (Lden) (Bron: Atlasleefomgeving) De grenswaarde voor een geluidgevoelig gebouw langs een provinciale weg is 60 L den. De grenswaarde wordt niet overschreden. In de huidige situatie is de geluidbelasting op de voorgevel ook 60 dB. Het betreft immers al een geluidgevoelig gebouw. Door de functiewijziging blijft dit onveranderd. Voor geluid vanuit omliggende activiteiten en geluid door activiteiten op locatie zelf wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.2. Daar is aangetoond dat geluid zowel de interne als externe werking van geluid door activiteiten geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘geluid’ zijn er geen belemmeringen voor voorliggend plan. De grenswaarde wordt niet overschreden en de woonsituatie blijft onveranderd.

4.5

Geur

4.5.1 Algemeen In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

• • •

Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval

34/49

verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. 4.5.2 Situatie plangebied Onderhavige plannen maken een functiewijziging mogelijke op het erf Rijssenseweg 26 in Markelo mogelijk. Hierbij wordt een agrarische functie opgeheven en verandert in de functie ‘wonen-vab’. De bedrijfswoning was al een geurgevoelig gebouw en in de nieuwe situatie is de burgerwoning weer een geurgevoelig gebouw. Voor wat betreft de onderbouwing van het aspect geur aan de hand van de VNG-handreiking wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.2. Zowel de interne werking van omliggende activiteiten vormen geen hinder voor het planvoornemen, alsook de externe werking van de extensieve akkerbouw.

De richtafstanden voor de betreffende activiteiten worden niet overschreden. Regels voor geur zijn, afgezien van lokale geurverordeningen en geurgebiedsvisies, te vinden in het omgevingsplan. De geurhinder veroorzaakt door de activiteit ‘extensieve akkerbouw’ valt onder de uitzondering in Artikel 22.93 Omgevingsplan vanwege de functionele binding met de bebouwing. 4.5.3 Conclusie Vanuit het aspect 'Geur' zijn er dan ook geen belemmeringen voor voorliggend plan.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

•

het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

35/49

•

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.

•

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.

4.6.2 Situatie plangebied In onderhavige situatie is er sprake van een NIBM standaardgeval. Er is sprake van een functiewijziging waarbij een aantal bijgebouwen gesloopt worden, en twee bijgebouwen herbouwd worden. Ter vergelijking: woonwijken zijn per definitie NIBM als het gaat om 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen. Er vinden als gevolg van het plan geen extra verkeersbewegingen plaats. De ontwikkeling is aan te merken als NIBM. Afbeelding 11 geeft de berekening met de NIBM-tool weer.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2024 Jaar van planrealisatie

2026

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

0

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m3

0,00

3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 11: NIBM-tool berekening vanwege de ontwikkeling. 4.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.7

Omgevingsveiligheid

4.7.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

36/49

•

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: 1. 2. 3. 4.

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)

4.7.2 Situatie plangebied Aan de hand van de kaart ‘externe veiligheid’ is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 12 is een uitsnede van de kaart weergegeven.

37/49

Afbeelding 12: Kaart ‘externe veiligheid’ (Bron: Atlasleefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt dat er in en rond het plangebied geen sprake is van risicobronnen. Er is geen aandachtsgebied van toepassing. Plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn hier niet van toepassing. 4.7.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Natuur

4.8.1 Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 beleidsneutraal opgegaan in de Omgevingswet. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Nederlands Natuurnetwerk. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 4.8.2 Situatie plangebied Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied bevindt zich op enige afstand van beschermde natuur. Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied Borkeld ligt namelijk op circa 1,3 kilometer afstand van het plangebied. Het gebied Sallandse Heuvelrug is gelegen op circa 8,5 kilometer van het plangebied. Stikstof Met behulp van het rekenprogramma AERIUS-Calculator is de hoogte van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden als gevolg van de sloop-, bouw- en gebruiksfase van het plan bepaald.

