CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM-omgevingsplan Enterbroekweg 5 Markelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 10: TAM omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22y Enterbroekweg 5 Markelo14.990 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting ____ TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22y Enterbroekweg 5 Markelo NL.IMRO.1735.BGxEnterbroekweg5-OP10

Onderneem het zeker.

deomgevingsadviseurs.nl

Colofon Toelichting TAM IMRO Enterbroekweg 5, Markelo Plannaam: TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22y Enterbroekweg 5 Markelo Plannummer: NL.IMRO.1735.BGxEnterbroekweg5-OP10

Datum: 1 december 2025 Versie: D-8036675-251-TAM-1C ____

Opgesteld door: De Omgevingsadviseurs Dokter Stolteweg 2 8025 AV Zwolle deomgevingsadviseurs.nl JK 📞 (06) 83 77 67 71 ✉

j.kamphuis@deomgevingsadviseurs.nl

____ StP De vermelde medewerkers in deze rapportage gaan akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy weteving.

Inhoudsopgave 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................. 5

1.2

Ligging van het plangebied ....................................................................................................... 5

1.3

Gelden planologisch kader ....................................................................................................... 6

1.4

De bij het plan behorende stukken ........................................................................................... 8

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................................. 8

2

Planbeschrijving

9

2.1

Huidige situatie.......................................................................................................................... 9

2.2

Toekomstige situatie.................................................................................................................. 9

3

Beleid

11

3.1

Rijksbeleid en rijksregels .........................................................................................................11

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels .................................................................................. 12

3.3

Gemeentelijk beleid................................................................................................................. 17

3.4

Waterschapsbeleid .................................................................................................................. 19

4

Gevolgen fysieke leefomgeving

22

4.1

Geluid door activiteiten ........................................................................................................... 22

4.2

Bodemkwaliteit ........................................................................................................................ 23

4.3

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................... 24

4.4

Geur ........................................................................................................................................ 26

4.5

Omgevingsveiligheid ............................................................................................................... 26

4.6

Milieuzonering ......................................................................................................................... 29

4.7

Ecologie .................................................................................................................................. 30

4.8

Archeologie & Cultuurhistorie ................................................................................................. 32

4.9

Trillingshinder .......................................................................................................................... 33

4.10

Wateraspecten ........................................................................................................................ 33

4.11

Verkeer en parkeren................................................................................................................ 36

4.12

Gezondheid ............................................................................................................................. 37

4.13

Duurzaamheid ......................................................................................................................... 37

4.14

M.e.r.-beoordeling ................................................................................................................... 38

3

5

Juridische toelichting

40

5.1

Wijziging omgevingsplan ........................................................................................................ 40

5.2

Toepassing TAM-IMRO ........................................................................................................... 40

5.3

Werkingsgebied ...................................................................................................................... 40

6

Financiële uitvoerbaarheid

41

6.1

Wettelijke kaders ..................................................................................................................... 41

6.2

Toetsing ................................................................................................................................... 41

7

Voorbereiding en participatie

42

7.1

Procedurestappen ................................................................................................................... 42

7.2

Vooroverlegpartners ................................................................................................................ 42

7.3

Participatie onwonenden ......................................................................................................... 42

7.4

Zienswijzen ............................................................................................................................. 42

Bijlagen: 1. Erfinrichtingsplan 2. Bodemonderzoek 3. Watertoets 4. Quickscan natuurwaarden 5. Stikstofberekening

4

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Op de locatie Enterbroekweg 5 te Markelo wordt momenteel een melkveebedrijf geëxploiteerd. De agrarische activiteiten zijn beëindigd en de dieren zijn reeds verkocht. Voor de beëindiging van het bedrijf wordt gebruikgemaakt van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijen (Lbv-regeling). Deze regeling is gericht op het terugdringen van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden, waaronder De Borkeld en de Sallandse Heuvelrug. Als gevolg hiervan worden de agrarische bedrijfsactiviteiten definitief beëindigd en worden de stallen en bijbehorende erfverharding gesloopt, in totaal circa 1.430 m² aan bebouwing. De aanwezige werktuigenberging blijft behouden, zodat de gronden op kleinschalige wijze agrarisch gebruikt kunnen blijven worden en machines en materieel op het erf gestald kunnen worden. De bestaande karakteristieke boerderijwoning uit 1926 blijft behouden en wordt verbouwd tot een twee-onderéén-kapwoning. Hierdoor ontstaan twee zelfstandige wooneenheden binnen het bestaande bouwvolume. Daarnaast wordt aan de noordzijde van het perceel een bijgebouw van 150 m² gerealiseerd, ten behoeve van één van de wooneenheden. Deze ontwikkeling draagt enerzijds bij aan de reductie van stikstofdepositie en het saneren van landschapsontsierende bebouwing, en anderzijds aan het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de omgeving.

