toelichting
Tekst van het document
4.7.2
Onderzoek
Voorliggend bestemmingsplan is dusdanig globaal en kaderstellend dat er nog niks gezegd kan worden ten aanzien van duurzaamheidsambities in de latere uitwerking van de woningen. Uiteraard zullen de woningen te zijner tijd voldoen aan de dan geldende regelgeving.
40/98
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
41/98
4.8.2
Onderzoek
Figuur 4.5 Uitsnede professionele risicokaart met plangebied paars omcirkeld Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.5). Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor. Wel vindt er ten zuidoosten van het plangebied vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N217. Het invloedsgebied van deze weg wordt bepaald door de maatgevende stofcategorie GF3 en bedraagt 355 m. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 530 m. Het plangebied valt daarmee niet binnen het invloedsgebied. Ook ligt het plangebied nabij de Rijksweg A29. Het invloedsgebied van deze weg wordt ook bepaald door de maatgevende stofcategorie GF3 en bedraagt 355 m. Gezien het plangebied circa 1 kilometer van de A29 verwijderd is, valt de beoogde ontwikkeling niet binnen het invloedsgebied. Ten noorden bevindt zich de vaarroute Oude Maas (tot Dordtsche Kil). Het invloedsgebied van deze vaarroute wordt bepaald door de stofcategorie GT3 en bedraagt 1.070 m. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 1.070 m en valt hiermee in het invloedsgebied. Omdat de afstand tot de vaarroute groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Wel dient vanwege de ligging in het invloedsgebied een beknopte verantwoording te worden opgesteld.
42/98
Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Dorpsstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Heinenoord. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het water geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar.
Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 4.8.3 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de vaarroute Oude Maas waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Kabels en leidingen
4.9.1
Toetsingskader
Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.9.2
Onderzoek en conclusie
Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
43/98
4.10 Bodemkwaliteit 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.10.2 Onderzoek en conclusie In opdracht van Rho Adviseurs is ter plaatse van het plangebied door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd.
Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de herontwikkeling van de locatie en de daaruit voortvloeiende aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van herontwikkeling wenst de opdrachtgever inzicht te krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 7bij deze toelichting. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit het rapport overgenomen.
Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Ter plaatse van de gedempte sloot zijn de boringen gestaakt op een puinlaag. Omdat de onderzijde van de slootdemping niet bereikt is kan niet met zekerheid worden vastgesteld waaruit het dempingsmateriaal exact bestaat. De grond met bijmengingen op de puinlaag is niet verontreinigd. De boven- en ondergrond van het overige terrein is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, welke van nature in verhoogde concentraties in het grondwater voorkomt.
Wet bodembescherming Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende streefwaarde (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Ter plaatse van de gedempte sloot zijn de boringen gestaakt op een puinlaag. Omdat de onderzijde van de slootdemping niet bereikt is kan niet met zekerheid worden vastgesteld waaruit het dempingsmateriaal exact bestaat. Vooralsnog lijkt het erop dat de sloot gedempt is met puin wat niet als bodem kan worden gedefinieerd. Doordat de demping onder de huidige oprijlaan aanwezig is waarbij het gebruik van de oprijlaan in de toekomst niet
44/98
gewijzigd wordt is onzes inziens aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Mocht in de toekomst de situatie ter plaatse van de oprijlaan wijzigen, waarbij werkzaamheden worden verricht, wordt aanvullend onderzoek naar de demping geadviseerd. Indien in de bodem sprake is van bodemvreemde bijmengingen dient de bodem, ongeacht de gradatie aan bijmengingen, te worden aangemerkt als asbestverdacht.
4.11 Cultuurhistorie en archeologie 4.11.1 Cultuurhistorie Het plangebied voor dit bestemmingsplan bevindt zich tussen de bebouwing onderaan de dijk Dorpsstraat. Dit is de hoofdweg door Heinenoord en is derhalve beeldbepalend. Er zijn geen formele cultuurhistorische waarde in en om het plangebied. De verkaveling is geïnspireerd op de historie en de bestaande geschiedenis van het landschap en van de bebouwing aan de Dorpsstraat.
