Toelichting buitendijk 28
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Strijensas, Buitendijk 28’
Toelichting bestemmingsplan ‘Strijensas, Buitendijk 28’
Identificatie NL.IMRO.1963.BPbuitendijk28STR-ON01 Datum 15-09-2022 Planstatus Ontwerp
2
Inhoud 1.
2
3
4
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 6
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 6
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 7
1.5
Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 7
1.6
Communicatie ............................................................................................ 7
1.7
Realisatie .................................................................................................... 7
1.8
Leeswijzer................................................................................................... 8
Planbeschrijving ....................................................................................................................... 9 2.1
Bestaande situatie ....................................................................................... 9
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 12
Beleidskader............................................................................................................................ 16 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 16
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 18
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 23
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 24
3.5
Conclusie .................................................................................................. 25
Sectorale aspecten ................................................................................................................ 26 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 26
4.2
Watertoets ................................................................................................ 27
4.3
Geluid ....................................................................................................... 31
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 33
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 35
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 37
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 42
4.8
Ecologie .................................................................................................... 43
4.9
Stikstofdepositie ....................................................................................... 45
4.10 Bodem ...................................................................................................... 46 4.11 Archeologie .............................................................................................. 48 4.12 Duurzaamheid & Klimaatadaptatie ............................................................ 50 5
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 53 5.1
Inleiding ................................................................................................... 53
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 53
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 53
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 53 3
Bijlage Omschrijving 1 Situatietekeningen 2 Digitale watertoets 3 Akoestisch onderzoek 4 Externe Veiligheid 5 6 7 8 9 10
Ecologische quickscan Stikstofdepositieonderzoek Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek Historisch landschappelijk onderzoek M.e.r. Aanmeldnotitie
Auteur Brand BBA Architecten Waterschap Hollandse Delta Voortman Ingenieurs
Referentie 20035 SO-17 0210623-39-26916
Datum 13-06-2022 23-06-2021
R-JVO/1726
15-09-2021
DGMR Adviseurs
M2020113600N001 v3 BE/2021/567/r
29-08-2022
Van den Heuvel Milieuadvies Linge Milieu B.V.
20123
07-06-2022
20-2102
27-06-2021
ADC Archeoprojecten
ADC Rapport 5517
17-12-2021
Blom Ecologie
10-06-2021
Lagendijk Tuin- en LTL21032 Landschapsarchitecten
30-08-2022
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer b.v.
30-08-2022
20123
4
1.
Inleiding
1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel Buitendijk 28 te Strijensas betreft een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. Het perceel is gelegen in de kern Strijensas en op het perceel staat een agrarische bedrijfswoning met vier schuren. De volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten zijn reeds beëindigd. Daarom heeft de initiatiefnemer het idee opgevat om een meer toekomstbestendige situatie te creëren op het perceel. Het plan is om de agrarische bedrijfswoning te wijzigen in een burgerwoning en de agrarische opstallen te saneren. In ruil hiervoor twee vrijstaande woningen te realiseren ten oosten van de bedrijfswoning. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Strijensas’. Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Op deze gronden is het realiseren van burgerwoningen niet toegestaan. Op 10 maart 2021 heeft het college van B&W van de gemeente Hoeksche Waard besloten in principe medewerking te verlenen aan het plan. Om het plan juridischplanologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen 1.1.2 Plangebied Het plangebied is kadastraal bekend als perceel SEN00 – M – 862. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Buitendijk en ten noorden door de Strijense Haven. Aan de oost- en westzijde wordt het perceel begrensd door woonpercelen.
Plangebied
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
5
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Strijensas’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Strijensas’, (vastgesteld op 4 juli 2013). Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Agrarisch; De dubbelbestemming: • Waterstaat – Waterkering; En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding: bedrijfswoning; • Maatvoering: Maximum bouwhoogte: 6 m & 8 m Maximum goothoogte: 4 m; • Gebiedsaanduiding: wro-zone- wijzigingsgebied 2.
