CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bp Mookhoek 5 Strijen d.d. november 2021 1

Besluitvormende raad 8 maart 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Mookhoek 5 te Strijen9.909 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Bestemmingsplan ‘Mookhoek 5’ Gemeente Hoeksche Waard

NL.IMRO.1963.BPMookhoek5STR21-VG01

1

Bestemmingsplan ‘Mookhoek 5’ Gemeente Hoeksche Waard

Toelichting Regels Verbeelding Datum: Status:

november 2021 vaststelling

Identificatienummer: NL.IMRO.1963.BPMookhoek5STR21-VG01

2

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Het bestemmingsplan 1.3 Leeswijzer 2. Beschrijving plangebied en bouwplan 2.1 Inleiding 2.2 Omgeving plangebied 2.3 Huidige situatie 2.4 Doel bestemmingsplan 2.5 Stedenbouwkundige aspecten 3. Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 4. Omgevingsaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer 4.3 Flora en fauna 4.4 Archeologische waarden 4.5 Waterhuishouding 4.6 Milieuzonering 4.7 Geluid 4.8 Bodem 4.9 Geur 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Milieueffectrapportage 5. Juridische toelichting 5.1 Juridische planopzet 5.2 Bestemmingswijzer 5.3 Plantoetsing en handhaving 6. Uitvoering 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Planschade 7. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro/zienswijzen 7.1 Vooroverleg 7.2 Zienswijzen

PAG.

4 4 5 5 6 6 6 6 8 9 13 13 13 14 19 22 22 22 22 23 24 26 27 29 29 29 30 32 32 34 34 34 34 35 35 35 36 36 36

Bijlagen: -verkennend bodemonderzoek (A.J. Schutter GWW Milieu, 09-2010, nr. 100802) -aanvullend bodemonderzoek (A.J. Schutter GWW Milieu, 01-2021, nr. 100802) -quick scan Flora en Fauna (Breur Ecologie & Onderzoek, 24-03-2020, nr. QS20019v01) -geluidsonderzoek wegverkeerslawaai (Kraaij akoestisch advies, 29-03-2020, nr. VL.2020.R01) -geluidsonderzoek milieuzonering (Kraaij akoestisch advies, 29-01-2021, nr. BP.2039.R01. rev.2) -bouwhistorische beschrijving Mookhoek 5 (Van Reenen Bouwhistorie, 18-09-2020, nr. P-095) -Landschappelijk kader en Beeldkwaliteit (Wissing, 28-09-2021, 609-bks-Mookhoek 5 Strijen 20210928)

3

1. Inleiding 1.1

Aanleiding en doelstelling

Initiatiefnemer is eigenaar van gronden aan de Mookhoek 5 te Strijen. Het perceel heeft in het ter plaatse geldende bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch met waardenlandschapswaarden’. Initiatiefnemer wil de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning afbreken. De bestaande bebouwing verkeert in zeer slechte bouwkundige staat. Daarnaast is er in het kader van de schaalvergroting geen belangstelling voor een boerderij met beperkt areaal aan landbouwgronden. Er is op dit moment nog 1,5 ha aan landbouwgrond verbonden aan deze bedrijfsbebouwing. Daarvoor in de plaats is het plan om drie vrijstaande woningen te realiseren, dit is echter in strijd met de genoemde agrarische bestemming.

Figuur 1.1 perceel Mookhoek 5 met bebouwing

Initiatiefnemer heeft medio 2018 een verzoek om medewerking ingediend bij de toenmalige gemeente Strijen. Bij brief van 20 december 2018, kenmerk Z.13176/UIT.11360, heeft het college van b. en w. de intentie uitgesproken om aan dit plan medewerking te verlenen. De verdere planvorming is afgestemd met de gemeente Hoeksche Waard.

4

Op basis van een opgesteld Landschappelijk Kader en Beeldkwaliteitsplan hebben de gemeente Hoeksche Waard en de provincie Zuid-Holland in principe medewerking aan het plan toegezegd.

1.2

Het bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisering van 3 vrijstaande woningen mogelijk. Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende stukken: Verbeelding (plankaart);

-

Regels.

Het bestemmingsplan gaat vergezeld van deze toelichting.

1.3

Leeswijzer

Deze toelichting omvat een omschrijving op hoofdlijnen van het plangebied en het plan (hoofdstuk 2). Het relevante beleid voor het plangebied (hoofdstuk 3) en een omschrijving van de verschillende omgevingsaspecten (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 wordt een juridische toelichting gegeven. Hoofdstuk 6 omvat de aspecten planschade en economische uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het overleg ex artikel 3.1.1 Bro beschreven, alsmede de uitkomst van het vooroverleg en de zienswijzenprocedure.