4.11.2 Archeologie In opdracht van Rho Adviseurs heeft IDDS Archeologie in januari 2021 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Dorpsstraat 1b in Heinenoord, gemeente Hoeksche Waard. De noodzaak tot het archeologisch onderzoek komt voort uit het bestemmingsplan. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Hieronder is de samenvatting en conclusie uit het rapport overgenomen. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Het plangebied kent vanaf het maaiveld waarschijnlijk een bodemopbouw van een 0,5 tot 0,8 m dik ophoogpakket en daarna een pakket zandige of uiterst siltige en gelaagde kleien die horen bij de overstromingen uit de Late Middeleeuwen (tot 1437) en het Laagpakket van Walcheren. Onder dit zandige kleipakket is een dik pakket Hollandveen aanwezig waarvan de bovengrond waarschijnlijk bij de overstromingen deels geërodeerd is. De top van dit veenpakket ligt waarschijnlijk op ongeveer -2,2 tot -3,0 m NAP ofwel 1,7 tot 2,5 m -mv. Onder het veenpakket, op een niveau van ongeveer -3,7 tot -4,4 m NAP ofwel 3,2 tot 3,9 m -mv, komt weer een kleipakket voor.
Mogelijk gaat het om de resten van de stroomrug van Zwijndrecht of de estuariene kleien die buiten deze rivier zijn afgezet. Op basis van voornamelijk deze stroomrug heeft het plangebied op de archeologische verwachtingenkaart en in het bestemmingsplan een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting geldt echter alleen voor de afzettingen van de stroomrug onder het Hollandveen en dus op een diepte van meer dan 3,0 m -mv. Omdat deze stroomrug door inklinking pas zichtbaar is sinds de ontginning van dit landschap in de Middeleeuwen geldt de hoge verwachting voor de stroomrug alleen voor de periode van activiteit van de rivier en dus voor de periode van het Neolithicum. Tijdens de vorming van het Hollandveen had het gebied een lage archeologische verwachting en pas aan het einde van de veenvorming in de IJzertijd- Romeinse tijd kon er gewoond worden op het veen.
45/98
Voor de top van het veen geldt daarom een middelhoge archeologische verwachting voor de IJzertijd tot en met de overstromingen in de Middeleeuwen. Als deze overstromingen de top van het veen geërodeerd hebben is de archeologische verwachting echter laag. Voor het overstromingspakket van het Laagpakket van Walcheren geldt een lage archeologische verwachting voor de Middeleeuwen tot 1437. Na 1437 is dit landschap ingepolderd en in gebruik genomen als landbouwgebied. Het is mogelijk dat tussen de 15e een 19e eeuw bebouwing heeft gestaan in het plangebied, maar omdat hiervan op de historische kaarten geen sporen van zijn weergegeven wordt die kans laag ingeschat. Het veldonderzoek bevestigt het bureauonderzoek met uitzondering van de aanwezigheid van een ophoogpakket. Een dergelijk pakket is in de boringen niet aangetroffen, de hogere ligging van het plangebied is veroorzaakt door de reliëfinversie van de kreekafzettingen in het plangebied. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied verschillende niveaus kent met allemaal slechts een lage archeologische verwachting. Conclusie IDDS Archeologie adviseert om de dubbelbestemmingen voor wat betreft het aspect archeologie in het plangebied te laten vervallen. PM bevoegd gezag.
4.12 Vormvrije m.e.r.- beoordeling 4.12.1 Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
46/98
4.12.2 Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 2 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Voorafgaand aan de ter visie legging van het eerste ontwerpbestemmingsplan is besloten geen m.e.r. procedure te doorlopen, het bestemmingsplan is qua omgevingsaspecten niet gewijzigd waardoor het besluit niet opnieuw genomen hoeft te worden.
