Waterstoftankstation Heinenoord ontwerp 12-03-21
Tekst van het document
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft.
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
34
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid‐Holland In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland, Natura‐2000 gebied of strategische reservering natuur. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura‐2000 gebied ligt op ca.
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
35
12,8 km afstand. Vanwege deze grote afstand zijn effecten als verstoring, versnippering, verdroging etc. op voorhand uitgesloten. Effecten als vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn op dergelijke afstanden niet op voorhand uit te sluiten. Daarom zijn de depositie‐effecten op Natura 2000 bepaald van de aanlegfase en de gebruiksfase, zie bijlage 1. Uit de berekening blijkt dat er in de aanleg‐ en gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Soortenbescherming Door middel van een quickscan flora en fauna is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de Wet natuurbescherming. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. Uit de quickscan blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten kan worden uitgesloten. Conclusie De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden met de beoogde plannen. Er worden geen beschermde dier‐ of plantensoorten aangetast. Wel is altijd de zorgplicht van de Wet natuurbescherming van toepassing. In de quickscan wordt geadviseerd hoe hier invulling aan kan worden gegeven.
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
36
Onderzoek De ontwikkeling valt onder het Besluit nibm waardoor de ontwikkeling zal voldoen aan de Wet luchtkwaliteit en nader onderzoek niet noodzakelijk is. In bijlage 1 is een toelichting op het aspect gegeven. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2018 en de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de maatgevende weg Reedijk ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. De lijnbussen hebben zelf geen uitstoot die effect heeft op de luchtkwaliteit. De toename aan verkeer is dan ook nibm (niet in betekenende mate). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Besluit externe veiligheid buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden.
In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een kwetsbare objecten zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of op een risicovolle activiteiten. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan risicobronnen in de omgeving. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden waterstof tankstations niet genoemd. Het waterstof tankstation voor bussen is geen Bevi inrichting, hierdoor hoeft er geen berekening worden uitgevoerd. Dit wil niet zeggen dat er geen sprake is van risico's voor de omgeving. Op basis van een aantal uitgangspunten zijn de risico's in kaart gebracht, zie bijlage 4. De contour voor de grenswaarde van het plaatsgebonden risico van 1.0 10‐6/jr ligt aan de oostzijde gedeeltelijk buiten de inrichting. Kwetsbare objecten zijn niet toegestaan binnen deze bestemming,
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
37
deze gronden zijn in eigendom van de gemeente. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.
Figuur 4.3 Maximale effectafstand In de EV‐beleidsvisie van de gemeente Hoeksche Waard is opgenomen dat de plaatsgebonden risicocontour van 1.0 10‐6/jr binnen de inrichtingsgrens moet liggen. Dit is bij het H2‐tankstation niet het geval. De plaatsgebonden risicocontour ligt enkel aan de oostzijde een stukje buiten de terreingrens over een gebied met de bestemming groen en de bestemming water. Het is gezien de indeling van het terrein dan ook in de toekomst de bestemming groen en verkeer blijft. Het deel van het plaatsgebonden risico dat buiten de inrichtingsgrens ligt heeft geen beperkingen voor ontwikkelingen in omgeving van de inrichting tot gevolg. De inrichting veroorzaakt geen groepsrisico. Om te zorgen dat de veiligheidscontouren grotendeels binnen het plangebied vallen wordt de locatie vergroot. Omdat door deze vergroting het plangebied boven de gestelde grens van 5.000 m2 volgens het vigerende bestemmingsplan komt wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Op basis van deze toetst blijkt dat de inrichting past op de beoogde locatie. Conclusie Er worden geen gevoelige functies gerealiseerd binnen het plangebied. Voor de externe werking is een toets voor het waterstoftankstation uitgevoerd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
38
4.10
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Ten zuiden van het plangebied ligt een bovengrondse hoogspanningsverbinding (380 kV). De lijn Abbenbroek ‐ Crayestein heeft een indicatieve zone van 105 meter aan weerszijde. Ter plaatse van de hoogspanningsleiding gelden beperkingen van de bouwmogelijkheden die voornamelijk betrekking hebben op de bouwhoogte. De hoogspanningslijn Abbenbroek ‐ Crayestein heeft een indicatieve zone van 105 meter aan weerszijden. Voorkomen moet worden dat nieuwe gevoelige functies binnen deze zone worden gebouwd. De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. De beoogde ontwikkeling maakt geen hoge bouwwerken of gevoelige functies (voor hoogspanningsverbindingen gaat het om functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen, bron: infomil) mogelijk. Daarnaast verblijven mensen die gebruik maken van het tankstation slechts korte tijd binnen de indicatieve zone van de hoogspanningsleiding. Hierdoor vormt de hoogspanningsleiding geen risico voor de beoogde ontwikkeling. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een ruwwatertransportleiding, zie figuur 4.4.
Deze leiding heeft een belemmerende strook van 13 meter breed. Het plangebied ligt buiten de zone vrij van belemmering.
Figuur 4.4 Ligging ruwwaterleiding
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
39
4.11
Vormvrije m.e.r.‐ beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling blijft onder de drempelwaarde (In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een opslagcapaciteit van 100.000 m3 of meer) van categorie D 25.2 van het Besluit m.e.r.. Voor deze ontwikkeling is dan ook geen mer‐procedure of mer‐beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.. Hiernaast kan m.e.r.‐plicht ontstaan als gevolg van passende beoordeling, dit kan in het kader van indirecte significante effecten voorkomen. In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk is dit nader toegelicht. Hieruit blijkt dat tevens vanuit de indirecte effecten een m.e.r.‐beoordelingsplicht niet aan de orde is.
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
40
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
41
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Bestemmingsplansystematiek
Het bestemmingsplan is conform SVBP2012 opgesteld, om zodoende digitaal raadpleegbaar en conform de uniforme systematiek raadpleegbaar te zijn. Ook is rekening gehouden met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.2
Planregels
5.2.1 Inleidende regels Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijventerrein De aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven. Met de functieaanduiding is de maximale milieucategorie aangeduid. Binnen het plangebied wordt middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf ‐ waterstoftankstation' tevens een waterstoftankstation toegestaan. Leiding ‐ Hoogspanning Binnen het bestemmingsplan is de leidingbestemming 'Leiding ‐ Hoogspanning' opgenomen. De aangewezen gronden zijn hierdoor ‐ behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) ‐ mede bestemd voor de bestaande hoogspanningstracé met de daarbij behorende beschermingszone. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.
