Toelichting ontwerpbestemmingsplan OudBond26STR
Tekst van het document
bestemmingsplan
Oud Bonaventurasedijk 26, Strijen Gemeente Hoeksche Waard
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.1963.BPOudBond26STR21-ON01
Datum:
2022-02-11
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. R. van der Made | dhr. F.M. Polderman
Kenmerk Buro SRO:
SR200279
Opdrachtgever:
P. & G. Hooghwerff B.V.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleid en regelgeving ............................................................................................................................ 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 22 4.3 Archeologie ....................................................................................................................................................... 25 4.4 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 26 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 28 4.6 Geluid ................................................................................................................................................................ 29 4.7 Luchtkwaliteit ....................................................................................................................................................
30 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 31 4.9 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 33 4.10 Externe veiligheid ............................................................................................................................................ 35 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 37 4.12 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 38
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 40 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 40 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 40 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 40
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 42 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 43 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 43 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 43 7.3 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 43
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen om nabij de dorpskern van Strijen op de locatie van een aardappelhandel een appartementencomplex te realiseren. De bebouwing van de aardappelhandel ter plaatse dient gesloopt te worden om ruimte te maken voor het appartementencomplex. Het voornemen is om 23 appartementen te realiseren verdeeld over drie aaneengebouwde blokken. Voor de gronden van het plangebied is het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen' van de voormalige gemeente Strijen van kracht, vastgesteld op 28 oktober 2014. De gemeente Strijen is inmiddels opgegaan in de gemeente De Hoeksche Waard. In het geldend bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Bedrijf'. Het voornemen om de appartementen te realiseren gaat in tegen het huidige bestemmingsplan. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken zal een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld moeten worden. Voorliggend bestemmingsplan geeft inzicht in de bij de afweging betrokken belangen en aspecten, alsmede in hoeverre het project past in een breder ruimtelijk verband en perspectief. Behalve op het ruimtelijke aspect wordt daarbij onder meer ingegaan op de (toekomstige) beleidskaders, milieuaspecten, de financiën, zowel als de regelgeving.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen net binnen de dorpskern van Strijen, in het zuidoostelijke deel van de gemeente Hoeksche Waard. De planlocatie wordt omgeven door twee 30 km/u wegen. Ten noorden van het plangebied loopt de Oud Bonaventurasedijk en ten zuidwesten van het plangebied loopt de Trambaan. De planlocatie is kadastraal bekend onder de gemeente de Strijen, sectie N, perceelnummers 686, 2748 en 2746 met een oppervlakte van 2.911 m². Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging (plangebied rood omcirkeld, bron: Google Earth)
5
Globale begrenzing (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen' (vastgesteld op 28 oktober 2014) en 'Paraplubestemmingsplan Strijen' (vastgesteld op 25 september 2018). De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan.
Uitsnede geldend bestemmingsplan (plangebied is globaal rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In de huidige situatie van het plangebied is een aardappelhandel gevestigd. Het plangebied heeft de bestemming 'Bedrijf'. Voor de gronden geldt de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in aardappelen, groente en fruit'. Het plangebied ligt nabij een waterkering en heeft daarmee in het noordelijke gedeelte de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Voor gronden bestemd als 'Waterstaat Waterkering' gelden specifieke beperkingen omtrent bouwen. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient er een bestemmingswijziging plaats te vinden. Het plangebied dient de bestemming 'Wonen' te krijgen. De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zal worden gehandhaafd. Het realiseren van de beoogde ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan 'Dorpskern Strijen'. Om dit mogelijk te maken dient een nieuw juridisch-planologisch kader te worden opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
6
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationaal provinciaal en gemeentelijk beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 is aandacht voor de juridische planbeschrijving. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie In de huidige situatie staat er op het plangebied het gebouw van een (voormalige) aardappelhandel. Het gebouw kan worden gezien als twee aparte delen. Het eerste deel van het gebouw is gebruikt als woonhuis en kantoor, het andere deel is gebruikt voor de opslag van de aardappelen om deze later weer te kunnen vervoeren. Het gebouw is gebouwd in de jaren van '60 van de vorige eeuw. Zowel de Oud Bonaventurasedijk als de Trambaan zijn belangrijke wegen die Strijen in het noorden verlaten. Op goede bereikbaarheid ligt circa 250 m ten zuidwesten van het plangebied het centrum van Strijen. Behalve het hoofdgebouw is vrijwel het gehele plangebied verhard. Aan de noordzijde van het plangebied bestaat de verharding vooral uit asfalt in combinatie met grote betonnen tegels. Op het terrein is beperkt groen aanwezig. Wel is het plangebied omsloten door groen aan de oost-, zuid- en westzijde. Dit groen valt grotendeels buiten het plangebied. Dit zijn voornamelijk bomen en struiken en deze vormen een natuurlijke afscheiding met de omgeving. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de planlocatie in de huidige situatie.
