Toelichting ontwerpbestemmingsplan OudBond26STR
Tekst van het document
Op basis van het uitgevoerde archeologisch onderzoek moet worden geconcludeerd dat de voorgenomen planrealisatie kan leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Bij het aanleggen van de bouwput tot een diepte van circa 0,3 m beneden het maaiveld zullen de Afzettingen van Duinkerke IIIb en het Hollandveen worden aangetast. Dat betekent dat er een kans bestaat dat archeologische resten vanaf de Bronstijd kunnen worden aangetast. Voor wat betreft de Nieuwe Tijd kan in ieder geval worden aangenomen dat er resten van bebouwing en van een erf vanaf circa 1800 kunnen worden aangetroffen op en in de top van de Afzettingen van Duinkerke IIIb. Archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook noodzakelijk geacht. Voor het archeologisch vervolgonderzoek zal, in verband met de bestaande civieltechnische belemmeringen (de aanwezigheid van de bestaande woning en puinverharding/asfaltering), aansluiting moeten worden gezocht bij de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. Dit ook om ‘dubbel’ graafwerk te voorkomen. Daarom wordt geadviseerd om de ondergrondse sloopwerkzaamheden en de civieltechnische graafwerkzaamheden onder archeologische begeleiding te laten uitvoeren.
Hoewel het heipalenplan nog niet bekend is, wordt er van uitgegaan dat de heipalen een relatief beperkte oppervlakte zullen beslaan en dat de afstand tussen de heipalen ook voldoende zal zijn om hier ook in de toekomst nog archeologisch onderzoek uit te kunnen voeren. Het aanbrengen van de heipalen wordt daarom niet beschouwd als een significante bodemverstoring. Ter bescherming van mogelijk aanwezige behoudenswaardige archeologische resten is aan de gronden in het plangebied in het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ toegekend.
4.4 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Een belangrijk onderdeel van het landschap van de Hoeksche Waard is het kenmerkende bedijkingslandschap. Bewoning begon voornamelijk aan de randen van de polders langs de dijken. De Oud Bonaventurasedijk is ook onderdeel van het bedijkingslandschap van de Hoeksche Waard. Het plangebied ligt daarmee precies op het uiteinde van de lintbebouwing aan deze dijk en is dus onderdeel van historisch dijklandschap. Het plangebied is op het gebiedsprofiel Hoeksche Waard van de provincie Zuid-Holland
26
aangemerkt als een boerenervenlint. Doorzichten naar het landschap zijn door de verloopt van tijd al grotendeels verdwenen. Ambities van de provincie voor boerenervenlinten zijn:
•
Erven gelegen aan de dijk worden landschappelijk ingepast door middel van erfbeplanting, waardoor zij onderdeel worden van de beplante dijkzones.
•
Erven gelegen in de polder kunnen niet of minder stevig ingeplant worden waardoor het contrast tussen de open polder en de beplante dijkzones vergroot wordt. Er is bij deze erven daarom meer aandacht nodig voor de beeldkwaliteit van de bebouwing (terughoudend kleurgebruik, agrarisch karakter). Behoud van de grote spreiding tussen de verschillende erven, zodat het open en weidse karakter van de polder gehandhaafd blijft.
• •
Bij de uitbreiding of transformatie van een boerenerf (bijvoorbeeld tot een woonerf) blijft het agrarische karakter en de karakteristieke erfindeling gehandhaafd. De ontwikkeling ondersteunt de functie van het landbouwbedrijf door ruimte te bieden aan verbreding en innovatie.
Onderstaande figuur geeft de ligging van het plangebied weer met betrekking tot het boerenervenlint waar het onderdeel van uitmaakt.
Gebiedsprofiel Hoeksche Waard - Linten blijven linten (plangebied is rood omkaderd, bron: provincie Zuid-Holland)
Het plangebied ligt aan het einde van het boerenervenlint van de Oud Bonaventurasedijk en wordt omsloten door bebouwing aan drie zijdes. Ten noordwesten en ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich twee woonwijken van Strijen. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een industrieterrein. Met de beoogde ontwikkeling wordt de relatie gezocht met de omliggende bebouwing. Zoveel mogelijk van de huidige cultuurhistorische waarde van het plangebied zal blijven bestaan. Het gebied ten zuiden van het plangebied zal zijn open karakter blijven behouden en zal een open groene zone blijven. Bij de beoogde ontwikkeling komt groen terug voor verharding. In en rondom het plangebied zijn geen monumentale gebouwen of objecten aanwezig.
