CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting buitendijk 28

Besluitvormende raad 7 maart 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitendijk 28 Strijensas13.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Het plan betreft de wijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van twee vrijstaande woningen. Om de externe veiligheid binnen plangebied te waarborgen is door DGMR Adviseurs een is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: Inventarisatie risicobronnen De risicobronnen betreffen: • ‘Transport van gevaarlijke stoffen over het Hollands Diep ten zuiden van de planlocatie. • Hogedruk aardgasleidingen ten noorden en ten oosten van de planlocatie en • Bedrijven met propaantanks ten noordwesten van de planlocatie. Buiten de kaart liggen op grotere afstand : • het bedrijventerrein Moerdijk (2,1 km) met daarop onder meer de risicobedrijven NTG Logistics B.V. (NTG, voorheen Gondrand Traffic B.V.), 37

•

Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. (ATM) en Shell Nederland Chemie B.V. (Shell) en de transportroutes A16 (3,6 km) en de spoorlijn Dordrecht – Lage Zwaluwe (4,1 km).’

Afbeelding 15: Ligging van de risicobronnen rondom het plangebied (blauw): transport van geklasseerde stoffen over water (zwart en rood), de buisleidingen (rode stippellijnen) en bedrijven met propaantanks (rode stippen)

Transport over het Hollands Diep ‘De oever van het Hollands Diep ligt op 380 meter ten zuiden van de planlocatie; de vaarweg ligt op 520 meter van de planlocatie. Het Hollands Diep behoort tot het Basisnet water en maakt deel uit van het corridor Westerschelde – Rijn. Ten zuiden van de Sassenplaat ligt ook het corridor Rotterdam - Moerdijk. Over beide trajecten worden zowel brandbare als toxische gassen en vloeistoffen vervoerd. Voor het Basisnet water moet de 10-6 PR-contour boven het water liggen en wordt op de oever per definitie voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico. De vrijwaringszone geldt als plasbrandaandachtsgebied en is maximaal 50 meter vanaf de oever. De planlocatie ligt buiten deze zone, zodat de bouwkundige eisen die gelden voor plasbrandaandachtsgebieden niet van toepassing zijn. Voor vaarwegen is het groepsrisico laag en zijn doorgaans geen berekeningen nodig. Het invloedsgebied wordt bepaald door toxische gassen en is 1.070 meter vanaf de vaarweg. In dit geval is daarom een beperkte verantwoording nodig voor het transport over het corridor Westerschelde – Rijn. Voor het corridor Rotterdam Moerdijk (zeevaartroute) is vanwege de grotere afstand tot het plangebied (meer dan 1.070 meter) geen verantwoording nodig.’