Impressie plangebied (2016) (bron: Google streetview)
8
Impressie plangebied (2016) (bron: Google streetview)
2.2 Toekomstige situatie Het plangebied dient in de toekomstige situatie een redelijke transformatie te ondergaan. De huidige bebouwing dient verwijderd te worden. Ook de rest van de aanwezige verharding op het terrein zal moeten worden verwijderd. In de plaats van de oude aardappelhandel wordt een nieuw appartementengebouw gerealiseerd. Dit appartementengebouw zal bestaan uit drie verschillende gedeeltes, met ieder een ander type uitstraling. Deel A, tevens het hoogste deel van het complex, zal bestaan uit vijf woonlagen met acht appartementen. Deel B zal bestaan uit parkeervoorzieningen op maaiveldniveau met daarboven twee bouwlagen met acht appartementen. Deel C zal bestaan uit drie bouwlagen met in totaal zeven appartementen. Het appartementengebouw zal in totaal 23 appartementen bevatten. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van het beoogde gebouw weer.
3D-impressie toekomstige situatie (bron: Van den Berk I Tjonck Architects BV)
9
Situatietekening toekomstige situatie (bron: Van den Berk I Tjonck Architects BV)
De parkeerbehoefte wordt deels aan de noordoostzijde van het terrein en deels op deel B van het appartementengebouw opgelost. In totaal zullen er op eigen terrein 42 parkeerplaatsen aangelegd worden. Ontsluiting van het plangebied gebeurt net zoals in de huidige situatie aan de Oude Bonaventurasedijk. De inrichting van het plangebied zal groen zijn. Aan de randen van het plangebied maakt de verharding plaats voor meer groen. Hiermee kan het kavel worden ingezet als groene schakel tussen het open landschap dat ten zuiden van het plangebied ligt en de groene kruising die zich ten noorden van het plangebied bevindt. Daarnaast wordt er ook een waterpartij in het oosten van het plangebied aangelegd. Deze waterpartij kan dienen voor de opvang van water. Op de gemeentelijke structuurkaart is de bomenstructuur aan de Trambaan en de Oud Bonaventurasedijk aangewezen als functioneel groen en als een vastgestelde bomenstructuur. Beide hebben een beschermde status. De bomen zullen behouden moet blijven. Bij de verdere inrichting van de groenstructuren dient rekening gehouden te worden met de bestaande bomen. Om de eventuele effecten van schaduw op de bestaande omgeving te bepalen is een bezonningsstudie opgesteld (Buro SRO, 8 juli 2021, zie bijlagen bij toelichting 1).
Hieruit blijkt dat alle woningen in de buurt van de ontwikkeling voldoende bezonning krijgen volgens de lichte TNO-norm met meer dan twee uur zon per dag. In de beeldkwaliteitsparagraaf (Van den Berk I Tjonck Architects, 10 november 2021, zie bijlagen bij toelichting 2) bevat een analyse van de omgeving, het ontwerp van het gebouw en de beoogde ruimtelijke kwaliteit.
10
3 Beleid en regelgeving 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld.
Planspecifiek Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die
11
3.
4.
ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het beoogde plan worden 23 appartementen gebouwd. In beginsel is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Derhalve is de beoogde ontwikkeling ladderplichtig en zal de behoefte voor de stedelijke ontwikkeling worden beargumenteerd. Als het plangebied buiten het bestaand stedelijk gebied ligt, moet gemotiveerd worden waarom er toch een stedelijke ontwikkeling op de locatie moet plaatsvinden. Mede als gevolg van gezinsverdunning zal in de komende jaren in de Hoeksche Waard meer vraag komen naar woningen. In de regionale woonvisie van de Hoeksche Waard wordt het realiseren van voldoende nieuwbouw om te kunnen voorzien in de toename (als gevolg van gezinsverdunning) van de reguliere woningbehoefte van de eigen inwoners, het realiseren van nieuwbouw om extra instroom van gezinnen te kunnen faciliteren en een vergroting van het aantal (voor senioren) geschikte woningen als belangrijk gezien. In de Regionale Woonvisie van de Hoeksche Waard wordt beschreven hoe de gemeente de vitaliteit van de regio wil bewaken.
Voor de periode 2015-2025 is er in de Hoeksche Waard sprake van een toename van een verwachte woningbehoefte van circa 3.000 woningen. De bouw van nieuwe woningen is belangrijk voor de regio om vitaal te blijven. De locatie ligt vanwege de huidige bestemming, de bestaande bebouwing in het plangebied en de bebouwing in de omgeving binnen het bestaand stedelijk gebied. Gezien de ligging nabij de dorpskern van Strijen is een transformatie van het perceel tot woonbestemming een gewenste ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
12
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;
2.
Ambities en sturing
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie.
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
•
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief.
13
2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als ‘rivierdeltacomplex’ en specifiek als 'jonge zeeklei'. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. De ontwikkeling van het plangebied zal geen grote invloed hebben op de kleigronden. Het plangebied is al grotendeels bebouwd. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is onderdeel van het ‘zeekleipolderlandschap’. Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. Richtpunten voor het gebied zijn voornamelijk:
•
Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen.
•
Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder.
•
•
Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.
•
Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.
De planlocatie bevindt zich aan de rand van het centrum van Strijen. Het plangebied heeft een redelijk gesloten karakter, met veel groen aan de randen van het plangebied waarmee het wordt omsloten. Met de beoogde ontwikkeling wordt aansluiting gevonden met de bestaande bebouwing van omliggende wijken. Het open karakter van het achterliggende veld zal behouden blijven. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied ligt in gebied dat aangemerkt is als ‘stads- en dorpsranden’. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. De provincie kiest ervoor om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden de provincie drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit I.
De kwaliteit van het front (contrast).
Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap. De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde)
14
droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’. II.
Contactkwaliteit
Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon. III.
De kwaliteit in de overlap (‘contract’)
Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes. Het plangebied ligt in de zone aan de noordoostelijke dorpsrand van Strijen en het open landschap. De huidige dorpsrand vormt een hard contrast met het omliggende open landschap. De realisering van het woongebouw brengt geen wezenlijke wijziging in het bestaande lintpatroon van de Oud Bonaventurasedijk/Trambaan met zich mee. Het draagt bij aan de voor dorpen in agrarisch gebied kenmerkende verweving tussen landschap en bebouwing. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Met de introductie van deze profielen wil de provincie ruimtelijke kwaliteit als belangrijke voorwaarde stellen voor nieuwe gebiedsontwikkelingen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Hoeksche Waard. De Hoeksche Waard is een uniek agrarisch polderlandschap en als representant van de bedijkingsgeschiedenis van Nederland ook op internationale schaal bijzonder. De ambities in het gebiedsprofiel richten zich op:
• • • • • •
de herkenbaarheid van de structuur van dijken en kreken; de openheid van de polders; de ontwikkeling van hoogwaardige dorpsranden; een zonering van het landschap; het versterken van de verbindingen tussen dorp en landschap; de verdere ontwikkeling van buitendijkse natuur.