Afbeelding 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om de agrarische bedrijfswoning te wijzigen in een burgerwoning en twee vrijstaande woningen te realiseren op het perceel Buitendijk 28 te Strijensas. 6
1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie Voorafgaand aan de plannen hebben de initiatiefnemers de directe buren (nr. 26 en 28a) op de hoogte gesteld. De plannen zijn met hen besproken en de buren hebben hier positief op gereageerd. Ook het plaatsen van de carport aan de westzijde van het plangebied is afgestemd met de buren van Buitendijk 28a. Ze hebben aangegeven geen bezwaar te hebben. Hiervan is een participatieverslag opgesteld, welke in het dossier op het gemeentehuis is toegevoegd. In het kader van de AVG is dit verslag geen onderdeel van het bestemmingsplan. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de Provincie Zuid-Holland en Waterschap Hollandse Delta. Inspraak Gelijktijdig met het vooroverleg wordt het voorontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om inspraakreacties kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge inspraakreactie gegeven kunnen worden.
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.
1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeven dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure.
1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning de bouw van de twee vrijstaande woningen kan dan worden aangevraagd.
7
1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • •
Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
8
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis Strijensas Strijensas ligt in de gemeente Hoeksche Waard. Bestuurlijk gezien viel Striensche Sas eeuwenlang onder De Klundert, de oorsprong hiervan ligt ver voor de 2e Sint Elisabethsvloed van 1421. Voor die tijd vormden Holland en Brabant één aaneengesloten gebied, maar werden door die niets ontziende natuurramp van elkaar gescheiden door het Hollands Diep dat toen ontstond. Ook na 1421 oefende de gemeente Klundert nog tot de negentiende eeuw het bestuur uit over Striensche Sas, Klundert viel op zijn beurt nog onder Holland. Het dorp is ontstaan rond de sas (sluis) van Strijen uit 1649. De brug over de sluis is van 1908. Om de Moerdijkbruggen goed te kunnen verdedigen is er in 1937 een kazemat gebouwd, die ook de Dordtsche Kil kon afsluiten voor scheepvaart. Strijensas is een dorp dat te karakteriseren valt als een zogenaamde knooppunt nederzetting. Het dorp is grofweg in te delen in twee gebieden; de oude dorpskern en de gemengde dorpsuitbreiding. De hoofdstructuur van het dorp wordt gevormd door de Havenstraat, de Strijense Haven en de dijken Sassedijk en Buitendijk. Het plangebied is gelegen tussen de Buitendijk en de Strijense Haven. Ten noorden van het plangebied ligt het Hollands Diep. De woonkavels langs de Buitendijk vormen een groen lint met daarbinnen kleinschalige bebouwing.
Het groene karakter vormt een kwaliteit die het aanzien van de dorpsrand ten goede komt. 2.1.3 Huidige status/gebruik Het plangebied betreft een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met daarop een agrarische bedrijfswoning en vier schuren. Er vinden geen volwaardige agrarische bedrijfsactiviteiten meer plaats. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1650 m2.
9
Afbeelding 3: Foto’s bestaande situatie
10
Afbeelding 4: Bestaande situatie (4 schuren amoveren)
11
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het plan betreft de wijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van twee vrijstaande woningen ten oosten hiervan. Ter compensatie hiervan worden vier verouderde voormalig agrarische schuren gesloopt. De nieuwe woningen worden op een verantwoorde wijze ingepast (zie paragraaf 2.2.3), ondergeschikt aan de huidige bebouwing en in hetzelfde karakter. De maximale goothoogte van de huidige bebouwing in de directe omgeving wordt aangehouden bij het uitwerken van de nieuwe woningen. Tevens wordt de bestaande opstal aan de zuidwest kant van het perceel gesloopt en even ten westen hiervan een carport voor 3 auto’s gerealiseerd. Voor deze carport dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.