38

Buisleidingen ‘De buisleidingen A-667 (aardgas, 80 bar, 48” diameter) en Air Liquide 7012 (stikstof, 64 bar, 6” diameter) liggen beide op 900 meter ten noorden van de planlocatie. De aardgasleiding heeft een invloedsgebied van 580 meter en vormt voor de planlocatie geen relevant extern risico. Voor de leiding van Air liquide is de 1% letaliteitsafstand kleiner dan één meter; deze leiding vormt daarmee ook geen extern risico voor de planlocatie.’ Risicobronnen op grote afstand ‘Over zowel de snelweg A16 als de spoorlijn Dordrecht – Lage Zwaluwe, die beide op circa 4 km van de planlocatie liggen, worden zeer toxische stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van deze zeer toxische stoffen is > 4 km. Formeel is vanwege het vervoer van toxische stoffen daarom een beperkte verantwoording nodig. Ook voor de Brzo-bedrijven op industrieterrein Moerdijk kan in geval van een grote effectafstand een verantwoording nodig zijn. Op een afstand van meer dan 2 km tot de planlocatie zijn alleen gifwolken relevant. Bij de huidige wetgeving is bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een risicobron een verantwoording van het groepsrisico verplicht. Voor transportroutes volstaat bij een ontwikkeling op meer dan 200 meter van de risicobron een beperkte verantwoording, waarbij alleen wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Voor bedrijven is conform het Bevi een volledige verantwoording vereist, waarbij naast bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid wordt ingegaan op ruimtelijke alternatieven, bronmaatregelen en een doorkijk naar de toekomst. Met het ingaan van de Omgevingswet worden rondom risicobedrijven aandachtsgebieden aangewezen. Deze worden gemaximaliseerd op 1.500 meter. Voor transportroutes gelden alleen aandachtsgebieden voor brand en explosie en niet voor gifwolken. Bij toepassing van de Omgevingswet ligt de planlocatie ligt daardoor niet in het aandachtsgebied van deze risicobronnen’ Aanzet tot verantwoording groepsrisico ‘De gemeente Hoeksche Waard moet bij vaststelling van het bestemmingsplan het groepsrisico verantwoorden als gevolg van het transport van geklasseerde stoffen over het Hollands Diep, de snelweg A16, de spoorlijn Dordrecht – Lage Zwaluwe en van de bedrijven Shell, ATM en NTG op bedrijventerrein Moerdijk. Omdat de transportroutes op meer dan 200 meter van de planlocatie liggen, volstaat volgens het Bevt artikel 7 een beperkte verantwoording, waarbij alleen wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor bedrijven is volgens het Bevi een volledige verantwoording is vereist, waarbij ook wordt ingegaan op ruimtelijke alternatieven, bronmaatregelen en een doorkijk naar de toekomst. Voor overige externe risicobronnen is geen verantwoording nodig.

(…) De VRZHZ kan zich vinden in de eerder voorgestelde aanzet. Aanvullend wijst zij erop dat dient te worden voldaan aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Gezien de eisen die hiervoor reeds gelden voor de omringende bebouwing en de nabijheid van voldoende oppervlaktewater lijkt dit goed te doen als dit water goed te bereiken is.’ 39

Bestrijdbaarheid ‘De bestrijdbaarheid van een calamiteit op de transportroutes verandert niet door de realisatie van het plan. Het plan bestaat uit de bouw van twee woningen en wordt omgeven door bestaande bebouwing. Vanwege de afstand tot externe risicobronnen is een gifwolk het enige relevante scenario. Daarvoor kan men inpandig schuilen. Aanvullende mogelijkheden voor ontruiming zijn daarom niet nodig. Vanwege de afstand van de planlocatie tot de risicobronnen, veroorzaakt het plan ook geen barrière voor de hulpdiensten om een ongevalslocatie te bereiken.’ Zelfredzaamheid ‘Vanwege de afstand tot externe risicobronnen is een gifwolk het enige relevante scenario. Daarvoor kan men inpandig schuilen, moet men ramen en deuren sluiten en eventuele mechanische ventilatie uit schakelen. Tijdige alarmering is in dat geval belangrijk. De planlocatie wordt omringd door bestaande woningbouw en ligt binnen het dekkingsgebied van alarmeringsinstallaties’ Personendichtheid rondom risicobronnen en groepsrisico ‘De drie risicobedrijven Shell, ATM en NTG bevinden zich op een industrieterrein met een lage dichtheid. Dat geldt ook voor de omgeving die, afgezien van de woonkernen Klundert en Moerdijk wordt gekenmerkt door landbouwgrond en open water. • Voor Shell is op de risicokaart het groepsrisico op basis van een QRA uit 2011 beschikbaar. Het groepsrisico ligt net boven de oriëntatiewaarde.

• Voor ATM is op de risicokaart het groepsrisico op basis van een QRA uit 2015 beschikbaar. Het groepsrisico ligt rond 0,1 keer de oriëntatiewaarde. • Voor NTG is via de risicokaart geen groepsrisico beschikbaar. De twee extra woningen leiden tot circa 5 extra personen binnen het invloedsgebied, maar op grote afstand van de risicobron. De combinatie van dit aantal en de afstand betekent dat geen sprake is van een verandering van het groepsrisico.’ Afweging bronmaatregelen en aanscherping voorschriften risicobedrijf ‘Vanwege de kleine omvang van het plan en de afstand tot de externe risicobronnen is de bijdrage aan het groepsrisico van de risicobedrijven Shell, ATM en NTG minimaal. Daarom worden geen aanvullende maatregelen getroffen bij deze bedrijven om het groepsrisico verder te beperken en worden geen aanvullende voorschriften opgelegd. Ook voor de toekomst zijn geen maatregelen voorzien.’ Alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen ‘De voorgenomen ontwikkeling betreft een inbreilocatie waarmee een op dit moment leegstaande schuren worden vervangen door twee woningen. Naast het efficiënt gebruik van grond wordt mede door deze ontwikkeling voorzien in de behoefte om in deze woonkern te wonen.