15
Linten blijven linten Het plangebied ligt in de punt van het boerenervenlint van de Oud Bonaventurasedijk. De boerenerven zijn een essentieel onderdeel van het landschap. De erven liggen zowel langs de dijken als midden in de polder en hebben een directe en functionele relatie met het landschap. De erven langs de dijk zijn vaak omringd door dichte beplanting, Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. Bij de beoogde ontwikkeling worden 23 nieuwe appartementen gebouwd op een locatie waar nu nog een aardappelhandel aanwezig is. De aardappelhandel bevindt zich op de rand van stedelijk gebied van Strijen en de komst van een ander bedrijf op de locatie zou ongewenst zijn. Met de komst van het appartementencomplex kan de leefomgeving worden verbeterd. Zo is groen een belangrijke verbinding met de wijk ten westen van het plangebied en het open landschap ten oosten van het plangebied. De beoogde ontwikkeling levert een bijdrage aan het gewenste ontwikkelperspectief van de provincie Zuid-Holland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 7 augustus 2021 in werking getreden.
In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 6.10 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de Omgevingsverordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. In lid 1 staat dat: 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Sub b is niet van toepassing, omdat de betreffende locatie onderdeel is van bestaand stadsen dorpsranden en omdat de planlocatie niet groter is dan 3 hectare. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
16
b.
c.
als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
De planlocatie is in het geldende bestemmingsplan bestemd voor een stedelijke voorziening (bedrijf). Het plan wordt ingepast binnen de begrenzing van het huidige bedrijfsperceel. Het betreft daarmee geen wijziging op structuurniveau. Daarmee is sprake van het inpassen van de ruimtelijke ontwikkeling. Derhalve dient voldaan te worden aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Uit toelichting paragraaf 3.2.1 volgt dat hieraan voldaan wordt. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. 2. 3. 4.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie is gelegen binnen de kern Strijen waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Rond het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen is. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Het plangebied wordt groen ingericht. Het aanplanten van bomen en groen zorgt voor meer groen en schaduw. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress.
Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te
17
houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rond het plangebied. Door het plangebied verder groen in te richten en door de inrichting van een waterpartij in het oosten van het plangebied wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water. Conclusie Vanuit de omgevingsverordening worden er aanvullend op het voorgaande geen eisen gesteld aan het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard In de Omgevingsvisie Hoeksche Waard (vastgesteld op 17 december 2019) beschrijft de gemeente haar gewenste koers. Dit doet de gemeente mede door het beschrijven van hun programmaplannen en met welke regels dit gaat gebeuren. Trends en ontwikkelingen zorgen ervoor dat de gemeente moet blijven werken om de Hoeksche Waard vitaal en leefbaar te houden. In de omgevingsvisie worden vijf maatschappelijke opgaven vragen specifiek beschreven. Dit noemt de gemeente de Hoeksche Werken. Daarbij gaat het om de volgende opgaven: 1.
Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig;
Het tegengaan van klimaatverandering, aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, de energie- en warmtetransitie (aardgasloos) en een transitie naar een circulaire economie zijn randvoorwaarden voor het behoud van welzijn en welvaart van onze inwoners. Een duurzame Hoeksche Waard vereist een transitie op economisch, sociaal, ruimtelijk en ecologisch gebied. 2.
Vitaal economisch klimaat;
Als we niks doen vergrijst en ontgroent de Hoeksche Waard. Dit kan leiden tot het verdwijnen van voorzieningen en krapte op de arbeidsmarkt, waardoor vacatures steeds lastiger zijn in te vullen voor werkgevers. De sociale cohesie kan ook onder druk komen te staan: wie kan nog voor wie zorgen? De demografische ontwikkeling kan op termijn leiden tot een negatieve spiraal. Om jonge mensen en gezinnen te binden aan de Hoeksche Waard is het nodig om te investeren in aantrekkelijke woon-, werk- en verblijfsmilieus. 3.