Antidubbeltelregel Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
42
Algemene bouwregels Dit artikel bevat enkele algemene bouwregels, waaronder een regeling voor de minimale afstand van bouwwerken tot zandwallen. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden aan het bevoegd gezag om bij een omgevingsvergunning onder voorwaarden af te wijken van de bestemmingsregels. Het betreft afwijkingsmogelijkheden ten behoeve van kleine overschrijdingen van maatvoeringen en bouwgrenzen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een regeling opgenomen die het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid geeft de bestemmingslegging te wijzigen voor gronden waar de bestemmingslegging niet conform de werkelijke situatie is opgenomen. Overige regels In dit artikel is een regel opgenomen die de wettelijke regelingen waarnaar in het bestemmingsplan wordt verwezen fixeert op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. 5.2.4 Overgangs‐ en slotregels In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs‐ en slotregels aan de orde. Overgangsrecht De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). Slotregel Deze regel bevat de titel van het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
43
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel‐economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Er is sprake van aangewezen bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Er is een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. Het plan is financieel uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak en overleg ex. artikel 3.1.1 Bro Overeenkomstig de wettelijke vereisten is het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende naar de overlegpartners gestuurd. De reacties van Evides en het waterschap Hollandse Delta zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Omwonende en omliggende bedrijven zijn door middel van een informatiebrief op de hoogte gesteld van de ontwikkelingen en de procedure. Er zijn geen reacties ontvangen. Zienswijzen Overeenkomstig de wettelijke vereisten wordt het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken 6 weken ter inzage gelegd op de landelijke voorziening en formeel op het gemeentekantoor. Gedurende deze termijn wordt eenieder de mogelijkheid geboden zienswijzen over dit ontwerpbestemmingsplan in te dienen bij de gemeenteraad.
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
44
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
bijlagen bij de Toelichting
Bijlage 1 Onderzoek geluid, luchtkwaliteit en stikstof
Rho adviseurs voor leefruimte
4100596.20200716
Waterstoftankstation te Heinenoord Onderzoek naar geluid, luchtkwaliteit en stikstofdepositie Concept
Rapportnummer F 22038-3-RA d.d. 4 december 2020
Waterstoftankstation te Heinenoord Onderzoek naar geluid, luchtkwaliteit en stikstofdepositie Concept
opdrachtgever
Everfuel
rapportnummer
F 22 03 8- 3 - R A
datum
4 d e c e m b e r 2 02 0
referentie
K v d N/ I K a / D P / F 2 20 38 - 3- R A
verantwoordelijke ir. K.V. van der Nat opsteller
MSc I.H. Kalverboer +31 85 8228758 i.kalverboer@peutz.nl
peutz bv, postbus 696, 2700 ar zoetermeer, +31 85 822 87 00, zoetermeer@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook – zoetermeer – groningen – eindhoven – düsseldorf – dortmund – berlijn – leuven – parijs – lyon
F 22038-3-RA 2 Concept
Inhoudsopgave Management summary
4
1
Inleiding
5
2
De beoogde ontwikkeling
6
2.1
Locatie plangebied
6
2.2
De beoogde ontwikkeling
7
3
Geluid
8
3.1
Grenswaarden en wettelijke aspecten
8
3.2
Uitgangspunten
12
3.3
Berekeningen
14
3.4
Beoordeling en conclusie
15
4
Stikstofdepositie
17
4.1
Algemeen
17
4.2
Wet - en reg elg ev ing
17
4.3
Ligging nabij Natura-2000 gebieden
18
4.4
Uitgangspunten
19
4.5
Resultaten
23
4.6
Conclusie
23
5
Luchtkwaliteit
24
5.1
Algemeen
24
5.2
Wet telijk k a de r
24
5.3
Beoordeling
25
5.4
Conclusie
26
6
Conclusie
27
Bijlage 1 Resultaten wegverkeersmodel Bijlage 2 Invoergegevens akoestisch rekenmodel Bijlage 3 Resultaten akoestisch rekenmodel Bijlage 4 AERIUS invoergegevens en resultaten
F 22038-3-RA 3 Concept
Management summary A new hydrogen refuelling station will be developed in Heinenoord. In order to assess if this development is appropriate at the envisioned location several environmental studies have been conducted. In this report the following aspects have been examined: industrial noise, nitrogen deposition and air quality. Industrial noise
The hydrogen refuelling station is considered a type C organization according to the "Activiteitenbesluit" therefore a permit is required. Following procedures as stated in the "Handreiking vergunningverlening industrielawaai". Based on characterisation of the surroundings and the current reference noise levels the suggested noise limits are 40, 35 and 30 dB(A) in respectively the day, evening and night period for the equivalent noise levels. For the maximum noise levels a limit of 70, 65 and 60 dB(A) in respectively the day, evening and night period is suggested. From the results of the acoustic survey it can be concluded that the calculated equivalent noise levels are no higher then 31, 31 and 16 dB(A) in respectively the day, evening and night period. And therefore is compliant with the limits of 40, 35 and 30 dB(A) in respectively the day, evening and night period. The highest calculated maximum noise levels is 51 dB(A) and therefore is compliant with the limit of 70, 65 and 60 dB(A) in respectively the day, evening and night period. Nitrogen deposition
According to the Dutch nature conservation law (Wet Natuurbescherming) the impact of the construction and the (final) operation of the refuelling station on the nearby located Natura 2000 area's has to be investigated. The nitrogen deposition (in mol N/ha/year) as a result of the construction and the operation of the station does not exceed the value of 0,005 mol N/ha/year. This means that no further research has to be conducted, and that it is not necessary to apply for a permit. Air quality
The impact of the use of the station on the local air quality has been investigated. It can be concluded that the use of the station has a negligible impact on the concentrations of particulate matter (PM2,5/PM10) and nitrogen dioxide (NO 2).