Omdat de ontwikkelaar alleen de betreffende locatie in bezit heeft, is een andere locatie voor deze woningbouw geen optie.’ Afweging maatregelen in ruimtelijk besluit ‘Vanwege de afstand tot risicobronnen is de bijdrage aan het groepsrisico klein. Een alternatieve invulling van het plan leidt tot verwaarloosbare verschillen, waarbij meer woningen rekenkundig tot een verwaarloosbaar hoger risico leiden en minder woningen tot een verwaarloosbaar lager risico. Een andere spreiding van de woningen is met betrekking tot de risicobronnen niet mogelijk’ 40

Afweging toekomstige maatregelen ‘Er zijn geen toekomstige maatregelen gezien aan de bronkant en ook niet ten aanzien van de ruimtelijke indeling’ Afweging bouwkundige maatregelen ‘De voorgenomen woningen liggen op zodanige afstand van de risicobronnen dat bouwkundige maatregelen ten aanzien van brand of explosie niet nodig zijn. Met betrekking tot toxische wolken kan men inpandig schuilen en voldoen de woningen aan artikel 3.31 van het Bouwbesluit: mechanische ventilatie van de woningen is uit te schakelen.’ Conclusie ‘Externe risicobronnen liggen op 500 meter en verder van de planlocatie en kunnen alleen als toxische wolk een extern risico voor de planlocatie vormen. De gemeente Hoeksche Waard moet bij vaststelling van deze wijziging het groepsrisico verantwoorden van het transport van geklasseerde stoffen over het Hollands Diep, de A16, de spoorlijn Dordrecht – Lage Zwaluwe en van de bedrijven Shell, ATM en NTG (voorheen Gondrand Traffic B.V.) op bedrijventerrein Moerdijk. Omdat het om de ontwikkeling van twee extra woningen gaat op ruime afstand van de risicobronnen, zijn de gevolgen voor het groepsrisico klein.’ Explosieven In verband met baggerwerkzaamheden van het Waterschap Hollandse Delta is er voor de locatie een adviesrapport Conventionele Explosieven opgesteld. In het rapport wordt het gebied als verdacht gearceerd.

Het zuiden van de Hoeksche Waard –en met name het gebied ten zuiden van de kern Strijen- is aan het einde van de tweede wereld oorlog frontline geweest. Er zijn hier beschietingen geweest over en weer met als gevolg dat er een reële kans bestaat dat er niet ontplofte explosieven in de grond zijn achter zijn gebleven. Er twee aspecten in dit kader van belang. 1. De arbeidsomstandigheden wet met het bevoegd gezag de arbeidsinspectie en 2. de openbare orde en veiligheid met het bevoegd gezag de burgemeester. Omtrent het veilig kunnen werken ligt er een verantwoordelijkheid bij de opdrachtgever/bouwer. Voor de OOV-situatie bij de gemeente. Uit het oogpunt van openbare orde en veiligheid is een nader NGE WOII onderzoek van de locatie noodzakelijk. Dit dient door een erkent adviesbureau, voordat er graafwerkzaamheden worden gedaan, uitgevoerd te worden. Het uitgebrachte advies moet ter beoordeling worden aangeboden aan integrale veiligheid. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen, wel dient voorafgaand aan de bouw-/sloopwerkzaamheden een NGE WOII onderzoek op de locatie uitgevoerd te zijn.

