CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM-omgevingsplan Rijssenseweg 26 Markelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 16: TAM omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22z Rijssenseweg 26 Markelo17.317 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22z Rijssenseweg 26 Markelo NL.IMRO.1735.BGxRijssenseweg26-OP10

____ Rijssenseweg 26 te Markelo

Onderneem het zeker.

deomgevingsadviseurs.nl

Colofon Toelichting TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22z Rijssenseweg 26 Markelo NL.IMRO.1735.BGxRijssenseweg26-OP10

Datum: 2 december 2025 Versie: Definitief ____ In opdracht van: Melkveebedrijf Smale Rijssenseweg 26 7475 VB te Markelo ____ Opgesteld door: De Omgevingsadviseurs Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle deomgevingsadviseurs.nl NS 📞 06 44 32 75 44 ✉ n.schoot@deomgevingsadviseurs.nl ____ Gecontroleerd door: StP

____ De vermelde medewerkers in deze rapportage gaan akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVGprivacy wetgeving.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

5

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................. 5

1.2

Projectgebied ............................................................................................................................ 5

1.3

Het omgevingsplan ................................................................................................................... 6

1.4

De bij het plan behorende stukken ........................................................................................... 7

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................................. 8

2.

Planbeschrijving

9

2.1

Huidige situatie.......................................................................................................................... 9

2.2

Toekomstige situatie................................................................................................................ 10

2.3

Voorbereiding/ Verkenningsfase ............................................................................................. 10

3.

Beleid

11

3.1

Rijksbeleid en Rijksregels ........................................................................................................11

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels .................................................................................. 14

3.3

Gemeentelijk beleid................................................................................................................. 22

3.4

Beleid wateraspecten .............................................................................................................. 26

4.

Aspecten van de fysieke leefomgeving

27

4.1

Besluit milieueffectrapportage ................................................................................................. 27

4.2

Activiteiten en milieuzonering ................................................................................................. 28

4.3

Bodemkwaliteit ........................................................................................................................ 30

4.4

Geluid ...................................................................................................................................... 32

4.5

Geur ........................................................................................................................................ 34

4.6

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................... 35

4.7

Omgevingsveiligheid ............................................................................................................... 36

4.8

Natuur ..................................................................................................................................... 38

4.9

Archeologie & Cultuurhistorie ................................................................................................. 40

4.10

Trillinghinder ............................................................................................................................ 41

4.11

Wateraspecten ........................................................................................................................ 41

4.12

Verkeer en parkeren................................................................................................................ 42

4.13

Gezondheid ............................................................................................................................. 43

3/49

5.

Juridische toelichting

45

6.

Uitvoerbaarheid

47

6.1

Wettelijke kaders ..................................................................................................................... 47

6.2

Toetsing ................................................................................................................................... 47

7.

Voorbereiding en participatie

48

7.1

Procedurestappen ................................................................................................................... 48

7.2

Vooroverlegpartners ................................................................................................................ 48

7.3

Participatie .............................................................................................................................. 48

7.4

Zienswijzen ............................................................................................................................. 48

Bijlagen bij de toelichting 1. 2. 3. 4. 5.

Erfinrichtingsplan Verkennend bodemonderzoek Watertoets Quickscan natuurwaarden Stikstofberekening

4/49

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

Initiatiefnemers beschikken over een melkrundveebedrijf aan de Rijssenseweg 26 te Markelo. Zij hebben besloten deel te nemen aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijen, kortweg de Lbv-regeling. Dit houdt in dat de veehouderijactiviteiten gestaakt worden en de stal- en een aantal bijgebouwen á 2.300 m2 worden gesloopt. De woning en fietsenschuur blijven behouden. Het doel van de Lbv-regeling is een daling van stikstofdepositie terwege brengen op omliggende Natura 2000-gebieden, in dit geval onder andere de Borkeld en de Sallandse Heuvelrug. Onderdeel van de Lbv-regeling is het wijzigen van de functie van het perceel, in dit geval de omzetting van de functie ‘agrarisch’ naar ‘wonen-vab’. Initiatiefnemers zijn voornemens dit te combineren met het toepassen van Rood-voor-Rood. Hierbij wordt 1.278 m2 aan rest-sloopmeters gebruikt om twee bijgebouwen ter plaatse van de huidige stal- en bijgebouwen te kunnen realiseren: een werktuigenberging en een bijgebouw in de vorm van een karakteristieke dwarsritschöppe. Er blijft hierna een voucher over van 1.000 m2 aan woon-sloopmeters en 25 restsloopmeters. De bijgebouwen worden gerealiseerd ten behoeve van de voortzetting van extensieve akkerbouw. In de bestaande woning is nu een inwoningsituatie, deze blijft onveranderd. Initiatiefnemers blijven in deze woning wonen.

Daarnaast behouden initiatiefnemers hun landbouwgronden om deze als kleinschalig akkerbouwbedrijf te blijven bewerken. Ook de fietsenschuur naast de huidige woning blijft behouden.