1.2

Ligging van het plangebied

De locatie is gelegen ten noordoosten van Markelo, relatief dichtbij Rijssen en Enter. Kadastraal staat het plangebied bekend als Markelo, sectie M, nummer 16. In afbeelding 1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving weergegeven.

5

Afbeelding 1: Ligging plangebied

1.3

Gelden planologisch kader

Voor de locatie Enterbroekweg 5 geldt het Omgevingsplan gemeente Hof van Twente. In januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het omgevingsplan is nu het juridische kader voor de gemeente om aan te geven welke functies per locatie zijn toegestaan. Hiervoor was dit het bestemmingsplan. De gemeente heeft wettelijk tot en met 2031 de tijd om alle bestemmingsplannen te vervangen tot een definitief omgevingsplan. Omdat veel gemeentes nog geen definitief omgevingsplan hebben opgesteld, is vaak het bestemmingsplan nog van rechtswege het beoordelingskader voor het grootste deel van de ruimtelijke aspecten. Dit is op deze locatie ook het geval. Voor de locatie geldt het tijdelijke omgevingsplan “Buitengebied Hof van Twente’ van de gemeente Hof van Twente, vastgesteld op 9 december 2015. Nadien is dit plan meerdere malen middels een veegplan gewijzigd, te weten met de volgende plannen: • Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2018, onherroepelijk vastgesteld op 10 juli 2018; •

Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2019, onherroepelijk vastgesteld op 15 oktober 2019;

•

Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2020, vastgesteld op 5 oktober 2021 en gewijzigd vastgesteld op 26 maart 2024;

•

Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2021, vastgesteld op 4 oktober 2022 en gewijzigd vastgesteld op 26 maart 2024; Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023, vastgesteld op 4 april 2024.

•

Bij geen van deze veegplannen zijn wijzigingen aan bijvoorbeeld de verbeelding op de planlocatie zelf doorgevoerd. Echter doordat de planregels ook gewijzigd zijn, hebben deze veegplannen wel invloed op de planlocatie. Het veegplan 2023 vormt hiermee, tezamen met het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege, het meest actuele planologische kader voor ontwikkelingen op de planlocatie.

6

Navolgend is een uitsnede van de verbeelding van het tijdelijke omgevingsplan “Buitengebied Hof van Twente” van 9 december 2015 weergegeven, welke de meest actuele verbeelding ter plaatse van het plangebied betreft.

Afbeelding 2: Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, gemeente Hof van Twente

De locatie heeft de volgende bestemmingen c.q. functies: Enkelbestemming ‘ Agrarisch met waarden’ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ Gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’ (deel plangebied) Gebiedsaanduiding ‘Reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ (deel plangebied) Gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – radar’ Gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – straalpad’ (deel plangebied) Maatvoering ‘maximum hoogte: 36m’ (ter plaatse van het straalpad) De agrarische functie die momenteel op de locatie rust, is in strijd met de gewenste toekomstige situatie. Initiatiefnemers hebben daarom een principeverzoek ingediend bij de gemeente waarin de beoogde ontwikkeling is toegelicht. Op 10 juli 2024 heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het plan.

7

De gemeente Hof van Twente heeft aangegeven dat de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt door middel van een TAM-IMRO-omgevingsplanwijziging, waarbij de agrarische functie van het erf wordt omgezet naar een woonfunctie. Hiermee wordt de splitsing van de bestaande boerderij naar twee wooneenheden juridischplanologisch geborgd. Ook de realisatie van een bijgebouw van 150 m² ten behoeve van één van de wooneenheden wordt daarin meegenomen. De overige gronden van het plangebied, zoals onder andere de voormalige kuilplaten aan de noordzijde van het perceel, zullen worden bestemd als agrarische gronden waarbij het bouwvlak wordt verwijderd. Voorliggende toelichting voorziet in de benodigde ruimtelijke onderbouwing voor deze ontwikkeling.

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het plan "TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22y Enterbroekweg 5 Markelo" bestaat uit de volgende stukken:

• • • • •

toelichting; bijlagen bij de toelichting; verbeelding (tek.no. NL.IMRO.1735.BGxEnterbroekweg5-OP10) regels; bijlagen bij de regels.

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de functies van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze functies zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan wordt daarnaast vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het omgevingsplan.