27
4.5 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (o.a. wonen) heeft DS milieu-consult een verkennend bodemonderzoek (18 september 2019, zie bijlagen bij toelichting 5) en een aanvullend bodemonderzoek (1 februari 2021, zie bijlagen bij toelichting 6) uitgevoerd. Op basis van de onderzoeken kan het volgende worden geconcludeerd:
• •
De oorspronkelijke bovengrond is niet verontreinigd met één van de onderzochte stoffen. Ter plaatse van de gedempte sloot op de grens van de kadastrale percelen 2746 en 2748 is de grond licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloor bifenylen (PCB) en organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB).
•
Ter plaatse van boring 108 is de diepere bodem (1,3 m-mv – 2,0 m-mv) in de gedempte sloot sterk verontreinigd met minerale olie.
•
Ter plaatse van de gedempte sloot op de erfgrens met de Trambaan is de grond heterogeen licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, minerale olie en/of polychloorbifenylen (PCB), licht tot sterk verontreinigd met zink en licht tot sterk verontreinigd met PAK. Het zand ter plaatse van de voormalige ondergrondse huisbrandolietank is licht verontreinigd met minerale olie.
• •
De bodem ter plaatse van de huidige bovengrondse huisbrandolietank is niet verontreinigd met minerale olie.
•
Het grondwater is licht verontreinigd met barium en ter plaatse van boring 108 in de gedempte sloot licht verontreinigd met minerale olie. De verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen in de grondmonsters van de gedempte sloten zijn toe te schrijven aan de in de bodem aangetroffen bodemvreemde materialen. De olieverontreiniging betreft een zwaardere oliesoort, vermoedelijk motorolie.
•
• •
Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater kent vermoedelijke een natuurlijke achtergrond. In het puinhoudende vrijgekomen bodemmateriaal zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. Analytisch is er geen asbest aangetoond.
De verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen in de groenstrook langs de perceelsgrens met de Trambaan zijn diffuus van karakter en vormen geen belemmeringen voor de bouw van het beoogde appartementengebouw. Deze strook maakt deel uit van het openbaar groen. Nader onderzoek en/of sanerende maatregelen worden niet zinvol en noodzakelijk geacht. De verontreiniging van de grond met minerale olie in de gedempte sloot op de grens van de kadastrale percelen 2746 en 2748 is voldoende in beeld gebracht en behoeft geen nader onderzoek. De hoeveelheid boven de interventiewaarde verontreinigde grond wordt geschat op maximaal 10 m³. In de zin van de Wet bodembescherming is er naar verwachting geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging die een bodemsanering noodzakelijk maakt. Indien een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw wordt
28
ingediend, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Aanbevolen wordt om bij het bouwrijp maken van de locatie de met minerale olie verontreinigde grond te ontgraven en naar een erkende verwerker af te voeren. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat het voorgenomen plan uitvoerbaar is vanuit aspect bodem.
4.6 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten en dus dient te worden onderzocht of voldaan kan worden aan de Wet geluidhinder. De planlocatie wordt omgeven door twee 30 km/uur wegen, te weten de Oud Bonaventurasedijk en een deel van de Trambaan. Dergelijke wegen hebben volgens de Wgh geen geluidzone en dus ook geen toetsingsplicht aan de Wgh. Echter geldt voor de Trambaan vanaf de kruising met de Oud Bonaventurasedijk in noordelijk richting een snelheidsregime van 50 km/uur. Derhalve ligt de planlocatie binnen de onderzoekzone van deze weg en dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarbij tevens onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer op 30 km/uur wegen.
Uit het door Adviesburo Van der Boom uitgevoerde onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer (30 november 2021, zie bijlagen bij toelichting 7) blijkt dat de geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de Trambaan bedraagt ten hoogste 47 dB op de gevels van de woningen bedraagt. De geluidbelasting door wegverkeer op het Nijverheidstraat en de Handelstraat bedraagt ten hoogste 38 dB op de gevels van de woningen. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daardoor niet overschreden. Een hogere waarde voor wegverkeer op deze locatie is daardoor niet nodig. De geluidbelasting door 30 km wegen bedraagt ten hoogste 56 dB na aftrek. De ten hoogste toelaatbare waarde uit de Wgh wordt daarmee niet overschreden. Bij het toetsen of sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening' is aangesloten bij geluidbeleid van de gemeente. Het treffen van maatregelen aan de bron is echter niet doeltreffend, het afschermen van het woongebouw met vijf woonlagen stuit op stedenbouwkundige bezwaren. De woningen aan de westzijde (gebouwdeel A) hebben geen geluidluwe gevel en buitenruimte.