F 22038-3-RA 4 Concept
1
Inleiding Het voornemen bestaat om een waterstoftankstation te realiseren op het bedrijventerrein Reedijk te Heinenoord. Dit station is gelegen in de gemeente Hoeksche Waard. Op korte afstand van het beoogde waterstoftankstation, eveneens op bedrijventerrein Reedijk, is een busremise en busstation gesitueerd, waarmee dit een ideale locatie is voor het beoogde waterstoftankstation. De tijd om te tanken wordt hiermee namelijk zo klein mogelijk gehouden. Het vigerende bestemmingsplan ’Bedrijventerrein Reedijk’, dat op 13 maart 2014 door de voormalige gemeente Binnenmaas is vastgesteld, voorziet niet in deze ontwikkeling. Om de beoogde ontwikkeling planologisch juridisch mogelijk te maken wordt thans een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Hiertoe dient aangetoond te worden dat na de beoogde ontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dat kader vragen de aspecten geluid, luchtkwaliteit en stikstofdepositie om aandacht. In voorliggend rapport wordt de te verwachten impact van de beoogde ontwikkeling op de omgeving voor de voornoemde aspecten inzichtelijk gemaakt.
F 22038-3-RA 5 Concept
2
De beoogde ontwikkeling
2.1 L o c a t i e p l a n g e b i e d
Het beoogd waterstoftankstation bevindt zich op het bedrijventerrein Reedijk te Heinenoord. De dorpskern van Heinenoord bevindt zich ten noordwesten van de beoogde ontwikkeling. In figuur 2.1 wordt de ligging van het beoogde waterstoftankstation in de omgeving op een luchtfoto weergegeven. Op korte afstand van het plangebied is het busstation Heinenoord gelegen. Alsmede is de huidige busremise op korte afstand op het bedrijventerrein Reedijk gesitueerd. In de huidige situatie is het plangebied braakliggend en begroeid met gras. f2.1 Ligging beoogd waterstoftankstation (Bron: luchtfoto)
In de omgeving van het waterstoftankstation bevinden zich met name bedrijven en agrarische gronden. Aan de Blaaksedijk West 25 bevindt zich op een afstand van circa 210 meter de meest nabijgelegen woning.
F 22038-3-RA 6 Concept
2.2 D e b e o o g d e o n t w i k k e l i n g
Het voornemen bestaat om een waterstoftankstation ten behoeve van lijnbussen in de Hoeksche Waard te realiseren. Hier zullen bussen worden getankt met groen gecertificeerde waterstof. De bussen kennen een inhoud van 40 kg waterstof. Per dag zullen circa 20 bussen het tankstation aandoen om te tanken. Het tanken neemt circa 8 minuten in beslag. Er is hierbij sprake van maximaal twee bussen tegelijkertijd. Ter plaatse van het westen van het plangebied zal de afleverinstallatie(s) gesitueerd worden. Daarnaast bevindt zich een tweetal station modules op het terrein. Deze station modules omvatten onder andere waterstofcompressors. Alsmede wordt op het terrein voorzien in opslagruimte, welke elektrisch verwarmd zal worden. Op het terrein zal ruimte voor een aantal waterstofbuisaanhangers worden ingericht. Deze aanhangers worden om de dag verwisseld. In figuur 2.2 wordt een impressie van de beoogde ontwikkeling weergegeven. f2.2 Impressie beoogde ontwikkeling
F 22038-3-RA 7 Concept
3
Geluid
3.1 G r e n s w a a r d e n e n w e t t e l i j k e a s p e c t e n
3.1.1 A l g e m e e n
De grenswaarden en de beleidsuitgangspunten met betrekking tot het geluid in de omgeving van het waterstofstation kunnen gebaseerd worden op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna te noemen Handreiking) welke d.d. 21 oktober 1998 is verstuurd aan de besturen van provincies en gemeenten en dan ook sinds die datum van kracht is. De Handreiking regelt het beleid ten aanzien van de op te nemen geluidgrenswaarden in de vergunning in het kader van de Wet milieubeheer. Op basis van de Handreiking kan een gemeente, in afweging met onder meer het gemeentelijk milieu- en ruimtelijke-ordeningsbeleid en het economisch beleid, een beleid vaststellen ter zake van industrielawaai en vergunningverlening. Dit zou plaats kunnen vinden door middel van een separate beleidsnota industrielawaai. Zolang een gemeente nog geen beleid ten aanzien van industrielawaai heeft vastgesteld, kan nog niet van de in de Handreiking opgenomen richtlijnen voor grenswaarden in dergelijke nota's gebruik worden gemaakt. In deze overgangssituatie, welke in het onderhavige geval aan de orde is, moet dan nog gebruik gemaakt worden van de normstellingssystematiek zoals die in de Circulaire Industrielawaai was opgenomen. In de Handreiking is deze systematiek nog eens uiteengezet. 3.1.2 D e fi n i t i e s e n b e g r i p p e n
De Handreiking hanteert onder andere de volgende grootheden: − Het ‘equivalente geluidniveau’, Leq, zijnde het schijnbaar continue geluidniveau dat over het beschouwde tijdsinterval evenveel geluidenergie bevat als het werkelijke fluctuerende niveau. − Het ‘95%-niveau’, L95, zijnde het geluidniveau dat gedurende 95% van het beschouwde tijdsinterval overschreden wordt (dat wil zeggen vrijwel het laagste niveau). − De etmaalwaarde, gedefinieerd als de hoogste waarde van de volgende drie equivalente geluidniveaus: − het Leq over de dagperiode d.w.z. tussen 07.00 uur en 19.00 uur; − het Leq over de avondperiode d.w.z. tussen 19.00 uur en 23.00 uur, verhoogd met 5 dB(A); − het Leq over de nachtperiode d.w.z. tussen 23.00 uur en 07.00 uur, verhoogd met 10 dB(A).
