CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

02 TAM-omgevingsplan Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo Motivering.pdf

Gemeenteraad 14 april 2026, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 9: TAM omgevingsplan gemeente HvT Hoofdstuk 22aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo18.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Om vast te stellen of ter plaatse van deze woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, is een inventarisatie verricht naar milieubelastende functies in de nabije omgeving. Hierbij is op te merken dat de dichtstbijzijnde milieubelastende functie gelegen zijn aan de Slaghekkenweg 2 en Bentelosestraat 52 in Bentelo. Aan de Bentelosestraat 52 is overig bedrijvigheid toegestaan. Hier is volgens het omgevingsplan een winkel-/magazijnruimte aanwezig. Aan de Slaghekkenweg 2 is volgens het omgevingsplan een agrarisch bedrijf toegestaan, niet zijnde intensieve veehouderij. Volgens openbare bronnen is het bedrijf geregistreerd als melkveebedrijf en vleesvarkenbedrijf. Volgens de nieuwe milieuzoneringslijst geldt voor een niet-intensieve agrarisch bedrijf een richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid en 100 meter voor het aspect geur. Aangezien de onderlinge afstand tussen het agrarische bedrijf en plangebied

30

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

circa 220 meter bedraagt, wordt er voldaan aan de richtafstanden. Omdat bij agrarische bedrijven de wettelijke normen uit het Bkl gelden, wordt in paragraaf 4.3 een nadere toetsing aan het aspect geur verricht. Wat betreft het bedrijf aan de Bentelosestraat 52, waarbij sprake is van detailhandel, geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. Hier wordt ruim aan voldaan. Gelet op het vorenstaande zal ter plaatse van de nieuwe woning sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de andere kant worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de genoemde bedrijven niet belemmerd door de realisatie van de nieuwe woning. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggende ontwikkeling.

4.3

Geur In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk: Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2) Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) Andere agrarische activiteiten In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen.

Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden. Toets Zoals beschreven in de voorgaande paragraaf, bevindt het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf zich aan de Slaghekkenweg 2, op een afstand van circa 220 meter van het plangebied. Hoewel voldaan wordt aan de richtafstand voor niet-intensieve agrarische bedrijven vanuit de nieuwe milieuzoneringslijst, gelden op grond van het Bkl specifieke regels voor agrarische bedrijven waar landbouwhuisdieren gehouden worden. Voor bedrijven met dieren waarvoor géén geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geldt in het buitengebied een minimale wettelijke afstand van 50 meter tussen het geurbelastende bedrijf en een geurgevoelig gebouw (zoals een woning). Voor bedrijven die dieren houden waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld, geldt in het buitengebied een maximale toegestane geurbelasting van 14 ou/m³ ter plaatse van het toe te voegen geurgevoelig gebouw. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf aan de Slaghekkenweg 2 bevindt zich dus op ongeveer 220 meter afstand van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale afstandsnorm van 50 meter voor bedrijven met dieren zonder geuremissiefactoren.

Omdat er ook varkens worden gehouden waarvoor wel

ontwerp

31

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

geuremissiefactoren zijn vastgesteld, is in beginsel een berekening van de geurbelasting noodzakelijk. Echter is op te merken dat op kortere afstand van het agrarische bedrijf al bestaande woningen gelegen zijn. Hierdoor wordt geacht dat het agrarisch bedrijf - ter bescherming van de bestaande woningen tegen geurhinder - al in mindere mate beperkt is in de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden. Bovendien is binnen het plangebied al een woning toegestaan waarbij geen sprake is van geuroverlast van het agrarische bedrijf aan de Slaghekkenweg 2. Geacht wordt daarom dat de kans reëel is dat de grenswaarde van 14 ou/m³ in buitengebied voor de geurbelasting ter plaatse van de woning niet wordt overschreden. Gelet op het vorenstaande wordt het opstellen van een geurbelasting berekening in dit specifieke geval niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.4

Bodem Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem. Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Toets Ten behoeve van voorliggend TAM-omgevingsplan is een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd door Kruse Mileu BV. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 2 bij deze motivering opgenomen rapportage. In de onderstaande alinea's wordt met behulp van het onderzoek kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Voor de concrete inhoud van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 2. Resultaten veldwerk