1.2

Projectgebied

De locatie is gelegen ten noorden van Markelo. Kadastraal staat het plangebied bekend als Markelo, sectie N, nummer 1662 en 1663. In afbeelding 1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving weergegeven. In afbeelding 2 is het plangebied zelf te zien.

Afbeelding 1: Ligging plangebied

5/49

Afbeelding 2: plangebied

1.3

Het omgevingsplan

Voor de locatie Rijssenseweg 26 geldt het Omgevingsplan gemeente Hof van Twente. In januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het omgevingsplan is nu het juridische kader voor de gemeente om aan te geven welke functies per locatie zijn toegestaan. Hiervoor was dit het bestemmingsplan. De gemeente heeft wettelijk tot en met 2031 de tijd om alle bestemmingsplannen te vervangen tot een definitief omgevingsplan. Omdat veel gemeentes nog geen definitief omgevingsplan hebben opgesteld, is vaak het bestemmingsplan nog van rechtswege het beoordelingskader voor het grootste deel van de ruimtelijke aspecten. Dit is op deze locatie ook het geval. Voor de locatie geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente’ van de gemeente Hof van Twente, vastgesteld op 9 december 2015. Nadien is dit plan meerdere malen middels een veegplan gewijzigd, te weten met de volgende plannen: • •

Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2018, onherroepelijk vastgesteld op 10 juli 2018; Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019, onherroepelijk vastgesteld op 15 oktober 2019;

•

Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020, vastgesteld op 5 oktober 2021 en gewijzigd vastgesteld op 26 maart 2024;

•

Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2021, vastgesteld op 4 oktober 2022 en gewijzigd vastgesteld op 26 maart 2024;

•

Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023, vastgesteld op 4 april 2024.

6/49

Bij geen van deze veegplannen zijn wijzigingen aan de verbeelding op de planlocatie zelf doorgevoerd. Echter doordat de planregels ook gewijzigd zijn, hebben deze veegplannen wel invloed op de planlocatie. Het veegplan 2023 vormt hiermee, tezamen met het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege, het meest actuele planologische kader voor ontwikkelingen op de planlocatie. Navolgend is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente” van 9 december 2015 weergegeven, welke de meest actuele verbeelding ter plaatse van het plangebied betreft.

Afbeelding 3: Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, gemeente Hof van Twente De locatie heeft de volgende bestemmingen c.q. functies: Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ Gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ Gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – radar’ De agrarische bestemming die rust op de locatie is in strijd met de gewenste toekomstplannen van initiatiefnemers. Initiatiefnemers hebben een principeverzoek ingediend bij de gemeente waarin zij de beoogde ontwikkelingen toelichten. Op 9 juli 2025 heeft de gemeente middels een principebesluit aangegeven medewerking te willen verlenen aan de beoogde ontwikkeling. Gemeente Hof van Twente heeft aangegeven dat de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt kan worden middels een TAM-IMRO-omgevingsplanwijziging van het plangebied naar ‘wonen-vab’, met mogelijkheid tot 789 m2 aan bebouwingsoppervlakte en gebruik van bijgebouwen en erf ten behoeve van extensieve akkerbouw en opslag. Voorliggende toelichting voorziet in de benodigde onderbouwing van dit plan.

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het plan "TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22z Rijssenseweg 26 Markelo" bestaat uit de volgende stukken: • • • • •

toelichting; bijlagen bij de toelichting; verbeelding (tek.no. NL.IMRO.1735.BGxRijssenseweg26-OP10) regels; bijlagen bij de regels.

7/49

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het omgevingsplan.

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de huidige situatie en toekomstige situatie, inclusief de voorbereiding/verkenningsfase. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, gemeentelijk- en waterschapbeleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 worden de juridische aspecten en planverantwoording beschreven. In het laatste hoofdstuk 6 komen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

8/49

2. Planbeschrijving 2.1

Huidige situatie

De locatie is gelegen tussen Markelo, Rijssen en Enter. De locatie betreft een melkrundveehouderij een bedrijfswoning en diverse bedrijfsgebouwen. De bedrijfswoning betreft een woonhuis uit 1910. Op het erf zijn ook een ligboxenstal uit 2010, een jongveestal/werktuigenberging uit 1977, en een werktuigenberging uit 1998 aanwezig, evenals een fietsenschuur naast de woning, kuilvoeropslagen en kuilplaten. Het plangebied heeft een noordelijke in- en uitrit voor toegang tot de bedrijfswoning en een zuidwestelijke in- en uitrit ten behoeve van de bedrijfsvoering. Navolgende afbeelding geeft een indicatie van de huidige situatie weer.

