toelichting
Tekst van het document
DORPSSTRAAT 1B HEINENOORD Hoeksche Waard Bestemmingsplan
1/2
DATUM KENMERK
21 juli 2023 NL.IMRO.1963.BPDrpsstr1bHnd21-ON02
PROJECT PROJECTLEIDER
Dorpsstraat 1b Heinenoord R. van Oosterhout
OPDRACHTGEVER Gemeente Hoeksche Waard PROJECTNUMMER 20201762 AUTEUR STATUS
2/2
R. van Oosterhout ontwerp
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding
9
1.2
Ligging plangebied
9
1.3
Vigerend bestemmingsplan
11
1.4
Leeswijzer
12
Beoogde ontwikkeling
13
2.1
Huidige situatie
13
2.2
Toekomstige situatie
13
Beleidskader
17
3.1
Rijksbeleid
17
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
19
3.3
Gemeentelijk beleid
22
3.4
Conclusie
25
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
27
4.1
Verkeer en parkeren
27
4.2
Wegverkeerslawaai
27
4.3
Water
28
4.4
Ecologie
34
4.5
Luchtkwaliteit
38
4.6
Bedrijven en milieuhinder
39
4.7
Duurzaamheid
40
4.8
Externe veiligheid
41
4.9
Kabels en leidingen
43
4.10
Bodemkwaliteit
44
4.11
Cultuurhistorie en archeologie
45
4.12
Vormvrije m.e.r.- beoordeling
46
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
49
5.1
Inleiding
49
5.2
Artikelsgewijze toelichting
49
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
53
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
6.2
Economische uitvoerbaarheid
53
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De eigenaar van Dorpsstraat 1b te Heinenoord heeft zijn kassen ten zuiden van dit perceel verkocht ten behoeve van de ontwikkeling van de wijk Tienvoet. Als compensatie voor de sloop van deze kassen is de gemeente bereid om medewerking te verlenen aan de realisatie van twee woningen op het perceel Dorpsstraat 1b. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is deze ontwikkeling niet mogelijk, hiertoe dient een nieuw juridisch planologisch kader te worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan dient als kader voor de te ontwikkelen woningen. Naar aanleiding van gewijzigde uitgangspunten is het eerder gepubliceerde ontwerpbestemmingsplan aangepast. De aanpassingen hebben voornamelijk betrekking op de verbeelding en bouwmogelijkheden, derhalve wordt het ontwerpbestemmingsplan opnieuw ter inzage gelegd.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied bevindt zich op het adres Dorpsstraat 1b (tussen Dorpsstraat 1 en 1a) te Heinenoord gemeente Hoeksche Waard (provincie Zuid-Holland). D Momenteel wordt de woonbuurt Tienvoet gerealiseerd op de aangrenzende gronden aan de zuidzijde. Het plangebied wordt aan de noordkant begrensd door de Dorpsstraat, aan de oost- en westzijde wordt het plangebied begrensd door de naastgelegen woonpercelen. De zuidrand wordt gevormd door het plangebied van de nieuw te realiseren woonbuurt Tienvoet. De exacte begrenzing van het plangebied is weergegeven op figuur 1.1.
9/98
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied. (bron: Google Earth)
10/98
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Heinenoord' (vastgesteld op 10-12-2009) en 'Landelijk Gebied Binnenmaas' (vastgesteld op 24-12-2013). Het perceel heeft een agrarische bestemming. Het gehele plangebied is voorzien van twee dubbelbestemmingen ten aanzien van archeologie, te weten: 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde Archeologische verwachting hoog 1'. Een zeer klein deel in het noordwesten van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering'. Op grond van deze bestemming is het bouwen van woningen niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient dan ook een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld.