47/98
48/98
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van BZK een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruikgemaakt. Hiermee is de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). De hoofdstukindeling van de bestemmingsplanregels bestaat uit: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
5.2
Artikelsgewijze toelichting
5.2.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt bepaald op welke manier bij de toepassing van de planregels wordt gemeten. Bij het meten van bouw– en goothoogtes van gebouwen is het begrip peil van belang.
49/98
5.2.2
Bestemmingen en gebruik
Artikel 3 Tuin Deze bestemming betreft in principe, niet openbare gronden (deze hebben de bestemming groen of verkeer), die "Tuin" zijn in de gebruikelijke betekenis van het woord en die dat dienen te blijven. Op gronden met deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde en erkers toegestaan. Artikel 4 Wonen verkeer), die "Tuin" zijn in de gebruikelijke betekenis van het woord en die dat dienen te blijven. Op gronden met deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde en erkers toegestaan. Artikel 4 Wonen Deze bestemming is toegekend aan de gronden waarop de woningen zijn beoogd. Er mogen zwel vrijstaande als twee-aaneengebouwde woningen worden gebouwd. Op de verbeelding heeft niet elke woning afzonderlijk een eigen bestemmingsvlak gekregen, noch is voor elke woning afzonderlijk een bouwvlak aangewezen. Gekozen is voor een bestemmingsvlak die de twee woningen omvat. Binnen dit bestemmingsvlak is voor de twee woningen tezamen één bouwvlak aangewezen. Het aantal toegestane woningen is beperkt tot twee. Binnen de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Van al deze bouwwerken is in artikel 1 een omschrijving opgenomen. Voor deze bouwwerken gelden maxima ten aanzien van goothoogten, bouwhoogten et cetera. Alleen voor hoofdgebouwen zijn goothoogten aangeduid.
Voor het overige is het, voor zover noodzakelijk, uitgeschreven in de regels. Deze normen beogen met name te voorkomen dat een bouwperceel volledig wordt bebouwd en dat stedenbouwkundig gezien ongewenste situaties ontstaan. Het opnemen van meerdere woningen in een bouwvlak heeft tot gevolg dat het bouwvlak soms ruim bemeten is. Dit heeft niet tot doel mogelijk te maken dat alle bebouwing die binnen het bouwvlak wordt opgericht de goothoogte mag hebben zoals is ingetekend of dat dit niet meegeteld hoeft te worden in het aantal maximaal toegestane vierkante meters. Immers deze nieuwe bebouwing is, met uitzondering van algehele nieuwbouw van het hoofdgebouw, aan te merken als een aan-, uit-, of bijgebouw. Hiervoor gelden specifieke bouwregels die gecategoriseerd zijn naar soort woningen en omvang van het zij- en achtererf. De planregels bij deze bestemming bieden de mogelijkheid tot het uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroep. Het gaat hierbij om dienstverlenende beroepen op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied. Belangrijk is dat de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat de ruimtelijke uitwerking of uitstraling in overeenstemming met de woonfunctie is.
Artikel 5 Waarde - Archeologie en Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachting hoog 1 Op basis van het archeologische beleid van de Hoeksche Waard en de voormalige gemeente Binnenmaas zijn aan het plangebied twee dubbelbestemming toegekend. Met deze dubbelbestemming wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Binnen het plangebied is er sprake van twee afzonderlijke archeologische verwachtingswaarden.