Afbeelding 5: Nieuwe situatie
2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt in de bestaande situatie middels drie inritten aan de Buitendijk ontsloten. In de nieuwe situatie blijft dit aantal gelijk, maar worden de inritten verlegd ten behoeve van de nieuwe woningen. Voor eventuele nieuwe inritten moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Parkeren Het gemeentelijk parkeerbeleid (‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’) is gebaseerd op de parkeernormen van het CROW-beleid. Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte gaat het beleid uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘(rest) bebouwde kom’. Voor de vrijstaande 12
woningen wordt uitgegaan van de categorie ‘koop, vrijstaand’. Hiervoor geldt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Voor de 3 woningen komt dit uit op in totaal 7 parkeerplaatsen. Tabel 1: Parkeerbehoefte Woning Koop, vrijstaand
Parkeerbehoefte 2,3
Aantal 3
Totaal 6,9 parkeerplaatsen
Totaal:
6,9 parkeerplaatsen
Binnen het plangebied wordt voldoende ruimte gecreëerd voor het parkeren van minimaal 7 auto’s (zie afbeelding 5). Bij de bestaande woning wordt een carport voor 3 auto’s gerealiseerd en is er op het erf nog ruimte om te parkeren. Bij de nieuwe woningen is eveneens voldoende ruimte op eigen erf om minimaal 2 auto’s te parkeren. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. 2.2.3 Landschappelijke inpassing / Beeldkwaliteit Om te komen tot een optimale kwaliteitsverbetering wordt het plangebied op een passende wijze landschappelijk ingericht. Door Lagendijk tuin- en Landschapsarchitecten uit Bergambacht is een cultuurhistorische analyse van de locatie uitgevoerd en een beeldkwaliteitsplan opgesteld om te komen tot een optimale ruimtelijke kwaliteit. De uitgebreide analyse is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting, het beeldkwaliteitsplan is juridisch verankerd in de regels van onderhavig bestemmingsplan en hieronder wordt het e.e.a. beknopt uiteengezet.
Afbeelding 6: Geschiedenis in beeld
13
Geschiedenis De historische kaarten laten een duidelijke ontwikkeling van het lint langs de Strijense Haven zien. Vanaf de 20e eeuw heeft de lintbebouwing zich vanaf de ‘sas’ ontwikkeld in westelijke richting. Hierbij vormt het plangebied onderdeel van het lint. Er is een chronologische bouwgeschiedenis op de kavel terug te herleiden naar wat eind 19e eeuw begint met de bouw van de huidige woning, daarna, begin 20e eeuw de bouw van de grote schuur naast de woning. De basis voor de meest oostelijke grote schuur wordt eind jaren ’60 gerealiseerd. Deze zijn in de loop der jaren afgebroken en na de jaren ’80 opgebouwd tot het huidige volume. Landschappelijke en stedenbouwkundige hoofdstructuur De projectlocatie is gelegen in het lint tussen de Strijensehaven en de Buitendijk. Het kenmerkt zich door de tweezijdige oriëntatie. Enerzijds is er de connectie tussen de woning en de Strijense Haven en de beleving van de noordzijde van de bebouwing vanaf de Havenstraat. Alhoewel deze beleving beperkt wordt door de aanwezigheid van de rij lage leibomen. Door de voormalige functie van de Strijense haven als transportroute per schip tussen Strijen en het open water na de sluis is veel bebouwing, met name ook op het erf op deze wijze georiënteerd. Anderzijds is de bebouwing georiënteerd richting de Buitendijk, waar de ontsluiting van de kavels op plaatsvindt.