32

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

In totaal zijn er 9 inspectiegaten gegraven en is er 1 boring verricht. De boring en 2 inspectiegaten zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt met een peilbuis. Per druppelzone zijn er in totaal 3 inspectiegaten gegraven. De bovengrond bestaat globaal uit uiterst tot zeer fijn, zwak siltig zand en de ondergrond bestaat globaal uit uiterst fijn tot matig grof, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oer- en roesthoudende lagen waargenomen. Er zijn bodemvreemde materialen in de vorm van baksteen en kolengruis (gehele onderzoekslocatie) en puin (druppelzones) aangetroffen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld en in de opgeboorde bodem. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 2.40 m-mv. Resultaten analyses Op basis van de resultaten van de analyses kan onderstaande worden geconcludeerd: Gehele onderzoekslocatie: 1. Het mengmonster OG is aanvullend op arseen geanalyseerd vanwege oerhoudende lagen. 2. de bovengrond (BG I) is licht verontreinigd met PAK; 3. de bovengrond (BG II) is (zeer) licht verontreinigd met lood en PAK; 4. de bovengrond (BG III) is niet verontreinigd; 5. de ondergrond (OG) is niet verontreinigd (ook niet met arseen); 6. het grondwater (PB 1) is zeer licht verontreinigd met barium en nikkel; 7. mengmonster MM FF - 01 is niet asbesthoudend; 8.

mengmonster MM FF - 02 is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Deellocaties A en B: asbestverdachte druppelzons zuidzijde en noordzijde 1. mengmonster MM FF - A is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek; 2. mengmonster MM FF - B is asbesthoudend. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Hypothese De hypothese “verdachte locatie” uit norm NEN5740, dient met betrekking tot de bovengrond van de gehele onderzoekslocatie te worden aangenomen aangezien er overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond. De hypothese “onverdachte locatie” uit norm NEN5740, kan met betrekking tot de ondergrond van de gehele onderzoekslocatie worden aangenomen aangezien er geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden zijn aangetoond. Met betrekking tot het grondwater dient deze hypothese te worden verworpen, aangezien er overschrijdingen van de streefwaarden zijn aangetoond. De hypothese "verdachte locatie” uit norm NEN5707 dient met betrekking tot de gehele onderzoekslocatie te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond.

De hypothese "verdachte locatie” uit norm NEN5707 dient met betrekking tot de asbestverdachte druppelzones (deellocaties A en B) te worden aangenomen, aangezien er asbest is aangetoond. In de bovengrond (BG I en BG II) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. In de boven- en ondergrond (BG III en OG) zijn geen verontreinigingen gemeten. Aangezien de tussenwaarden (grond) en de signaleringsparameters (grondwater) niet worden overschreden, is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF - 02 is asbest aangetoond. Het gewogen asbestgehalte ligt ruim onder de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Van de zeeffractie <0.5 mm maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat geen asbestverdachte vezels. In het mengmonster van de

ontwerp

33

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

fijne fractie MM FF - 01 is geen asbest aangetoond. In de mengmonsters van de fijne fractie MM FF - A en MM FF - B is asbest aangetoond. De gewogen asbestgehalten liggen ruim boven de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek (en tevens boven de interventiewaarde voor asbest). Van de zeeffractie <0.5 mm maximaal 10 gram kwalitatief beoordeeld en deze bevat asbestverdachte vezels. Formeel gezien is een nader asbestonderzoek noodzakelijk ter plekke van beide druppelzones. Geadviseerd wordt om, voorafgaand aan de sloop van het bijgebouw, zonder nader asbestonderzoek direct over te gaan tot sanering van de asbestverontreinigingen ter plekke van druppelzones A en B. Op basis van de beschikbare gegevens wordt de omvang van de asbestverontreinigingen ter plekke van druppelzones A en B als volgt geschat: deellocatie A: asbestverdachte druppelzone zuidzijde: circa 6 m3 (circa 20 meter lang x 1.0 meter breed en 0.3 meter diep); deellocatie B: asbestverdachte druppelzone noordzijde: circa 6 m3 (circa 20 meter lang x 1.0 meter breed en 0.3 meter diep). Er dient voorkomen te worden dat er vermenging ontstaat met de schone grond. De sterk verontreinigde grond mag niet worden verminderd of verplaatst zonder toestemming van het bevoegd gezag. Voorafgaande aan de sanering dient een plan van aanpak opgesteld te worden en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag.