38/49

Het momenteel aanwezige melkrundveebedrijf beschikt op alle relevante aanwijsdata van omliggende Natura 2000-gebieden over een referentiesituatie gevormd door een onherroepelijke milieuhistorie. In het kader van de Lbv-deelname van het bedrijf dient minimaal 85% van de referentiesituatie ingetrokken te worden ten behoeve van natuurherstel. Maximaal 15% van de oorspronkelijke emissie mag behouden blijven indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de beoogde bedrijfsactiviteiten na deelname aan de Lbv-regeling. Voor de beoogde situatie is op 15 september 2025 een natuurtoestemming aangevraagd bij Provincie Overijssel, waarin in het voorgaande voorzien is. Een afschrift van deze aanvraag is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de stukken volgt dat de ontwikkelingen geen toename van stikstofdepositie veroorzaken op overbelaste voor stikstof gevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe.

In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Het meest dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 800 meter afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, het omzetten van een veehouderij naar een woonbestemming, en de afstand tot het NNN wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Wat betreft de soortbescherming is de Omgevingswet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning voor de flora en fauna-activiteit worden aangevraagd. Het bedrijf neemt deel aan de Lbv-opkoopregeling voor veehouderijen, wat inhoudt dat er geen landbouwhuisdieren meer gehouden worden en de stikstofruimte ten gunste komt aan natuurherstel in Natura 2000-gebieden. De Lbv-regeling wordt door provincie Overijssel aangemerkt als een instandhoudingsmaatregel c.q. passende maatregel conform artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

Op grond van artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt dat bij instandhoudingsmaatregelen c.q. passende maatregelen op grond van de Habitatrichtlijn, geen omgevingsvergunning voor de flora & fauna activiteit van toepassing is. Wel geldt de specifieke zorgplicht, wat inhoudt dat gewaarborgd moet worden dat beschermde dieren niet in hun voortbestaan beperkt worden. Ten behoeve van het voorliggend plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan is als bijlage opgenomen bij deze motivering. Bij de uitvoering van het onderzoek zijn sporen van de boerenzwaluw, steenuil en kerkuil aangetroffen. Ten aanzien van deze soorten dient voldaan te worden aan de specifieke zorgplicht. In de uitvoeringsfase dient een ecologisch werkprotocol aanwezig te zijn waarin mitigerende maatregelen staan (o.a. alternatieve nestlocaties) en waarin de periodes staan waarin ingrijpende werkzaamheden plaats mogen vinden. Inmiddels is de lokale vogelwerkgroep / uilenwerkgroep Hofvogels aangehaakt om hier uitvoering aan te geven, onder meer door het ophangen van een toereikend aantal uilenkasten en zwaluwkommen. Door het treffen van deze mitigerende maatregelen en het werken volgens een ecologisch werkprotocol wordt aan de specifieke

39/49

zorgplicht voldaan en vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. 4.8.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘natuur’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.9

Archeologie & Cultuurhistorie

4.9.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie. Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek.

Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed. 4.9.2 Situatie plangebied Het geldende omgevingsplan heeft aan het plangebied de functie ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ toegekend. De voor deze functie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In principe is het hierdoor niet toegestaan om op deze gronden nieuwe gebouwen te bouwen en bestaande en legale gebouwen te vergroten. Hiervan kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Een omgevingsvergunning is niet nodig als: •

Uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn op de betrokken locatie;

•

Het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut;

40/49

•

De voor het bouwen benodigde grondbewerkingen niet dieper zijn dan 0,40 m vanaf het maaiveld of het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2,500 m2.