F 22038-3-RA 8 Concept
− Het referentieniveau van het omgevingsgeluid, hetgeen gedefinieerd is als de hoogste waarde van: − het L95 van het omgevingsgeluid exclusief de bijdrage van ‘niet omgevingseigen geluidbronnen’; − het optredende equivalente geluidniveau in dB(A), veroorzaakt door zoneringsplichtige wegverkeersbronnen minus 10 dB(A). Voor de nachtelijke periode worden alleen wegverkeersbronnen in rekening gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende de nachtperiode. 3.1.3 R i c h t w a a r d e n
In tabel 3.1 is ten aanzien van de equivalente geluidniveaus een overzicht gegeven van de richtwaarden voor woonomgevingen conform de Handreiking. t3.1 Richtwaarden ten aanzien van equivalente geluidniveaus voor woonomgevingen Aard van de omgeving
Aanbevolen richtwaarden in dB(A) dag
avond
nacht
Landelijke omgeving
40
35
30
Rustige woonwijk, weinig verkeer
45
40
35
Woonwijk in stad
50
45
40
Voornoemde richtwaarden zijn niet van toepassing voor woningen gelegen op gezoneerde en niet-gezoneerde bedrijfs- of industrieterreinen. De richtwaarden gelden voor de gevel van woningen. Het binnenniveau in nieuwe situaties mag niet hoger zijn dan 35 dB(A)-etmaalwaarde. Voor bestaande situaties is de grenswaarde 40 dB(A)-etmaalwaarde. Voor maximale geluidniveaus gemeten in meterstand ‘fast’ voor de gevels van woningen gelden grenswaarden voor de dag-, avond- en nachtperiode van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A). De eerst- en laatstgenoemde waarden mogen in bepaalde gevallen met 5 dB(A) worden overschreden. Voor tonaal geluid en/of impulsvormig geluid geldt een toeslag van 5 dB. Als criterium geldt ‘duidelijke hoorbaarheid’. Voor geluid met een duidelijk herkenbaar muziekgeluid geldt een toeslag van 10 dB. Voor activiteiten met een hogere geluidemissie die echter met een beperkte frequentie plaatsvinden (te weten maximaal één dag-, avond- of nachtperiode per week, derhalve vaker dan twaalf keer per jaar) kan, na een bestuurlijke afweging, een hogere grenswaarde worden verleend. Daarnaast kan ontheffing worden verleend voor incidentele bedrijfssituaties (twaalf keer per jaar, maximaal gedurende een etmaal per keer) die meer geluid veroorzaken dan de activiteiten zoals omschreven in de representatieve bedrijfssituatie.
F 22038-3-RA 9 Concept
3.1.4 G r e n s w a a r d e n
Bij het vaststellen van grenswaarden onderscheidt men nieuwe en bestaande inrichtingen. Aangezien het waterstofstation als nieuwe inrichting beschouwd dient te worden, kunnen de overwegingen ten aanzien van het vaststellen van de grenswaarde als volgt worden samengevat: − Bij de eerste toetsing worden de richtwaarden van tabel 3.1 gehanteerd. − Overschrijding van deze richtwaarden kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces. − Een belangrijke rol daarbij speelt het bestaande referentieniveau van het omgevingsgeluid. − Als maximum niveau geldt de ‘etmaalwaarde’ van 50 dB(A) op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen of het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voor het bovenstaande geldt steeds dat een verhoging van de richtwaarden alleen kan worden toegestaan na toepassing van BBT (Best Beschikbare Technieken, voorheen ALARA, hetgeen staat voor As Low As Reasonably Achievable). 3.1.5 B e o o r d e l i n g o m g e v i n g Directe omgeving
In gebied direct rondom het waterstofstation bevinden zich naast bedrijven op het bedrijventerrein voornamelijk agrarische activiteiten. Ten noorden van de inrichting bevindt zich op circa 250 m afstand Heinenoord bestaande uit woningen in lintbebouwing. Wegverkeer
Het terrein van het waterstofstation bevindt zich op circa 800 m van Rijksweg A29 met een verkeersintensiteit van circa 80.000 motorvoertuigen per etmaal. Ten zuiden van de inrichting is op circa 250 m afstand de provinciale weg N217 gelegen. De overige verkeerswegen in de omgeving bezitten een zodanig lage verkeersintensiteit of liggen op een zodanige afstand van het waterstofstation dat zij geen rol spelen bij de bepaling van het referentieniveau in de omgeving zoals omschreven in paragraaf 2.1.2 (nachtintensiteit < 500 motorvoertuigen). Geluidgevoelige bestemmingen
Als meest nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen kunnen 9 woningen aangeduid worden op circa 250 m van de terreingrens gelegen aan de Blijksedijk West (zie bijlage 2, posities 1 tot en met 9). Op basis van de voorgaande karakterisering van de omgeving kan de kwalificatie ‘Woonwijk in stad’ uit tabel 3.1 (zie paragraaf 2.1.3) voor de woonomgeving van het waterstofstation worden uitgesloten. De beide overige kwalificaties: ‘Landelijke omgeving’ en ‘Rustige woonwijk, weinig verkeer’ zouden beide in aanmerking kunnen komen voor de woonomgeving van het waterstofstation De meest toepasselijke kwalificatie is tevens afhankelijk van het referentieniveau.
F 22038-3-RA 10 Concept
3.1.6 R e f e r e n t i e n i v e a u v a n h e t o m g e v i n g s g e l u i d
Vanwege de min of meer continue geluidemissie van het waterstofstation is de nachtperiode bepalend voor de beoordeling van de geluidimmissie aan mogelijke normwaarden. Aldus heeft het onderzoek naar de vaststelling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tevens betrekking op deze periode. Behoudens het wegverkeer kunnen ter plaatse van de beschouwde geluidgevoelige bestemmingen geen specifiek voor de omgeving geldende geluidbronnen worden onderscheiden. Aldus dient het referentieniveau gebaseerd te worden op wegverkeersgeluid. Bij de berekening van de geluidbijdrage van Rijksweg A29 is uitgegaan van de gegevens van het geluidregister: etmaalintensiteit 78.682,48 m.v.t. uurintensiteit gedurende de (voor de 1.105,87 m.v.t./u etmaalwaarde bepalende) nachtperiode verdeling naar categorieën 974,4 lichte m.v.t. 55,8 middelzware m.v.t. 75,67 zware m.v.t. motorrijwielen snelheid 100/90/85 km/u Bij de berekening is gebruik gemaakt van de standaardrekenmethode I uit ‘Reken- en meetvoorschrift wegverkeerslawaai 2002’ van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, ex artikel 102 Wet geluidhinder. In tabel 3.2 zijn de rekenresultaten met betrekking tot het wegverkeersgeluid nabij de beschouwde woningen in de omgeving van het waterstofstation samengevat. t3.2 Rekenresultaten met betrekking tot wegverkeersgeluid in positie 1, 5 en 9 Positie
Betreft
(zie bijlage 2)
Afstand t.o.v. A29
Leq in dB(A) t.g.v. wegverkeer Leq – 10 dB(A) t.g.v. wegverkeer
in m
in de nachtperiode
in de nachtperiode
1
Blaaksedijk West 11 Heinenoord
1000
38
28
5
Blaaksedijk West 17 Heinenoord
895
39
29
9
Blaaksedijk West 31 Heinenoord
660
41
31
Uit tabel 3.2 volgt dat het referentieniveau in de nachtperiode voor de beschouwde woningen circa 30 dB(A) bedraagt.