Afbeelding 4: Huidige situatie

9/49

2.2

Toekomstige situatie

In de beoogde situatie wordt de melkrundveehouderij beëindigd en worden de werktuigenberging, ligboxenstal en jongveestal/werktuigenberging gesloopt. Ook worden de kuilplaten en kuilvoeropslagen verwijderd. De hoofdwoning en de fietsenschuur blijven behouden. Ter plaatse van de ligboxenstal wordt een karakteristieke dwarsritschöppe herbouwd. Deze was tot 2010 ook op het erf aanwezig en is destijds gesloopt i.v.m. de slechte staat van het gebouw. Daarnaast wordt ter plaatse van de jongveestal/werktuigenberging een nieuwe werktuigenberging gerealiseerd. Om deze bijgebouwen te realiseren wordt een deel van de vrijgekomen sloopmeters ingezet. Er blijven nog 1.000 woonmeters en 25 restmeters over in de vorm van een voucher. De ontwikkeling draagt, doordat de veehouderijactiviteiten gestopt worden, bij aan een daling van de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Tevens wordt verloedering tegengegaan, doordat de stalen bijgebouwen direct worden gesloopt zonder dat deze gedurende meerdere jaren leeg staan zonder concrete functie. Het geheel is landschappelijk ingepast conform de gestelde normen in het gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan en de welstandsnota. Het erfinrichtingsplan maakt als bijlage deel uit van de onderhavige toelichting en bijbehorende planregels en verbeelding.

2.3

Voorbereiding/ Verkenningsfase

Op 28 mei 2025 is namens initiatiefnemer een principeverzoek ingediend bij de gemeente Hof van Twente. Het principeverzoek is vervolgens intern besproken, waaronder in de vergadering van het college van B&W. In het principebesluit van 9 juli 2025 heeft de gemeente aangegeven positief over te staan tegenover het plan. De gemeente schrijft het volgende: Wij hebben in onze vergadering van dinsdag 8 juli 2025 besloten in principe medewerking te willen verlenen aan het ontwikkelen van het erf, onder de volgende voorwaarden: • De ruimtelijke procedure moet met een TAM IMRO procedure worden doorlopen, waarin middels onderbouwingen en onderzoeken een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ worden aangetoond. Onderzoeken zijn onder andere een bodemonderzoek voor het gehele erf. •

Bij de ruimtelijke procedure moet een erfinrichtingsplan worden aangeleverd, waarin de investering in ruimtelijke kwaliteit en in beplanting is vastgelegd.

•

Er moet 1.278 m² aan rest-sloopmeters worden ingezet om de herbouw van de bijgebouwen mogelijk te maken.

•

Eigenaren en gebruikers van omliggende gronden mogen niet onevenredig in hun mogelijkheden worden aangetast.

•

Er moet worden aangetoond hoe er participatie in de buurt heeft plaatsgevonden en hoe direct omwonenden geïnformeerd zijn over de plannen.

• •

Algemene voorwaarden rondom de LBV-regeling zijn van toepassing. Afspraken, kosten en uitgangspunten rondom de ruimtelijke procedure worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente.

Ten behoeve van de TAM-IMRO-procedure wordt een geheel uitgewerkt plan met toelichting, planregels en verbeelding aangeleverd. Het TAM-IMRO-plan dient uiterlijk op 1 oktober 2025 ten minste in ontwerp ter inzage gelegd te worden, om de procedure nog met deze methode af te kunnen ronden.

10/49

3. Beleid In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).

3.1

Rijksbeleid en Rijksregels

3.1.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: •

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van Provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;

•

over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;

•

een onderwerp Provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

2.

3.

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

11/49

Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door Provincie of Rijk, belemmert. Voor welke onderwerpen gelden rijksinstructieregels? Om enig gevoel te krijgen bij de onderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, sommen we de hoofdonderwerpen hieronder op. • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) •

beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)

•

beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;

•

beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;

• •

•

het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. Toetsing Rijksbeleid Het voorliggende plan voorziet in een lokale ontwikkeling, waarbij een voormalig melkveebedrijf wordt opgeheven en de nieuwe functie ‘wonen-vab’ krijgt. Hiermee draagt het plan bij aan een ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ en sluit het aan bij het streven naar ‘sterke en gezonde steden en regio’s’. Het plan belemmerd geen van de nationale belangen uit de NOVI. Het stemt overeen met uitgangspunten en afwegingsprincipes van de Rijksvisie. Geconcludeerd kan worden dat het plan past binnen de beleidsmatige kaders van de NOVI. De juridisch bindende instructieregels uit het Bkl zijn van toepassing op een TAM. Hoofdstuk 5 van de onderhavige toelichting voorziet in de toetsing van het voorliggende plan aan deze regels.

Per onderwerp wordt onderbouwd of aan de desbetreffende regels wordt voldaan. Er kan worden geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met het beleid en de instructieregels van het Rijk.

12/49

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Bkl staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorzieninig of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. De Ladder toets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Voor de Ladder is van belang in hoeverre het plan:

• •

in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging; en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. Daarbij gaat het enerzijds over bestaande bebouwing en ook over de bebouwing die op grond van het geldende omgevingsplan nog gebouwd kan worden, inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplan activiteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan.