Figuur 1.2 Uitsnede vigerende bestemmingsplannen t.p.v. het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
11/98
1.4
Leeswijzer
De voorliggende toelichting beschrijft, aan de hand van de verschillende hoofdstukken, gemotiveerd waarom de beoogde ontwikkeling gebaseerd is op goede ruimtelijke ordening. Verder zijn in deze toelichting de planregels en de verbeelding uitgelegd. In hoofdstuk 2 komt het voorgenomen plan aan bod. Het daarop volgende hoofdstuk toetst de ontwikkeling aan het beleidskader. De sectorale aspecten zijn omschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 geeft de juridische planbeschrijving waarin de wijze van bestemmen uiteengezet is. In hoofdstuk 6 is de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
12/98
Hoofdstuk 2 2.1
Beoogde ontwikkeling
Huidige situatie
Lintbebouwing De Dorpsstraat is een karakteriserend bebouwingslint met voornamelijk woningen. Ten hoogte van het plangebied staan de (vrijstaande) woningen onder aan de dijk. De kavels zijn ruim opgezet en er zijn veel landelijke barrières en groen aanwezig, waaronder veel grote bomen die kenmerkend zijn voor het gebied. Opvallend is dat er veel woningen langs de dijk zijn met een mansardedak. De overige woningen hebben vaak een wolfsdak of een zadeldak. Voorzieningen Ten noordoosten van het plangebied ligt de voorzieningenkern met dagelijkse voorzieningen (supermarkt, bakker, kapper), zorgvoorzieningen, sportvoorzieningen, het Museum Hoeksche Waard en een basisschool. Kassen De voormalige kassen in het zuiden van het plangebied zijn gesaneerd. Woonbuurt Tienvoet Ten zuiden van het plangebied wordt een nieuwe woonbuurt genaamd Tienvoet gerealiseerd. Deze woonbuurt heeft een eigen procedure doorlopen en is reeds in aanbouw.
2.2
Toekomstige situatie
Met voorliggend bestemmingsplan worden in het plangebied twee woningen mogelijk gemaakt. Omdat er nog geen concrete bouwplannen zijn voor deze woningen zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgelegd in het inrichtingsplan dat is opgenomen als bijlage 1 bij voorliggend bestemmingsplan. Dit inrichtingsplan gaat uit van 2 woningen, deze kunnen twee-onder-een-kap worden gebouwd of vrijstaand. De woning(en) bestaan uit één bouwlaag met een kap, met een goothoogte van max. 4 meter en een nokhoogte max. 9meter. Toepassen van een traditionele kapvorm: zadeldak of mansardekap is vereist. Een plat dak, tentkap, golfdak of varianten daarop zijn niet toegestaan. Een ruime voortuin is kenmerkend voor het dijklint. De bijgebouwen staan achter op het erf. De ontsluiting vindt plaats bij de huidige dam die uitkomt op het perceel of een nieuwe dam die uitkomt op de nieuwe kavel. De erfafscheiding tussen eventueel beide woningen en naast gelegen kavels dient als groene erfafscheiding te worden gerealiseerd van maximaal 2 meter hoog; Daarbij geldt dat Minimaal 30% van het perceel dient groen ingericht te worden. Minimaal 5 meter van de oever dient vrijgehouden te worrden van bebouwing en de Oeverzijde aan de noordzijde inrichten als natuurvriendelijke oever, geen damwand.
In de navolgende paragraaf worden de uitgangspunten voor de twee-onder-een-kapwoning en de vrijstaande woningen opgesomd en weergeven op de figuren 2.1 en 2.2.
13/98
Gewenst kavelbeeld – twee vrijstaande woningen (met huidige dam) Situering en oriëntatie Er is ruimte voor twee woningen waarbij aan beide zijdes nog voldoende afstand is tot de naast gelegen woningen. Er ontstaat ruimte waardoor het achterliggende landschap vanaf de dijk te ervaren is; De situering van de woningen kan zowel parallel als haaks op de dijk; Gewenst kavelbeeld twee-onder-een-kapwoning (met nieuwe dam) Situering en oriëntatie 1. Er is ruimte voor twee-aaneengebouwde wonineng waarbij aan beide zijdes nog voldoende afstand is tot de naast gelegen woningen, Er ontstaat ruimte waardoor het achterliggende landschap vanaf de dijk te ervaren is; 2. De situering van de woning is bij een twee-onder-een-kapper alleen parallel langs de dijk toegestaan. De maximale breedte van een twee-onder-een-kapper is 20 meter. Bij de vrijstaande woningen is de situering zowel parallel als haaks op de dijk toegestaan
14/98
Figuur 2.1 Gewenst kavelbeeld – twee vrijstaande woningen (met huidige dam)
15/98
Figuur 2.2 Gewenst kavelbeeld twee-onder-een-kapwoning (met nieuwe dam)
16/98
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is.
Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
17/98
Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.
Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit. Ruimte voor overgang naar een circulaire economie. Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijven. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fietsen wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing Het mogelijk maken van een beperkt aantal nieuwe woningen in het dijklint van Heinenoord past binnen het rijksbeleid.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
De Nationale Omgevingsvisie is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het gaat om kaders voor bijvoorbeeld rijksvaarwegen, het kustfundament, project Mainportontwikkeling Rotterdam en grote rivieren. Toetsing Het Barro kent geen concrete kaders, directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma's die op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn.
3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Overheden die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk willen maken, moeten beschrijven waarom er behoefte is aan de ontwikkeling en als die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, motiveren waarom er niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
18/98
Toetsing In het kader van de ladder is het van belang dat er met voorliggend bestemmingsplan woningen worden mogelijk gemaakt. In dit geval is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Het gaat om minder dan 11 woningen op een perceel in een bebouwingslint. Aanvullende onderbouwing in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna ingegaan op de woningbehoefte.
3.1.4 Conclusie Het rijksbeleid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie (Geconsolideerd april 2023
In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in nationale wet- en regelgeving. Toepassing is van provinciaal belang, daarom is in de verordening een verwijzing opgenomen. Uitgangspunt van de Ladder is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Het doel is een zorgvuldig gebruik van de ruimte. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor in ieder geval wonen en kantoren af met andere gemeenten in de regio. Toetsing Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint van de Dorpsstraat. Het aantal woningen dat met voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt is regionaal afgestemd.
3.2.2 Omgevingsverordening (Geconsolideerd april 2023) In samenhang met de omgevingsvisie is de omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
19/98
2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6.
Specifieke regels voor de gebiedstypen als opgenomen in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d, 6.9e, 6.9f en 6.9g, zijn van toepassing, tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 6.9e, in de weg staat. 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.
20/98
8. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. 9 t/m 12 zijn niet van toepassing. Toetsing artikel 6.9 De beschermingscategorie ter plaatse van het plangebied betreft 'beschermingscategorie 3 buitengebied'. In dit geval is sprake van 'inpassen', er dient derhalve te worden voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen, mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale omgevingsvisie genoemde doelstellingen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Toetsing 6.10 a: De ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen in paragraaf 3.1.3. 6.10 b: N.v.t.. Artikel 6.27a risico's van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d.
droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico's op het risico van bodemdaling.
21/98
Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. Toetsing `Met voorliggend bestemmingsplan worden twee nader uitte werken woningen mogelijk gemaakt, de bovengenoemde zaken worden gelijktijdig met de woningen nader uitgewerkt.Er dient in ieder geval voldaan te worden aan de inrichtingseis van 30% groen, waardoor voldoende ruimte gereserveerd is voor het planten van bomen voor schaduw en het infiltreren van water.
3.2.3
Conclusie
Het provinciaal beleid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Hoeksche Waard
De gemeenteraad van de gemeente Hoeksche Waard stelde de Omgevingsvisie Hoeksche Waard op 17 december 2019 vast. De omgevingsvisie is te raadplegen op www.omgevingsvisiehoekschewaard.nl/. Lange tijd nam de overheid in haar beleid het voortouw als het ging om het bepalen van kwaliteit in de leefomgeving. De Omgevingsvisie biedt handvatten en inspiratie aan iedereen die een bijdrage wil leveren aan de Hoeksche Waard. Dat noemt de gemeente Waardmaken. Bouwstenen voor de kern Heinenoord De gemeente Hoeksche waard heeft voor het opstellen van de omgevingsvisie bouwstenen voor elke kern vastgelegd. De belangrijkste elementen voor Heinenoord worden als volgt benoemd: Dijken, opwas- en aanwaspolder. Tweezijdige lintbebouwing aan de dijk, de Dorpsstraat, kleinschalig. De Kreek met de haven. Kerk, Hof van Assendelft en de Leeuwenstein herenboerderijen. Representatieve gebouwen in de opwaspolder, woningen in de aanwaspolder 1900. Planmatige 19 de eeuwse woningbouw uitbreiding 1950. De ruimtelijke opgaves en aandachtspunten zijn als volgt verwoord: Herontwikkeling locatie vml. geref. kerk, hoek Nassaustraat/Marijkelaan. In standhouden/versterken bestaande lintbebouwing op de dijk (zuidzijde) en de open, groene setting van de (oude) huizen onder aan de dijk (noordzijde).