Door het afschermen van alle balkons grenzend aan de westgevel (zijde Trambaan) en de noordgevel (zijde Oud Bonaventurasedijk) met een gesloten borstwering van 1,5 m hoogte en een bovenliggend balkon of overstek te voorzien van geluidsabsorberend materiaal kan, conform het geluidbeleid van de gemeente, een beter woon- en leefklimaat worden bereikt. Voor de eis van een geluidluwe gevel en buitenruimte dient daarbij voor enkele woningen van het gemeentelijk geluidbeleid afgeweken te worden.
29
De motivatie voor het afwijken van het geluidbeleid wordt op de eerste plaats gezocht in stedenbouwkundige motieven. Op woningbouwlocaties nabij wegen met een doorgaande functie, ook als hier een maximum snelheid van 30 km/uur geldt, is veelal sprake van een geluidbelasting op de naar de weg gekeerde gevel van meer dan 48 dB, waarmee deze gevel niet als geluidluw aangemerkt wordt. Bij appartementengebouwen waarvan een deel van de woningen uitsluitend een gevel aan de wegzijde heeft, is het gevolg dat deze woningen niet beschikken over een geluidluwe gevel. Vanuit het stedenbouwkundig oogpunt is het gewenst dat de appartementen georiënteerd zijn op de wegzijde. Op de planlocatie, die zich nabij het dorpscentrum van Strijen bevindt, bij het kruispunt van twee doorgaande wegen, en die daarmee als een prominente locatie in het dorp beschouwd kan worden, is een aantrekkelijk beeld met buitenruimten (balkons) aan de openbare zijde van belang. Een grotere afstand tot de wegen, wat een lagere geluidbelasting tot gevolg zou hebben, of een oriëntatie van de appartementengebouwen naar een andere zijde dan Oud Bonaventurasedijk en de Trambaan zou tot een stedenbouwkundig ongewenste situatie leiden. Ten tweede is binnen het plangebied een gemeenschappelijke buitenruimte/groenvoorziening voorzien.
Deze buitenruimte bevindt zich aan de achterzijde van het beoogde gebouw en kan daarmee als geluidluw worden beschouwd. Voor het aspect geluid zal verder sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als daarnaast voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex artikel 110-g Wgh. De hoogst geluidbelaste woningen ondervinden een geluidbelasting van ten hoogste 61 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt 28 dB. Voor geluidluwe gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering G A;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor deze gevels zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. De planlocatie bevindt zich niet binnen de zone van een industrieterrein of spoorweg. In toelichting paragraaf 4.9 wordt ingegaan op geluid vanwege bedrijven in de omgeving. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat het voorgenomen plan uitvoerbaar is vanuit het aspect geluid.
4.7 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen.
30
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de voorgenomen herontwikkeling worden 23 woningen gerealiseerd. Gezien de beperkte omvang van het plan kan geconcludeerd worden dat dit ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen nader onderzoek nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. In 2018 geldt voor fijnstof PM 10 een concentratie van 18,9 µg/m³, voor fijnstof PM2,5 een concentratie van 11,7 µg/m³ en voor stikstofdioxide NO2 een concentratie van 18,6 µg/m³. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM 10 en PM2,5) en NO2 over 2018 voldoen aan de gestelde grenswaarden, waarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, belangrijke weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt, met uitzondering van stikstofdepositie, dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten. Met behulp van de AERIUS Calculator is het effect van het beoogde plan berekend met betrekking tot nabij liggende Natura 2000-gebieden. Bij een stikstofdepositieberekening wordt er rekening gehouden met de Natura-2000 gebieden binnen een straal die relevant is voor de omvang van het plan. Binnen een straal van 10 km zijn vijf Natura 2000-gebieden aanwezig. Het 'Oudeland van Strijen' is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en bevindt zich op een afstand van ongeveer 500 m ten westen van het plangebied. Dit is echter geen stikstofgevoelig gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Biesbosch. Uit de AERIUS-berekening (Buro SRO, 9 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting 8) is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten heeft op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Voor de gebruiksfase geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Met ingang van de
31
'stikstofwet' op 1 juli 2021 is het uitvoeren van een stikstofberekening voor de bouwfase niet meer benodigd. In de stikstofberekening is de bouwfase dan ook niet meegenomen. De gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de omliggende Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Soortenbescherming Er is een ecologische quicksan (BEC, 2 december 2019, zie bijlagen bij toelichting 9) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het volgende:
•
Vanwege de voorgenomen sloop en de potentie voor vleermuizen is nader onderzoek naar vleermuizen bij de overgang woonhuis/schuur noodzakelijk en dient de functie van de beplanting voor vleermuizen te worden onderzocht.
