CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM-omgevingsplan Herikerweg ong. Markelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 11: TAM omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22 t Herikerweg ong Markelo20.496 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

ontwerp

29

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

4.4.4.2

Kwantitatieve behoefte Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de Hof is krap. Zowel starters als gezinnen en ouderen ervaren moeite bij het vinden van een geschikte woningen. ‘Bouwen, bouwen, bouwen…. er is een tekort aan woningen, in alle kernen’ is een stelling die in alle georganiseerde woontafels door alle betrokkenen onderschreven werd. Er wordt een piek verwacht in de woningbehoefte in de jaren tot 2030, waarna de behoefteontwikkeling stabiliseert en licht afvlakt. In de koopsector is er momenteel door gebrek aan aanbod nauwelijks keuze. Hof van Twente heeft vanouds een grote voorraad grondgebonden koopwoningen. Door grote vraag van binnen en buiten de gemeente is de beschikbaarheid gering en stijgen de gemiddelde koopprijzen fors. De vrije huursector is nog erg klein in de gemeente. Een deel van de behoefte aan geschikte ouderenwoningen zit in de vrije huursector. Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen.

Concreet betekent dit dat naast de bouwvraag in de kernen, zoals de 240–245 woningen in Goor en de 85–90 in Markelo, er in het buitengebied van Hof van Twente minimaal zo’n 160–165 nieuwe woningen nodig zijn.

4.4.4.3

Kwalitatieve behoefte Momenteel bestaan de kernen en het buitengebied van Hof van Twente voornamelijk uit landelijke en dorpse woonmilieus. Deze wil de gemeente vitaal en sterk houden, maar ook nieuwe kwaliteiten toevoegen zoals bijvoorbeeld met Op Stoom in Goor. Dit is in lijn met de regionale ambities om meer verstedelijking en stedelijke vernieuwing in Twente te realiseren. Per locatie bepaalt de gemeente welk woonmilieu het meest passend is. Ruimtelijk wordt eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding. Zo wordt niet alleen het waardevolle groen behouden, maar wordt ook gezorgd voor verdichting. De gemeente wil passende huisvesting kunnen bieden voor alle doelgroepen in verschillende levens- fasen en met diverse woonwensen. Met een wachttijd van minder dan 12 maanden lijkt er in Hof van Twente geen sprake van een grote druk op de sociale huurmarkt. Wel staat betaalbaarheid in het koopsegment en de geliberaliseerde huur onder druk. Uit woontafels met jongeren blijkt dat zij moeite hebben om een betaalbare, geschikte starterwoning te vinden. De prijzen zijn hoog en het beschikbare aanbod is beperkt door gebrek aan doorstroming en weinig nieuwe (betaalbare) toevoegingen. Een andere uitdaging is de demografische verandering in de gemeente. In de komende tien jaar komen er circa 1.500, 75-plussers bij.

Daarmee zal de zorgvraag groter worden evenals de wens van veel oudere huishoudens om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Er wordt daarom ingezet op het bouwen van betaalbare starters- en gezinswoningen, maar ook levensloopbestendige grondgebonden woningen voor senioren. In onderstaande tabel is een uitsnede van het woonprogramma voor de gemeente Hof van Twente voor de periode 2020-2030 weergegeven.

30

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

4.4.4.4

Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Voorliggend plan voorziet in de realisatie van in totaal 10 woningen. Voorgaande is passend gezien de opgave in de kernen Markelo, Goor en het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. In voorliggend geval is samen met de inwoners gekeken naar een juiste invulling en aantal van de woningvoorraad. Gezien voorstaande wordt gesteld dat met het voornemen voor de lokale behoefte van Markelo en het buitengebied van Hof van Twente wordt gerealiseerd. Met de realisatie van de woningen worden voor starters, jongeren en ouderen woningen toegevoegd wat een positief effect heeft op de doorstroom in meerdere segmenten. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025.