41

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Voor het plangebied is een oriënterende Click-melding uitgevoerd. Gezien er aan de oostkant van het plangebied een aantal leidingen gelegen zijn, is ervoor gekozen de woning op minimaal 2,5 meter van de leidingen te positioneren. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

42

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan betreft de wijziging van een agrarische bedrijfswoning en de realisatie van twee vrijstaande woningen. Om de invloed van de geplande bouwwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: Soortenbescherming ‘De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.

De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.’ Te treffen maatregelen • ‘Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Na de beoogde ontwikkeling dient er geen lichtuitstraling te zijn richting de rivier de Strijensche Haven. • De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’

43

Gebiedsbescherming ‘De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffers en er zijn karakteristieke landschapselementen aanwezig. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk./ Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator.’

Afbeelding 16: Afstand tot Natura 2000 gebieden

Afbeelding 17: Afstand tot Natuurnetwerk Nederland

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect ecologie geen belemmeringen. 44

4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op natuurgebieden berekend worden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden.

Daarnaast is de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de Wnb-vergunning. Deze vrijstelling geldt alleen voor de aanlegfase, niet voor de gebruiksfase. Bouw-, sloopen aanlegwerkzaamheden tijdens de aanlegfase hoeven daardoor niet meer beoordeeld te worden op het aspect stikstofdepositie. Onderzoek Voor het plan is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘In de voortoets stikstofdepositie is voor het plan de stikstofdepositie vanwege de aanleg- en gebruiksfase ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden voor het rekenjaar 2022 berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2020. Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. (…) Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen. 45

4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Door Linge Milieu B.V. is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd om de staat van de bodem van het plangebied vast te stellen. De conclusie uit het onderzoek luidt: ‘De bodem rond de opstallen bestaat uit siltig, grijsbruin zand, overgaand in klei en wat venige dunne lagen op een diepte van 1.5 m-mv. Vanaf 2.3 m-mv is de bodem plaatselijk weer zandig. In de meeste boringen is puin waargenomen tot een diepte van 0.5 m-mv. In drie boringen van de twaalf is het gehalte als matig gekwalificeerd, in de andere boringen was dat licht. De boringen met matig puin staan in en achter de middelste schuur. Het puin bestaat er uit baksteen-achtig materiaal.

Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Grond In de boven- en ondergrond van het terrein aan de Buitendijk worden geen tussenwaarden overschreden, de grond is maximaal licht verontreinigd. De aanwezigheid van puin resulteert dus niet in daadwerkelijke bodemverontreiniging. Van de PFAS-componenten zijn de PFOA en PFOS meetbaar verhoogd. De gehaltes liggen echter onder de Achtergrondwaarde. Asbest Visueel is nergens asbest in of op de bodem waargenomen. Ook analytisch is asbest niet aantoonbaar in de puinhoudende bovengrond. Grondwater Het grondwater is analytisch schoon. Alleen voor barium wordt de streefwaarde overschreden. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor het terrein aan de Buitendijk zelf. Conclusie, aanbevelingen Licht verontreinigde grond is geen risico's voor de volksgezondheid en is geen belemmering voor de ontwikkeling van het terrein. Omdat er geen tussenwaarden worden overschreden is er geen aanleiding voor verder onderzoek. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek in relatie tot het benodigde grondverzet is Omgevingsdienst ZHZ, namens Gemeente Hoeksche Waard.’

46

Conclusie Het aspect bodem betreft geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Een aanvullend bodemonderzoek wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunningaanvraag.

47

4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Onderzoek Voor het plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld en juridisch verankerd in de regels van het bestemmingsplan, hierin is het aspect cultuurhistorie tevens verankerd (zie paragraaf 2.2.3). Voor het plan is tevens door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veld- onderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: •

Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De diepere ondergrond, vanaf 475 cm –mv, bestaat uit mineraalarm veen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). De top van het veen is niet veraard. Boven het veen is een ca. 460 cm dik pakket overstromingsafzettingen aanwezig.

•

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Omdat de top van het veen niet is veraard wordt aangenomen dat deze is geërodeerd door de bovenliggende overstromingsafzettingen. De top van de overstromingsafzettingen, tot maximaal 70 cm –mv, is verstoord door de huidige inrichting van het plangebied.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In de boringen zijn geen archeologisch relevante lagen aangetroffen.