Bij de functiewijziging vindt de sloop van de huidige bedrijfsbebouwing plaats en de herbouw van twee bijgebouwen ten behoeve van de mogelijkheid tot extensieve akkerbouw. Bij deze werkzaamheden wordt een bestaande kelder gedempt. Het te bebouwen oppervlak is kleiner dan 2.500 m2. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig geacht. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Overijssel blijkt dat er op de locatie geen sprake is van rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen. 4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Trillinghinder 4.10.1 Algemeen Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 bruidsschat van de bruidsschat. De Omgevingswet beschermd trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Trillinghinder is met name een aandachtspunt indien de afstand tot het spoor van minder dan 250 meter bedraagt. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. 4.10.2 Situatie plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig waarbij de bewegingen op het spoor door treinen tot trillinghinder kunnen leiden. De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op 5,6 kilometer afstand van het plangebied. Gezien deze afstand is het niet aannemelijk dat de woning binnen het plangebied hinder zal ondervinden van trillingen door het spoor. Tevens is het plangebied niet gelegen aan een weg waarover het vervoer van goederen door zware voertuigen plaatsvindt.

De dichtstbijzijnde weg waarover het vervoer van goederen door zware voertuigen plaats kan vinden, betreft de A1 op 2,8 kilometer van de planlocatie. Het aspect trillingen is in de beoogde situatie niet van toepassing. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11 Wateraspecten 4.11.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten.

41/49

In paragraaf 3.4 is reeds ingegaan op het beleid van het waterschap Vechtstromen. Hier is geconcludeerd dat het voornemen in lijn is met de doelstellingen zoals opgenomen in het waterbeleid. Echter, voor een nadere beoordeling voor de gevolgen van het projectvoornemen op de wateraspecten is wordt de zogeheten ‘watertoets’ uitgevoerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.11.2 Situatie plangebied Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Op de planlocatie worden hemelwater en afvalwater gescheiden afgevoerd. Hemelwater infiltreert in de bodem. Afvalwater wordt afgevoerd door een drukrioolsysteem.

Het planvoornemen voorziet in de sloop van de huidige bijgebouwen en de herbouw van een dwarsritschöppe en een werktuigenberging. Het totale verharde oppervlak op het gebied neemt af, wat bijdraagt aan een betere waterhuishouding. Het waterschap heeft per mail d.d. 4 november 2025 aangegeven dat voor de voorgenomen ontwikkelingen, geen nader overleg noodzakelijk geacht wordt. 4.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.12 Verkeer en parkeren 4.12.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Parkeren – Parkeerkencijfers 2024 – 4, 19-06-2024’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW bovengenoemde publicatie opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Hierbij wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde aangehouden. 4.12.2 Situatie plangebied Verkeersbewegingen Momenteel is op de locatie een melkrundveehouderij gevestigd, welke dagelijkse vervoersbewegingen met onder meer tractoren, vrachtauto’s en personenauto’s met zich meebrengt. In de beoogde situatie is sprake van een woonbestemming met extensieve akkerbouw en vinden er slechts nog beperkt vervoersbewegingen met zwaar wegverkeer plaats.

Dit betreft vooral tractorbewegingen ten behoeve van de akkerbouw. Het geschatte aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie is in beeld gebracht op basis van de CROWkengetallen. Op basis van de CROW-kengetallen kan de beoogde situatie worden aangemerkt als categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’. Voor deze categorie geldt een

42/49

verkeersgeneratie van 3,9 tot 5,7 verkeersbewegingen in het buitengebied per 100 m2 bvo. Op de locatie is er sprake van circa 450 m2 aan bedrijfsgebouwen (werktuigenberging), te weten de werktuigenberging. Uitgaande van een gemiddelde bandbreedte levert dit een verkeersgeneratie op van 25 verkeersbewegingen per dag. Deze verkeersbewegingen zullen niet leiden tot een onacceptabele toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van het voormalige agrarische bedrijf. Het zorgt juist voor een afname in verkeersbewegingen in vergelijking met het melkrundveebedrijf. Verkeersveiligheid Het plangebied heeft een goede ontsluiting middels een bestaande, brede in- en uitrit op de Rijssenseweg. De Rijssenseweg betreft een provinciale weg. Het verkeer kan met goed zicht het erf op en af rijden. Dit zorg voor een veilige bereikbaarheid van het perceel. Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid om te keren en te draaien. Dit voorkomt gevaarlijke situaties op de openbare weg. Parkeren De geschatte aantal parkeerplekken is in beeld gebracht op basis van de CROW-kengetallen. Op basis van de CROW-kengetallen kan de beoogde situatie worden aangemerkt als categorie ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’.