4.4.5

Beleidsnota Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst

4.4.5.1

Algemeen Hof van Twente biedt ook de komende jaren eigenaren in het buitengebied volop kansen om voormalige agrarische erven nieuw leven in te blazen. De gemeenteraad heeft daarvoor in maart 2023 het geactualiseerd KGO-beleidskader vastgesteld: “Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst”. Met de ruime mogelijkheden die dit beleid biedt, is Hof van Twente voorloper vergeleken met andere plattelandsgemeentes. In de afgelopen zeven jaar zijn er veel ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk gemaakt met het KGO beleid. Dat heeft de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid een boost gegeven in het landelijk gebied. Erven zijn daardoor toekomstbestendig geworden. In het kader van het KGO-beleid is ruim 170.000 m² aan landschap ontsierende bebouwing gesloopt. Ook moet de economische impuls niet vergeten worden; de werkgelegenheid voor aannemers, slopers, tekenaars, leveranciers en andere partijen die baat hebben gehad bij deze ontwikkelingen is groot. Toch zijn er nieuwe kansen te benutten in het buitengebied waar het beleid nog geen ruimte voor gaf, maar waar wel behoefte aan is. Ook voor de komende jaren ligt er een grote opgave in het buitengebied. Denk hierbij aan de doorgaande agrariërs die innovatiever (moeten) worden, agrariërs die om verschillende redenen hun bedrijf staken, de ruimtevraag voor de energietransitie, woningbouw etc.

Met het geactualiseerd beleidskader kan de gemeente Hof van Twente beter inspelen op deze actuele onderwerpen.

ontwerp

31

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

4.4.5.2

Rood voor Rood en VAB-beleid De beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst' voorziet in de kaders om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Deze beleidsnotitie voorziet in de kaders met betrekking tot het Rood voor Rood en VAB-beleid, beleid omtrent de herbouw van karakteristieke woningen, het vergroten bestaande en bestemde woning, beleid omtrent veldschuren, het herbouwen van bijgebouwen, niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, de sloopvoucher-regeling,landgoederen, omzetten van een recreatiewoning naar wonen, inwoning, bestemmen van een karakteristieke boerderij als woning en een grondgebonden zonneparkbinnen een agrarisch bouwvlak. In dit geval zijn de kaders omtrent het Rood voor Rood van belang. Sinds 2005 maakt de Hof van Twente gebruik van de Rood voor Rood-regeling. Waarbij de regels al een aantal keer zijn aangepast zodat ze beter aansluiten bij wat de behoefte is. De laatste jaren beëindigen steeds meer agrariërs hun bedrijfsactiviteiten en deze tendens zet zich ook de komende jaren nog voort. Hierdoor komen de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen leeg te staan. Er wordt enerzijds gezocht naar mogelijkheden tot hergebruik van de bebouwing en anderzijds naar maatregelen om de sloop te bevorderen. Om dit laatste te bewerkstelligen heeft de gemeente Hof van Twente de beleidsregel Rood voor Rood opgesteld.

Het doel dat de gemeente voor ogen heeft is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit van landelijk gebied. Dit doel is onder andere te bewerkstelligen door de sloop van vrijkomende landschapsontsierende bedrijfsgebouwen welke hun functie verloren hebben. De Rood voor Rood-regeling gaat in de basis nog steeds uit van slopen met gesloten beurs. In de Hof van Twente wordt uitgegaan van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m², waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De eventuele overige opstallen op het erf dienen ook gesloopt te worden en daarvoor kan een zogeheten sloopvoucher worden verkregen. Die ingezet kan worden bij projecten waar de zogeheten restmeters van toepassing zijn. Woningen voor de buurtschap Vanuit buurtschappen is er behoefte aan starterswoningen voor de jongeren uit de buurtschap. Wij zien kansen voor dergelijke ontwikkelingen als blijkt uit onderzoek dat er ook daadwerkelijk behoefte is. Dit is echter wel maatwerk want de vraag en behoefte verschilt per buurtschap. Ook verschilt per buurtschap hoe hier stedenbouwkundig invulling aan gegeven kan worden.

4.4.5.3

Maatwerk In uitzonderlijke gevallen past een wenselijke ontwikkeling niet binnen de in dit document beschreven beleidsregels. Wanneer de beleidsregels niet voldoende ruimte bieden om een gewenste ontwikkeling, waarbij bijvoorbeeld een milieutechnisch- of ruimtelijk probleem wordt opgelost, mogelijk te maken dan kan maatwerk worden toegepast. Afwijken van de beleidsregels gebeurt op basis van kwalitatieve criteria, bijvoorbeeld een forse bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Uitgangspunt bij betreffende ontwikkelingen is dat de ruimtelijke kwaliteit, sociale kwaliteit en duurzaamheid aanzienlijk wordt vergroot. En wordt onderzocht of de ontwikkeling kan bijdragen aan bredere sociaal economische opgaven in de omgeving van het plangebied. Uiteindelijk besluit de gemeenteraad of aan de gewenste maatwerk ontwikkeling medewerking kan worden verleend.