5

2. Beschrijving plangebied en gebruiksplan 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het plangebied en het aangepaste plan beschreven. 2.2 Omgeving plangebied De locatie Mookhoek 5 ligt nabij de buurtschap Mookhoek aan de dijk in het landelijk gebied, nabij de kruising van de Schenkeldijk, Tweede Kruisweg en de Strijensedijk. Buurtschap Mookhoek bestaat uit een lintbebouwingstructuur gelegen op en aan de dijk Mookhoek. Dit lint loopt verder in de richting van ‘s-Gravendeel en via de Schenkeldijk tot het buurtschap Schenkeldijk. Het buurtschap Mookhoek heeft een naoorlogse kern met planmatige bebouwing zoals rijwoningen en enkele vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen. Ten zuiden van deze planmatige bebouwing is lintbebouwing langs de Mookhoek aanwezig in de vorm van woningen en agrarische bedrijfsbebouwing.

Figuur 2.1 luchtfoto plangebied en omgeving

2.3

Huidige situatie

Voorheen was er op het perceel aan de Mookhoek 5 te Strijen een akkerbouwbedrijf aanwezig. Op dit moment is de agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel niet meer voor deze doeleinden in gebruik. De bedrijfsbebouwing bestaat uit een bedrijfswoning met enkele schuren en bijgebouwen. De oppervlakte van de aanwezige bebouwing is circa 1.300 m². 6

Figuur 2.2 woning en omliggende schuren

Figuur 2.3 achteraanzicht bebouwing

Figuur 2.4 Foto bebouwing zuidwestzijde plangebied

7

Het plangebied is kadastraal bekend gemeente Strijen, sectie S, nrs. 1098 en 1099 (beide ged.). De omvang wordt bepaald door de grootte van het huidige agrarische bouwvlak dat het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Strijen vermeldt. Het gedeelte waar de woningen komen, krijgt een woonbestemming, de rest blijft agrarisch, maar het bouwvlak wordt in planologische zin verwijderd. De oppervlakte van het plangebied is circa 1,9 ha.

Figuur 2.4: omvang plangebied met kadastrale aanduiding

2.4

Doel bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan geeft aan het gedeelte van het plangebied waar de woningen worden gebouwd de bestemming ‘Wonen’. Na afbraak van de thans aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing en de agrarische bedrijfswoning, mogen de nieuwe woningen worden gebouwd. De bouwmogelijkheden voor agrarische doeleinden verdwijnen geheel, dit door verwijdering van het agrarisch bouwvlak van de verbeelding van het bestemmingsplan.

8

2.5

Stedenbouwkundige aspecten

Ten aanzien van de opzet van het plan is een Landschappelijk Kader en Beeldkwaliteitsplan gemaakt (Wissing, 28 september 2021, nr. 609-bks-Mookhoek 5 Strijen). Dit document is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Daarnaast is het document opgenomen als bijlage bij de regels, waarbij met een opgenomen voorwaardelijke verplichting is geborgd dat de gekozen opzet ook daadwerkelijk gerealiseerd gaat worden. De in het Landschappelijk Kader en Beeldkwaliteitsplan opgenomen ruimtelijk en beleidsanalyse heeft geleid tot het maken van een passende schetsverkaveling die aansluit bij de aanwezige beleidsuitgangspunten. Er is geen extra ontsluiting nodig is vanaf de Tweede Kruisweg, de nieuwe woningen worden via de bestaande op- en afgangen van de dijk ontsloten. Er is op basis van de analyse ruimte voor 3 vrijstaande landelijke woningen. De noordelijkst gelegen woning dient haaks op de weg te worden geplaatst en vormt samen met Mookhoek 10a een ‘boeksteun’ die de openheid tussen het lint door zal begeleiden. Door middel van deze nieuwe woning worden er open zicht- en kijkrelaties gecreëerd. Door het planten van houtwallen en lage boomgaarden wordt de kijkrichting vanaf de dijk extra begeleid en de openheid van het lint gewaarborgd. De overgangen van perceel naar het landschap (de westelijke perceelgrenzen) dienen zoveel mogelijk vrij te blijven van houtwallen en dichte beplanting.

Dit zorgt ervoor dat het open landschap tot aan de woningen door loopt. Het schetsmodel ziet er als volgt uit.