De bebouwing langs de buitendijk is van oudsher noord-zuid georiënteerd. Dit is in de oudere panden terug te zien. Latere ontwikkeling laat een oriëntatie meer parallel aan de Buitendijk zien. Mede door de wens van het vrij wonen aan het water. De maat en schaal van de bebouwing langs de buitendijk is kleinschalig te noemen. Echter vormt de aanwezig hoge schuur binnen het plangebied een markante verschijning in maat en schaal ten opzichte van andere bebouwing. Ontwerpuitgangspunten Binnen het ontwerp dient naast eerder constateringen binnen de analyse o.a. rekening gehouden te worden met de volgende uitgangspunten: - Behoud van bestaande boerenerf karakter in aansluiting op karakter omliggende gebied; - Inpassen van streekeigen beplantingselementen (landschapselementen), hierbij wordt gedacht aan onderstaande soorten. De gemeente Hoeksche Waard heeft een lijst met voorkeurssoorten die veel voorkomen binnen de gemeente, hetgeen ter kennisgeving aan de initiatiefnemers is meegegeven. o Fruitbomen; o Erfbomen; o Erfscheidingshagen; o Knotwilgenrij; o Bestaande waardevolle beplanting; - Behoud van bestaande karakteristieke woning; - Realisatie van twee nieuwe schuurwoningen; - Behoud van diversiteit en herkenning van bestaande karakter in kaprichting en verschijningsvorm; - Diversiteit in kaphelling, goot/nokhoogte conform huidige situatie terug laten komen in bouwplan; 14
-
Architectuur inspireren op huidige uitstraling gebouwen; Behoud van karakteristieke uitstraling passend bij de identiteit van het dorp; Drie apart van elkaar bereikbare woningen met tuin.
Landschappelijke inpassing Het plangebied wordt op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk ingericht. Een aanzet van een mogelijke landschappelijke inpassing is uiteengezet en weergegeven in het landschappelijk onderzoek van Lagendijk in de bijlage. Het uitgangspunt is behoud dan wel versterken van de waardevolle landschappelijke elementen in het plangebied. Het slopen van de bestaande schuren draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. In de huidige situatie geven deze een rommelig en ongewenst beeld. Door het slopen van de schuren worden tevens extra doorzichten naar de achterliggende vaart gecreëerd. Het plangebied wordt groen ingepast, wat wordt versterkt door de aanwezigheid van de groene dijk. De bestaande beplanting en bomen worden zoveel als mogelijk behouden. De architectuur van de nieuwe woningen zal aansluiten bij de karakteristieken van de omgeving en er zal gebruik gemaakt worden van natuurlijke materialen. De groene uitstraling van het lint wordt behouden en er worden groene voortuinen gerealiseerd.
Afbeelding 7: Landschappelijk inpassingsplan
15
3
Beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.
16
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.
In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het Bro biedt geen verdere definitie van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’. Inmiddels is door jurisprudentie wel een verder beoordelingskader van dit begrip ontstaan: De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).
Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Middels dit plan worden per saldo 2 wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.
17
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Op 15 maart 2022 heeft de provincie de Omgevingsvisie opnieuw geconsolideerd. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.
Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Conform de Omgevingsvisie kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte). Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiekindustrieel systeem. De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van de bebouwde ruimte.
Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren.
18
Het plangebied is gelegen aan de stads- en dorpsrand langs het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Het plangebied is gelegen in een verdicht cultuurhistorisch lint langs de Buitendijk. De locatie is gelegen binnen de bebouwde ruimte. Middels de herbestemming van de voormalige agrarische bedrijfslocatie is sprake van een betere benutting van de bestaande bebouwde ruimte. Het plan past binnen het streven van de provincie Zuid-Holland om de ‘bebouwde ruimte beter te benutten.
Plangebied
Afbeelding 8: Bestaand stads- en dorpsgebied (BSD)
Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de 19
gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is gelegen in ‘zeekleipolderlandschap’, rivierdijken’ en ‘stads- en dorpsrand’.
Plangebied
Afbeelding 9: Kwaliteitskaart (laag van de cultuur- en natuurlandschappen)
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Zeekleipolderlandschap Voor ontwikkelingen in het zeekleipolderlandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen. • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder. • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders. • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur. 20
Rivierdijken De dijken zijn lijnvormige, herkenbare structuurdragers in het landschap met als primaire functie het keren van water. De dijken worden periodiek aangepast aan de dan geldende veiligheidsnormen. De provincie heeft voor ontwikkelingen binnen rivierdijken de volgende richtpunten vastgesteld: • Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders. • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap. • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Laag van de stedelijke occupatie Stads- en dorpsrand: Voor de ontwikkelingen in de ‘stads- en dorpsrand’ heeft de provincie een richtpunt vastgesteld: • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Het plan sluit aan bij de kwaliteitskaart en daarmee richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘zeekleipolderlandschap’, ‘rivierdijken’ en ‘stads- en dorpsrand’. Het perceel wordt op een passende en verantwoorde wijze ingepast. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld.