Zoveel mogelijk open houden van bestaande doorzichten vanuit de openbare ruimte in de bebouwde kom (zoals de Tuinweg, Gravin Sabinastraat/Marijkelaan, Ridder van Dorplaan/Ericastraat, Margrietlaan, De Beatrixlaan/pad, De Leeuw) naar het open buitengebied.
22/98
Ruimtelijke opgaves en aandachtspunten: In stand houden/versterken bestaande karakteristieke lintbebouwing langs de Dorpsstraat en de open, groene setting langs de open plekken aan de dijk. Maatschappelijke opgaven De relevante maatschappelijke opgave in de Hoeksche Waard is als volgt geformuleerd: Als de trend zich doorzet krijgt de Hoeksche Waard te maken met krimp van de bevolking. Als gevolg van de vergrijzing raakt de verhouding tussen jongere en oudere huishoudens dusdanig uit balans dat het draagvlak voor bepaalde voorzieningen verder onder druk komt te staan. Wanneer een evenwichtig samengestelde samenstelling van de bevolking het doel is, is het nodig dat er tot 2035 circa 3.500 nieuwe huishoudens instromen in de Hoeksche Waard. Dat komt bovenop de vraag naar circa 3.100 woningen die tot 2030 nodig zijn als gevolg van gezinsverdunning. 'Dorpse Trots' Dit deelgebied omvat alle dorpen in de Hoeksche Waard. Doordat de Hoeksche Waard letterlijk een eiland is, zijn mensen op elkaar aangewezen, staat zorg voor elkaar hoog in het vaandel en bloeit het verenigingsleven. De Hoeksche Waard kent (mede daardoor) kleine, hechte gemeenschappen met veelal een geheel eigen identiteit. De combinatie van ondernemerszin en de zorg voor elkaar maakt het eiland zeer aantrekkelijk voor gezinnen. De dorpen in de Hoeksche Waard zijn nauw verbonden met de inpolderingsgeschiedenis.
Veel nederzettingen zijn gekoppeld aan de dijken of aan het water. De dijken in de dorpen zijn van oudsher bebouwd en bewoond en hebben een functie als ontsluitingsweg. Dit heeft tot verschillende typen dorpen geleid, met een eigen stedenbouwkundige structuur. Belangrijkste hoofdgroepen zijn de voorstraatdorpen en de dijkdorpen, daarnaast zijn er nog rivierrug- en kreekrugdorpen. Er zijn ook combinatietypen zoals voorstraatdorpen. De gemeente gaat uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In- en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. In het dorpsgericht werken moeten initiatieven bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp. Bij ontwikkelingen in de dorpen kijken we niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar met name ook naar de gevolgen voor het sociale netwerk in het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin in het dorp. Daarbij geldt als uitgangspunt dat eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp worden benut, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp.
