02 TAM-omgevingsplan Enterbroekweg 5 Markelo Motivering.pdf
Tekst van het document
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
24
Situatie plangebied In onderhavige situatie is er sprake van een NIBM-standaardgeval. Er is namelijk sprake van realisatie van een nieuwe woonfunctie. Woonwijken zijn per definitie NIBM als het gaat om 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen. In onderhavige situatie wordt één nieuwe woning gerealiseerd en is daarnaast sprake van één bestaande woning. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarde van maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. De ontwikkeling is per definitie aan te merken als NIBM. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
25
4.4
Geur
Algemeen De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelplangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. Situatie plangebied In de beoogde situatie worden de veehouderijactiviteiten op het erf beëindigd en wordt 1.430 m² aan stallen en silo’s gesloopt. Daarmee verdwijnt de geurbron op het eigen erf. De bestaande werktuigenberging blijft slechts in gebruik voor akkerbouw en opslag van machines en materieel, wat geen relevante geurhinder veroorzaakt.
Wel ligt op circa 44 meter afstand van de gevel van de (nieuwe) woningen het bouwvlak van een bestaande melkveehouderij. Dit betekent dat de nieuwe wooneenheden in zekere mate geurgevoelig zijn ten opzichte van deze inrichting. Bij de beoordeling is van belang dat de woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande boerderij en daarmee een bestaande woonfunctie wordt gecontinueerd en gesplitst. Er is dus geen sprake van een toevoeging van nieuwe geurgevoelige functies in het buitengebied. Door het beëindigen van de eigen veehouderijactiviteiten neemt de geurbelasting op en rond het erf af. Ten aanzien van de nabijgelegen melkveehouderij geldt dat de gemeente in het omgevingsplan en via het Besluit kwaliteit leefomgeving moet waarborgen dat sprake is van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Gelet op het voortzetten van een bestaande woonfunctie en de afname van de eigen geurbron kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling uitvoerbaar is vanuit het aspect geur. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.5
Omgevingsveiligheid
Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
• •
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
•
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in
26
het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: 1. Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). 2. Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 3. Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 4.
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl) Situatie plangebied Aan de hand van de kaart ‘externe veiligheid’ is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 6 is een uitsnede van de kaart weergegeven. Het plangebied is met de rode pijl aangegeven.
Afbeelding 6: Kaart ‘externe veiligheid’ Uit de inventarisatie blijkt dat er in en rond het plangebied geen sprake is van risicobronnen opgenomen op de kaart externe veiligheid.
27
Daarnaast is getoetst aan de kaart met aandachtsgebieden. Een uitsnede van deze kaart is navolgend weergegeven.
Uit de betreffende kaartlaag volgt dat de locatie gelegen is aan de rand van een explosie-aandachtgebied en in een zone met een gifwolkaandachtsgebied. Deze zone is gelegen aan beide zijden van de autosnelweg A1 die ten noorden van het plangebied loopt. Immers wordt deze weg ook gebruikt door vrachtverkeer en kunnen sommige van deze voertuigen gevaarlijke stoffen vervoeren. De woonboerderij ligt aan de uiterste rand van het explosie-aandachtsgebied. De autosnelweg is licht verlaagd gelegen ten opzichte van het plangebied (-0,5m1), en wordt afgeschermd door een brede aarden wal van ongeveer 3 tot 4 meter hoog, beplant met bos, en bosschages. Van deze voorzieningen gaat een afschermende werking uit, waardoor directe warmtestralingslijnen en drukgolven afnemen. De impact van een eventuele explosie op de snelweg is dan ook aan te merken als zeer gering. Ten aanzien van het gifwolkaandachtsgebied geldt dat de aarden wal, c.q. de licht verlaagde ligging van de snelweg, ook een positieve invloed op beperken van het risico heeft. Immers zullen gassen die zwaarder zijn dan lucht ter plaatse van de snelweg blijven hangen en niet makkelijk ter plaatse van het plangebied terechtkomen. Daarnaast geldt wederom dat van de aanwezige bosschages een afschermende werking uitgaat, deze zorgen voor vertraging c.q. vermenging van gassen met lucht (turbulentie).