F 22038-3-RA 11 Concept
3.1.7 Vo o r s t e l g r e n s w a a r d e n
Rekening houdend met: − de aard van de omgeving (zie paragraaf 3.1.5); − het referentieniveau in de woonomgeving (zie paragraaf 3.1.6); − de richtwaarden voor nieuwe inrichtingen conform de Handreiking; kan gekomen worden tot de volgende reële en verdedigbare geluidgrenswaarden: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) dient, gemeten en beoordeeld conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, voor de gevels van de beschouwde geluidgevoelige bestemmingen te voldoen aan de volgende grenswaarden: − dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur) L dag: 40 dB(A) − avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) L avond: 35 dB(A) − nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) L nacht: 30 dB(A) De maximale geluidniveaus gemeten in de meterstand ‘fast’ (L Amax) dienen te voldoen aan de volgende waarden: − dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur): 70 dB(A) − avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur): 65 dB(A) − nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur): 60 dB(A) 3.2 U i t g a n g s p u n t e n
Ten behoeve van het onderzoek is gebruikgemaakt van de plattegrond van ‘Everfuel Hydrogen Station Hoeksche’ d.d. 9 november 2020. Tussen de trailerbays, tubestorage en station modules zijn schermen gesitueerd met een hoogte van minimaal 4,2 meter. De lay-out van de inrichting is weergegeven in figuur 2.2 3.2.1 E q u i v a l e n t e g e l u i d e m i s s i e a c t i v i t e i t e n o p d e i n r i c h t i n g
Ten behoeve van het onderzoek is in overleg met de opdrachtgever een prognose gemaakt van de geplande activiteiten en bijhorende geluidemissies. Voor de bevoorrading van het waterstof is uitgegaan van maximaal één vrachtwagenbeweging in de dagperiode. De vrachtwagen rijdt hierbij vanaf de ingang van het terrein aan de zuidwestzijde naar één van de trailerbays. Voor het rijden van de vrachtwagens is een geluidvermogen (L WR) van 100 dB(A) gehanteerd bij een rijsnelheid van 15 km/uur. Per vrachtwagen is voor het manoeuvreren naar de trailerbay een bedrijfstijd van 20 s aangehouden. Het geluidvermogen bedraagt 98 dB(A). In dit onderzoek is uitgegaan van 100% gebruik van achteruitrijsignalering. F 22038-3-RA 12 Concept
Volgens de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’ dient indien ter plaatse van een immissiepositie sprake is van duidelijk herkenbaar tonaal geluid een toeslag van 5 dB op het gemeten of berekende geluidniveau te worden toegepast. Tijdens het (kortstondig) manoeuvreren met achteruitrijsignalering is die activiteit bepalend voor het optredende geluidniveau ter plaatse van de meest nabijgelegen woningen. Om die reden is voornoemde 5 dB toeslag toegepast op het geluidvermogen van die activiteit en is aldus in het akoestisch rekenmodel voor het achteruit manoeuvreren van vrachtwagens een geluidvermogen van 103 dB(A) gehanteerd 1. Het wegrijden vanuit de trailerbay tot de gehanteerde rijroute van de vrachtwagens op het terrein duurt maximaal circa 10 s. In het onderzoek is uitgegaan van 10 s per vrachtwagen. Het gehanteerde geluidvermogen bedraagt 102 dB(A). Vrachtwagens zullen na het leveren van een volle trailer, een lege trailer weer afvoeren. Derhalve is per vrachtwagenbeweging tweemaal een manoeuvreerbron en een manoeuvreerbron met achteruitrijsignalering gemodelleerd. Per dag zullen twintig bussen waterstof komen tanken. Dit tanken kan zowel in de dag-, avond- als nachtperiode plaatsvinden. Er is worst case aangenomen dat in zowel de dag-, avond- als nachtperiode twintig bussen de inrichting aan doen.
De bussen rijden hierbij vanaf de ingang van het terrein aan de zuidwestzijde naar één van de dispensers. Na het laden rijden de bussen om de station modules en trailerbays naar de uitgang aan de noordwestzijde. Voor het rijden van de waterstofbussen op het bedrijfsterrein is een geluidvermogen van 91 dB(A) gehanteerd bij een rijsnelheid van 25 km/uur. Te c h n i s c h e i n s t a l l a t i e s
Er is uitgegaan van een worst case situatie waarin de station modules in de dag- en avondperiode volledig in bedrijf zijn. In de nachtperiode zullen de ventilatoren op maximaal 75% in bedrijf zijn. Conform opgave door de fabrikant is voor de dag- en avondperiode uitgegaan van een bronvermogen van 90 dB(A). Voor de nachtperiode is uitgegaan van een bronvermogen van 75 dB(A). De hoogte van de station modules is 3,5 meter boven het plaatselijk maaiveld. 3.2.2 M a x i m a l e g e l u i d e m i s s i e a c t i v i t e i t e n o p d e i n r i c h t i n g
Piekgeluidniveaus die kunnen optreden ten gevolge van activiteiten vanaf de inrichting worden veroorzaakt door het afblazen van remlucht en/of luidruchtig optrekken van vrachtwagens of bussen.