32

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

4.4.5.4

Toetsing van het initiatief aan de Beleidsnota Grond voor gebruik Dit TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om middels de beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst extra woningen toe te voegen. Op basis van de Rood voor Rood-regeling kan in ruil voor het slopen van minimaal 1.000 m² aan landschapsontsierende bedrijfsbebouwing het recht op één compensatiewoning worden verkregen. Met het voornemen wordt voor 3.000 m² aan bebouwing gesloopt. Om te voldoen aan de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt verbeterd, worden de woonpercelen landschappelijk ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 1. Daarnaast wordt opgemerkt dat er afgeweken wordt middels maatwerk in het plan. Hierbij is uitgebreid overleg geweest met de gemeente en provincie over de KGO. de provincie stelt dat: "ingestemd wordt met de uitgangspunten van het plan. Er is onderbouwd is dat er behoefte is aan starterswoningen (rijtjeswoningen en twee-onder-één-kap) en woningen voor senioren in deze buurtschap. Deze binding aan de buurtschap en de hoeveelheid sloop van vrijkomende agrarische bebouwing is ons inziens voldoende als KGO." Middels deze invulling van het plan alsmede de landschappelijke inpassing is de KGO-inpassing van voldoende niveau om aan de compensatiewoningen te voldoen.

Hiermee is maatwerk geleverd voor starters, jongeren en ouderen in een buurtschap. De uitvoering en instandhouding van de landschappelijke maatregelen genoemd in dit plan worden tevens geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan, evenals de sloopopgave. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten uit de beleidsnota 'Grond voor gebruik'.

ontwerp

33

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

Hoofdstuk 5 5.1

Omgevingsveiligheid

Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn.

In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

5.2

Situatie plangebied Aan hand van de 'Landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid' is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart externe veiligheid met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de zwarte omlijning indicatief weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat in het plangebied er geen (veiligheids)maatregelen

34

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

getroffen moeten worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Tevens is er bij de voorgenomen activiteiten geen sprake van de realisatie van een risicobron.

Afbeelding 5.1: Risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

5.3

Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

ontwerp

35

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

Hoofdstuk 6 milieu

Bescherming gezondheid en het

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen: geluid; bodemkwaliteit; de kwaliteit van de buitenlucht; geur en; trillingen. In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid' behandeld.

6.1

Geluid door activiteiten

6.1.1

Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat).

Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden

36

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.1.2

Situatie plangebied De woningen worden op basis van het Bkl aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai als bedoeld in het Bkl.

6.1.2.1

Industrielawaai Er is met het voornemen niet sprake van een geluidsproductieplafond (gpp) of geluidsaandachtsgebied nabij het plangebied. Het aspect industrielawaai is in voorliggend geval niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven (van onder andere het bedrijventerrein op de woningen wordt verwezen naar paragraaf 6.4 (milieuzonering).

6.1.2.2

Railverkeerslawaai De dichtstbijzijnde spoorlijn bevindt zich op meer dan 4 kilometer van het plangebied. In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai niet van belang, aangezien er geen spoorweg in de directe omgeving aanwezig is.

6.1.2.3

Wegverkeerslawaai In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m. Met het voornemen worden nieuwe geluidsgevoelige gebouwen gerealiseerd. De dichtstbijzijnde wegen met een wettelijke geluidszone of aandachtsgebied betreffen de Rijssenseweg en de Herikerweg. Gezien de afstand tot deze wegen en de relatief lage verkeersintensiteit wordt gesteld dat de geluidsbelasting op wegen niet onevenredig hoog is. Op afbeelding 6.1 is weergegeven dat ter plaatse van de dichtstbijzijnde gevel de geluidsbelasting circa 54 dB bedraagt. Dit is meer dan de standaardwaarde van 53 dB. De rest van het plangebied voldoet wel aan de standaardwaarden van 53 dB. Op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bedraagt de vereiste binnenwaarde 33 dB. In dit geval is dan ook een gevelwering van minimaal 21 dB benodigd. In dit geval is sprake van de nieuwbouw van een moderne, goed geïsoleerde woning.