Ook als de Ladder niet van toepassing is. Dan moet wel de evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gemotiveerd. Toetsing Middels het planvoornemen wordt de huidige bedrijfsbebouwing gesloopt en een dwarsritschöppe en werktuigenberging herbouwd op de locatie van de huidige ligboxenstal en jongveestal/werktuigenberging. Een plan wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien er meer dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt. Ook is van belang of een plan een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Op basis van deze criteria is het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling; de huidige woning blijft behouden en er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd, eveneens neemt het totale oppervlakte bedrijfsbebouwing af. De herbouw van bijgebouwen vindt plaats op locatie van de huidige bedrijfsbebouwing. De ladder duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing. Ook als de Ladder niet van toepassing is, moet gemotiveerd worden dat het plan voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze toelichting voorziet in die motivering. De toetsing van relevante aspecten wordt behandeld in hoofdstuk 5. 3.1.3 Conclusie Rijksbeleid Het voorliggende TAM-Omgevingsplan is in overeenstemming met het Rijksbeleid.

13/49

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Ow. In de Omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de Provincie Overijssel. 3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De Provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de Provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de Provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de Provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de Provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Ow om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. 3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de Provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de Provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

• • •

generieke beleidskeuzes; ontwikkelingsperspectieven; gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale

14/49

Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden. Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel).

Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Afbeelding 5: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)

15/49

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024. Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1: Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat: a. b. c.

er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied; de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toets In het voorgenomen plan vindt er een functiewijziging plaats waar het totale bebouwingoppervlakte kleiner wordt. Bovendien is als compensatie voor deze bijgebouwen een sloopvoucher ingezet die afgegeven is voor de sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen. De herbouw van de bijgebouwen gebeurt ter plaatse van de huidige bedrijfsbebouwing. Geacht wordt dat de bouw van deze bedrijfsgebouwen niet tot extra ruimtebeslag leidt. Aan artikel 4.5 ‘zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik’ uit de Omgevingsverordening Provincie Overijssel wordt voldaan. Artikel 4.6 In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus: a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen; b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben. Toets De verandering van de functie van het plangebied naar ‘wonen – vab’ benadeeld toekomstige generaties niet in het voorzien in hun behoeften. Bovendien leidt het tot lagere stikstofdepositie op kwetsbare omliggende natuurgebieden, en draagt hiermee bij aan de lange-termijn behoeften van de regio.

Artikel 4.8 In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken. Toets Door het plan wordt leegstand voorkomen, het plangebied heringericht en landschappelijk ingepast. Er is een afname van bebouwing en een verlaging van druk op de omliggende natuurgebieden. Het plan versterkt hiermee de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 4.9 Lid 1: omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin: a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast; b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en

16/49

c.

inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toets In het voorliggend TAM-omgevingsplan wordt het uitvoeringsmodel uit de omgevingsvisie Overijssel toegepast. Daarbij wordt gemotiveerd hoe het plan past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief. Ook wordt de vierlagenbenadering toegepast waarbij de catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt. Dit wordt hieronder in de alinea’s onder ‘Ontwikkelingsperspectieven’ en ‘Gebiedskenmerken’ getoetst. Aan artikel 4.9 wordt voldaan. Artikel 4.12 Cultureel erfgoed Lid 1: In omgevingsplannen wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder in ieder geval worden verstaan: a. historische landschappen b. historisch geografische elementen en structuren; c. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken; en d. archeologische vindplaatsen. Toets Onder het geldige tijdelijke omgevingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente’ heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. In de onderbouwing wordt rekening gehouden met de geldende wet- en regelgeving die op dit gebied van toepassing is. Er wordt rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van het gebied. Ontwikkelingsperspectieven De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de Provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving en stedelijke omgeving.

In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang, oftewel Groene Omgeving. In afbeelding 6 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

Afbeelding 6: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart (bron: Provincie Overijssel) Op locatie geldt het ontwikkelingsperspectief ‘Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap’. In onderstaande alinea’s wordt aan het ontwikkelingsperspectief getoetst.

17/49

Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap Het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap' omvat gebieden waar verdere modernisering en schaalvergroting van de landbouw in combinatie met verduurzaming de ruimte krijgt. Initiatieven binnen dit ontwikkelingsperspectief mogen de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw in principe niet beperken en dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing, weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)routes. Toets Het voorgenomen plan doet geen afbreuk aan de ambities binnen dit ontwikkelingsperspectief. De functiewisseling naar ‘wonen – vab’ vormt, zoals later in deze toelichting onderbouwd, geen beperking voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw. Daarnaast sluit het plan aan bij de bestaande weginfrastructuur en openbaar vervoer (ov)-routes, evenals de bestaande bebouwing. Vooral de herbouw van de karakteristieke dwarsritschöppe draagt bij aan dit laatstgenoemde punt. Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en -voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc.