Op 15 maart 2022 heeft de provincie de Omgevingsverordening opnieuw geconsolideerd. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau.
Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving,
21
rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan is qua aard en schaal passend is in dit gebied en sluit aan bij de huidige identiteit van het gebied. Er worden geen wijzigingen gedaan op structuurniveau. Het plan sluit aan bij de provinciale kwaliteitskaart en daarmee richtpunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Middels dit plan worden twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk (zie paragraaf 3.1.3).
22
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 In 2017 is de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 vastgesteld. In de nieuwe Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 staat de vitaliteit van de regio centraal. Om die te bewaken, zet de gemeente in op meer kwaliteit en extra woningbouw om de instroom van gezinnen te bevorderen. De vijf voormalige gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een nieuwe woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma opgesteld. De visie kwam tot stand in samenwerking met diverse partijen. De nieuwe visie speelt in op veranderingen in de woningmarkt en kansen die er liggen om toekomstige krimp tegen te gaan. De verwachting is dat de regio na 2035 te maken krijgt met een dalend aantal huishoudens. Bijkomende uitdaging is het feit dat het aantal jongere huishoudens onder de 55 jaar tot die tijd al afneemt met bijna 20%. Die gezinnen zijn heel belangrijk voor de vitaliteit van gemeente Hoeksche Waard. Als de gemeente Hoeksche Waard ervoor kan zorgen dat er meer jonge gezinnen naar de Hoeksche Waard komen, helpt dat niet alleen om de voorzieningen in stand te houden; het is ook goed voor het geboortesaldo en daarmee gaat het de krimp tegen.
Met onder andere de bouw van extra woningen probeert de gemeente Hoeksche Waard het eiland interessant te maken voor jonge mensen om op locatie te blijven, dan wel in de gemeente te komen wonen. De instroom van gezinnen is de laatste jaren al gaande en makelaars bevestigen dat de belangstelling voor de Hoeksche Waard blijft groeien. Middels dit plan wordt een agrarische bedrijfswoning gewijzigd in een burgerwoning en worden twee vrijstaande woningen gerealiseerd ter compensatie van voormalige agrarische bebouwing. De woningen zullen in het dure prijssegment vallen en zullen voldoen aan de gemeentelijke woonkeur en de geldende duurzaamheidseisen. Met deze woningen kan de doorstroming op de woningmarkt worden gestimuleerd. Doorstromers welke in de nieuwe woningen terecht komen, laten andere meer betaalbare woningen in de directe omgeving achter. Deze woningen komen daarmee vrij kunnen voor andere (startende en of doorstromende) huishoudens. Gezien de locatie in het bebouwingslint en op een relatief klein boerenerf is het stedenbouwkundig het meest passend om een ruime opzet van het boerenerf te behouden, zie beeldkwaliteitsplan. De realisatie van kleinere en meer betaalbaardere, maar juist vele wooneenheden, op deze locatie zal afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Hetgeen heeft geleidt tot het onderhavige woonprogramma en deze opzet te realiseren op de inbreidingslocatie. Het plan is opgenomen in de woningbouwprogrammering (2021) van de Hoeksche Waard, welke door de provincie is aanvaard. Dit is in overeenstemming met de regionale woonvisie.