•
Op de planlocatie zelf zijn verder algemeen voorkomende soorten te verwachten. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling.
•
Door werkzaamheden (rooien beplanting) buiten het broed-/voortplantingsseizoen (15 maart t/m 15 augustus) uit te voeren wordt invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig handelen. Hiermee wordt voorkomen dat nesten van vogels worden verstoord. Indien werkzaamheden wel in deze periode uitgevoerd moeten worden, is het noodzakelijk om de te rooien beplanting voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundige te laten inspecteren op aanwezigheid vogelnesten.
In aanvulling op de bevindingen uit de ecologische quicksan is mede naar aanleiding van een advies van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid tevens een aanvullend onderzoek naar huismussen en gierzwaluwen benodigd geacht. In het voor- en najaar van 2021 is een aanvullend onderzoek naar de vleermuis, de huismus en de gierzwaluw (Blom Ecologie, 12 november 2021, zie bijlagen bij toelichting 10) uitgevoerd. Op basis van dit aanvullend onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:
•
Op 11 november 2021 is er een technische inspectie uitgevoerd naar de aanwezigheid van huismusnesten in de bebouwing. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2017a). Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat in de bebouwing op de planlocatie geen nesten van de huismus aanwezig zijn. Er kan worden geconcludeerd dat de planlocatie geen functionele betekenis kent voor de huismus.
•
In de periode mei - juli 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017b). Tijdens het onderzoek zijn géén nesten van de gierzwaluw vastgesteld.
•
In de periode mei - september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn géén verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen het plangebied. Het lijnvormige element (bomenrij) dient behouden te blijven, zodat het struweel en de bomen hun functie voor vleermuizen kunnen behouden. De uit te dunnen bomenrij aan de zuidwestzijde van de planlocatie dient echter onbelicht te blijven tijdens de beoogde ontwikkeling en in de toekomstige situatie. Indien verlichting noodzakelijk is wordt geadviseerd om geconvergeerde, naar beneden gerichte lichtbundels toe te passen, die ieder geval niet de kruinlaag van de bomen bereiken.
•
Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van huismus, gierzwaluw en vleermuis. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn drie kauwennesten aangetroffen in de bebouwing binnen het plangebied tijdens de technische inspectie voor de huismus. Gedurende het broedseizoen van de kauw is het nest beschermd en mag deze niet verstoord worden. Derhalve wordt geadviseerd de nestlocaties van de kauwen ongeschikt of ontoegankelijk te maken óf de werkzaamheden uit te voeren buiten het algemene broedseizoen (indicatief medio maart t/m medio juli).
32
•
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Een ontheffing op de Wet natuurbescherming is derhalve niet aan de orde.
Houtopstanden Er zijn op de locatie geen houtopstanden aanwezig. Wel worden met de ontwikkeling enkele bomen verwijderd. Het verwijderen van bomen moet getoetst worden aan de APV/kapverordening van de gemeente Hoeksche Waard. Deze toetsing heeft geen directe relatie met de bestemmingswijziging en kent zijn eigen procedure. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect ecologie.
4.9 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen
Planspecifiek Rondom het plangebied is er sprake van een matige tot sterke functiemenging. Ten noorden van het plangebied is een bedrijventerrein aanwezig en in de nabije omgeving, ten zuiden en ten westen van het plangebied, is er sprake van een mix van bedrijvigheid. Dergelijke gebieden kunnen volgens de VNG publicatie aangemerkt worden als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden kunnen hiermee met één afstandstap worden verlaagd. Onderstaande figuur en tabel geven de omliggende bedrijvigheid weer.