De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend. De Provincie onderscheidt de volgende vier lagen: a. Natuurlijke laag. b. Laag van het agrarisch cultuurlandschap. c. Stedelijke laag. d. Laag van de beleving. Gelet op de ligging van het plangebied in het landelijk gebied, zijn er voor de laag van de beleving geen kenmerken zichtbaar. Natuurlijke laag De natuurlijke laag geeft aan het plangebied het kenmerk ‘Stuwwallen’. In de onderstaande afbeelding is een fragment weergegeven van de ligging van het plangebied in de natuurlijke laag.

Afbeelding 7: Fragment Omgevingsvisie Overijssel, de natuurlijke laag (bron: Provincie Overijssel)

18/49

De stuwwallen hebben hun oorsprong in de ijstijd en hebben een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn podsolgronden met lokale inzijging. Het zijn lagen met een diverse bodemsamenstelling, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. De staat van stuwwallen varieert per locatie, echter is de ambitie het behoud van het huidige reliëf. Ontwikkelingen behoren de hoogteverschillen beter zichtbaar en beleefbaar te maken, evenals de overgang tussen stuwwal en omgeving. Ook behoren ontwikkelingen bij de kwelzones en brongebieden aan de voet van stuwwallen te versterken. Toets Op ongeveer 700 m ten westen en 1.000 m ten noorden van het plangebied liggen stuwwallen met een hoogteverschil van 10-20 m ten opzichte van het plangebied. In het plangebied zelf is de helling verwaarloosbaar. De verschillen in reliëf zijn lokaal slechts enkele tientallen centimeters. Het reliëf binnen het plangebied zal door het planvoornemen onveranderd blijven. De natuurlijke laag ‘Stuwwallen’ zal onaangetast blijven door de functieverandering en de herindeling van het erf. Laag van het agrarisch cultuurlandschap De laag van het agrarisch cultuurlandschap geeft aan het plangebied het kenmerk ‘Essenlandschap’. In de onderstaande afbeelding is een fragment van de desbetreffende kaart weergegeven.

Afbeelding 8: Fragment Omgevingsvisie Overijssel, de laag van het agrarisch cultuurlandschap (bron: Provincie Overijssel) Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, - voormalige - heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt. Dit betekent dat de es en de flanken slecht geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines.

19/49

Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk. Toets Bij de voorgenomen ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld en als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Met de herinrichting van het erf, en de bijbehorende functiewijziging, is rekening gehouden met de geldende gebiedskenmerken, waaronder de gebiedskenmerken zoals gevonden in het essenlandschap. Stedelijke laag De stedelijke laag geeft twee gebiedskenmerken: ‘Informele trage netwerk’ en ‘Verspreide bebouwing’. In de onderstaande afbeelding zijn de gebiedskenmerken op locatie weergegeven.

Afbeelding 9: Fragment stedelijke laag (Bron: Provincie Overijssel) Informele trage netwerk Het informele trage netwerk is een netwerk van ‘langzame’ paden en routes binnen de Provincie. Het maakt delen van het agrarisch cultuurlandschap en de natuurlijke laag toegankelijk en ervaarbaar. Van oudsher verbonden deze routes de kernen met het ommeland en met elkaar. Aan de ene kant verdwijnen dergelijke paden langzamerhand door uitbreiding van woonwijken en bedrijventerreinen. Aan de andere kant neemt de vraag naar een beleefbaar en toegankelijk natuur- en agrarisch cultuurlandschap toe. De ambitie is om het netwerk op regioniveau te integreren tot een compleet systeem. De routes en netwerken krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op continuïteit. Bij ontwikkelingen moeten nieuwe mogelijkheden voor lange afstands- wandel- en fietsroutes worden benut. Verspreide bebouwing Agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap, en speelden een rol bij het in cultuur brengen van omliggende gronden. Hierdoor ontstonden landschapstypen, ook elk met een unieke erfstructuur. Er is een vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. Bij transformatie van erven vervalt deze vanzelfsprekende samenhang vaak. De erven gaan hierdoor steeds meer verschillen. De ambitie van de Provincie is er een van ‘Levende erven’, waarbij erven opnieuw verbonden

20/49

zijn met het landschap. Hierbij worden cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken als identiteitsdrager van erftransformaties benut. Ontwikkeling binnen erven horen bij te dragen aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant-achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toets De functiewijziging en de herindeling van het erf vinden binnen het plangebied plaats en doen geen afbreuk aan de routes en routenetwerken in de omgeving. Het plan is in overeenstemming met ambities van de Provincie binnen de stedelijke laag en het gebiedskenmerk ‘Informele trage netwerk’. Het gebiedskenmerk ‘Verspreide bebouwing’ is gericht op behoud van historische kenmerken van erven. Een landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd bij deze toelichting, waarin rekening wordt gehouden met de geldende gebiedskenmerken. Daarnaast wordt de karakteristieke dwarsritschöppe herbouwd. 3.2.4 Conclusie Provinciaal beleid en regelgeving Er kan geconcludeerd worden dat de planologische ontwikkelingen in dit TAM-omgevingsplan in overeenstemming zijn met het provinciaal beleid zoals beschreven in de Omgevingsvisie en de provinciale regelgeving uit de Omgevingsverordening.