Bereikbaar, nabij en toegankelijk;
De Hoeksche Waard is sterk verweven met de regio. Elke dag gaan zo’n 25.000 Hoeksche Waarders van het eiland af om elders te gaan werken. Ook voor grotere voorzieningen zoals een ziekenhuis en een theater zijn we afhankelijk van het stedelijk gebied om ons heen. In omgekeerde richting reizen elke dag zo’n 12.500 mensen de Hoeksche Waard in om er te gaan werken. Goede verbindingen van het eiland met de omgeving – met auto, openbaar vervoer en de fiets – zijn van levensbelang. 4.
Duurzame, innovatieve landbouw;
De Hoeksche Waard is van oudsher een top landbouwgebied, waar ondernemers inzetten op innovatie en kennisontwikkeling, agrobiodiversiteit en agrarisch natuurbeheer. De komende decennia komen enkele grote structurele veranderingsopgaven bij elkaar in het landelijk gebied. De productie van gezond en veilig voedsel, geproduceerd door een innovatieve en economisch krachtige agrarische sector is één van de grotere opgaven. Daarbij moet de voedselproductie nog meer in balans komen met gezondheid, klimaat, luchten waterkwaliteit, waterbeheer, biodiversiteit en kwaliteit van het landschap.
18
5.
Vitale dorpen en actieve samenleving
Veel inwoners van de Hoeksche Waard ‘hebben het goed’. Ze hebben een baan, inkomen, sociale contacten, voelen zich gewaardeerd, geaccepteerd, weerbaar en beschermd. Voor een groep mensen is dat niet het geval. Tegen hun zin en vaak buiten hun macht worden ze geconfronteerd met problemen. In de Hoeksche Waard gaat het dan vooral om: kwetsbare ouderen, het opvoed- en opgroeiklimaat voor onze jeugd en jongeren en armoede. Als de trend zich doorzet raakt als gevolg van de vergrijzing de verhouding tussen jongere en oudere huishoudens dusdanig uit balans dat het draagvlak voor basisvoorzieningen verder onder druk komt te staan. Steeds meer winkels en basisscholen zullen moeten sluiten. Positief is de voorzichtige trend van de instroom van jonge gezinnen die in de afgelopen jaren spontaan op gang is gekomen Planspecifiek Beoogd plan is de ontwikkeling van nieuwe, duurzame appartementen niet ver van het centrum van Strijen. Met de ontwikkeling wordt geïnvesteerd in een betere leefbaarheid van Strijen en de Hoeksche Waard. Het plan tot herontwikkelen van een bedrijfsperceel ten behoeve van een appartementengebouw leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit ter plaatse en tot de bouw van duurzame woningen die bijdragen aan een betere fysieke leefomgeving. Het onderhavig plan is daarmee in lijn met de ambities van de gemeente.
Derhalve kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan in lijn is met de omgevingsvisie van de Hoeksche Waard. 3.3.2 Regionale Woonvisie 2030 In de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 staat de vitaliteit van de regio centraal. De vijf voormalige gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een nieuwe woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma opgesteld. De visie kwam tot stand in samenwerking met diverse partijen. De komende jaren is er sprake van een toenemende vergrijzing van de bevolking. Op middellange termijn betekent dit dat het aantal huishoudens eerst nog toeneemt als gevolg van de gezinsverdunning die gepaard gaat met de vergrijzing. Om te kunnen voorzien in deze volkshuisvestelijke opgave moeten tussen 2015 tot 2025 circa 3.000 woningen gebouwd worden, verdeeld over de vijf voormalige gemeenten en hun onderliggende kernen. Om de regio vitaal te blijven houden zijn er drie opgave die een belangrijke rol spelen: 1. 2. 3.
het realiseren van voldoende nieuwbouw om te kunnen voorzien in de toename van de reguliere woningbehoefte; het realiseren van nieuwbouw om extra instroom van gezinnen te kunnen faciliteren; een vergroting van het aantal voor (voor senioren) geschikte woningen.