De uitgangspunten hierbij zijn als volgt: Versterken van de onderscheidende identiteit per dorp. Versterken van de gemeenschapszin in het dorp. Versterken van de vitaliteit en leefbaarheid per dorp. Versterken van de natuurlijke overgang van het dorp naar het landelijk gebied. Bedrijvigheid met toegevoegde waarde voor de Hoeksche Waard. Sociale cohesie onder bevolking faciliteren en versterken. Versterken van de inclusieve samenleving. Levensloopbestendige woningen; zelfstandige woningen die geschikt zijn (te maken) voor bewoning in alle
23/98
levensfasen. Op die manier kunnen ouderen of mensen met een lichamelijke beperking prettig en comfortabel wonen. Men hoeft niet noodgedwongen bestaande sociale contacten te verbreken en de vertrouwde sociale omgeving te verlaten. Creatieve aanpak voor het realiseren van seniorenwoningen. Groepsgewijs bouwen, dicht bij (medische) verzorging. Prijsvraag uitschrijven! Herbestemming van bestaande panden, waarbij je generaties samenbrengt – zorg voor elkaar – contacten – vriendschappen; 1. Ombouwen voormalige gemeentehuizen voor o.a. studentenwoningen. 2. Leegstaande winkel-/ kantoorpanden ombouwen naar woonbestemming met sociale voorzieningen. Betaalbaar wonen voor jongeren door samen een woning te delen; denk aan Friendswonen. Flexibel wonen voor starters. Woonvorm voor 'jonge ouderen' en 'oudere jongeren' die graag elkaar helpen en zo lang mogelijk zelfstandig willen wonen. Het concept van veilig wonen met veel privacy en tegelijkertijd alle voordelen van samenwonen met een bijvoorbeeld een gezamenlijke binnentuin. Meergeneratiewonen met een mix van jong en oud(er), die elkaar versterken en ondersteunen. Tiny Houses: Een nieuwe woonvorm met een duidelijke filosofie. Kleine volwaardige vrijstaande woningen met een zo klein mogelijke ecologische voetafdruk. Dynamische hot spots: Plekken waar creatief ondernemerschap de ruimte krijgt.
Door vooral creatieve zelfstandigen in een verzamelgebouw onder te brengen, wordt niet alleen het leegstandsprobleem aangepakt, er ontstaat bovendien een broedplaats waaruit mooie dingen kunnen voortkomen. Voordeel van samenvoegen, is dat er een smeltkroes – creatieve 'fabriek' – ontstaat waar mensen elkaar inspireren, ideeën uitwisselen en samenwerken, en waaruit nieuwe innovatieve ideeën kunnen ontstaan. (Buurt)cultuurhuizen – theater Karakteristieke panden, of panden die van oudsher een andere bestemming hadden, spreken tot de verbeelding van de bewoners van de Hoeksche Waard. In plaats van leegstand, of afbraak, is het zeer interessant deze panden een culturele (wijk)bestemming te geven. Behoud van historie met het oog op de toekomst. Een plek creëren waar mensen elkaar kunnen ontmoeten en waar laagdrempelig culturele activiteiten kunnen plaatsvinden.
Toetsing Met voorliggend plan wordt de dijklintbebouwing van de Dorpsstraat versterkt. Conclusie Het voorliggende plan sluit aan bij de omgevingsvisie.
3.3.2
Nota Ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard.
In de Nota Ruimtelijke kwaliteit Hoeksche Waard. zijn de samenhang in de eigenschappen van gebieden en objecten vertaald in objectieve beoordelingscriteria die de burger en de bouwplantoetser een houvast moeten bieden bij het opstellen en het beoordelen van bouwplannen. Heinenoord is in de welstandsnota volledig aangewezen als zeer waardevol welstandsgebied. Dit vanwege haar hoge cultuurhistorische waarde en de aanwezigheid van veel monumentale panden.
24/98
Waardevolle welstandsgebieden zullen vanwege hun zeer hoge waarde kritisch aan welstandscriteria getoetst worden. Het welstandsbeleid is erop gericht de historische kwaliteit te behouden en waar mogelijk te versterken. Voor dit gebied is het welstandsbeleid daarom uitgewerkt tot op een klein schaalniveau. Aandachtspunten voor welstandstoezicht zijn o.a. cultuurhistorische herkenbaarheden, diversiteit in gevelwanden, positionering, massa en maatvoering, aandacht voor hoeksituaties, detaillering van gevel en dakvlak, materialen en kleuren en reclame-uitingen. Ook voor specifieke bouwwerken is het vaststellen van het welstandsniveau van belang. Toetsing Nadat de woningen zijn uitgewerkt zal de welstandscommissie van de gemeente Hoeksche Waard het bouwplan toetsen aan de eisen van welstand.
3.3.3
Conclusie
Het gemeentelijk beleid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
3.4
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in lijn met zowel het rijks- provinciaal als het gemeentelijke beleid.