•

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Deze zijn niet aangetroffen.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De verwachting voor resten op het veen kan worden bijgeteld naar laag. De verwachting voor resten van historische bebouwing blijft bestaan.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Het is mogelijk dat in het plangebied nog resten van historische bebouwing aanwezig zijn. In afb. 15 zijn de toekomstige plannen geprojecteerd op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw. Hieruit blijkt dat de nieuwbouw buiten de historische bebouwing zal plaatsvinden. De te slopen schuren overlappen deels met de historische bebouwing. De te slopen houten schuren beschikken echter over een lichte fundering waardoor naar

48

verwachting de sloopwerkzaamheden weinig verstoringen van resten van de historische bebouwing, voor zover aanwezig, zullen veroorzaken. •

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht, indien in de toekomst aanvullende verstoringen zullen plaatsvinden ter plaatse van de historische bebouwing is mogelijk nader archeologisch onderzoek noodzakelijk.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien in de toekomst verstoringen zullen plaatsvinden ter plaatse van de historische bebouwing is mogelijk aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Hoeksche Waard. De gemeente Hoeksche Waard stelt dat vervolgonderzoek wel noodzakelijk is omdat resten van historische bebouwing kunnen worden aangetast bij de sloopwerkzaamheden. De gemeente geeft aan dat de bebouwing dient te worden gesloopt tot aan het maaiveld en dat vervolgens een proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd, met een eventuele doorstart naar een archeologisch begeleiding bij het uitgraven van de bouwvlakken. Voorafgaand aan dit onderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld en ter toetsing voorgelegd te worden aan de gemeente.’ Conclusie Het aspect archeologie betreft voor het bestemmingsplan geen belemmeringen.

Een aanvullend archeologisch onderzoek wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunningaanvraag, hetgeen in overleg met de gemeente uitgevoerd dient te worden.

49

4.12 Duurzaamheid & Klimaatadaptatie Beleidskader Provincie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gemeente De ambitie van de Hoeksche Waard is om in 2040 100% energieneutraal te zijn. Hiermee legt de Hoeksche Waard de lat hoger dan de landelijke ambitie (in 2050 energieneutraal). Om gericht stappen in deze richting te zetten is de 'Energievisie Hoeksche Waard 2016-2020' opgesteld in nauwe samenwerking met ondernemers en maatschappelijke organisaties in de Hoeksche Waard. De Energievisie gaat uit van de Trias Energetica. Waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het beperken van de energiebehoefte. Dit uit zich in 3 pijlers: • energie besparen in de bebouwde omgeving (o.a. isolatie) • opwekken van duurzame energie (o.a. wind, zon, biomassa, getijdenenergie) • duurzame mobiliteit (o.a.

elektrische auto's en fietsen, openbaar vervoer) Tot slot zijn er twee belangrijke neveneffecten. Het gezamenlijk inzetten op besparing en opwekking van energie biedt volop kansen voor de lokale economie (bouwsector, agrarische sector en biobased economy) om daarvoor met oplossingen te komen. Het sturen op innovatie is daarbij belangrijk. Daarnaast wordt met Marketing & Educatie de Hoeksche Waard meer op de kaart gezet als duurzame regio. Beginnen bij de jeugd draagt bij aan bewustwording bij ouders en zorgt tevens voor een ander handelen door deze jeugd over 10 jaar. Tevens moet de hele bebouwde omgeving uiteindelijk aardgasvrij worden. Verder is Hoeksche Waard als eiland in 2040 ingericht voor de opvang van de gevolgen van klimaatverandering. Aanvullende ambities zijn: • Voldoende ruimte en inspanning voor herstel biodiversiteit; • Voldoende ruimte en inspanning voor waterkwaliteit en waterkwantiteit; • Aandacht en beleid voor behoud identiteit dragend erfgoed; • Voldoende ruimte en beleid voor innovatieve, natuurinclusieve kringloop landbouw.