Planspecifiek In de woonvisie wordt duidelijk dat er veel vraag is naar de nieuwbouw van woningen om de vitaliteit van de Hoeksche Waarde te kunnen verbeteren. Met de beoogde ontwikkeling worden 23 appartementen gebouwd. De ontwikkeling van nieuwbouw in de Hoeksche Waard is zeer gewenst en ook in Strijen is behoefte aan woningen. In de regionale woonvisie 2030 wordt gebruikt gemaakt van de informatie dat komt uit woningmarktanalyse die gemaakt is in 2016. In 2019 heeft Companen echter een nieuwe woningmarktanalyse voor de Hoeksche Waard gemaakt. Eén van de ontwikkelingen die sindsdien heeft plaats gevonden is een toename in de vraag naar koopappartementen. Deze vraag is afkomstig van oudere huishoudens die veelal vanuit een grotere tweekapper of vrijstaande woning kleiner willen gaan wonen. Tevens zijn appartementen aantrekkelijk voor jongere huishoudens die op zoek zijn naar een betaalbare woning. Het realiseren van geschikte woningen voor deze doelgroepen kan helpen om de doorstroom van de huizenmarkt in de Hoeksche Waard te verbeteren. Door te sturen op doorstroming draagt het toevoegen van nieuwbouw bij aan het invullen van de woonbehoefte van twee- of meerpersoonshuishoudens. De doelgroep van de beoogde appartementen bestaat met name uit senioren/55+/empty nesters. In Strijen is er veel behoefte aan koopappartementen voor deze doelgroep, onder andere als gevolg van de
19
vergrijzing. De planlocatie ligt dicht bij het dorpscentrum en de lokale voorzieningen (supermarkt, huisarts, kerk, etc.). Een dergelijke locatie is aantrekkelijk voor senioren. Door het toevoegen van middeldure en dure koopappartementen voor senioren/55+/empty nesters aan de woningvoorraad van Strijen kan doorstroming in de woningmarkt op gang worden gebracht, waardoor bestaande woningen vrijkomen voor jongere huishoudens. Ten slotte dient opgemerkt te worden dat woningprogramma teven vier goedkope koopappartementen bevat, die tevens geschikt zijn voor starters. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling voorziet in de (kwalitatieve) behoefte die volgt uit de woningmarktanalyse van Companen uit 2019. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de regionale woonvisie.
20
4 Uitvoerbaarheid In een ruimtelijke onderbouwing moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Van belang is te weten of een planvoornemen in overeenstemming is met wettelijke normen. Er wordt aandacht besteed aan de volgende thema's: 1. milieueffectrapportage; 2. waterhuishouding; 3. archeologie; 4. cultuurhistorie; 5. bodem 6. geluid; 7. luchtkwaliteit; 8. ecologie; 9. milieuzonering; 10. externe veiligheid; 11. verkeer en parkeren; 12. duurzaamheid.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
•
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
21
• •
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van 100 ha of meer en 2.000 of meer woningen van een oppervlakte van 100 ha of meer. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk een oppervlakte van circa 2.900 m² en betreft de ontwikkeling van maximaal 23 woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r. en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieugevolgen, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, aan de hand van de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de Europese m.e.r.-richtlijn, in beeld gebracht in een aanmeldnotitie (Buro SRO, 11 februari 2022, zie bijlagen bij toelichting 3). Op basis van de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag kan op basis van de aanmeldnotitie besluiten of er al dan niet een m.e.r. nodig is. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Waterhuishouding 4.2.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
22
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.2.2 Regionaal en lokaal beleid Waterschap Hollandse Delta Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het Waterschap Hollandse Delta (hierna: WSHD) heeft haar waterbeheerprogramma voor de periode 2016 - 2021 vastgesteld op 26 november 2015. In het waterbeheerprogramma worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zien tevens op het plangebied waarin de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is Eén van de instrumenten om het waterbeleid vorm te geven is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Hollandse Delta is aangesloten op de landelijke website van de Digitale Watertoets.
4.2.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Planspecifiek Voor het beoogde plan is een watertoets ingevuld bij het Waterschap Hollandse Delta. Watercompensatie Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied en 1.500 m² in niet-stedelijk gebied moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een plan wordt gebruik gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m² verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Bijna het gehele plangebied is op dit moment al verhard. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een toename van verharding, eerder een afname. Gezien deze constatering is er voor de beoogde ontwikkeling geen watercompensatie vereist.