50/98
Artikel 7 Waterstaat - Waterkering Voor het behoud van de waterkering in het plangebied geldt dat in het bestemmingsplan hiervoor een beschermende regeling is opgenomen. In principe mogen alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd, mits wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte. Voor het realiseren van gebouwen is een ontheffingsbevoegdheid opgenomen waarbij vooraf instemming van de waterbeheerder noodzakelijk is. Tevens is een aanlegvergunningstelsel opgenomen om de waterkering te beschermen tegen de verschillende werken en werkzaamheden. 5.2.3 Algemene regels Artikel 8 Antidubbeltelregel Deze regel dient om te voorkomen dat indien in het bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 9 Algemene bouwregels Overschrijding bouwgrenzen De op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden met kleine bouwdelen. In dit artikel is geregeld hoe groot de overschrijding mag zijn en onder welke voorwaarden. Tevens is aangegeven voor welke bouwwerken en tot welke mate aangegeven hoogten mogen worden overschreden. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt benadrukt wat wordt verstaan onder strijdig gebruik.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn alle afwijkingsregels opgenomen die voor het gehele plangebied van toepassing zijn. Het gaat om kleine afwijkingen die kunnen worden verleend als een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen niet geheel past binnen het bestemmingsplan. Het gaat dan om ondergeschikte afwijkingen ten behoeve van bijvoorbeeld balkons, trappenhuizen en liftkokers. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn wijzigingsregels opgenomen voor het desgewenst overschrijden van bestemmingsgrenzen met ten hoogste 3 m en het vergroten van bouwvlakken met ten hoogste 10%, indien dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Artikel 13 Overige regels In de overige regels is in artikel 13.1 Voldoende parkeergelegenheid geregeld dat bij een nieuw bouwwerk of verandering van een bouwwerk wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. 5.2.4
Overgangs- en slotregels
Artikel 14 Overgangsrecht
51/98
Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 13.1 lid 1 Wro. Enkele bouwmogelijkheden in afwijking van de regels blijven bestaan voor gebouwen die afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bevoegd gezag. Lid 2 betreft de overgangsregels met betrekking tot het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtsmacht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het gebruik is slechts toegestaan indien de afwijzing hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 15 Slotregel Het laatste artikel van de planregels betreft de slotregel van het onderliggende bestemmingsplan.
52/98
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Participatie
Draagvlak De voorgenomen ontwikkeling heeft een relatie met het plan voor woningbouw Tienvoet, waarmee wordt bijgedragen aan het tegengaan van leegstand en invulling wordt gegeven aan de maatschappelijke behoefte aan voldoende en passend woningaanbod. De woningen worden op zorgvuldige wijze ingepast in de bestaande bebouwingsstructuur. Daarnaast is zorgvuldig afgewogen hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de verschillende milieuaspecten. Communicatie en participatie Bij de planontwikkeling van Tienvoet is de ontwikkeling op de Dorpsstraat 1b als onderdeel meegenomen en zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen. Daarnaast zijn informatieavonden georganiseerd en de voortgang van de ontwikkelingen van de locatie en de planning van de werkzaamheden worden bijgehouden op een openbare projectpagina. De formele bestemmingsplanprocedure start met het ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Na het publiceren van het eerste ontwerpbestemmingsplan zijn de uitgangspunten dusdanig gewijzigd dat het plan opnieuw ter inzage wordt gelegd. De wijzigingen hebben voornamelijk betrekking op de verbeelding en de bouwmogelijkheden. De direct omwonenden zijn geïnformeerd over de gewijzigde situatie en de uitkomst van de reactie op hun input wordt aan hen terug gekoppeld.
6.1.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept ontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan overlegpartners in het kader van het wettelijk overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro. De reacties zijn verwerkt in voorliggend bestemmingsplan. 6.1.3
Zienswijzen
Het tweede ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegd. Tijdens de bestemmingsplanprocedure wordt de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Die worden meegewogen bij de beslissing over de vaststelling van het bestemmingsplan. De ontvangen reacties en zienswijzen zullen worden samengevat en beantwoord in een zienswijzenota, die als bijlage X wordt opgenomen.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. Hieronder valt onder meer de bouw van een of meer woningen, alsmede de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen.
53/98
Er is in het plangebied sprake van een aangewezen bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), namelijk de ontwikkeling van nieuwe woningen. Derhalve dient een exploitatieplan opgesteld te worden. Hiervan kan worden afgeweken indien de plankosten anderszins zijn verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een anterieure overeenkomst afgesloten. Derhalve zijn de plankosten anderszins verzekerd en wordt er voldaan aan de eisen voortkomend uit de Wro.
54/98