50

Onderzoek Energieneutraal De bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is verouderd, ook als het gaat om duurzaamheid. De nieuwe woningen zullen gasloos en energieneutraal zijn en voldoen aan de geldende bouw-, isolatie en duurzaamheidseisen. Klimaatadaptatie Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Rondom het plangebied is voldoende oppervlakte water aanwezig om zware regenbuien op te vangen. Daarbij komt dat de verharding ter plaatse zal afnemen met het plan (zie paragraaf 4.2). Hiermee wordt het plangebied zachter en zal het water meer/beter in de bodem infiltreren als voorheen. De nieuwe bewoners wordt gestimuleerd om gebruik te maken van half verharding zoals grastegels en/of grind. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe woningen worden buiten het profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de waterkering gerealiseerd. De woningen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte.

De installaties in de woning worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Daarbij voldoende bomen die schaduw bieden om hittestress tegen te gaan. Hetgeen is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan van dit bestemmingsplan Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Het plangebied wordt voor een aanzienlijk deel groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. Hetgeen is vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan van dit bestemmingsplan. Natuurinclusief en biodiversiteit In het beeldkwaliteitsplan is tevens de beplanting een belangrijk aspect. In het plan wordt een beplantingsstructuur beoogd die de natuur ondersteunt en voldoende variatie biedt voor de ondersteuning van de biodiversiteit. Denk hierbij aan streekeigen beplantingselementen, als fruit- en erfbomen, groene erfafscheidingen, knotwilgen en grasbermen.

De boomstructuur krijgt een belangrijke functie als verbindend element binnen het erf ensemble en bepaald in een belangrijk deel de (groen)kwaliteit van de buitenruimte. Typerende elementen als knotwilgen, hoogstam fruitboomgaard en gebiedseigen erfbomen krijgen een plek binnen het ensemble en vormt daarmee een onmisbare factor ten behoeve van de samenhang en daarnaast om voldoende 51

ruimte, schuil- en nestmogelijkheden voor planten en dieren te bieden. De bomen en voornamelijk de streekeigen gemengde hagen hebben een belangrijk ecologische functie voor insecten en vogels. Daarbij worden de nieuwe bewoners gestimuleerd om onderzoek te doen naar andere mogelijkheden om de natuur en biodiversiteit te bevorderen (bijvoorbeeld groene daken, gevels, insectenhotels, nestkasten etc.) Circulaire economie Tevens worden de nieuwe bewoners gestimuleerd om de mogelijkheden te zoeken met hun aannemer en/of architect om materialen van bijvoorbeeld de te slopen opstallen te hergebruiken. Daarbij ook zoveel mogelijk recyclebare en duurzame materialen te gebruiken bij de bouw. De woningen worden zoveel mogelijk circulair ontwikkeld door hiermee in het ontwerp rekening te houden, het materiaalgebruik zoveel mogelijk te beperken en kringlopen te sluiten. Hetgeen als doel om een circulaire economie te stimuleren. Conclusie Het plan heeft positieve gevolgen voor de duurzaamheid en klimaatadaptatie ter plaatse.

52

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Strijensas, Buitendijk 28’ bestaat uit drie delen, de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Strijensas, Buitendijk 28’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Strijensas, Buitendijk 28’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Strijensas’ (vastgesteld op 4 juli 2013). De regels van het bestemmingsplan ‘Strijensas, Buitendijk 28’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Wonen De bestemming ‘Agrarisch’ op het perceel wordt gewijzigd in ‘Wonen’ ten behoeve van de gewijzigde agrarische bedrijfswoning en de twee nieuwe vrijstaande woningen. Waarde – Archeologie De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ wordt opgenomen en is mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden in de bodem. Waterstaat - Waterkering Ter plaatse van de kernzone van de waterkering blijft de bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ ongewijzigd.

5.4 Aanduidingen • •

Bouwvlak; Functieaanduiding: vrijstaand;

53

• •

Maatvoeringsaanduiding: maximale goothoogte: 4,5 m; Maatvoeringsaanduiding: maximaal aantal wooneenheden: 3.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12359856/1