Een sanering mag alleen door hiervoor erkende bedrijven worden uitgevoerd. Slotconclusie Na sanering van de asbestverdachte druppelzones (deellocaties A en B) is er geen bezwaar tegen de voorgenomen functiewijziging en nieuwbouw van het bijgebouw, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan, mits de asbestverdachte druppelzones zoals opgenomen in het verkennend (asbest)bodemonderzoek gesaneerd zijn. Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan, wordt de uitvoering van de sanering juridisch geborgd.

4.5

Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Geluidsgevoelige gebouwen In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan: woningen

34

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl. Mocht er door een gemeente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan zijn opgenomen, dan gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde zal beschouwd moeten worden welke maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting te verlagen tot de standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geluidbeperkende maatregelen niet mogelijk zijn; 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk beperkt zijn door het treffen van geluidbeperkende maatregelen; 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overwogen zijn die financieel doelmatig en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; 4. het gecumuleerd geluid de grenswaarde niet overschrijdt; 5. het gezamenlijke geluid is bepaald en de grenswaarde niet overschrijdt; 6.

besluit tot het treffen van geluidwerende maatregelen. Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden. Geluid door activiteiten In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een geluidgevoelig gebouw planologisch wordt mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

ontwerp

35

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel. De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen Toets Wegverkeers- en spoorweglawaai Het plangebied wordt ontsloten via de Dams Wichertsweg. Een erfontsluitingsweg in het buitengebied. Daarnaast is op ongeveer 140 meter afstand ten oosten van het plangebied een provinciale weg (N740) aanwezig. Een gebiedsontsluitingsweg bestaande uit twee rijstroken. Een spoorweg is niet aanwezig in de nabije omgeving. Op te merken is dat de gemeente Hof van Twente nog geen geluidaandachtsgebied in het omgevingsplan heeft opgenomen.

Hierdoor gelden de afstanden uit artikel 17.5 Omgevingsregeling: voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 meter; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 meter. Gezien de bovengenoemde afstanden ligt het plangebied binnen de geluidzone van de Dams Wichertsweg en de N740. In voorliggend geval wordt binnen het plangebied één extra woning toegevoegd door middel van het splitsen van de woning. Dat betekent in feite dat er geen nieuw geluidsgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, maar dat de bestaande woning planologisch wordt opgeknipt in twee delen. Hierdoor wordt geacht dat aan de bovengenoemde afstanden niet hoeft te worden getoetst. Akoestisch onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai kan achterwege blijven. Industrielawaai In de nabije omgeving van het plangebied zijn er geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai kan achterwege blijven. Geluid door activiteiten In paragraaf 4.2 is reeds een beoordeling gemaakt of ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Hierin is geluid door activiteiten van omliggende bedrijfsfuncties meegenomen. Uit de beoordeling blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat voldaan wordt aan alle richtafstanden voor de maatgevende bedrijven. Hierdoor kan akoestisch onderzoek naar geluid door activiteiten achterwege blijven. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggende ontwikkeling.

36

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

4.6

Luchtkwaliteit Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. Voor vergunningsplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Toets Gelet op het bepaalde in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl wordt geconcludeerd dat

ontwerp

37

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

voorliggend plan aangemerkt moet worden als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, omdat dit ter plaatse van een enkele ontsluitingsweg pas aan de orde is bij de realisatie van meer dan 1.500 woningen, terwijl in het voorliggende plan slechts één extra woning mogelijk wordt gemaakt. Nader onderzoek is in dit geval niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.7

Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of

38

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toets Aan de hand van de kaart van Atlas Leefomgeving met betrekking tot het thema 'Veilige omgeving' is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaarten staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In de nabije omgeving (straal van ca. 550 m) van het plangebied zijn er geen activiteiten met gevaarlijke stoffen, aandachtsgebieden, plaatsgebonden risicocontouren aanwezig. Conclusie Vanuit dit aspect zijn er dan ook geen belemmeringen voor de realisatie van voorliggend plan.

4.8

Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Het waterschap Vechtstromen zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken. Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering.

Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.

ontwerp

39

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

1. Klimaatrobuust gebied Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. 2. Veilig gebied Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. 3. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren. 4. Gezonde leefomgeving Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid.

Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven. Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruiken we de (digitale) watertoets. Relevante wateraspecten Wateroverlast Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied niet toe. Het neemt af met circa 343 m². Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits 'vasthouden - bergen – afvoeren' behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd. Natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes worden niet bebouwd. Het plangebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Eventuele wateroverlast voor het plangebied wordt voorkomen door het peil van de woning 30 cm hoger dan de omliggende grond te maken. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen.

Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Voor onderhoud aan het rioolpersleidingenstelsel is bereikbaarheid noodzakelijk, rondom de persleiding worden geen bouwwerken gebouwd. Tot slot worden in de milieuzone van de RWZI of rioolgemaal geen hindergevoelige functies opgenomen, die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren. Grondwaterbeheer

40

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel. Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren. Recreatie In het plangebied zijn de volgende (nieuwe) aan het water gekoppelde recreatieve functies opgenomen: geen. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waterobjecten aanwezig. De cultuurhistorische waarde wordt door de planontwikkeling niet aangetast. Conclusie Op 03-09-2025 is er een watertoets uitgevoerd. Het resultaat hiervan is als Bijlage 3 opgenomen bij deze motivering. Door beantwoording van de vragen is gebleken dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat er een standaard waterparagraaf moet worden opgesteld. De standaard waterparagraaf is bovenstaand opgenomen. Op voorhand is het waterschap geïnformeerd over het plan. Er zijn geen bezwaren. Vanuit dit aspect zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van voorliggend plan.

4.9

Natuurwaarden Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten; De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura

ontwerp

41

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Natuurnetwerk Nederland In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe.

Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel. Soortenbescherming In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal); Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal); Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. Toets Ten behoeve van voorliggend plan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Natuurbank Overijssel. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 4 bij deze motivering opgenomen rapportage. In de onderstaande alinea's wordt met behulp van de quickscan kort ingegaan op de resultaten en conclusies ten aanzien van de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voor de concrete inhoud van de rapportage wordt verwezen naar Bijlage 4. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het NNN geen externe werking heeft in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de afstand tussen het

42

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

plangebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de duur van de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, uitgesloten worden. Het uitvoeren van een stikstofberekening is dus niet noodzakelijk. Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling heeft negatieve gevolgen voor verschillende beschermde diersoorten. Als gevolg van het slopen van de bebouwing en het uitvoeren van grondverzet worden mogelijk beschermde dieren gedood en gaan voortplantings- en rustplaatsen verloren. Voor sommige soorten geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van de voortplantings- en rustplaats, maar dat geldt niet voor vleermuis, egel, wezel, grote bosmuis en steenmarter. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de bebouwing voor vleermuizen, egel, steenmarter, wezel en grote bosmuis. Gezien het aantal onderzoeken en dat rekening gehouden moet worden met verschillende onderzoekperiodes is in het kader van een efficiënt verloop van de ruimtelijke procedure ervoor gekozen om de onderzoeken op een latere tijdstip uit te voeren. Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit TAM-omgevingsplan, wordt de uitvoering van de benodigde onderzoeken juridisch geborgd.

Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling.

4.10

Archeologie en erfgoed De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Cultureel erfgoed Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Archeologische resten Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Toets Archeologie Het geldende omgevingsplan heeft aan het plangebied de functie 'Waarde Archeologische verwachting 1 en 3' toegekend. Dat betekent dat de voor deze functie aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In principe is het hierdoor niet toegestaan om op deze gronden nieuwe gebouwen te

ontwerp

43

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

bouwen en bestaande en legale gebouwen te vergroten. Hiervan kan middels een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits uit archeologisch onderzoek blijkt dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. Een omgevingsvergunning is niet nodig als: uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn op de betrokken locatie; het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande en legale fundering wordt benut; de voor het bouwen benodigde grondbewerkingen niet dieper zijn dan 0,40 m vanaf maaiveld of het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m2 (voor gronden met een archeologische verwachtingswaarde 1) of 10 ha (voor gronden met een archeologische verwachtingswaarde 3). In het voorliggende plan wordt enkel een nieuw bijgebouw gebouwd met een oppervlak van circa 150 m² en wordt de bestaande woning gesplitst in twee zelfstandige woningen. De drie bestaande landschapsontsierende gebouwen worden gesloopt met een oppervlak van circa 523 m². In beide gevallen of gezamenlijk wordt de drempelwaarde van 2.500 m² (strengste drempelwaarde) niet overschreden. Gelet hierop wordt een omgevingsvergunning of archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Erfgoed Het plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect 'Archeologie en erfgoed' voor voorliggend plan.