21/49

3.3

Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de voorliggende ontwikkeling worden in dit hoofdstuk behandeld.

3.3.1

De Hof in 2040

Algemeen In 'De Hof in 2040' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. In de visie heeft de gemeente onderscheid gemaakt tussen vier thema's:

• • • •

Herkenbaar Hof van Twente Leefbaar Hof van Twente Duurzaam Hof van Twente Ondernemend Hof van Twente

De belangrijkste thema’s die aansluiten bij dit planvoornemen is ‘Herkenbaar Hof van Twente’ evenals ‘Ondernemend Hof van Twente’. Daarnaast is er ook een per dorpskern en voor het buitengebied een visie opgesteld. Herkenbaar Hof van Twente Als het gaat over de herkenbaarheid van Hof van Twente, dan heeft de gemeente het enerzijds over de ervaring en beleving van het landschap en van de stads-, kern- en dorpsgezichten. Anderzijds gaat het over sociale en culturele elementen die het karakter van de kernen en dorpen typeren en die zodoende ook invloed hebben op de fysieke leefomgeving van de gemeente. Binnen dit thema zijn er twee hoofddoelen:

• •

Behouden en versterken van stads-, dorpsgezichten Verbinden van waardevolle natuurgebieden en unieke landschapselementen

Voornamelijk het tweede doel is in het plangebied van belang. Het landschap rondom Markelo bestaat uit een stuwwal en dekzandruggen. Belangrijke onderdelen in deze landschapsstructuren is het reliëf en het watersysteem. Tegelijkertijd zijn er in deze landschappen waardevolle cultuurhistorische elementen. De visie van de gemeente is om gebieden met landschapselementen en cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk bij elkaar te laten komen, waarbij uiteraard de unieke kenmerken behouden blijven. Ondernemend Hof van Twente De visie op ondernemend Hof van Twente is gericht op zowel werkgelegenheid, als de vele vraagstukken in de ruim aanwezige landbouwsector. Functieverandering van agrarische bedrijven is een steeds vaker voorkomend fenomeen. Door beëindiging van bedrijfsactiviteiten komt vrijgekomen agrarische bebouwing leeg te staan. Enerzijds worden mogelijkheden tot hergebruik gezocht, en anderzijds sloopmaatregelen. Hiervoor is de Rood voor Rood-regeling in het leven geroepen. Dit valt onder het beleid ‘Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving’ (KGO). Het KGO beleid wordt later in dit hoofdstuk behandeld. Buitengebied van Hof van Twente Het buitengebied van Hof van Twente is uitgestrekt en gevarieerd en een belangrijk onderdeel van de gemeente. Het landschap bestaat uit een afwisseling van natuur en landbouw.

De agrarische sector speelt al generaties lang een belangrijke rol in het beheer van dit landschap. In de afgelopen decennia heeft een schaalvergroting plaatsgevonden en een verschuivende focus naar gespecialiseerde veehouderij. Tegelijkertijd blijven boeren innoveren en zoeken naar nieuwe verdienmodellen. Hiernaast is het buitengebied ook een belangrijk groen raamwerk voor natuurontwikkeling en biodiversiteit. Recreatie en toerisme in deze gebieden zorgen voor een economische impuls. Daarnaast levert het buitengebied een bijdrage aan de energietransitie. De nadruk ligt op zon-op-dak en kleinschalige zonneparken. Deze ontwikkelingen gebeuren gebiedsgericht, met oog voor de specifieke context.

22/49

In het buitengebied wordt de rust en ruimte sterk gewaardeerd. Er is een sterke gemeenschapszin, en deze gemeenschappen zitten zich in voor een respectvolle omgang en goede samenwerking tussen partijen. Volgens bewoners moet de gemeente het buitengebied leefbaar houden, een plek voor zowel jongeren als ouderen, door middel van realistische regels en perspectief voor boeren die willen innoveren. De gemeente zet in op:

• • • • • • • •

Toekomstperspectief bieden voor de agrarische sector. Versterken van sociale samenhang in buurtschappen. Het bouwen van betaalbare en passende woningen. De herontwikkeling of sloop van vrijgekomen agrarische bebouwing voor nieuwe functies. Het behoud van karakteristieke gebouwen en monumenten. Herstel en behoud van landschappelijke structuren en versterking van biodiversiteit. Bevorderen van kleinschalige recreatie en toeristische aantrekkelijkheid van het gebied. Verdere verduurzaming van het gebied.