1 Dit betreft een worst case aanname, omdat het tonale geluid niet altijd hoorbaar zal zijn bij de woningen welke op relatief grote afstand gelegen zijn. F 22038-3-RA 13 Concept
Voor de bepaling van de optredende maximale geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van voornoemde activiteiten zijn piekgeluidvermogens (L Amax) gehanteerd van 110 dB(A) voor het afblazen van remlucht c.q. het luidruchtig optrekken door vrachtwagens of bussen. De beschouwde maximale geluidniveaus kunnen in zowel de dag-, avond- als nachtperiode optreden. 3.3 B e r e k e n i n g e n
3.3.1 A k o e s t i s c h e m o d e l v o r m i n g
Bij de berekeningen is uitgegaan van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. In het onderhavige geval is voor de berekeningen gebruikgemaakt van de volgende in de Handleiding vermelde methode II.8: Berekening van de overdracht. De berekeningen zijn uitgevoerd voor octaafbanden met middenfrequentie van 63 t/m 8000 Hz. Gezien de relatief grote A-weging voor de 31 Hz-octaafband en de geluidproductie van de geluidbronnen van de inrichting in deze octaafband zijn de geluidbijdragen in de omgeving in deze octaafband niet relevant. De 31 Hz-octaafband is daarom bij de berekeningen buiten beschouwing gelaten. De geluidbronnen zijn ten behoeve van het rekenmodel geschematiseerd met behulp van puntbronnen en mobiele bronnen. De rekenposities zijn gesitueerd op 1,5 en 4,5 meter boven het plaatselijk maaiveld. In bijlage 2 achter deze rapportage is de ligging van de gehanteerde immissieposities weergegeven. In bijlage 2 zijn de relevante invoergegevens van het akoestisch rekenmodel opgenomen. 3.3.2 R e k e n r e s u l t a t e n
In tabel 3.3 zijn de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (L Ar,LT) ten gevolge van de geplande representatieve bedrijfssituatie, zoals beschreven in paragraaf 3.2, opgenomen ter plaatse van de omliggende woningen. In tabel 3.3 zijn per positie alleen de hoogst berekende waarden gegeven. De rekenresultaten van het akoestisch rekenmodel zijn opgenomen in bijlage 3.
F 22038-3-RA 14 Concept
t3.3 Berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten gevolge van het geplande waterstofstation Positie
Betreft
(zie bijlage 2)
LAr,LT in dB(A) dag
avond
nacht
1
Blaaksedijk West 11 Heinenoord
29
29
15
2
Blaaksedijk West 13A Heinenoord
27
27
13
3
Blaaksedijk West 13 Heinenoord
29
29
15
4
Blaaksedijk West 15 Heinenoord
27
26
13
5
Blaaksedijk West 17 Heinenoord
27
27
13
6
Blaaksedijk West 19 Heinenoord
28
27
14
7
Blaaksedijk West 25 Heinenoord
31
31
16
8
Blaaksedijk West 29 Heinenoord
20
20
3
9
Blaaksedijk West 31 Heinenoord
29
29
14
De berekende maximale geluidniveaus ten gevolge van het waterstofstation, zijn opgenomen in tabel 3.4. t3.4 Berekende maximale geluidniveaus ten gevolge van het geplande waterstofstation Positie
Betreft
(zie bijlage 2)
LAmax in dB(A) Afblazen remlucht c.q. luidruchtig optrekken vrachtwagens en bussen
1
Blaaksedijk West 11 Heinenoord
50
2
Blaaksedijk West 13A Heinenoord
46
3
Blaaksedijk West 13 Heinenoord
50
4
Blaaksedijk West 15 Heinenoord
46
5
Blaaksedijk West 17 Heinenoord
47
6
Blaaksedijk West 19 Heinenoord
48
7
Blaaksedijk West 25 Heinenoord
51
8
Blaaksedijk West 29 Heinenoord
38
9
Blaaksedijk West 31 Heinenoord
47
De rekenresultaten uit het akoestisch rekenmodel zijn opgenomen in bijlage 3. 3.4 B e o o r d e l i n g e n c o n c l u s i e
Uit de rekenresultaten blijkt dat uitgaande van de in hoofdstuk 3 omschreven representatieve bedrijfssituatie van het geplande waterstofstation het optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar,LT) ter hoogte van de woningen ten hoogste 31, 31 en 16 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de voorgestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
F 22038-3-RA 15 Concept
Het hoogste optredende maximale geluidniveau (L Amax) ten gevolge van het geplande waterstofstation bedraagt 51 dB(A) en voldoet hiermee aan de voorgestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
F 22038-3-RA 16 Concept
4
Stikstofdepositie
4.1 A l g e m e e n
Als gevolg van de ontwikkeling die met het nieuwe bestemmingsplan planologisch juridisch mogelijk wordt gemaakt, ontstaat er een verandering ten opzichte van het onderliggende bestemmingsplan betreffende de emissie van stikstofhoudende verbindingen binnen het plangebied en daarmee ook van de stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In dat kader is de stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Dit is, op basis van jurisprudentie, gedaan aan de hand van de referentiesituatie, in vergelijking met de toekomstsituatie waarin de beoogde ontwikkeling is gerealiseerd. De uitkomsten van het onderzoek worden daarbij beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming in het licht van jurisprudentie aangaande stikstofdepositie. 4.2 W e t - e n r e g e l g e v i n g
Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming (verder genoemd Wnb) in werking getreden. De Wnb biedt de juridische basis voor de vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Wnb wordt bepaald of bedrijfsactiviteiten (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiertoe dienen de mogelijke effecten op soorten, habitats van soorten en op habitattypen waarvoor het gebied is aangewezen in beeld te worden gebracht. Vanwege emissies van luchtverontreinigende stoffen is de storende factor 'vermesting' en 'verzuring' mogelijk relevant. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen met met name stikstof en fosfaat, verzuring van bodem of water is een gevolg van de emissie van vervuilende gassen. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof ). Diverse habitattypen in de Natura 2000-gebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor vermesting en verzuring. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in een kritische depositiewaarde (KDW) per habitattype.
Deze kritische depositiewaarde is de grens waarboven de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie (N-depositie). Ten behoeve van toetsing van de mogelijke effecten dient de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege de voorgenomen activiteiten derhalve gekwantificeerd te worden.