4.11

Trillingen In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillingsgevoelige ruimte van een trillingsgevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft. Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillingsgevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillingsgevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83, tweede lid. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:

44

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd); onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Toets Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft hinder van trillingen gemeten bij mensen die binnen 300 meter afstand van het spoor wonen. Gelet op dat er binnen een afstand van 300 meter vanaf het plangebied geen spoorwegen aanwezig zijn, zal binnen het plangebied en de woning geen sprake zijn van trillingshinder afkomstig van spoorwegen. Daarnaast is het plangebied niet gelegen aan een weg waarover het regelmatige vervoer van goederen door zware voertuigen plaatsvindt, waardoor trillingshinder kan ontstaan. Het plangebied ligt immers in het rustige buitengebied. De dichtstbijzijnde provinciale weg, de N740 ligt op circa 140 meter afstand van het plangebied, waarbij wordt geacht dat de afstand met de weg te groot is om trillingen in de woning te ervaren. Op basis van het vorenstaande wordt een onderzoek naar trillingen niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

4.12

Verkeer / parkeren Voorliggend plan maakt ten opzichte van de bestaande situatie één extra woning mogelijk door middel van het splitsen van de bestaande woning. Feitelijk gezien ontstaat daarmee een twee-onder-één-kap woningen. Op basis van de meest recente CROW publicatie (744) geldt voor een twee-onder-één-kap woning in het buitengebied, met een niet-stedelijke stedelijkheidsgraad, per woning een maximale verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op de inrichting en rustig karakter van de Dams Wichertsweg, kan de beperkte toename van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van de huidige situatie naar verwachting eenvoudig en veilig worden afgewikkeld. Bij een twee-onder-één kap woning in het buitengebied met een niet-stedelijke stedelijkheidsgraad geldt per woning een parkeernorm van minimaal 1,5 parkeerplaatsen (afgerond 2). Voor twee woningen zijn vier parkeerplaatsen nodig. Het in figuur 4.1 opgenomen erfinrichtingsplan toont dat er vijf parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden. Daarnaast is er op het terrein van de woning ruimte om te parkeren. Hiermee wordt ruim voldaan aan de parkeernorm.

ontwerp

45

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

Figuur 4.1: erfinrichtingsplan Dams Wichertsweg 2-4 (bron: Eeckhof BV) Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit deze aspecten geen belemmeringen zijn voor voorliggend plan.

46

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

4.13

Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Toets In de voorgaande paragrafen is uitgebreid ingegaan op diverse milieuaspecten die indirect of direct een raakvlak hebben met het aspect gezondheid. Vanuit deze milieuaspecten zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en de woning. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heeft een positief effect op de gezondheid. Ook leidt het plan niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van anderen, dus de gezondheid van anderen. Bovendien wordt permanent wonen mogelijk gemaakt in het buitengebied waar een verscheidenheid aanwezig is van natuurlijke waarden en waarbij de biodiversiteit hoog is. Dit heeft een positieve invloed op de gezondheid.

Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn voor voorliggende ontwikkeling.

ontwerp

47

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

Hoofdstuk 5 5.1

T oelichting op de regels

Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Voorliggend plan betreft een wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente dat technisch opgesteld is conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar inhoudelijk uitgewerkt is op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

5.2

Opzet regels Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wro gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.

Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook daarna worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing het plangebied, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.2.1

Preambule In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

48

ontwerp

TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22 aj Dams Wichertsweg 2-4 Bentelo

5.2.2

Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: Artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. Artikel 2 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft meetvoorschriften aan. Artikel 4 Aanvraagvereisten: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-IMRO omgevingsplan. Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod: Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt.

5.2.3

Functies en activiteiten In het Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten is opgenomen welke functie binnen het plangebied toegestaan is. Hierbij is ook aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

5.2.4

Algemene bepalingen Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 9 Anti-dubbeltelregel: grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 10 Algemene beoordelingsregels: dit artikel bevat algemene beoordelingsregels ten aanzien van het bouwen. Artikel 11 Algemene functieregels: in dit artikel worden de algemene functieregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies. Artikel 12 Algemene aanduidingsregels: in dit artikel worden gebieden aangeduid waarvoor specifieke, sectorale regels gelden. Artikel 13 Algemene omgevingsplanactiviteiten: dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van beperkte omgevingsplanactiviteiten ten opzichte van de in hoofdstuk 2 toegestane functies en bouwmogelijkheden, waarvoor een een omgevingsvergunningplicht geldt. Artikel 14 Overige regels: dit artikel bevat overige regels. Artikel 15 Overgangsrecht: dit artikel bevat overgangsregels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4289/documents/59904