Ten aanzien van het gifwolkaandachtsgebieed kan tevens opgemerkt worden dat de planlocatie aan de zuidzijde van de autosnelweg gelegen is. Omdat de overwegende windrichting in Nederland zuidwest is, zullen eventuele vrijkomende gassen vanaf de autosnelweg doorgaans de andere kant op waaien, verder verwijderd van het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
28
4.6
Milieuzonering
Algemeen Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG-handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn, ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege, wordt deze systematiek nog toegepast. Situatie plangebied In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.
Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen in een omgeving waar voornamelijk woningen aanwezig zijn, daarom kan de omgeving worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt: Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. De locatie is gelegen in agrarisch gebied. Op een afstand van ongeveer 150 meter van het plangebied bevindt zich de A1. Gelet hierop wordt in dit plan uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’.
Interne en externe werking
29
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In de beoogde situatie zullen er slechts nog in beperkte omvang bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, te weten het op kleinschalige wijze bewerken van de landbouwgronden van het bedrijf. De bedrijfsactiviteiten vallen onder de milieucategorie 2 ‘akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter tot gevoelige functies. In een cirkel van 100 meter met rond het plangebied zijn geen gevoelige functies gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het initiatief voldoet aan de richtafstanden tot gevoelige functies. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving.
De woonfunctie wordt aangeduid als een milieugevoelige functie. In een cirkel van circa 40 meter van het plangebied liggen geen milieubelastende functies. Op 40 meter ten zuiden van de huidige bedrijfswoning ligt het bouwvlak van het melkrundveebedrijf aan de Enterbroekweg 3 te Markelo. De bedrijfsgebouwen van het betreffende agrarische bedrijf zijn echter allen op meer dan 60 meter van de huidige bedrijfswoning gesitueerd. Het planvoornemen heeft niet tot gevolg dat deze afstand korter wordt. Voor de bestaande bedrijfswoning geldt dat deze momenteel reeds ook op die locatie gelegen is, en de afstand tot het naastgelegen bedrijf niet afneemt als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Van hinder van omliggende functies is dan ook geen sprake. Omgekeerd zorgt de voorgenomen ontwikkeling niet voor een beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling
4.7
Ecologie
Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. NB: Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het
30
Nederlands Natuurnetwerk. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Situatie plangebied Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied bevindt zich op enige afstand van beschermde natuur. Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied Borkeld ligt namelijk op circa 500 meter afstand van het plangebied. Het gebied Sallandse Heuvelrug is gelegen op circa 7,8 kilometer van het plangebied. Stikstof Het momenteel aanwezige melkrundveebedrijf beschikt over een onherroepelijke natuurtoestemming, te weten een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, thans omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit. Deze natuurtoestemming is op 23 oktober 2015 afgegeven door Provincie Overijssel met zaaknummer 2015/0327580. In het kader van de Lbv-deelname van het bedrijf dient minimaal 85% van de vigerende natuurtoestemming ingetrokken te worden ten behoeve van natuurherstel.
Maximaal 15% van de oorspronkelijke emissie mag behouden blijven indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de beoogde bedrijfsactiviteiten na deelname aan de Lbv-regeling. Voor de beoogde situatie is op 27 augustus 2025 een nieuwe natuurtoestemming aangevraagd bij Provincie Overijssel, waarin in het voorgaande voorzien is. Een afschrift van deze aanvraag is bijgevoegd als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit de stukken volgt dat de ontwikkelingen geen toename van stikstofdepositie veroorzaken op overbelaste voor stikstof gevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied behoort niet tot het NNN. Het meest dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 80 meter afstand van het plangebied.
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, het omzetten van een veehouderij naar een woonfunctie, en de afstand tot het NNN wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming Wat betreft de soortbescherming is de Omgevingswet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning voor de flora en fauna-activiteit worden aangevraagd.