Deze voldoen in de praktijk eenvoudig aan de vereiste gevelwering van 21 dB. Gesteld wordt dat met het voornemen een nieuw geluidgevoelig gebouw gerealiseerd wordt dat voldoet aan de huidige wensen en eisen, zoals het gebruik van goede isolatie en isolerend glas. Bij de vergunningsaanvraag zal voorgaande binnenwaarde aangetoond moeten worden. Gezien voorgaande motivering wordt een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor nu dan ook niet noodzakelijk geacht.

ontwerp

37

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

Afbeelding 6.1: Geluidskaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) 6.1.3

Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.2

Bodemkwaliteit

6.2.1

Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu heeft het Rijk voor het aspect bodem instructieregels opgesteld. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl geeft aan dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Bij het vaststellen van die waarden wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Een omgevingsplan kan per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Het omgevingsplan kan ook hogere waarden bevatten dan de waarden, bedoeld in bijlage IIA. Een omgevingsplan bepaalt tevens dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

6.2.2

Situatie plangebied Door Kruse Milieu b.v. is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen als Bijlage 2. Zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen

38

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

bijzonderheden waargenomen die duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Conclusie onderzoek In de bovengrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. In de bovengrond, de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarde niet wordt overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In de meeste mengmonsters van de fijne fractie van is geen asbest aangetoond. In enkele mengmonsters van de fijne fractie van is asbest aangetoond, maar zijn de gehalten ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen verkoop en ontwikkelingsplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). 6.2.3

Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.3

Luchtkwaliteit

6.3.1

Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. Volgens deze instructieregels gelden rijksomgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) en zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Voor activiteiten die niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project valt onder NIBM als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de standaardgevallen niet in betekenende mate valt, zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

6.3.2

Situatie plangebied Conform artikel 5.54 sub b valt een activiteit onder een NIBM project, indien er sprake is van: één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of

ontwerp

39

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Gelet op de aard en omvang van deze gevallen, is er zonder meer sprake van een plan dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 6.3.3

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4

Milieuzonering

6.4.1

Algemeen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige gebouwen (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Ingeval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand.

6.4.2

Gebiedstypen In 2024 is er een nieuwe handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uitgebracht. De nieuwe handreiking is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid- en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009. Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. In de direct omgeving van het plangebied komen verschillende functies (wonen en (agrarische)bedrijvigheid) op korte afstand van elkaar voor. opgemerkt wordt dat de bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving weg worden 'bestemd' en er woonerven voor terug komen. Echter zijn er nog wel activiteiten in het gebied. Daarom kan de omgeving van het plangebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’.

6.4.3

Situatie plangebied

6.4.3.1

Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

6.4.3.2

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede fysieke leefomgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

40

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Ten aanzien van de beoogde woningen is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 6.4.3.3

Interne werking Rondom het plangebied bevinden zich verschillende (agrarische) bedrijven. Bij agrarische bedrijven geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 6.5 nader op ingegaan. Voor de grondgebonden agrarische bedrijven geldt, indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten, een grootste richtafstand voor de aspecten stof en/of geluid. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de in omgeving aanwezige (agrarische) bedrijven, met bijbehorende richtafstanden.

Functie en locatie

Hoogste Richtafstand Afstand tot milieucategorie (gemengd gebied) dichtstbijzijnde woning

Grondgebonden veehouderij (melkvee) Rijssenseweg 26

3.2

50 meter

Ca. 130 meter

Landbouw en mechanisatiebedrijf Rijssenseweg 57a

3.1

30 meter

Ca. 180 meter

Constructiebedrijf Kemperweg 2

3.2

50 meter

Ca. 204 meter

Maatschappelijk - kinderopvang Herik erweg 27 en 36

2

10 meter

Ca. minimaal 35 meter

Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel wordt aan alle richtafstanden voldaan. De omliggende bedrijvigheid vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast wordt de bestaande bedrijvigheid niet belemmerd in de bedrijfsvoering door de ontwikkeling. 6.4.4

Conclusie Ter plaatse van de woningen kan redelijkerwijs gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met voorliggend omgevingsplan wordt in voldoende mate rekening gehouden met de verschillende milieuaspecten.

ontwerp

41

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

6.5

Geur

6.5.1

Algemeen Paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals gebouwen met een woonfunctie. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Activiteiten waarvoor deze regels gelden zijn onder andere het exploiteren van zuiveringtechnische werken, het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (veehouderijen) en andere agrarische activiteiten. Zolang het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat van toepassing. De Bruidsschat bevat regels over: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par.