Figuur 2.5 opzet verkaveling perceel

9

Randvoorwaarden erf Voor de herontwikkeling van Mookhoek 5 Strijen zijn randvoorwaarden opgesteld ten aanzien van de landschappelijke in passing, gebaseerd op de ruimtelijke verkenning, beleid en welstandsnota. Dit kader is een aanvulling hierop. Landschappelijk criteria Op het kavel is ruimte voor 3 woningen. Bestaande uit 3 losse hoeves aan een erf. De nieuwe bebouwing staat onder en aan de dijk. Hierdoor behoudt het bestaande historische lint zijn huidige profiel en eigen beeld en kan het dijklichaam door middel van nieuwe en aangezette natte lijnen (sloten) landschappelijk worden versterkt. De woningen staan of op ongeveer gelijke afstand van de zij-erfgrenzen of zijn tegen elkaar aan geschakeld. De oriëntatie van de woningen volgt altijd de dijk waardoor de lineaire structuur van het dijklint herkenbaar blijft. De meeste noordelijke nieuwe woning staat haaks op de dijk en vormt samen met de bestaande woning Mookhoek 10a een stedenbouwkundig en landschappelijke begeleiding. De woning markeert de passage van het open landschap en regeert hier op. En functioneren als een ‘boeksteun’ van het lint. Het vormt een duidelijke beëdiging van het stukje lint en biedt hierdoor ruimte voor het open landschap om over de dijk te vloeien. De woningen staan vooraan op de kavel. De zijtuinen zijn aan beide zijden ongeveer even breed.

Uitzondering hierop zijn de twee hoeve woningen aan het erf, deze staan aan één zijde nabij elkaar, waardoor de twee hoeves samen een eenheid vormen. Alle woningen hebben een relatief kleine voortuin. Dit geeft een beeld van een smal profiel dat aansluit bij de bestaande lintstructuur waar de woningen vaak haast op of direct aan de weg zijn gelegen. De massa van de woning sluit aan bij de omgeving en bestaat uit één tot anderhalve bouwlaag met kap. Aan-, uitbouwen en bijgebouwen zijn opgebouwd uit één bouwlaag met sierlijst met kap. Zowel hoofdgebouw als bijgebouwen hebben een schild of zadel kap. De woningen vormen zelf het lint en staan langs of haaks op de dijk. En hebben respect voor de cultuurhistorie en refereren naar de voormalige hoeves. Het parkeren gebeurt op eigen terrein, achter de voorgevellijn. Ontsluiting van de woningen zal gebeuren via een eigen erf en de bestaande toegangsweg vanaf de dijk. Ter markering van de toegang van het erf dient er ter hoogte van de dam een hekwerk te worden geplaatst. Hierbij bestaat de dampaal uit een bakstenen of (giet)ijzeren paal. Het hekwerk zelf bestaat uit een ijzeren sierhekwerk met een traditioneel stilistisch sier symbool (zoals een haan, paard, pijnappel, zon in de hoek, lelie, lisbloem, iris en lotusbloem).

Beplantingsplan Het beplantingsplan geeft aan hoe en met welke elementen de landschappelijke in passing wordt vormgegeven. Het heeft alleen betrekking op de beplanting die van belang is voor de landschappelijke in passing, zoals een erfafscheiding. Het beplantingsplan is dus geen tuinontwerp. Het beplantingsplan bestaat uit drie onderdelen: de voortuin , erfafscheiding en de overgang naar het landschap. In het algemeen geldt dat voor de beplanting moet worden gekozen uit inheemse soorten. 10

Voortuin De locatie ligt op een prominente plek langs de dijk. Om deze reden zijn er eisen gesteld aan de situering van de woning en de uitstraling van de woning. Door deze situering is er ruimte voor een bescheiden voortuin. Deze wordt groen ingericht als siertuin met bijvoorbeeld; gras, lage beplanting en mogelijk leibomen. De beplanting aan de wegzijde mag niet leiden dat het zicht op het achterliggende landschap word belemmert. Bestrating is hier ondergeschikt aan het groen. Bestrating in de vorm van klinkers of halfverharding heeft de voorkeur. Erfafscheiding De erfafscheiding speelt een belangrijke rol in de zicht- en kijkrelatie met het achterliggende landschap. De beplanting heeft een begeleidende rol en bestaan voornamelijk uit lokale inheemse soorten. Door het aanleggen van sloten en houtwallen of boomgaarden wordt de kijkrichting naar het landschap begeleid en krijgen de kavels een duidelijke afbakening. Architectonische criteria De woningen bestaan uit enkelvoudige vormgeving naar elkaar en met respect voor de directe omgeving. De hoofdvorm is enkelvoudig met een zadeldak. Het ontwerp heeft een dorpse/landelijke uitstraling. De architectonische stijl is traditioneel en passend bij het historische dijklint. Omdat de woningen een prominente plek hebben in het lint, is het van belang dat de architectuur van de woningen uiterst zorgvuldig wordt vormgegeven.