F 22038-3-RA 17 Concept
Vanaf 1 juli 2015 werd dit gedaan middels de Programma Aanpak Stikstof (PAS). Met de invoering van het PAS was een vrijstelling van vergunningplicht geïntroduceerd in combinatie met een meldingsplicht. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State uitgesproken dat het PAS niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten mag worden gebruikt. Nadat provincies en Rijk het eens zijn geworden over een eenduidig beleid en regelgeving voor de vergunningverlening en stikstofaanpak, hebben de Gedeputeerde Staten in alle provincies tussen 29 oktober en 11 december 2019 de nieuwe provinciale beleidsregels vastgesteld. Op vrijdag 13 december zijn deze beleidsregels formeel in werking getreden 2. De beleidsregel bevat de voorwaarden voor het verlenen van vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming. De voorschriften voor de mogelijkheid tot intern en extern salderen zijn vastgelegd3. Momenteel geldt bij alle activiteiten met een kans op een (significant) negatief effect een vergunningplicht in het kader van de Wnb. 4.3 L i g g i n g n a b i j N a t u r a - 2 0 0 0 g e b i e d e n
Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. In de omgeving van het plangebied is een aantal Natura 2000-gebieden gelegen, zie figuur 4.1. Het dichtstbijzijnde voor stikstof gevoelig natuurgebied betreft daarbij de Biesbosch op circa 12,8 km afstand. f4.1 Ligging Natura-2000 gebieden (bron luchtfoto: Google Earth)
2 In de provincie Fryslân zijn de beleidsregels per 1 februari 2020 van kracht geworden. 3 Met uitzondering van extern salderen met bedrijven met dier- en fosfaatrechten. F 22038-3-RA 18 Concept
4.4 U i t g a n g s p u n t e n
Er worden twee situaties in beeld gebracht. De referentiesituatie (feitelijke en planologisch legale situatie ten tijde van besluitvorming over het nieuwe bestemmingsplan) en de toekomstige situatie. Beoordeeld zal worden of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van deze referentiesituatie. 4.4.1 R e f e r e n t i e s i t u a t i e
De referentiesituatie betreft de feitelijke, legaal planologische situatie ten tijde van besluitvorming over het bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied is op deze locatie – legaal en feitelijk – sprake van een braakliggende gronden. Dit gebruik was eveneens aan de orde ten tijde van de aanwijzing van de voor deze studie relevante natuurgebieden onder de Habitatrichtlijn (2004). Opgemerkt wordt dat in de voorliggende situatie de referentiesituatie gelijk is aan de referentiesituatie die bij vergunningen wordt gehanteerd voor de beoordeling van stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming. De vergunde situatie met de hoogste depositie aangaande stikstofdepositie gerekend vanaf 2004 is daarvoor te beschouwen als de referentiesituatie. Het huidige feitelijke gebruik is in de voorliggende situatie gelijk aan het gebruik in 2004. Ten tijde van de referentiesituatie is geen sprake van de uitstoot van stikstofhoudende verbindingen. Worst case wordt het onderhoud van de gronden buiten beschouwing gelaten. 4.4.2 To e k o m s t i g e s i t u a t i e
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is sprake van een tweetal te onderscheiden bronnen van stikstofhoudende verbindingen: − emissie in de vorm van NO x/NH3 als gevolg van verkeersbewegingen met fossiele brandstof aangedreven motorvoertuigen; − emissie van activiteiten/processen binnen het plangebied. Voorafgaand aan de gebruiksfase is sprake van de aanleg-/bouwfase welke tevens een emissie van stikstof kent. Benadrukt wordt dat de emissies ten gevolge van de werkzaamheden in de aanlegfase alleen tijdelijk zijn en daarom geen permanente bijdrage aan stikstofdepositie in de toekomstige situatie leveren. Onderstaand zijn de emissies voor deze fases in beeld gebracht. Aanleg-/bouwfase
Door de opdrachtgever is aangegeven dat de aanleg-/bouwfase circa 10 tot 15 weken gaat duren. Gedurende deze fase zal sprake zijn van het aan- en afrijden van motorvoertuigen ten behoeve van het vervoeren van personen en bouwmateriaal. Aangegeven is dat sprake is van circa tien personenwagens en twee vrachtwagens per dag. Worst case is ervan uitgegaan dat deze verkeersbewegingen gedurende 15 weken iedere dag plaatsvinden.
F 22038-3-RA 19 Concept
Conform milieujurisprudentie dient de verkeersgeneratie beschouwd te worden tot het verkeer op is genomen in het heersende verkeersbeeld. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 4 is dit het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Het lijkt verdedigbaar om deze systematiek ook in de voorliggende situatie te hanteren. Als begrenzing is er in de voorliggende situatie van uitgegaan dat het verkeer tot aan de kruising van de Reedijk met de N217 is het verkeer in het heersende verkeersbeeld opgenomen5. Daarnaast zal gedurende de aanleg-/bouwfase sprake zijn van de inzet van mobiele werktuigen. Voor de mobiele werktuigen zijn de emissies bepaald aan de hand van de emissiefactoren voor mobiele werktuigen zoals behorend bij het TNO-rapport 'Onderbouwing AERIUS emissiefactoren voor wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart en zeevaart' d.d. 8 oktober 2020. De uitstoot van NH3 is in voorliggende situatie voor de mobiele werktuigen hierbij buiten beschouwing gelaten, daar de emissiefactor voor NH 3 voor de diverse werktuigen 0,00 g/kW bedraagt. Daarnaast zijn niet voor ieder type werktuig emissiefactoren opgenomen in deze gegevens.