1.5

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de huidige situatie en toekomstige situatie, inclusief de voorbereiding/verkenningsfase. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, gemeentelijk- en waterschapbeleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 worden de juridische aspecten en planverantwoording beschreven. In het laatste hoofdstuk 6 komen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

8

2 Planbeschrijving 2.1

Huidige situatie

De locatie is gelegen tussen Markelo, Rijssen en Enter. De locatie betreft een melkrundveehouderij een bedrijfswoning en diverse bijgebouwen. De bedrijfswoning betreft een karakteristieke T-boerderij uit 1926, welke omstreeks 1990 gemoderniseerd en verbouwd is. Verder zijn een ligboxenstal uit 1983, tegenwoordig in gebruik als jongveestalling, en een moderne ligboxenstal uit 2011 ten behoeve van het melkvee aanwezig. Daarnaast bevinden zich een enkele jaren geleden gerealiseerde werktuigenberging en diverse kuilplaten en sleufsilo’s op het perceel. De onderstaande afbeelding geeft een indicatie van de huidige situatie.

Afbeelding 3: Huidige situatie

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie worden de agrarische activiteiten beëindigd. De ligboxenstal, de jongveestal, de tussenbouw en drie voersilo’s worden gesloopt. In totaal verdwijnt hiermee circa 1.430 m² aan voormalige agrarische bebouwing. Voor deze sloop is door de gemeente Hof van Twente een sloopvoucher afgegeven, die tot en met 31 juli 2035 kan worden ingezet. De werktuigenberging blijft behouden ten behoeve van kleinschalig agrarisch gebruik en de stalling van machines en materieel. De bestaande karakteristieke bedrijfswoning uit 1926 blijft gehandhaafd en wordt intern verbouwd tot een tweeonder-één-kapwoning. Daarmee worden twee zelfstandige wooneenheden gerealiseerd binnen het bestaande bouwvolume. Ter ondersteuning van de nieuwe woonfunctie wordt aan de noordzijde van het perceel een bijgebouw van 150 m² opgericht, behorend bij één van de wooneenheden.

9

Met deze ontwikkeling wordt leegstand en verloedering voorkomen en wordt de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de omgeving versterkt door het slopen van landschapsontsierende bebouwing en het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Tegelijkertijd draagt de beëindiging van de veehouderijactiviteiten bij aan een daling van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. 2.2.1 Voorbereiding/verkenningsfase Op 4 juni 2024 is door initiatiefnemer een principeverzoek ingediend bij de gemeente Hof van Twente. Het principeverzoek is vervolgens intern besproken, waaronder in de vergadering van het college van B&W. In het principebesluit van 10 juli 2024 heeft de gemeente aangegeven positief over te staan tegenover het plan. De gemeente schrijft het volgende: Wij hebben in onze vergadering van dinsdag 9 juli 2024 besloten in principe medewerking te willen verlenen aan het principeverzoek om alle bedrijfsgebouwen (behalve de werktuigenberging) te slopen en alle erfverharding te verwijderen, en hier een sloopvoucher voor één compensatiekavel te verlenen, onder de volgende voorwaarden: •

de agrarische functie wordt gewijzigd in een woonfunctie;

•

er wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld, waaraan een schetsplan van de woning zal moeten worden beoordeeld;

• •

er wordt een erfinrichtingsplan aangeleverd; er wordt een bodemonderzoek uitgevoerd;

•

de ontwikkeling met een TAM IMRO-procedure mogelijk wordt gemaakt, waarin met een ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Telefonisch is met de afdeling RO van de gemeente afgestemd dat ten behoeve van de genoemde TAM-IMROprocedure, een geheel uitgewerkt plan met toelichting, planregels en verbeelding aangeleverd wordt. Het TAMIMRO-plan dient uiterlijk op 31 december 2025 ten minste in ontwerp ter inzage gelegd te worden, om de procedure nog met deze methode af te kunnen ronden. Deze termijn is bij landelijke regeling verlengd; aanvankelijk gold 31 december 2024 als uiterste datum.

10

3 Beleid In dit hoofdstuk wordt het beleidskader beschreven dat relevant is voor de beoogde ontwikkeling. Daarbij komt het beleid en de regelgeving van het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap aan de orde. Aansluitend wordt de ontwikkeling aan deze beleidskaders getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleidsdocumenten van hogere overheden, die richtinggevend zijn voor lagere overheden maar waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken, en anderzijds juridisch bindende instructieregels zoals opgenomen in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarmee rechtstreeks rekening moet worden gehouden.