25/98
26/98
Hoofdstuk 4
Sectorale aspecten
4.1
Verkeer en parkeren
4.1.1
Toetsingskader
De bouw van twee woningen heeft gevolgen voor de verkeersaspecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid, verkeersgeneratie, afwikkeling van het verkeer en de parkeerbehoefte voor de nieuwe ontwikkeling. De kencijfers uit 'CROW publicatie 381' zijn toegepast voor de parkeervraag en de verkeersgeneratie. Voor het bepalen van het kencijfer is uitgegaan van een 'niet stedelijke' gemeente en voor de locatie een ligging in 'rest bebouwde kom'. 4.1.2 Bereikbaarheid De ontsluiting van het perceel zal verlopen via de bestaande of nieuwe dam op de Dorpsstraat.
4.1.3
Verkeersgeneratie en afwikkeling
De beperkte verkeersgeneratie van de twee woningen zal opgaan in het heersende verkeersbeeld op de Dorpsstraat.
4.1.4
Parkeren
De parkeerbehoefte van 2,3 parkeerplaatsen per woning wordt geheel voorzien op het eigen terrein. Hier is voldoende ruimte voor beschikbaar.
4.1.5
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.2
Wegverkeerslawaai
4.2.1
Beleidskader
Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van stedelijke of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De ontwikkeling vindt plaats in de zones van de Dorpsstraat en de Oud-Heinenoordseweg. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
27/98
4.2.2 Onderzoek en conclusie Door Rho Adviseurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 2 van voorliggend bestemmingsplan. Hoewel dit onderzoek uitgaat van de verouderde verbeelding blijven de conclusies een aanbevelingen uit de rapportage in stand. De geluidbelasting van de Dorpsstraat is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar voldoet aan de maximale ontheffingswaarde. Omdat wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid, kunnen hogere waarden worden aangevraagd. Conclusie De geluidbelasting van de Dorpsstraat is hoger dan de voorkeursgrenswaarde, maar voldoet aan de maximale ontheffingswaarde. Omdat wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid, kunnen hogere waarden worden aangevraagd. De Oud-Heinenoordseweg zorgt niet voor een relevante geluidbelasting. Aan te vragen hogere waarden. Voor de twee woningen dient een hogere waarde van 54 dB aan te worden gevraagd.
4.3
Water
4.3.1
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgenomen ontwikkeling. De digitale watertoets is uitgevoerd op 29 april 2021, het toetsresultaat is in bijlage 8 weergegeven. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. (PM reactie) Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet
28/98
Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale omgevingsvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta: waterveiligheid (dijken en duinen) versterkte duinen meer biodiversiteit op de dijken minder CO2-uitstoot, vergoten meer innovatie voldoende schoonwater Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld.
Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief.
4.3.2 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich op het adres Dorpsstraat 1b (tussen Dorpsstraat 1 en 1a) te Heinenoord en is momenteel deels onverhard.
29/98
Bodem en grondwater Op de Bodemkaart is te zien dat de bodem van het plangebied uit zavel met homogeen profiel bestaat (figuur 4.1). Met betrekking tot het grondwater is ter plaatse van het plangebied sprake van grondwatertrap Vb= H <40 L >120 (figuur 4.2). Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) minder dan 40 centimeter onder maaiveld betreft. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt op meer dan 120 centimeter onder maaiveld. Het maaiveld ligt op circa 0,2 m onder NAP.
Figuur 4.1 Overige bodemsoorten plangebied (rood omcirkeld) (bron: Bodemkaart)
30/98
Figuur 4.2 Overzicht grondwatertrappen plangebied rood omcirkeld (bron: Bodemkaart) Waterkwantiteit Conform de Legger van het waterschap Hollandse Delta bevinden zich ten noorden en ten oosten van het plangebied twee overige watergangen. Volgens de Legger van het waterschap Hollandse Delta kent de watergang behorende tot de categorie 'overig' een beschermingszone van 1 m. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van het waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden (figuur 4.3).
31/98
Figuur 4.3 Uitsnede Legger Waterschap Hollandse Delta met het plangebied rood omlijnd Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Ten noorden grenst het plangebied aan de beschermingszone van een regionale waterkering. Afvalwaterketen en riolering De bestaande bebouwing is momenteel aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. 4.3.3
Toekomstige situatie
Het plan is om 2 woningen te realiseren. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit In het plangebied bevinden zich twee watergangen in de categorie 'overig' met een beschermingszone van 1 m. Voor werkzaamheden in de beschermingszone dient een watervergunning aangevraagd te worden. De toename in verharding is op basis van een luchtfoto en de plankaart in tabel 4.1 berekend, omdat het bouwvlak slechts voor 60% mag worden bebouwd en de woonbestemming in overwegende mate als tuin zal worden gebruikt is de laatste voor 50% opgenomen in de berekening.