31
Het bedrijf neemt deel aan de Lbv-opkoopregeling voor veehouderijen, wat inhoudt dat er geen landbouwhuisdieren meer gehouden worden en de stikstofruimte ten gunste komt aan natuurherstel in Natura 2000-gebieden. De Lbv-regeling wordt door provincie Overijssel aangemerkt als een instandhoudingsmaatregel c.q. passende maatregel conform artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Op grond van artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt dat bij instandhoudingsmaatregelen c.q. passende maatregelen op grond van de Habitatrichtlijn, geen omgevingsvergunning voor de flora & fauna activiteit van toepassing is. Wel geldt de specifieke zorgplicht, wat inhoudt dat gewaarborgd moet worden dat beschermde dieren niet in hun voortbestaan beperkt worden. In het kader van de specifieke zorgplicht is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. De rapportage hiervan is bijgevoegd als bijlage 4 bij de toelichting bij dit plan. Uit dit onderzoek volgt dat het voornemen naar verwachting geen negatief effect zal hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Nader onderzoek is niet benodigd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.8
Archeologie & Cultuurhistorie
Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie. Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het projectgebied gelegen werelderfgoed
32
Situatie plangebied In het tijdelijke omgevingsplan ‘Buitengebied Hof van Twente’ van de gemeente Hof van Twente is voor de planlocatie de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ opgenomen. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm. In de beoogde situatie zullen er geen bodemingrepen plaatsvinden over een oppervlakte van meer van 2,500 m2. Hiermee voldoet het initiatief aan de regels voor archeologie. Verder is er op de locatie geen sprake van rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen. Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.9
Trillingshinder
Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 bruidsschat van de bruidschat. De Omgevingswet beschermd trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen. Trillingshinder is met name een aandachtspunt indien de afstand tot het spoor van minder dan 250 meter bedraagt. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Situatie plangebied Het aspect trillingen is in de beoogde situatie niet van toepassing. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.10 Wateraspecten Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. In paragraaf 3.4 is reeds ingegaan op het beleid van het waterschap Vechtstromen. Hier is geconcludeerd dat het voornemen in lijn is met de doelstellingen zoals opgenomen in het waterbeleid. Echter, voor een nadere beoordeling voor de gevolgen van het projectvoornemen op de wateraspecten is wordt de zogeheten ‘watertoets’ uitgevoerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen
33
te waarborgen is het wateradvies. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van het wettelijk verplichte wateradvies is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Situatie plangebied Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is.
Wateraspecten plangebied (Waterhuishouding) •
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen.
•
Binnen het plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd.
• •
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er, in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd.
•
De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2.
•
Het plangebied bevindt zich niet binnen een beperkingengebied of herinrichtingszone langs een waterloop, overige/ regionale kering, primair watergebied, invloedszone zuiveringstechnisch werk of een retentiecompensatiegebied.
Conclusie Deze aspecten vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Voorkeursbeleid hemelwater In het plan wordt het afvalwater en het hemelwater behandeld via een gescheiden stelsel. Vuilwater wordt aangesloten en afgevoerd via vuilwaterriolering. Hemelwater wordt zoveel als mogelijk geïnfiltreerd op het perceel alvorens het tot afvoer komt. Hemelwater wordt aangesloten en afgevoerd naar oppervlaktewater. Conclusie Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Indien ontwateringsdiepte niet kan worden gehaald adviseren wij kruipruimteloos te bouwen. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Kelders dienen waterdicht te zijn. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. In het plan wordt ernaar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen.
34
Toetsing De GHG ligt op ongeveer 8 meter, ruimschoots lager dan de minimale adviesdiepte van 80 cm. Het peil van de straat ligt ongeveer 40 cm onder het peil van de woning. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Proces wateradvies De initiatiefnemer heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van het digitale wateradvies. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van het wateradvies is toegepast. De functies en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van het wateradvies is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies af voor dit plan. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
35
4.11 Verkeer en parkeren Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW bovengenoemde publicatie opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Hierbij wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde aangehouden. Situatie plangebied Verkeer Het geschatte aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie is bepaald aan de hand van de CROWkengetallen. In de toekomstige situatie blijft enkel de werktuigenberging (ca. 320 m² bvo) behouden, die zal worden gebruikt ten behoeve van de akkerbouwtak en voor het stallen van machines en materieel. Daarnaast wordt de bestaande karakteristieke bedrijfswoning verbouwd tot twee wooneenheden.