3.1

Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe manier van werken waarmee keuzes voor de leefomgeving beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Dit is nodig om de doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:

• • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

In de NOVI is aangegeven dat het vorm geven van de opgaven nodig is op een lager schaalniveau. De aangewezen regio's werken samen met de provincies aan ruimtelijke voorstellen. Vervolgens wordt er gekeken of alle losse plannen bij elkaar tot een duurzaam landelijk beeld leiden. De stappen die genomen worden, staan beschreven in het programma NOVEX en het programma Mooi Nederland. Toetsing NOVI Dit plan raakt geen nationale belangen en vormt geen belemmering ten aanzien van de prioriteiten uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De ontwikkeling draagt juist bij aan een toekomstbestendige inrichting van het landelijk gebied door beëindiging van de veehouderij, de sloop van circa 1.430 m² agrarische bebouwing en het behoud en hergebruik van de karakteristieke boerderij als twee-onder-één-kapwoning. Met de toevoeging van een bijgebouw van 150 m² en een zorgvuldige landschappelijke inpassing wordt een VABlocatie op passende wijze herbestemd. De NOVI vormt daarmee geen belemmering voor deze ontwikkeling. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is." Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

11

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.

In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het relevante begrip 'stedelijke ontwikkeling' gedefinieerd: Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Beoordeling van de plannen: Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Artikel 5.129g uit het Bkl geeft weliswaar aan dat er sprake dient te zijn van een ontwikkeling die voldoende substantieel is, maar geeft hierbij geen grens. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden beoordeeld als zijnde een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' die ladderplichtig is.

Hieronder worden deze uitspraken weergegeven:

•

11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921)

•

12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Belangrijk uitgangspunt van de Ladder is het aspect zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. In de Nota van toelichting wordt onder het begrip stedelijke ontwikkeling expliciet vermeld dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen zoals de Ruimte voor ruimteregelingen niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Toetsing ladder De Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) is uitsluitend van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In voorliggend plan is geen sprake van een dergelijke ontwikkeling. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd in het buitengebied; de bestaande karakteristieke bedrijfswoning wordt intern verbouwd tot een tweeonder-één-kapwoning. Hiermee ontstaan twee wooneenheden binnen de bestaande bebouwing. Er is dus sprake van een functiewijziging binnen het bestaande bouwvolume en niet van een uitbreiding van het woningbestand. Daarnaast wordt een aanzienlijke oppervlakte aan agrarische opstallen (1.430 m²) gesloopt en wordt het erf landschappelijk en ruimtelijk versterkt. De ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de grens van twaalf woningen waarbij sprake zou zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Geconcludeerd wordt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking in dit geval niet van toepassing is en dat het plan derhalve niet in strijd is met rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

Iedere provincie in Nederland stelt een omgevingsvisie op: een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. Daarin worden uitspraken gedaan over ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur. In de Omgevingsverordening staan de regels die ervoor zorgen dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het provinciale beleid.

12

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel bestaat uit drie delen: een deel visie, een deel beleid en een deel uitwerking. Naast de Omgevingsvisie Overijssel is er de Omgevingsverordening Overijssel en de Catalogus Gebiedskenmerken. De opgaven en kansen waar de provincie voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema’s. Dit is het vertrekpunt voor alle projecten en initiatieven in de provincie Overijssel. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de visie wordt het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' gebruikt. In het uitvoeringsmodel staan de stappen 'of' (generieke beleidskeuzes), 'waar' (ontwikkelingsperspectieven) en 'hoe' (gebiedskenmerken) centraal. 3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten is de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat het beleid van de Omgevingsvisie geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, en natuurontwikkeling, wordt aan de hand van deze drie stappen bepaald of een initiatief binnen de visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. In afbeelding 4 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

Afbeelding 4: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Of- generieke beleidskeuzes Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw, en daarmee grote financiële en

13

maatschappelijke kosten, te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd. Deze zijn doorvertaald in regels van de Omgevingsverordening. Waar- ontwikkelingsperspectieven Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. Hoe- gebiedskenmerken Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn. Toetsing uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel is hieronder weergegeven. Of - generieke beleidskeuzes Bij de 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn de volgende artikelen uit de Omgevingsverordening van toepassing:

• • • • •

artikel 4.4 (principe van concentratie) artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) artikel 4.9 (ruimtelijke kwaliteit) artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls groene omgeving) artikel 4.14 (woonafspraken)

Onderstaand worden de beleidskeuzes benoemd en beoordeeld op welke wijze in het plan hiermee rekening is gehouden. Artikel 4.4: Principe van concentratie In de beoogde situatie worden de agrarische activiteiten beëindigd en de agrarische bebouwing grotendeels gesloopt. De karakteristieke boerderij wordt intern verbouwd tot twee zelfstandige woningen. Er is daarmee sprake van invulling van een lokale woonbehoefte door transformatie van bestaande bebouwing, zonder toevoeging van nieuwe woningen in het buitengebied. Hiermee wordt voldaan aan het principe van concentratie. Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf en maakt gebruik van bestaande bebouwing. Er wordt geen nieuw ruimtebeslag gelegd in de Groene Omgeving; juist wordt 1.430 m² gesloopt. De bestaande werktuigenberging blijft functioneel in gebruik voor akkerbouw. De ontwikkeling is daarmee een voorbeeld van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en voldoet aan de eisen van dit artikel. Artikel 4.9: Ruimtelijke kwaliteit Door de sloop van de stallen en silo’s, de versterking van de open zichtlijnen en de landschappelijke inpassing neemt de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de omgeving zichtbaar toe. Het geven van een nieuwe functie aan de karakteristieke boerderij draagt bij aan behoud van cultuurhistorische waarde.