33
Bedrijvigheid rondom plangebied (plangebied is rood omkaderd)
Bedrijvigheid
Milieucategorie
Richtafstand (gemengd gebied)
Feitelijke afstand
3.1
30 m
74 m
3.2
50 m
240 m
Houthandel
2
10 m
59 m
Supermarkt
1
0m
31 m
Bedrijventerrein Bonaventura Bedrijventerrein Bonaventura
Bedrijventerrein Ten noorden van het plangebied ligt het bedrijventerrein Oud Bonaventura. Op dit bedrijventerrein zijn meerdere bedrijven aanwezig waarop bedrijvigheid is toegestaan van verschillende milieucategorieën. Voor de bedrijfspercelen aan de zuidzijde van het bedrijventerrein is maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Voor een dergelijke milieucategorie geldt een richtafstand in gemengd gebied van 30 m. De werkelijke afstand is circa 75 m, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Ook aan de risicoafstand voor de andere bedrijvigheid op het bedrijventerrein wordt voldaan. Houthandel Ten westen van het plangebied, aan de Oud Bonaventurasedijk, is een houthandel gevestigd. Voor een houthandel geldt milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 in een gemengd gebied geldt een richtafstand van 10 m. De feitelijke afstand tot het plangebied is 59 m. Supermarkt Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 29 m een supermarkt. Voor een supermarkt geldt milieucategorie 1. In een gemengd gebied wordt hier uitgegaan van een richtafstand van 0 m. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van bedrijven en milieuzonering.
34
4.10 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.
Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de
35
redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Om de risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving van het plangebied in kaart te brengen is de hulptool risicokaart.nl geraadpleegd. Met de risicokaart kan worden vastgesteld of er in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld)
Risicovolle inrichtingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied enkele risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op een afstand van 460 m ten oosten van het plangebied ligt een caravanpark. Ter plaatse van het caravanpark is een bovengrondse propaantank aanwezig waar een risicoafstand aan is verbonden. Voor dergelijke risicovolle objecten geldt een risicoafstand van 20 m. Gezien de geruime werkelijke afstand tot het object wordt deze niet als risicovol gezien. Op een afstand 390 m ten zuidoosten van het plangebied ligt het Laco Sportcentrum Rijen. Bij het sportcentrum is een opslag voor chloorbleekloog aanwezig. Gezien de grote afstand tot het plangebied wordt dit niet als belemmering gezien. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de Shell Nederland Chemie B.V te Moerdijk, gelegen ca. 6 km ten zuiden van het plangebied. De inrichting heeft een invloedsgebied van 10 km. De afstand van het plangebied tot de inrichting is van dusdanige grootte dat de hoogte van het groepsrisico met de ontwikkeling nauwelijks toe neemt. Een volledige verantwoording van het groepsrisico wordt niet nodig geacht. Wel dient er een beknopte verantwoording te worden gemaakt. Transportroutes Er zijn geen transportroutes van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied.
Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Verantwoording groepsrisico Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is goed bereikbaar en kent voldoende ontvluchtingsmogelijkheden. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Het is mogelijk om via de Oud Bonaventurasedijk en de Trambaan te vluchten. De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. Het appartementengebouw zal zodanig gebouwd worden dat er diverse mogelijkheden zijn tot het ontvluchten.
36
De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft een advies uitgebracht. Zij adviseren een uitschakelbaar mechanisch ventilatiesysteem toe te passen. Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Het ventilatiesysteem dat toegepast zal worden is afzonderlijk per woning uitschakelbaar. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de externe veiligheid en het plan in dit kader uitvoerbaar is.
4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Ontsluiting van het plangebied zal net zoals in de oude situatie gebeuren via de Oud Bonaventurasedijk. De verkeersgeneratie van het plangebied is berekend met behulp van de CROW-publicatie. Uitgaande van de CROW-publicatie met een classificatie van een weinig stedelijk gebied en 'schil centrum' wordt er een verkeersgeneratie van 4 * 5,4 + 15 * 5,9 + 4 * 7,3 = 139,3 voertuigbewegingen per etmaal verwacht.
Hierbij is uitgegaan van de gemiddelde kencijfers voor goedkope (5,4), middeldure (5,9) en dure (7,3) koopappartementen. De Oud Bonaventurasedijk en de Trambaan zijn in staat om een dergelijke verkeersgeneratie te verwerken. Geconcludeerd kan worden dat verkeer geen belemmering zal vormen voor beoogde ontwikkeling. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
37
Planspecifiek Parkeren zal achter de bebouwing van het plangebied plaatsvinden. In totaal worden er 42 parkeerplaatsen gerealiseerd waarvan een deel (23) van het parkeren buiten zal plaatsvinden. De rest van de parkeerplaatsen (19) zal onder bebouwing deel B worden gerealiseerd. Ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ geldt dat voldaan moet worden aan het vastgestelde parkeerbeleid van de gemeente Hoeksche Waard. In de regels van het voorliggende bestemmingsplan is een parkeerregeling opgenomen. In het vastgestelde parkeerbeleid van de gemeente Hoeksche Waard worden de kencijfers van het CROW gehanteerd. Uitgaande van de CROW-publicatie met een classificatie van een weinig stedelijk gebied en schil centrum zullen er tussen de 1,4 en 1,9 parkeerplaatsen per woning gerealiseerd worden. Hierbij is uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm voor goedkope (1,4), middeldure (1,7) en dure (1,9) koopappartementen Voor 23 woningen betekent het dat er 4 * 1,4 + 15 * 1,7 + 4 * 1,9 = 38,7 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Met 42 parkeerplaatsen kan aan deze eis worden voldaan. Van deze 42 parkeerplaatsen kunnen maximaal 26 parkeerplaatsen geschikt gemaakt worden voor elektrische voertuigen. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het onderdeel parkeren geen belemmering zal vormen voor het beoogde plan.