23
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard Op 17 december 2019 is de omgevingsvisie Hoeksche Waard ‘Kom Waardmaken’ vastgesteld. Dit document bevat de visie van de gemeente voor de komende jaren. Vijf maatschappelijke opgaven vragen deze jaren specifiek de aandacht. Dit worden de Hoeksche Werken genoemd. Daarbij gaat het om de volgende opgaven: • Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; • Vitaal economisch klimaat; • Bereikbaar, nabij en toegankelijk; • Duurzame, innovatieve landbouw; • Vitale dorpen en actieve samenleving. Landschap, natuur, rust en ruimte zijn belangrijke Hoeksche Waarden. Ook vitaliteit en het betrekken van iedereen in de samenleving zijn kenmerken waar de Hoeksche Waard voor staat. De Hoeksche Waard heeft haar eigen karakter dat het waard is om te koesteren. Daarom willen de gemeente dat nieuwe ontwikkelingen en ingrepen in landschap of in dorpen met liefde en zorg voor de plek worden uitgevoerd. Bij de ontwikkeling van de leefomgeving stond eerst vooral de kwaliteit van bouwwerken centraal. In de loop der tijd zijn ook natuur, landschap en erfgoed hierbij gekomen. Nu wordt er ook over vraagstukken van bijvoorbeeld voedsel, energie, klimaat en gezondheid gesproken. De gemeente Hoeksche Waard vat dit samen als omgevingskwaliteit.
In de visie is opgenomen dat een initiatief moet bijdragen aan de maatschappelijke opgaven (Hoeksche Werken) en de omgevingskwaliteit (Hoeksche Waarden). Met het plan wordt een agrarische bedrijfswoning gewijzigd in een burgerwoning en worden twee vrijstaande woningen aan de woningvoorraad van Strijensas toegevoegd. De woningen worden op een in het landschap passende wijze vormgegeven. Er worden hierbij ook zoveel mogelijk landschappelijke doorzichten naar het achtergelegen water gecreëerd, wat de de landschappelijke kwaliteit van de omgeving verbeterd. Voor de woningen worden verschillende mogelijkheden op het gebied van duurzaamheid onderzocht. De woningen zullen voldoen aan de geldende bouw- en duurzaamheidseisen van de gemeente. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Hoeksche Waard.
24
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • •
Het plan betreft geen stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is; Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
25
4
Sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan betreft wijziging van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning en de realisatie van twee vrijstaande woningen. De activiteit, het realiseren woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch planologisch mogelijk om een agrarische bedrijfswoning te wijzigen in een burgerwoning en twee vrijstaande woningen te realiseren. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.
Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Het aantal verkeersbewegingen van zwaar landbouw verkeer zal afnemen met het wegbestemmen van de bedrijfslocatie. De toename van het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
26
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Hollandse Delta de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid De strategie en het beleid van Waterschap Hollandse Delta is gericht op: • Het bieden van veiligheid tegen wateroverlast; • Veilige (vaar)wegen; • Voldoende en schoon oppervlaktewater. Daarnaast werkt het Waterschap ook actief aan de ruimtelijke inbedding van "water", met oog voor de ecologie en het landschap en dat water mee bepalend wordt voor de gewenste ruimtelijk economische ontwikkelingen. Hierbij werkt het Waterschap nauw samen met anderen, zowel met medeoverheden als met belangenorganisaties en andere gebruikers van ruimte. Door een actieve instelling en open houding kunnen belangen tegen elkaar worden afgewogen en kunnen keuzes worden gemaakt, die mogen rekenen op voldoende steun en draagvlak. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Hollandse Delta heeft als regelgeving haar verordening ‘de Keur’.
Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat voor de verschillende typen watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van de watergangen niet zonder toestemming van het Waterschap Hollandse Delta werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode: 20210623-3926916). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen Binnen of aangrenzend aan het plangebied is een oppervlaktewater aanwezig. Ten noorden wordt het plangebied begrensd door de B-watergang 38968, dit betreft een boezemwater. De te slopen schuur bevindt zich binnen de beschermingszone van deze watergang. De nieuw te realiseren bebouwing valt buiten de beschermingszone. Daarnaast is de watergang een KRW water, hetgeen beperkingen 27
met zich meebrengt voor activiteiten in of nabij het water. Hiermee dient in de toekomst rekening te worden gehouden.