Het plan sluit daarmee aan bij de gebiedskenmerken en versterkt de kwaliteit conform artikel 4.9.

14

Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving Het plan levert een duidelijke kwaliteitsimpuls op:

• • • •

Sloop van 1.430 m² aan agrarische bebouwing; Sanering en verwijdering van agrarische voorzieningen en verhardingen; Landschappelijke inpassing van het erf en herstel van zichtlijnen; Behoud en hergebruik van karakteristieke bebouwing.

Hierdoor wordt de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de omgeving duurzaam versterkt. Het plan voldoet daarmee aan artikel 4.11. Artikel 4.14: Woonafspraken In de beoogde situatie worden geen volledig nieuwe woningen toegevoegd in het buitengebied. De bestaande bedrijfswoning wordt intern gesplitst in twee wooneenheden. Dit valt onder transformatie en past binnen de regionale en gemeentelijke woonafspraken. Het aspect vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Waar – ontwikkelingsperspectieven De planlocatie kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van vernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

Toetsing De planlocatie ligt binnen het provinciale ontwikkelingsperspectief ‘Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap’. Dit perspectief richt zich op het in balans ontwikkelen van functies in het buitengebied, waarbij vrijkomende erven een nieuwe betekenis krijgen. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan: de agrarische activiteiten worden beëindigd en 1.430 m² aan agrarische bebouwing wordt gesloopt, terwijl de karakteristieke boerderij behouden blijft en wordt verbouwd tot twee wooneenheden. De werktuigenberging blijft in gebruik voor akkerbouw en het erf wordt landschappelijk ingepast, waardoor zowel cultuurhistorie als ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Daarmee past het plan binnen het ontwikkelingsperspectief en vormt dit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid. Hoe- gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch-cultuurlandschap, de stedelijke laag en de laag van beleving) gelden voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor dit plan zijn uitsluitend de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch-cultuurlandschap relevant. De stedelijke laag en de laag van beleving worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze in of aangrenzend aan het gebied geen relevante eigenschappen kennen.

15

1. De ‘Natuurlijke laag’ De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Beide plangebieden liggen binnen de laag ‘Dekzandvlakte en ruggen’. De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk, door de wind gevormd, zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt. Toetsing Geacht wordt dat de kenmerken van de natuurlijke laag binnen het plangebied niet meer zichtbaar zijn, omdat het gaat om een reeds bebouwd gebied. Onderhavig plan heeft derhalve geen effect meer op de natuurlijke laag. 2. De ‘Laag van het agrarische cultuurlandschap’ De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden gebracht.

Door de eeuwen heen is een patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Voor het plangebied is het gebiedstype ‘Essenlandschap’ van toepassing. Het essenlandschap bestaat uit een samenhangend systeem van essen, flanken, lager gelegen maten en fliergronden, voormalige heidevelden en kenmerkende bebouwing rond de es (esdorpen en verspreide erven). Het landschap is geordend vanuit de erven en de essen, de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. De ambitie is het behouden van de es als ruimtelijke eenheid en het versterken van de contrasten tussen de verschillende landschapsonderdelen: grote open maat van de essen, het mozaïek van de flank van de es, de open beekdalen en vroegere heidevelden. De samenhang hiertussen krijgt opnieuw vorm en inhoud door accentuering van de verschillende onderdelen en overgangen. De flank van de es biedt eventueel ruimte voor ontwikkelingen, mits de karakteristieke structuur van erven, beplantingen, routes en open ruimtes wordt versterkt. Dit betekent dat de es en de flanken slecht geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines.

Als ontwikkelingen plaats vinden in het essenlandschap, dan krijgen deze in de flanken een plaats, met respect voor en bijdragend aan de aanwezige bebouwingsstructuren (lint, erf) en versterking van het landschappelijk raamwerk Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld en als bijlage 1 opgenomen bij deze motivering. In dit plan is rekening gehouden met de geldende gebiedskenmerken, waaronder die voor de laag van het agrarisch cultuurlandschap.