Toets De ontwikkeling voorziet in het beëindigen van een melkrundveebedrijf waarbij vrijgekomen agrarische bebouwing gesloopt zal worden. De herbouw van een karakteristieke dwarsritschöppe evenals de sloop van de oorspronkelijke bijgebouwen sluit aan bij de visie van de gemeente. Door deze ontwikkelingen blijft het buitengebied van de gemeente aantrekkelijk, ordelijk, en kenmerkend. De totstandkoming van het KGO beleid versneld de ontwikkelingsmogelijkheden op dit gebied. Dit beleidsstuk wordt in onderstaande paragrafen getoetst.

3.3.2

KGO beleid 2023 – 2028, Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst

Algemeen Hof van Twente biedt ook de komende jaren eigenaren in het buitengebied volop kansen om voormalige agrarische erven nieuw leven in te blazen. De gemeenteraad heeft daarvoor in maart 2023 het geactualiseerd KGO-beleidskader vastgesteld: “Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst”. Met de ruime mogelijkheden die dit beleid biedt, is Hof van Twente voorloper vergeleken met andere plattelandsgemeentes. In de afgelopen zeven jaar zijn er veel ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk gemaakt met het KGO beleid. Dat heeft de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid een boost gegeven in het landelijk gebied. Erven zijn daardoor toekomstbestendig geworden. In het kader van het KGO-beleid is ruim 170.000 m2 aan landschap ontsierende bebouwing gesloopt. Ook moet de economische impuls niet vergeten worden; de werkgelegenheid voor aannemers, slopers, tekenaars, leveranciers en andere partijen die baat hebben gehad bij deze ontwikkelingen is groot. Toch zijn er nieuwe kansen te benutten in het buitengebied waar het beleid nog geen ruimte voor gaf, maar waar wel behoefte aan is. Ook voor de komende jaren ligt er een grote opgave in het buitengebied. Denk hierbij aan de doorgaande agrariërs die innovatiever (moeten) worden, agrariërs die om verschillende redenen hun bedrijf staken, de ruimtevraag voor de energietransitie, woningbouw etc.

Met het geactualiseerd beleidskader kan de gemeente Hof van Twente beter inspelen op deze actuele onderwerpen. De beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst' voorziet in de kaders om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Deze beleidsnotitie voorziet in de kaders met betrekking tot het VABbeleid, de Rood voor Rood-regeling, beleid omtrent de herbouw van karakteristieke woningen, het vergroten bestaande en bestemde woning, beleid omtrent veldschuren, het herbouwen van bijgebouwen, niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, de sloopvoucher-regeling, landgoederen, omzetten van een recreatiewoning naar wonen, inwoning, bestemmen van een karakteristieke boerderij als woning en een grondgebonden zonnepark binnen een agrarisch bouwvlak. In dit geval zijn de regels uit de volgende hoofdstukken relevant:

23/49

• • • •

2: Rood voor Rood 8: Herbouw bijgebouwen tot 450 m2 10: Sloopvoucher-regeling 15: Maatwerk.

Rood voor Rood De Rood voor Rood regeling van gemeente Hof van Twente biedt ondernemers in het buitengebied de kans vrijgekomen agrarische bebouwing te slopen in ruil voor woon- en restmeters die kunnen worden ingezet bij andere bouwprojecten. Hiervoor wordt uitgegaan van de sloop van een minimum oppervlakte van 1000 m 2. Restmeters kunnen ingezet worden voor bijvoorbeeld het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen, extra inhoud van bestaande woningen of de uitbreiding van niet agrarische bedrijfsgebouwen. Er kan binnen deze regel maximaal 150 m2 aan bijgebouw per kavel gerealiseerd worden. Hier kan tot 450 m2 van worden afgeweken. Herbouw bijgebouwen tot 450 m2 In het bestemmingsplan buitengebied is de mogelijkheid opgenomen voor het herbouwen van één of meer bijgebouwen binnen een woonbestemming tot een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 150 m 2, mits:

• • • •

de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer bedraagt dan 450 m2;

• • • •

de op het erf bestaande karakteristieke bebouwing behouden blijft;

• •

op de slooplocatie(s) na sloop maximaal 450 m2 aan bijgebouwen blijft staan;

•

de uitvoerbaarheid van het bouwplan waarvoor afwijking wordt toegepast, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden: o de milieu hygiënische situatie van de bodem de ontwikkeling waarvoor afwijking wordt toegepast niet belemmerd; o dat geen onevenredige aantasting van de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden.

de oppervlakte van de nieuwe bijgebouwen maximaal 300 m2 bedraagt; Voor elke 1 m2 wordt 2 m2 aan landschapontsierende bebouwing gesloopt; De oppervlakte te slopen bebouwing is voor minimaal 60% afkomstig uit de gemeente Hof van Twente en maximaal 40% uit één van de andere deelnemende gemeenten.; de nieuw te bouwen bijgebouwen aansluiten bij de (karakteristiek van de) te handhaven bebouwing; uit een inrichtingsplan blijkt dat slooplocatie en bouwlocatie landschappelijk wordt versterkt; uit een inrichtingsplan blijkt dat de erfstructuur wordt gehandhaafd dan wel verbeterd, zowel ten aanzien van beplanting als bebouwing; geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