4.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 werd de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC).
Vanaf 1 januari 2021 moeten gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Deze eisen vervangen de EPC. De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatieindicatoren: 1. 2. 3.
de energiebehoefte indicator; de primaire fosiele energie-indicator; en het aandeel hernieuwbare energie.
Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik.
38
Planspecifiek Er is sprake van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. Dat betekent dat er (energiezuinige) nieuwbouw wordt mogelijk gemaakt. Tijdens het verdere ontwerp van de ontwikkeling zal aandacht worden besteed aan de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn (GPR). Bij de aanvraag omgevingsvergunning kan de GPR score inzichtelijk gemaakt worden. Daarmee is voor een ieder duidelijk hoe de verschillende thema's scoren. De gemeente Hoeksche Waard en de initiatiefnemer hebben afspraken gemaakt met betrekking tot duurzaamheid. Zij zijn overeengekomen dat de woningen gasloos en BENG worden gebouwd. De gemeente Hoeksche Waard heeft in haar regionale woonvisie bepaald dat er energieneutraal gebouwd moet worden. De initiatiefnemer heeft aangetoond dat dit voor dit project niet haalbaar is. De initiatiefnemer zal, aanvullend op de wettelijke eisen voor BENG, het maximale aantal zonnepanelen toepassen op het gebouw. De definitieve berekening zal ingediend worden bij de aanvraag omgevingsvergunning. Verder is afgesproken dat het project klimaatadaptief gerealiseerd wordt.
39
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
40
Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Binnen deze bestemming zijn wonen en bijbehorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, groenvoorzieningen en water, toegestaan. Tevens zijn aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegelaten. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd mogen worden. De verschillende maximale bouwhoogten voor hoofdgebouwen zijn tevens aangeduid op de verbeelding. Artikel 4 Waarde - Archeologie Ter bescherming van mogelijk aanwezige behoudenswaardige archeologische resten is aan de gronden in het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ toegekend. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Artikel 5 Waterstaat – Waterkering De beschermingszone van de waterkering is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’.
Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze hebben betrekking op overschrijding van bouwgrenzen en bestaande maten. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Verder zijn, gelijk aan het 'Paraplubestemmingsplan Strijen', regelingen over parkeren en bed & breakfast bij een woning opgenomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn de algemene wijzigingsregels opgenomen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 12 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen.
Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.
41
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, Wro niet noodzakelijk is; en
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, Wro niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Het verhalen van de gemeentelijke kosten op dit initiatiefnemer wordt geregeld met een anterieure overeenkomst, waarin tevens vastgelegd zal worden dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor tegemoetkoming in eventuele planschade.
42
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De initiatiefnemer heeft de bewoners van nabijgelegen woningen in december 2020 met een brief en impressie van de nieuwbouw geïnformeerd over het voorgenomen plan. Verder is er in een regionaal blad een advertentie geplaatst over de ontwikkeling. Op 12 juli 2021 is er een digitale informatieavond (voor omwonenden) gehouden. Hieraan hebben circa 60 personen deelgenomen. Tijdens deze avond is er een toelichting gegeven over de totstandkoming van de ontwikkeling, het ontwerp en de bestemmingsplanprocedure. Deelnemers hadden de mogelijkheid om middels de 'chatfunctie' vragen te stellen. Er zijn tijdens de informatieavond geen inhoudelijke vragen gesteld. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan heeft de initiatiefnemer een brief naar de omwonenden verstuurd.
7.2 Vooroverleg De reacties in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro worden te zijner tijd in de voorliggende paragraaf of in een separate bijlage samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien
7.3 Zienswijzen Eventuele zienswijzen worden te zijner tijd in de voorliggende paragraaf of in een separate bijlage samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.
43