Voor de verkeersgeneratie geldt het volgende: Werktuigenberging (320 m² bvo): conform de CROW-publicatie kan dit worden aangemerkt als “Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)”. Voor deze categorie bedraagt de verkeersgeneratie in het buitengebied 3,9 – 5,7 verkeersbewegingen per 100 m² bvo. Dit betekent voor de werktuigenberging een verkeersgeneratie van 12 tot 18 verkeersbewegingen per etmaal. Bij het hanteren van de gemiddelde waarde (4,8 per 100 m²) komt dit neer op circa 15 verkeersbewegingen per etmaal. Woningen (2 stuks): voor grondgebonden koopwoningen in het buitengebied bedraagt de verkeersgeneratie volgens de CROW-kengetallen circa 7,8 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Voor twee woningen betekent dit een verkeersgeneratie van circa 16 verkeersbewegingen per etmaal. De totale verkeersgeneratie in de beoogde situatie komt daarmee uit op circa 31 verkeersbewegingen per etmaal. Deze verkeersgeneratie is beperkt van omvang en leidt niet tot een onacceptabele toename ten opzichte van de voormalige agrarische bedrijfsactiviteiten. Parkeren De parkeerbehoefte in de beoogde situatie is eveneens bepaald op basis van de CROW-kengetallen en de Parkeernormen Gemeente Hof van Twente (2016).
Werktuigenberging (320 m² bvo): voor de categorie “Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)” geldt een parkeernorm van 1,05 parkeerplaatsen per 100 m² bvo in het buitengebied. Dit betekent voor de werktuigenberging een behoefte van circa 3 parkeerplaatsen. Woningen (2 stuks): voor twee vrijstaande koopwoningen in het buitengebied geldt een norm van 2,4 parkeerplaatsen per woning, oftewel 4,8 parkeerplaatsen. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee afgerond 8 parkeerplaatsen. In het inrichtingsplan is voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen erf, waarmee parkeren geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
36
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer & parkeren geen beperking vormt voor het voorgenomen initiatief.
4.12 Gezondheid Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); •
het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent de TAM-omgevingsplanwijziging is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn.
Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. Situatie plangebied Voorliggend voornemen ziet toe op een functiewijziging van de bestaande situatie. In voorgaande paragrafen is aangetoond dat er geen functie wordt gerealiseerd die nadelige gevolgen heeft ten behoeve van de gezondheid. Conclusie Voor wat betreft het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.13 Duurzaamheid Algemeen In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."
37
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Situatie plangebied De plannen dragen duidelijk bij aan duurzame ontwikkeling zoals bedoeld in de Omgevingswet. Door de beëindiging van de veehouderij en de sloop van 1.430 m² aan agrarische bebouwing (waaronder stallen en silo’s) worden leegstand en verloedering voorkomen en verbetert de ruimtelijke kwaliteit. De karakteristieke boerderij wordt behouden en verbouwd tot twee woningen binnen de bestaande bebouwing, waarmee zorgvuldig ruimtegebruik wordt gerealiseerd zonder toevoeging van nieuwe woningen in het buitengebied. De werktuigenberging blijft in gebruik voor de akkerbouw en opslag van materieel.
Daarnaast draagt het plan bij aan de vermindering van stikstofdepositie en wordt door landschappelijke inpassing en herstel van open zichtlijnen de omgevingskwaliteit versterkt. Daarmee voorziet de ontwikkeling in een toekomstbestendig en duurzaam gebruik van het erf. Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.14 M.e.r.-beoordeling Algemeen De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MERbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER- beoordelingsprocedure. Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit dat eerder nog moest worden genomen vervalt onder de Omgevingswet. Het resultaat en de motivering van de m.e.r.-beoordeling moeten in het (ontwerp)plan of (-)programma (zie de art. 16.36, vijfde lid Omgevingswet en 11.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit) of in het (ontwerp)besluit zelf (zie de art. 16.43, tweede en derde lid Omgevingswet en 11.11, tweede lid van het Omgevingsbesluit) worden opgenomen. Situatie plangebied De voorgenomen activiteit voor het saneren van agrarische bebouwing en het voortzetten van de akkerbouw staat niet benoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er ook geen noodzaak tot een m.e.r.beoordeling.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
38
Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
39
5 Juridische toelichting 5.1
Wijziging omgevingsplan
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
5.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant.
Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
5.3
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22y Enterbroekweg 5 Markelo, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1735.BGxEnterbroekweg5-OP10 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
40
6 Financiële uitvoerbaarheid 6.1
Wettelijke kaders
Economische uitvoerbaarheid In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
6.2
Toetsing
Onderhavig plan betreft een particulier initiatief. De gemeente Hof van Twente zal een overeenkomst over nadeelcompensatie sluiten met de initiatiefnemer, waardoor de eventuele kosten die hieruit voortkomen worden afgewenteld op initiatiefnemer. Verder worden ook leges geheven in het kader van de planvorming. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.
41
7 Voorbereiding en participatie In dit hoofdstuk is de procedure van het TAM-omgevingsplan beschreven. In de eerste plaats is een toelichting gegeven van de verschillende stappen die in deze planprocedure onderscheiden kunnen worden. Vervolgens zijn de resultaten van de doorlopen participatie toegelicht.
7.1
Procedurestappen
Dit plan kent de volgende procedurestappen: 7.1.1 Ontwerp Het ontwerp TAM-omgevingsplan wordt behandeld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Een wijziging van het omgevingsplan ligt vervolgens gedurende zes weken ter inzage met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen bij de gemeenteraad. 7.1.2 Vaststelling De gemeenteraad stelt het plan vast. De ingediende zienswijzen kunnen leiden tot een gewijzigde vaststelling ten opzichte van het ontwerp. 7.1.3 Beroep Nadat de raad het plan heeft vastgesteld, wordt het besluit tot vaststelling bekend gemaakt. Daarna bestaat nog de mogelijkheid tot het indienen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.2
Vooroverlegpartners
Provincie Overijssel De provincie Overijssel heeft in april 2023 een uitzonderingslijst gepubliceerd van categorieën plannen en projectbesluiten waarvoor vooroverleg wel of niet noodzakelijk is. Het plan valt onder een plan op basis van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Hiervoor dient de gemeente een kennisgevingsformulier te sturen aan de provincie, waarop de provincie zal reageren. Hiermee wordt voldaan aan het vooroverleg. Waterschap Vechtstromen Het Waterschap Vechtstromen is middels de Digitale Watertoets over de ontwikkeling geïnformeerd, omdat de korte procedure van toepassing is wordt gesteld dat met de ontwikkeling geen bijzondere waterschapsbelangen gemoeid zijn. Met de informatie uit de watertoets kan een standaard waterparagraaf opgesteld worden, die vervolgens is voorgelegd aan het waterschap en opgenomen is als paragraaf 4.10 in deze onderbouwing.
7.3
Participatie onwonenden
In het kader van participatie heeft initiatiefnemer persoonlijk contact gehad met de bewoners van de Enterbroekweg 3 en 14 en hen de plannen toegelicht. Van de geïnformeerde personen hebben wij geen commentaar of negatieve reacties ontvangen. Geconcludeerd kan worden dat de participatie is uitgevoerd en geen verdere belemmeringen op heeft geleverd.
7.4
Zienswijzen
Het ontwerp van het TAM-Omgevingsplan ligt vanaf ‘datum’ gedurende zes weken ter inzage. Tijdens deze periode kan eenieder een zienswijze indienen. Eventuele zienswijzen en de wijze van afhandeling van deze zienswijzen zijn terug te vinden in de zienswijzennota.
42
De Omgevingsadviseurs is er voor ondernemers, initiatiefnemers en ontwikkelaars in het buitengebied. Voor doorpakkers en veranderaars die vooruitkijken en verder willen. Zo dragen we bij aan succesvol en toekomstbestendig ondernemen in het buitengebied.
Onderneem het zeker.
Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle (088) 565 7857 info@deomgevingsadviseurs.nl deomgevingsadviseurs.nl
43