22.3.6.4 BS); Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1). Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandseisen; Randvoorwaarden. In het Omgevingsplan zijn in paragraaf 22.3.6 de regels beschreven omtrent geur. In voorliggend geval gaat het om de feitelijke situatie om landbouwhuisdieren zonder geuremissie en paarden of pony's die gehouden worden voor het bereiden.

Zodoende onverminderd de artikelen 22.98 tot en met 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in onderstaande tabel.

42

Geurgevoelig gebouw

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

50 meter

Gelegen buiten de bebouwde kom

25 meter

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

6.5.2

Situatie plangebied Met het voornemen worden 10 geurgevoelig gebouw gerealiseerd. In en rondom het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd. Daarnaast zijn er binnen de 100 meter van het plangebied geen dierenverblijven voor landbouwhuisdieren waaraan getoetst hoeft te worden. Met het voornemen wordt tevens geen geur belastende activiteit mogelijk gemaakt.

6.5.3

Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6

Trillingshinder

6.6.1

Algemeen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillinghinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In het omgevingsplan zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

6.6.2

Situatie plangebied Het plangebied ligt op een afstand van meer dan 1,2 kilometer tot een spoorwegovergang. Zodoende is een onderzoek naar trillinghinder niet nodig.

6.6.3

Conclusie Vanuit het aspect trillingshinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.7

Gezondheid

6.7.1

Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van een activiteit optreedt. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd.

ontwerp

43

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

6.7.2

Situatie plangebied In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging. Het voornemen levert geen verslechtering op van de leefomgeving of omgevingskwaliteit (zie ook hoofdstuk 11). Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet.

6.7.3

Conclusie Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

6.8

Ecologie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

6.8.1

Gebiedsbescherming

6.8.1.1

Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijking van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

6.8.1.1.1

Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Borkeld' ligt op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied.

44

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er door BJZ.nu een stikstofberekening uitgevoerd met de AERIUS-Calculator. Het resultaat van deze berekening staat in Bijlage 3. Hieronder staat de conclusie opgenomen. AERIUS-berekening Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 6.8.1.2

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

6.8.1.2.1

Situatie plangebied Het plangebied ligt niet of nabij een gebied dat is aangewezen als NNN. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

6.8.2

Soortenbescherming

6.8.2.1

Algemeen In dit geval is door Natuurbank Overijssel een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie.

6.8.2.2

Situatie plangebied Natuur Netwerk Nederland De planlocatie ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (Natuurnetwerk Overijssel) Aangezien het Natuur Netwerk in Overijssel geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten benut als foerageergebied en mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend als foerageergebied benut. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Het rooien van beplanting en het bouwen van de nieuwe woningen dient buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om dit uit te voeren is augustus-februari.

Voorgenomen activiteiten mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

ontwerp

45

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuizen, huisspitsmuizen en rosse woelmuizen die een voortplantingsplaats en/of rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Deze vrijstelling geldt niet voor egel en wezel, voor deze soorten dient een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden voor het beschadigen/vernielen van een voortplantingsplaats en/of rustplaats. Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren in het plangebied geldt een vrijstelling voor het beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Er geldt geen vrijstelling voor het doden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

Er dient wel een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden voor het beschadigen/vernielen van een voortplantingsplaats en rustplaats van egel en wezel. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën waarvan mogelijk de (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats'. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.

Conclusie Ten aanzien van het voornemen wordt een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Advies is wel om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of voorafgaand de werkzaamheden een broedvogelonderzoek uit te voeren. Daarbij zal er een vergunning aangevraagd moeten worden voor het beschadigen/vernielen van rusten voortplantingsplaats van een wezel en egel. Voorgaande vergunning zal separaat worden aangevraagd via het DSO. 6.8.3

Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

46

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

6.9

Archeologie & Cultuurhistorie

6.9.1

Wettelijk kader Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

6.9.2

Archeologie

6.9.2.1

Algemeen Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

6.9.2.2

Situatie plangebied De gemeente Hof van Twente heeft archeologiebeleid vastgelegd in een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Het plangebied kent daarom de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op of in deze gronden mogen zonder archeologisch onderzoek geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld verstoord wordt en het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 2.500 m². Met het voornemen worden de planologisch bouwmogelijkheden voor 10 woningen mogelijk gemaakt. De oppervlakte van deze woningen zijn middels bouwvlakken beperkt tot bij elkaar 880 m². Daarbij zijn de planologische mogelijkheden voor het bouwen van bijgebouwen beperkt. Gesteld wordt dat de grenswaarde niet overschreden wordt. De dubbelbestemming, of nu gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologische verwachting 1' wordt overgenomen in de regels en op de verbeelding van dit plan. Hiermee is geborgd dat voor bodemingrepen groter dan respectievelijk 2.500 m² en dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek vereist is. Deze grenswaarden worden niet overschreden.

ontwerp

47

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

6.9.3

Cultuurhistorie

6.9.3.1

Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover relevant in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

6.9.3.2

Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden waar voorliggend plan invloed op heeft. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

6.9.4

Conclusie Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

6.10

Besluit milieueffectrapportage

6.10.1

Kader Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: In kolom 1 staan de projecten opgesomd; In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt; Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

6.10.2

Situatie plangebied Met het voornemen worden 10 reguliere woningen gerealiseerd. In de Aerius-berekening is aangetoond dat er geen sprake is van depositie op gevoelige stikstofgebieden (zie paragraaf 6.8.1). Ook zijn de andere milieuaspecten in hoofdstuk 6 uitgebreid beschreven en getoetst. Uit de conclusies is te zien dat het voornemen niet gepaard gaat met significant negatieve milieuaspecten.

48

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

Gelet op de ruime afstand tot Natura-2000 gebieden alsmede de kleinschaligheid van de ontwikkeling en het feit dat er geen sloop of andere werkzaamheden plaatsvindt bij dit bestaande perceel wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van de aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Ten aanzien van de beoogde verkeersbewegingen kan het omliggende netwerk deze prima verwerken. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen. 6.10.3

Conclusie Gelet op de beoordeling van de bovengenoemde kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

ontwerp

49

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

Hoofdstuk 7 7.1

Vigerend beleid

7.1.1

Europees beleid

Wateraspecten

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 7.1.2

Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.

7.1.3

Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

7.1.4

Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de

50

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op: Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater; Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt. 7.1.5

Waterplan Hof van Twente Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort. Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.

Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.

7.2

Waterparagraaf

7.2.1

Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen

ontwerp

51

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22t Herikerweg ong. Markelo

expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 7.2.2

Watertoetsproces Middels een watertoets is het Waterschap geïnformeerd over het voornemen (zie Bijlage 5 bij deze motivering). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is met 'kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlakte'. De adviezen en waterparagraaf worden meegenomen en nader uitgewerkt in het uiteindelijke plan. Bij de toetsing van het bouwplan wordt middels de vergunning gekeken of aan de voorwaarden wordt voldaan.

7.2.3

Water- en klimaataspecten Waterneutraal bouwen Het belangrijkste uitgangspunt voor het waterbeheer bij 'nieuwe' stedelijke ontwikkelingen is 'waterneutraal ontwikkelen', dus dat een ontwikkeling zijn omgeving niet belast met meer of minder water. Zo wordt voorkomen dat verdroging of wateroverlast optreedt in het plangebied van de ontwikkeling en in zijn omgeving. Wateroverlast voorkomen Het waterschap wil zo veel mogelijk voorkomen dat inundatie vanuit watergangen leidt tot wateroverlast. De provincie heeft de acceptabele omvang van wateroverlast per waterschap vastgesteld in de provinciale waterverordening. Het waterschap spant zich in het watersysteem zo in de richten dat aan de normen voor wateroverlast voldaan wordt. Verdroging Langdurige droogte heeft negatieve effecten op natte natuur, landbouw en in stedelijk gebied slechte waterkwaliteit van stedelijk water met risico's voor volksgezondheid en ongewenste zettingen van gebouwen. Om verdroging tegen te gaan wil het waterschap regenwater zo lang mogelijk vasthouden waar het valt. Het waterschap stimuleert daarom het lokaal infiltreren en bergen van regenwater. Schoon water schoonhouden Een van de doelen van het waterbeleid is om water zo schoon mogelijk te houden. Het waterschap pleit er daarom voor om regenwater schoon te houden en gescheiden te houden van afvalwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4289/documents/59892