16

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Hof van Twente, zicht op 2030 In 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeeld 11 en 14 zijn voornamelijk van belang. Deze worden hierna behandeld. Streefbeeld: Sociale leefgemeenschappen met sociale cohesie, die leefbaar en levensvatbaar zijn Hof van Twente is in 2030 een duurzaam leefgebied voor mensen van alle leeftijden. In het duurzame Hof van Twente zijn ‘schoon, heel en veilig’ zaken waar niet over hoeft te worden gediscussieerd; hier is voor gezorgd. De kern, wijk of buurtschap regelt wat zij zelf wil en kan regelen. Vanuit de gedachte van de ‘civil society’ is het besef dat leefbaarheid een gemeenschappelijke (publiek-private) opgave is gemeengoed. Zelfredzaamheid en zeggenschap over de eigen situatie staan hierin centraal.

Dit vereist dat de gemeentelijke overheid bereid is meebeslissen door groepen burgers in haar besluitvorming mogelijk te maken, bijv. op buurtschapsniveau. Dit gaat een stap verder dan de traditionele inspraak. Projecten op het gebied van collectief particulier opdrachtgeverschap voor woningbouw zijn hier een mooi voorbeeld van, in 2030 meer regel dan uitzondering. Streefbeeld: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden. De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd.

Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinder-veroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend. Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied. Toetsing Het planvoornemen draagt bij aan de streefbeelden uit Hof van Twente, Zicht op 2030. De beëindiging van het veehouderijbedrijf en de sloop van circa 1.430 m² agrarische bebouwing lossen een ruimtelijk knelpunt op en versterken de ruimtelijke kwaliteit. Door de karakteristieke boerderij te behouden en te verbouwen tot twee-onderéén-kapwoning, met een bijgebouw van 150 m², wordt zorgvuldig omgegaan met cultuurhistorie en landschap. Daarmee wordt leegstand voorkomen, de leefbaarheid versterkt en een bijdrage geleverd aan de unieke landschappelijke kwaliteiten die in de visie centraal staan.

17

3.3.2 Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025 De “Woonvisie Hof van Twente 2021-2025, een leefbare en vitale gemeente met toekomst bestendige kernen”, biedt een kader voor woonontwikkeling binnen de gemeente. De belangrijkste uitdaging is zorgen voor kwalitatief goede woningen voor iedereen op de juiste plek. Dit betekent dat er meer bijgebouwd moet worden, in de juiste segmenten. Terwijl het sociale huursegment stabiel lijkt, neemt de vraag naar koop en vrije sectorhuur toe. Ook ligt er een belangrijke uitdaging in het optimaliseren en verduurzamen van de huidige woningvoorraad. Zo zorgen de gemeente voor een woningmarkt met de juiste woning voor iedereen en behouden we de goede kwaliteiten inde Hof. De woonvisie vormt de basis voor prestatieafspraken die worden gemaakt tussen de woningcorporatie, de huurders en de gemeente. De Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021 - 2025 is op 14 december 2021 vastgesteld. De woonvisie vormt de stip op de horizon voor wonen in de Hof en geeft aan waar de gemeente Hof van Twente zich met het woonbeleid de komende jaren op gaan richten. Het geeft de ambities aan en laat zien wat de belangrijkste opgaven zijn waar de gemeente de komende jaren voor staan. Het formuleert de belangrijkste ambities om de woningmarkt te versterken: met passende woonruimte voor inwoners.

De woonvisie geeft niet altijd kant en klare antwoorden op de opgaven die er liggen, maar geeft wel richting aan de manier waarop de gemeente de opgaven wil oppakken. Toetsing Het planvoornemen sluit aan bij de uitgangspunten van de Woonvisie Hof van Twente 2021–2025. Door de verbouwing van de bestaande karakteristieke boerderij naar een twee-onder-één-kapwoning wordt de woningvoorraad uitgebreid zonder toevoeging van nieuwe bouwvolumes in het buitengebied. Daarmee wordt zorgvuldig ingespeeld op de behoefte aan passende en kwalitatief goede woningen, terwijl tegelijkertijd de bestaande bebouwing duurzaam wordt hergebruikt. De realisatie van een bijgebouw van 150 m² ondersteunt de nieuwe woonfunctie en draagt bij aan het toekomstbestendig maken van het erf. Met de functiewijziging wordt een leegstaand agrarisch erf voorkomen en ontstaat een vitale woonlocatie met behoud van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de ambities uit de woonvisie om de woningmarkt te versterken met passende woonruimte, bij te dragen aan leefbaarheid en de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig te maken. 3.3.3 KGO-beleid 2023 Hof van Twente biedt ook de komende jaren eigenaren in het buitengebied volop kansen om voormalige agrarische erven nieuw leven in te blazen.