B-watergang: 38968
Afbeelding 11: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het stedelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak meer toeneemt dan 500 m2 . In het landelijke gebied is de ondergrens 1500 m2 . Bij een kleiner oppervlak verhard is geen compenserende waterberging nodig. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Hollandse Delta voor dit gebied de vuistregel dat 10% van de toename aan m2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Verhardingsbalans Onderstaand is een globale inschatting gemaakt van de verhardingsbalans. Het plan resulteert in een afname aan verharding van circa 145 m2. Derhalve zijn water compenserende maatregelen niet nodig. Indien de erfverharding toch hoger zal uitvallen in de toekomst, geeft 145 m2 extra verharding geen problemen.
Indien meer verharding wordt gerealiseerd zal gebruik moeten worden gemaakt van de particuliere vrijstelling of moeten worden gecompenseerd. 28
Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bestaande woning Schuur 1 Schuur 2 Schuur 3 Schuur 4 Erfverharding
(Circa) Oppervlakte 70 m² 35 m² 160 m² 120 m2 65 m2 250 m2
Totaal bestaande situatie
700 m2
Nieuwe situatie Bestaande woning Carport (i.p.v. schuur 1) Vrijstaande woning Vrijstaande woning Erfverharding
70 m² 35 m² 100 m2 100 m² 250 m2
Totaal nieuwe situatie
555 m2
Verschil
145 m2 afname
2 1 3 4
Afbeelding 12: Bebouwing huidige situatie
29
Grondwater Het plan mag niet resulteren in een blijvende grondwaterpeilverlaging of in vervuiling van het grondwater. Na realisatie van de woningen dient de ontwatering (het verschil tussen de grondwaterstand en maaiveld) in het plangebied minstens 70 centimeter te bedragen. Waterkering Het plangebied is deels gelegen in de kernzone en deels in de beschermingszone van een primaire waterkering. Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Hollandse Delta. Tussen 1 oktober en 1 april mogen geen werken worden uitgevoerd conform de keur.
Afbeelding 13: Uitsnede legger waterkeringen
Wegen Het plangebied wordt in de bestaande situatie middels drie inritten aan de Buitendijk ontsloten. In de nieuwe situatie blijft dit aantal gelijk, maar worden de inritten verlegd ten behoeve van de nieuwe woningen. Voor de inritten zal een vergunning moeten worden aangevraagd. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Ten behoeve van het plan is een watervergunning van het Waterschap Hollandse Delta noodzakelijk.
30
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plan betreft de wijziging van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning en de realisatie van twee vrijstaande woningen. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is opgesteld door Voortman Ingenieurs. De conclusie uit dit onderzoek luidt: •
•
‘De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Buitendijk ten hoogste 45 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle 30 km/h wegen ten hoogste 47 dB bedraagt , inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder;
31
• •
De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 47 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woningen beschikken alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Voor de onderzochte woningen hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld.‘ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.
32
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 17,1 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 17,1 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 10,3 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met
33
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
34
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien deze is gelegen direct langs de hoofdinfrastructuur. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd.
De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ten noorden van het plangebied zijn een gordijnwinkel en een zeilmakerij gelegen. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering geldt voor dit soort
35
bedrijven een richtafstand van 30 meter. Het plangebied is op circa 40 meter afstand gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. Ten oosten van het plangebied zijn een koeriersbedrijf en een gemaal gelegen. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering geldt voor dit soort functies een richtafstand van 30 meter. Het plangebied is op circa 80 en circa 115 meter afstand gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Ten westen van het plangebied is tevens een begraafplaats gelegen. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering geldt voor een begraafplaats een richtafstand van 10 meter. De begraafplaats is op circa 95 meter afstand van het plangebied gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstand.
95 meter 40 meter
80 meter
115 meter
Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven
Hiermee kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven/functies niet (verder) in hun activiteiten worden beperkt. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Er kan zelfs worden gesteld dat het woon- en leefklimaat van omliggende percelen wordt verbeterd door het verwijderen van een agrarische bedrijfsfunctie binnen de kern van Strijensas. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
36
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.