Voor deze categorie geldt op grond van de Parkeernormen Gemeente Hof van Twente 2016 een kengetal van 1,05 parkeerplekken in het buitengebied per 100 m2 bvo. Op de locatie is er sprake van circa 450 m2 aan bedrijfsgebouwen. Daarnaast is er sprake van een vrijstaande woning, waarvoor een norm van 2,4 parkeerplek per woning in het buitengebied geldt. Gelet op voornoemde geldt in de beoogde situatie dus een parkeerbehoefte van 7,125 plaatsen. De werktuigenberging wordt slechts extensief gebruikt, immers worden hier landbouwtractoren en machines inpandig gestald. Op het erf is ruim voldoende parkeergelegenheid voor de parkeerbehoefte in de beoogde situatie. Op de erfinrichtingsschets zijn 3 parkeerplaatsen ingetekend. Overige auto’s kunnen parallel aan de fietsenschuur of aan de oostzijde van het erf tussen de te realiseren werktuigenberging en dwarsritschöppe geplaatst worden. Parkeren vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. 4.12.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren geen beperking vormt voor het voorgenomen initiatief.

4.13 Gezondheid 4.13.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

•

het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het

43/49

milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent de TAM-omgevingsplanwijziging is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 4.13.2 Situatie plangebied Voorliggend voornemen ziet toe op een functiewijziging van de bestaande situatie. In voorgaande paragrafen is aangetoond dat er geen functie wordt gerealiseerd die nadelige gevolgen heeft ten behoeve van de gezondheid. In tegenstelling, door de verbeterde waterhuishouding, de verbeterde situatie voor bewoners en omwonenden aangaande geur en geluid, alsook door de herindeling van het erf, verbetert het woon- en leefklimaat op locatie. 4.13.3 Conclusie Voor wat betreft het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

44/49

5. Juridische toelichting 5.1.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het voorliggend TAM-Omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 5.1.2 Opzet van de regels Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet.

Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4. Overgangs- en slotregels. Preambule De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar.

De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAMIMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe dit TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.

45/49

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een bestemmingsplanwijziging op de locatie ‘Rijssenseweg 26 te Markelo’ en is als nieuw hoofdstuk 22z opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Het op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22z van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22z' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22z' gelezen worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels. Verantwoording van de regels De regels van het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente” zijn onverkort van toepassing op het voorliggende wijzigingsplan.

Van belang zijn dan met name de bepalingen van de bestemmingen 'Agrarisch met waarden’ en 'Wonen', maar ook de bestemmingsbepalingen 'Waarde – Archeologische verwachting 1’, de ‘Inleidende bepalingen’ uit Hoofdstuk I, de ‘Algemene regels’ uit Hoofdstuk 3 en de overgangs- en slotregels uit hoofdstuk 4 spelen een rol.

46/49

6. Uitvoerbaarheid 6.1

Wettelijke kaders

Economische uitvoerbaarheid In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).

Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

6.2

Toetsing

Onderhavig plan betreft een particulier initiatief. De gemeente Hof van Twente zal een overeenkomst over nadeelcompensatie sluiten met de initiatiefnemer, waardoor de eventuele kosten die hieruit voortkomen worden afgewenteld op initiatiefnemer. Verder worden ook leges geheven in het kader van de planvorming. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.

47/49

7. Voorbereiding en participatie In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.

7.1

Procedurestappen

Dit plan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1 Ontwerp Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een wijziging van het omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2 Vaststelling De gemeenteraad stelt het plan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3 Beroep Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4289/documents/59970