Aangesloten wordt op gegevens voor mobiele werktuigen welke vergelijkbaar zijn qua aard. Door de opdrachtgever is het aantal draaiuren van de in te zetten werktuigen, en diens stageklasse, aangegeven. Daarnaast is per werktuig de vermogensklasse aangegeven. Het in de berekeningen gehanteerde vermogen is daarbij ingeschat op basis van productbladen en een vergelijking met projecten van vergelijkbare aard. Hierbij is een relatief conservatieve benadering aangehouden. Hierbij is echter geen onderscheid gemaakt tussen de tijd dat het werktuig stationair draait en de daadwerkelijke gebruiksduur van de werktuigen. Op basis van het TNO-rapport 'De inzet van bouwmachines en bijbehorende NOx- en CO2-emissies' d.d. 6 juli 2018 varieert het aandeel stationair draaien tussen de 18 en 57% van de totale draaitijd. Worst case wordt ervan uitgegaan dat 18% van de in te zetten tijd sprake is van het stationair draaien van de mobiele werktuigen. De emissie bij belasting is daarbij als volgt bepaald: Emissie bij belasting (kg/jaar) = Vermogen (kW) * belastingsfactor (%) * Inzet mobiel werktuigen (uren) * Emissiefactor bij belasting (gram/kWh) /1000
4 Onder andere in zaaknummer E03.99.0110 d.d. 20 juni 2001. 5 Ondanks het feit dat niet de gehele route binnen de bebouwde kom is gelegen, wordt vanuit een worst case benadering in AERIUS Calculator uitgegaan van een weg binnen de bebouwde kom. In AERIUS Calculator wordt namelijk een hogere emissie berekend voor wegen binnen de bebouwde kom. F 22038-3-RA 20 Concept
In tabel 4.1 wordt de berekening van de NOx-emissie bij belasting opgenomen. t4.1 Gehanteerde uitgangspunten voor de inzet van materieel tijdens de aanleg – bij belasting Type werktuig Stage klasse Vermogen (kW)
Inzet (uren)
Belastingsfactor
Emissiefactor
NOx
(g/l))
Emissie (kg)
Betonstorter/
Totaal
Bij belasting
IIIa
200 kW
24
19,7
0,69
5,5
14,9
Graafmachine
IIIa
375 kW
42
34,4
0,69
4,5
39,2
Heistelling
IIIa
250 kW
4
3,3
0,61
2,6
1,3
Kiepbak
IIIa
450 kW
42
34,4
0,84
4,9
63,7
Hijskraan
IIIa
450 kW
48
39,4
0,69
5,7
69,7
Ruw terrein
IIIa
100 kW
16
13,1
0,74
5,5
5,3
IIIa
130 kW
12
9,9
0,69
4,5
4,0
pomp
heftruck Minigraver
198,1
Zoals uit tabel 4.2 volgt resulteert dit in een emissie (bij belasting) van 198,1 kg NO x als gevolg van de mobiele werktuigen voor de gehele aanlegfase. Naast de emissie van de mobiele werktuigen bij belasting is eveneens sprake van een aandeel dat de mobiele werktuigen stationair draaien. De emissie tijdens stationair draaien is als volgt bepaald: Emissie stationair draaien (kg/jaar) = Tijd stationair draaien (uren/jaar) * Emissiefactor stationair draaien (g/l/uur) * Cilinderinhoud (l) / 1000 Voor de cilinderinhoud wordt uitgegaan van het volledige vermogen van het mobiele werktuig gedeeld door 20. De emissiefactoren zijn eveneens ontleend uit de emissiefactoren behorend bij het TNO-rapport 'Onderbouwing AERIUS emissiefactoren voor wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart en zeevaart' d.d. 8 oktober 2020.
F 22038-3-RA 21 Concept
In tabel 4.2 wordt de berekening van de NOx-emissie als gevolg van het stationair draaien van de werktuigen opgenomen. t4.2 Gehanteerde uitgangspunten voor de inzet van materieel tijdens de aanleg – stationair draaien Type werktuig
Stage klasse
Vermogen (kW)
Inzet (uren)
Totaal
Stationair draaien
Emissiefactor
NOx Emissie
(g/l/uur)
(kg)
Betonstorter/pomp
IIIa
200 kW
24
4,3
14,2
0,6
Graafmachine
IIIa
375 kW
42
7,6
14,2
2,0
Heistelling
IIIa
250 kW
4
0,7
14,2
0,1
Kiepbak
IIIa
450 kW
42
7,6
14,2
2,4
Hijskraan
IIIa
450 kW
48
8,6
14,2
2,7
Ruw terrein heftruck
IIIa
100 kW
16
2,9
14,2
0,2
Minigraver
IIIa
130 kW
12
2,2
14,2
0,2 8,2
Uit tabel 4.1 volgt dat sprake is van een NOx-emissie van 8,2 kg als gevolg van het stationair draaien van de mobiele werktuigen. Met de gegevens zoals beschreven volgt een totale NO x-emissie ten gevolge van de werktuigen tijdens de aanleg-/bouwfase van circa 206,3 kg. Gebruiksfase
In de gebruiksfase is sprake van een tankstation ten behoeve van op waterstof aangedreven lijnbussen. Deze lijnbussen kennen geen emissie van stikstofhoudende verbindingen. Daarnaast is ter plaatse van het plangebied enkel sprake van elektrische verwarming, wat evenmin gepaard gaat met de emissie van stikstofhoudende verbindingen. Wel kunnen ter bevoorrading van het tankstation reguliere vrachtwagens ingezet worden. Aangegeven is echter dat de waterstofbuisaanhangers om de dag worden verwisseld. Hiermee is maximaal sprake van een tweetal verkeersbewegingen per dag; één in aankomende richting en één in vertrekkende richting. Ook voor deze voertuigen wordt aangenomen dat deze op het moment dat zij de kruising van de Reedijk en de N217 5 hebben bereikt in het heersende verkeersbeeld zijn opgenomen. 4.4.3 M o d e l v o r m i n g
Om inzicht te verkrijgen in de stikstofdepositie die optreedt als gevolg van de te beschouwen situatie dienen verspreidingsberekeningen uitgevoerd te worden. Deze berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma AERIUS Calculator 2020. In het model is het jaar 2021 als rekenjaar gehanteerd. De volledige invoergegevens zijn opgenomen in bijlage 4.
F 22038-3-RA 22 Concept
4.5 R e s u l t a t e n
De stikstofdepositie in de toekomstige situatie is vergeleken met de stikstofdepositie in de referentiesituatie. In de referentiesituatie is geen sprake van relevante activiteiten die gepaard gaan met stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. Ten opzichte van deze situatie is geen relevante toename aan stikstofdepositie berekend ten gevolge van de toekomstige situatie. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator volgt namelijk dat voor de toekomstige situatie (voor zowel de aanleg-/bouwfase als de gebruiksfase) geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee is geen sprake van een relevante toename (> 0,00 mol N/ha/jaar) van de stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De volledige rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 4. 4.6 C o n c l u s i e
Het voornemen bestaat om een waterstoftankstation te realiseren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient beoordeeld te worden of de ontwikkeling de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in nabijgelegen voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Hiertoe is het effect van zowel de aanlegals gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling op de stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstofdepositie gevoelige natuur in beeld gebracht. Uit de voorliggende rapportage volgt dat er geen sprake is van een relevante toename (> 0,00 mol N/ha/jaar) van de stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Voor de toekomstige situatie is geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. Hiermee vormt stikstofdepositie in het kader van de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
F 22038-3-RA 23 Concept
5
Luchtkwaliteit
5.1 A l g e m e e n
De beoogde ontwikkeling heeft mogelijkerwijs een impact op de luchtkwaliteit in de omgeving. In voorliggend hoofdstuk wordt ingegaan op de bijdrage van het waterstoftankstation aan de luchtkwaliteit. 5.2 W e t t e l i j k k a d e r