23
Oppervlakte- en grondwater Voor een eventuele tijdelijke onttrekking van grondwater bij de bouwfase, afhankelijk van het waterbezwaar, het onttrekkingsdebiet en de duur van de bronnering, dient een watervergunning of melding gedaan te worden bij het waterschap. In de toekomstige situatie wordt in het oosten van het plangebied een waterpartij aangelegd. Deze waterpartij wordt niet of op ten hoogste één watergang in de omgeving aangesloten. Vanwege het peilverschil is het niet haalbaar gebleken de waterpartij op beide watergangen in de omgeving aan te sluiten. Parallel aan de Oud Bonaventurasedijk ligt binnen het plangebied een duiker. Met een schouw op locatie is in aanwezigheid van een medewerker van het waterschap de ligging van duiker vastgesteld. Er mag niet op of boven deze duiker gebouwd worden. Het beoogde gebouw wordt dusdanig gepositioneerd dat er (direct) naast de duiker gebouwd wordt (zie navolgende afbeelding), wat voorgelegd is aan het waterschap. Er geldt dat werken in- en nabij waterstaatswerken als de duiker op grond van de keur vergunningsplichtig zijn.
Ligging duiker, bouwvlak en beoogd gebouw
Waterkering Het plangebied ligt gedeeltelijk in de beschermingszone van de waterkering (Oud Bonaventurasedijk). Het plan is om die reden voorgelegd aan het Waterschap Hollandse Delta en er zal uiteraard met de voorwaarden van het waterschap rekening worden gehouden. Voor werkzaamheden in de beschermingszone zal een watervergunning aangevraagd worden. Hierbij moet voldaan worden aan de beleidsregel 'bouwwerken in en nabij waterkeringen', wat betekent dat de waterkering niet mag verslechteren door het uitvoeren van de werkzaamheden, dat de werkzaamheden geen belemmeringen mogen opleveren voor eventuele dijkversterkingen en dat de waterkering toegankelijk is voor beheer en onderhoud. Waterafvoer De afvoer van hemelwater wordt ontkoppeld van de afvoer van afvalwater. De afvoer van het afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Bij de bouw zal ter bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen zoals zink, lood, koper en zacht pvc. Het hemelwater infiltreert in de bodem.
24
Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid met betrekking tot de waterhuishouding zijn.
4.3 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Gemeentelijk archeologiebeleid Op de 31 mei 2014 is de regionale archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard in werking getreden. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart geeft de archeologische verwachtingen in de gemeente weer.
Planspecifiek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een middelhoge tot een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden. Gezien de werkzaamheden die dienen plaats te vinden bij de beoogde ontwikkeling is er archeologisch onderzoek uitgevoerd.
Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (plangebied is rood omkaderd, bron: Huizier et al, 2009)
25
Voor het plangebied is in oktober 2019 een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek door SOB research uitgevoerd (zie bijlagen bij toelichting 4). Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
•
Ter plaatse van het plangebied is een bodemopbouw aanwezig met subrecente ophooglagen, mogelijk lokaal op oude ophooglagen, op (klei- en zand-) Afzettingen van Duinkerke IIIb, op Hollandveen, op (klei- en zand) Afzettingen van Calais IV, op Basisveen, op (dekzand-) Afzettingen van de Formatie van Twente.
•
Archeologische resten uit de Nieuwe Tijd kunnen hier worden aangetroffen op en in de top van de Afzettingen van Duinkerke IIIb (en in de daarop mogelijk aanwezige oude ophooglagen uit de 18e en 19e eeuw), vanaf een diepte van circa 0,3 m beneden het maaiveld (circa 0.3 - 1.3 m -NAP). Het plangebied is gelegen in de Polder Nieuw Bonaventura, die in 1593 opnieuw werd ingepolderd/aangelegd. Er zijn geen aanwijzingen dat er ter plaatse van het plangebied tussen circa 1593 en circa 1800 bebouwing aanwezig is geweest.