De gemeenteraad heeft daarvoor in maart 2023 het geactualiseerd KGO-beleidskader vastgesteld: “Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst”. Met de ruime mogelijkheden die dit beleid biedt, is Hof van Twente voorloper vergeleken met andere plattelandsgemeentes. In de afgelopen zeven jaar zijn er veel ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk gemaakt met het KGO-beleid. Dat heeft de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid een boost gegeven in het landelijk gebied. Erven zijn daardoor toekomstbestendig geworden. In het kader van het KGO-beleid is ruim 170.000 m2 aan landschap ontsierende bebouwing gesloopt. Ook moet de economische impuls niet vergeten worden; de werkgelegenheid voor aannemers, slopers, tekenaars, leveranciers en andere partijen die baat hebben gehad bij deze ontwikkelingen is groot. Toch zijn er nieuwe kansen te benutten in het buitengebied waar het beleid nog geen ruimte voor gaf, maar waar wel behoefte aan is. Ook voor de komende jaren ligt er een grote opgave in het buitengebied. Denk hierbij aan de doorgaande agrariërs die innovatiever (moeten) worden, agrariërs die om verschillende redenen hun bedrijf staken, de ruimtevraag voor de energietransitie, woningbouw etc. Met het geactualiseerd beleidskader kan de gemeente Hof van Twente beter inspelen op deze actuele onderwerpen.

18

De beleidsnotitie 'Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst' voorziet in de kaders om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Deze beleidsnotitie voorziet in de kaders met betrekking tot het VABbeleid, Rood voor Rood beleid, beleid omtrent de herbouw van karakteristieke woningen, het vergroten bestaande en bestemde woning, beleid omtrent veldschuren, het herbouwen van bijgebouwen, niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, de sloopvoucher-regeling, landgoederen, omzetten van een recreatiewoning naar wonen, inwoning, bestemmen van een karakteristieke boerderij als woning en een grondgebonden zonneparkbinnen een agrarisch bouwvlak. Toetsing In dit geval zijn de kaders omtrent de sloopvoucher-regeling en Hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) van belang. Met de beëindiging van de veehouderij, de sloop van 1.430 m² aan landschapsontsierende bebouwing en het behoud en splitsen van de karakteristieke bedrijfswoning in twee wooneenheden binnen de bestaande bebouwing, wordt leegstand voorkomen en de ruimtelijke kwaliteit versterkt. De landschappelijke inpassing en het behoud van cultuurhistorie zorgen, samen met de vermindering van stikstofdepositie, voor een duidelijke meerwaarde.

3.4

Waterschapsbeleid

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

• • •

het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

19

3.4.1 Watervisie 2050 Vechtstromen Waterschap Vechtstromen heeft in 2021 een Watervisie opgesteld. Hierin behandelen ze zeven hoofdlijnen: 1. Het aanpassen van de waterhuishouding op de inrichting en het gebruik van de ruimte bereikt zijn grenzen; 2. Het grootste en meest geschikte reservoir om water in te bergen is de bodem; 3. Het water moet, zowel ecologisch als chemisch, van goede kwaliteit zijn. Schoon water is de basis voor een veilige leefomgeving en drager van natuur- en landschapskwaliteit; 4. Waterschap Vechtstromen is een op duurzame ontwikkeling gerichte partner; 5. Zuiveringsinstallaties worden knooppunten voor circulair watergebruik en de productie van energie en grondstoffen; 6. Regenwater is geen afvalwater, maar een bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem; 7. Een aantrekkelijke leefomgeving, waar genieten van water mag, vergroot het waterbewustzijn. Het waterschap baseert deze hoofdlijnen op de drie belangrijkste opgaven: toenemende droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering, waterkwaliteit die onder druk staat en de transitie naar een duurzame ontwikkeling. Met deze opgaven werkt het waterschap nauw samen met andere overheden en andere betrokken partijen, zoals de Deltaplannen Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) en Zoetwater en de Kaderrichtlijn Water (KRW).

Daarnaast willen ze met belanghebbenden in gesprek om vervolgens het waterbeheerprogramma op te stellen, waarmee de genoemde hoofdlijnen worden omgezet in beleid en maatregelen. 3.4.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vechtstromen Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in de omgeving. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 borduurt voort op de watervisie en laat zien welke resultaten het waterschap op strategisch en tactisch niveau wilt halen in 6 jaar. Hierin behandelen ze 7 hoofdlijnen binnen 4 verschillende thema's:

• • • •

klimaat - richten op een klimaatrobuust watersysteem waterkwaliteit - goede ecologische en chemische waterkwaliteit duurzaamheid - biodiversiteit, vastleggen CO2, circulariteit waterbewustzijn van mensen - water beleefbaar maken

Voor elk thema bespreekt het waterschap in het Waterbeheerprogramma haar ambities, ze geven een beeld van de huidige situatie, benoemen de doelen en vervolgens de maatregelen die ze nemen. De maatregelen neemt het waterschap Vechtstromen door bestaande maatregelen te continueren (staand beleid), maar ook via nieuw beleid. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het Waterbeheerprogramma een agenderende functie. In dit Waterbeheerprogramma wordt ook de omgevingswet behandeld hoe het waterschap daarop inspeelt. Het waterschap werkt met de gemeente samen aan een goede ruimtelijke ordening via het proces van de Watertoets.