32/98
Tabel 4.1 Watercompensatieberekening Bruto m²
Verhardingspercentage
Netto oppervlak (m²)
-bebouwing
700
100%
700
- verharding
450
100%
450
-groen
660
0%
0
Totaal huidig
1810
Huidige situatie
1150
Toekomstige situatie -Bouwvlak
440
100%
440
-Woonbestemming
900
50%
450
-Groen/tuin
275
50%
138
-Tuin( inrit/erf buurman) 195
100%
195
Totaal nieuw Te compenseren
1810
1223 73
De toename in verharding van de ontwikkeling zal onder de grens van 500 m² blijven, waardoor compensatie niet noodzakelijk is. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen Voor werkzaamheden in de beschermingszone van de regionale waterkering dient een watervergunning aangevraagd te worden om een negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving uit te sluiten. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Er zijn voldoende mogelijkheden om het hemelwater af te wikkelen op het oppervlaktewater nabij het plangebied. 4.3.4 Conclusie In de omgeving van het plangebied bevindt zich een regionale waterkering en twee watergangen in de categorie 'overig'.
Voor werkzaamheden in de beschermingszones hiervan dient een watervergunning aangevraagd te worden. Hiermee kunnen negatieve effecten op het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse van het plangebied uitgesloten worden.
33/98
4.4
Ecologie
4.4.1
Wet natuurbescherming
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
34/98
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.4.2 Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied de Biesbosch ligt op circa 15 kilometer. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN bevindt zich op een afstand van circa 680 m (figuur 4.4).
35/98
Figuur 4.4 Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. beschermde natuurgebieden Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten. De aanleg en gebruiksfase van de ontwikkeling leidt niet tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. De memo is te vinden in bijlage 3 en de berekening in bijlage 4.
4.4.3 Soortenbescherming In opdracht van Rho adviseurs heeft Habitus het plangebied en de aanwezige opstallen onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. In tabel 4.2 zijn de resultaten van dit onderzoek weergegeven. Tabel 4.2 Samenvattende conclusie
Maatregelen beschermde soorten: Er zijn maatregelen nodig voor beschermde vogels. Vogels zonder jaarrond beschermd nest Voorkom vernietiging van vogelnesten óf een verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van een in Europa inheemse vogelsoort. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden. De meeste vogels broeden globaal tussen half maart en half augustus. Echter, alle broedende in Europa inheemse vogelsoorten zijn te allen tijde beschermd.
36/98
Maatregel 1: verricht de werkzaamheden buiten de broedperiode van de aanwezige soorten. Op basis van het veldbezoek waarin we op aanwezige vogelsoorten hebben gelet én op basis van de aanwezige biotopen, verwachten wij dat de broedperiode loopt van half maart t/m half augustus. Indien het niet mogelijk is om buiten deze broedperiode te werken, kan maatregel 2 uitkomst bieden. Maatregel 2: laat voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren door een ecoloog. Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de werkzaamheden alsnog plaatsvinden. Oeverzwaluw Voorkom vestiging van oeverzwaluw door in de periode april t/m juni steilwanden te voorkomen (in de vorm van zanddepots en afgravingen). Of zorg voor geleidelijke overgangen met een minimale verhouding van 1:3 óf dek de zandhopen af met een stevig zeil. Witte kwikstaart en zwarte roodstaart Vogelsoorten zoals de witte kwikstaart en zwarte roodstaart kunnen aanwezig zijn op bouwterreinen en broeden in hopen afval of bouwmateriaal. Als de soort tot broeden komt op het terrein is het nest beschermd en zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Maatregel: voorkom vestiging van deze soorten door in de broedperiode (globaal van half maart t/m eind juli) bouwmateriaal, hopen houtafval of stenen direct te verwijderen uit het plangebied. Of dek de bouwmaterialen geheel af met een stevig zeil of doek.
Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. Uit de zorgplicht volgt dat nadelige gevolgen voor flora of fauna voorkomen worden of dat noodzakelijke maatregelen getroffen worden. Om invulling te geven aan de zorgplicht wordt de volgende strategie gevolgd: 1. In eerste instantie worden alle vaste rust- of verblijfplaatsen waar mogelijk gespaard of worden de werkzaamheden verricht buiten de verstoringsafstand van de betreffende soorten. 2. Indien dit niet mogelijk is, vinden de werkzaamheden plaats buiten de kwetsbare perioden voor de betreffende soorten. De voortplantingsperiode en de winterrust zijn hier voorbeelden van. Indien niet aan deze strategie voldaan kan worden, zijn andere maatregelen minimaal benodigd om nadelige gevolgen te voorkomen. Deze zijn in paragraaf 5.2 van bijlage 5 te vinden. 4.4.4 Conclusie Gebiedsbescherming en soortenbescherming geven geen belemmeringen voor het uitvoeren van de werkzaamheden ter plaatse van het plangebied. Wel moet te allen tijde de zorgplicht in acht worden genomen. Het aspect ecologie staat de ontwikkeling niet in de weg.
37/98
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
fijn stof (PM2,5)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.
4.5.2
Onderzoek en conclusie
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 woningen. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
38/98
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Rijksweg A29. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020 29,6 µg/m³ voor NO2, 18,5 µg/m³ voor PM10 en 10,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,5. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het effect ten gevolge van het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentratie NO2 en fijn stof. Conform de Regeling NIBM wordt immers voldaan aan het begrip 'Niet in betekenende mate' (NIBM). Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6
Bedrijven en milieuhinder
4.6.1
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. 4.6.2
Onderzoek en conclusie
In de beoogde situatie worden woningen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-publicatie. In de directe omgeving van het plangebied zijn naast woningen ook enkele maatschappelijke functies en bedrijven aanwezig. Het plangebied kan door de beperkt aanwezige andere functies zodoende worden getypeerd als 'rustige woonwijk'. Ten zuidoosten bevindt zich een maatschappelijke bestemming. Het betreft een begraafplaats welke volgens de VNG-brochure in milieucategorie 1 valt met een richtafstand van 10 m in een rustige woonwijk. Met een afstand van circa 60 m tot het plangebied wordt hier ruim aan voldaan.
39/98
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven of andere bestemmingen aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun functie uitoefening worden beperkt.
4.7
Duurzaamheid
4.7.1
Toetsingskader
Hoeksche Waard Energieneutraal 2040 De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten is de 'Energievisie Hoeksche Waard 2016-2020' opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard. De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica, waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het beperken van de energiebehoefte. Dit uit zich in 3 pijlers: energie besparen in de bebouwde omgeving (o.a. isolatie); opwekken van duurzame energie (o.a. wind, zon, biomassa, getijdenenergie); duurzame mobiliteit (o.a. elektrische auto's en fietsen, openbaar vervoer). Tot slot zijn er twee belangrijke neveneffecten. Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander handelen door deze jeugd over 10 jaar.
Naast de Energievisie is er ook een 'Regionaal Uitvoeringsprogramma Energievisie 2016-2020' opgesteld. De Energievisie is in dit Uitvoeringsprogramma uitgewerkt tot concrete activiteiten voor de jaren 2016-2020. Een aantal van deze activiteiten is het afgelopen jaar en begin 2017 al in gang gezet. Met dit Uitvoeringsprogramma worden deze activiteiten gestructureerd en zichtbaar gemaakt. Daarnaast starten wij op basis van dit uitvoeringsprogramma diverse nieuwe activiteiten. Voor het Uitvoeringsprogramma en de Energievisie is input verzameld van het maatschappelijk middenveld en vanuit het Regionale Raadsledenoverleg (ROHW). Het Uitvoeringsprogramma wordt elk jaar opnieuw bekeken of het nodig is om het te actualiseren om op deze manier per jaar projecten uit te voeren die actueel, (financieel)haalbaar en marktgericht zijn. Elke activiteit wordt in dit uitvoeringsprogramma toegelicht en bestaat uit de onderdelen; resultaat, planning, kosten en status.