Sloopvoucher-regeling Erf eigenaren die graag de vrijkomende landschap ontsierende gebouwen op het erf willen slopen kunnen hiervoor een sloopvoucher aanvragen. Deze kan op een later moment verzilverd worden en is 10 jaar geldig. De volgende voorwaarden gelden:

• • •

de oppervlakte te slopen bebouwing kan niet terug worden gebouwd;

• •

eerdere verplichtingen kunnen niet in de regeling worden ingebracht;

de oppervlakte te slopen bebouwing is afkomstig uit de gemeente Hof van Twente; op de slooplocaties blijft maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is de regeling ‘herbouw bijgebouw tot 450 m2’ van toepassing; Alles asbest moet worden gesaneerd.

24/49

•

er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;

•

Als de bestemming nog Agrarisch is moet deze gewijzigd worden naar een bestemming wonen

Maatwerk In uitzonderlijke gevallen past een wenselijke ontwikkeling niet binnen de beleidsregels van de KGO. Er kan in deze gevallen maatwerk worden toegepast. Dit gebeurt op basis van kwalitatieve criteria. Uitgangspunt is dat ruimtelijke en sociale kwaliteit, evenals duurzaamheid, aanzienlijk wordt vergroot. De gemeenteraad beslist uiteindelijk of er aan de gewenste maatwerk ontwikkeling medewerking kan worden verleend. Toets Bij het planvoornemen wordt >2000 m2 aan bedrijfsbebouwing gesloopt. Aan de minimumwaarde van 1000 m2 wordt voldaan. Deze sloopmeters worden ingezet voor de herbouw van bijgebouwen op de planlocatie. Het totale oppervlak van de blijvende en nieuwe bijgebouwen is 789 m2. Dit is hoger dan de gestelde norm van 150 m2. Deze overschrijding van oppervlak is overlegd met de gemeente. Het heeft te maken met de activiteit ‘extensieve akkerbouw en opslag’ en wordt opgenomen in de planregels. Het aantal meters wat verzilverd wordt is 1278 m2. Aan de regel 2 m2 sloop per 1 m2 bouw wordt voldaan. De te slopen bebouwing bevindt zich volledig binnen gemeente Hof van Twente. Op het erf is momenteel geen karakteristieke bebouwing aanwezig, echter voorziet het planvoornemen in de herbouw van de dwarsritschöppe zoals deze vroeger aanwezig was. Dit gebeurt met de vrijgekomen sloopmeters.

Het erfinrichtingsplan, bijgevoegd bij deze onderbouwing, visualiseert de herindeling van het erf. Deze herindeling voorziet in een verbetering van de erfstructuur, passend bij het gemeentelijk beleid. Met de toetsing aan de relevante omgevingsaspecten in het volgende hoofdstuk (5) wordt aangetoond dat de belangen van omwonenden niet onevenredig worden aangetast. Ook wordt in datzelfde hoofdstuk ingegaan op de impact op bodemwaarden en archeologische waarden van het gebied. Het oppervlakte van teruggebouwde bebouwing is lager dan de gesloopte bebouwing. Om de activiteit ‘extensieve akkerbouw en opslag’ mogelijk te maken wordt maatwerk toegepast. De ruimtelijke kwaliteit neemt toe door de sloop van >2000 m2 ontsierende bebouwing, de herindeling van het erf en door het voorkomen van verval en leegstand in het buitengebied. De activiteit ‘extensieve akkerbouw en opslag’ is beheersbaar, kleinschalig en passend bij de omgeving. Hierdoor blijft het erf in gebruik en worden buren niet onevenredig gehinderd.

3.3.3

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit TAM-omgevingsplan voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het relevante gemeentelijke beleid.

25/49

3.4

Beleid wateraspecten

3.4.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 3.4.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022- 2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 3.4.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 3.4.4 Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). De komende jaren staat het waterschap voor grote uitdagingen.

Voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en werken aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik. In de Watervisie zijn de opgaven beschreven in zeven hoofdlijnen. Hierin wordt geschetst hoe ons watersysteem er in 2050 uit moet zien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen. Het Waterbeheerprogramma vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem. 3.4.5 Toetsing beleid wateraspecten Voorliggend plan behelst een functiewijziging van een bestaande situatie. De totale bebouwing op de percelen neemt af en daarmee ook het verharde oppervlakte. In hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt dieper ingegaan op de effecten van het voornemen op de omgeving en het water. Hier wordt geconcludeerd dat het plan geen significant effect heeft op de waterhuishouding in dit gebied. Het plan is daarmee in lijn met de doelstellingen van het waterschap Vechtstromen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4289/documents/59970