3.4.3 Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die aan het einde van planperiode 3 (2022-2027) moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

20

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in de watervisie 2050 en het Waterbeheerplan 2022-2027. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema’s zijn waterveiligheid, klimaatbestendigheid omgeving en ruimte voor waterberging. Daarnaast zijn de waterschapsverordening en legger van Waterschap Vechtstromen belangrijk regelstellende instrumenten waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsprogramma/-plan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. 3.4.4 Watersysteem In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe “eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren” is hierbij leidend. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

3.4.5 Afvalwaterketen Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe “eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren” een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Toetsing Door het planvoornemen van initiatiefnemers neemt het verharde oppervlakte op de locatie af. Hemelwater en vuilwater wordt gescheiden afgevoerd. Daarnaast worden de milieubelastende activiteiten op de locatie beëindigd, wat een positieve invloed heeft op de waterkwaliteit. Door de afname qua verhard oppervlak kan nog meer regenwater ter plaatse infiltreren, waardoor er meer water ter plaatse vastgehouden kan worden en dit niet via het oppervlaktewatersysteem afgevoerd hoeft te worden. De planlocatie ligt aan de oostzijde van de Friezenberg. Over een afstand van ongeveer 2 kilometer is sprake van 20 meter hoogteverschil, onderhavige planlocatie ligt ongeveer halverwege deze helling. Doordat de afname qua verhard oppervlak en het beëindigen van de ter plaatse aanwezige milieubelastende activiteiten, draagt het voornemen bij aan een verbetering van de waterkwaliteit en kwantiteit in de omgeving.

21

4 Gevolgen fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gezondheid en het milieu worden beschermd. De aspecten sluiten aan op de onderdelen die zijn genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

4.1

Geluid door activiteiten

Algemeen In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); •

geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);

•

geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Situatie plangebied In de beoogde situatie is er sprake van een functiewijziging naar wonen. Een woonfunctie wordt onder het Bkl aangemerkt als een geluidsgevoelig functie. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen geluidsbelastende functies aanwezig. Railverkeerslawaai en industrielawaai In de nabijheid van de planlocatie is geen spoorweg of een geluidgezoneerd bedrijventerrein gelegen. Daaruit blijkt dat de aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

22

Wegverkeer De planlocatie bevindt zich aan de Enterbroekweg, een rustige erfontsluitingsweg. De situering van deze weg, feitelijk gezien een drie kilometer lange zijlus van de Oomsdijk, maakt dat er vrijwel geen doorgaand verkeer gebruik maakt van deze weg. Achter de bosrand en enigszins verdiept ten opzichte van de omgeving is de autosnelweg A1/E30 gelegen. De adviesafstand voor realisatie van gevoelige functies ten opzichte van autosnelwegen betreft minimaal 150 meter. De woonboerderij is verder dan deze afstand gelegen, en er vindt geen uitpandige uitbreiding van deze woonboerderij plaats. Gelet hierop en de afschermende werking welke van de bosrand uitgaat, kan geconcludeerd worden dat geen nader onderzoek vereist is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.2

Bodemkwaliteit

Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: • •

Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.

•

Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.

•

Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Situatie plangebied Op de locatie worden de veehouderijactiviteiten beëindigd. De functie wordt omgezet van agrarisch naar wonen. Ten behoeve van de herontwikkeling op de locatie is een terreindeel van circa 5500 m2 onderzocht. Een

23

verkennend bodemonderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd bij onderhavige toelichting. In het rapport zijn de navolgende conclusie en aanbevelingen opgenomen: Op de gehele onderzoekslocatie en ter plekke van de voormalige bovengrondse tanklocatie (deellocatie A) zijn in de boven- en ondergrond en in het grondwater geen verontreinigingen aangetoond. De gemeten gehalten liggen in alle gevallen onder de achtergrondwaarden (grond) en onder de signaleringsparameters (grondwater). In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - 01, MM FF - 02 en MM FF 03 is geen asbest aangetoond. Conclusie Uit het uitgevoerde bodemonderzoek volgen geen belemmeringen om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen het toebedelen van een nieuwe functie aan de locatie en de geplande nieuwbouw, aangezien er geen verontreinigingen zijn aangetoond. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen, met behoud van extensieve akkerbouwtak).

4.3

Luchtkwaliteit

Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4289/documents/59882