Niet alleen de voorgevel dient representatief te zijn, ook de zijgevels, gericht op het landschap zijn zeer belangrijk. De gevels zijn traditioneel en terughoudend vormgegeven. Ze hebben een rustige geleding. Blinde gevels zijn niet toegestaan. De horizontale opbouw bestaat uit een plint en met een beeldbepalende maar rustig vormgegeven kap. De gevelopeningen zijn staand en ook verticaal gelijnd. De woningen zijn zorgvuldig gedetailleerd met aandacht voor ornamenten sierlijsten en decoraties. Er is extra aandacht voor de vormgeving van elementen zoals erkers, schoorstenen, dakkapellen. De ‘Boekensteun woning’ verdient extra aandacht door accenten in de massa en/of architectonische uitwerking op de hoek of dak ter versterking van de confrontatie met het landschap. De twee losse hoeves zijn ondergeschikt aan de ‘Boekensteun woning’ waardoor de ‘boeksteun woning’ prominenter aanwezig zal zijn als accent en ruimtelijk element. En zichzelf presenteert als het hoofdvolume van het ensemble aan het nieuwe erf. De woningen hebben een zorgvuldige detaillering door bijvoorbeeld verbijzonderingen in het metselwerk, rol of speklagen, schoorstenen, dakkapellen, roedeverdelingen in de ramen, en sierlijsten. Deze refereren naar de bestaande oude hoeve. Het materiaalgebruik is traditioneel, natuurlijk en passend in de omgeving.

Met name het dakvlak is beeldbepalend, heeft een rustige vormgeving en niet glimmend. Er wordt gekozen voor materialen die op een mooie manier verouderen. De gevels zijn opgetrokken in metselwerk in rode, roodbruine, geelbruine bakstenen. Het metselwerk is wit gekeimd of wit pleisterwerk daar waar in de architectuur een accent of massa aangezet dient te worden. Kozijnen zijn van hout of een daaraan in kwaliteit en uitstraling gelijk te stellen ander materiaal. Het kleurgebruik is traditioneel bijvoorbeeld crème wit, donkergrijs, donkergroen en donkerblauw.

11

De daken zijn gedekt met keramische rode of antraciet kleurige pannen. Een rieten kap is ook mogelijk mits daar de vormentaal van de woningen zich er voor leent. Zonnepanelen zijn bij voorkeur opgenomen in het dakvlak en vormen een rechthoekig vlak. Indien bij de toepassing van externe warmtepomp installaties dienen zij uit het zicht en/of aansluiten bij de materiaal en vormentaal van de woning.

12

3. Beleidskader 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente.

3.2

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2006. In de SVIR kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In de SVIR wordt ten aanzien van het onderwerp ‘Verstedelijkings- en landschapsbeleid’ aangegeven, dat het Rijk dit overlaat aan de provincies en gemeenten. Dit bestemmingsplan heeft tot doel om de bestaande agrarische bestemming op het perceel Mookhoek 5 te wijzigen in een woonbestemming voor drie woningen. Het plan is niet in strijd met de uitgangspunten van de SVIR. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen.

De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Beoordeling Artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt ten aanzien van de werking van de ladder, dat de ladder toegepast moet worden bij bestemmingsplannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening wordt verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

13

Uit jurisprudentie blijkt dat de bouw van enkele woningen niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening wordt beschouwd (zie ABRvS d.d. 28 juni 2017, nr. 201608869/1/R3). Om deze reden hoeft de ladder der duurzame verstedelijking in dit geval niet te worden ‘afgelopen’. De beoogde ontwikkeling valt immers onder de ondergrens die is gegeven door de Afdeling (betreft: niet meer dan 11 woningen die gelet op hun afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt). Het plan voldoet dan ook aan dit onderdeel. 3.3

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening en de omgevingsvisie Zuid-Holland zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Deze vervangen de Verordening Ruimte en de Visie Ruimte. Het nieuwe omgevingsbeleid bestaat uit de volgende onderdelen: *De introductie op het Omgevingsbeleid, waarin opgenomen de ruimtelijke hoofdstructuur, een overzicht van de samenhangende beleidskeuzes per provinciale beleidsopgave en de ontwikkelrichting die is opgenomen onder ‘Ambities en sturing’. *Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Geen stedelijke ontwikkeling Nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) zijn op basis van artikel 6.10 van de verordening pas mogelijk als na toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat dit binnen bestaand stads- en dorpsgebied niet mogelijk is. Zoals onder 3.2.3 is beargumenteerd, is er in onderhavig plan geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het perceel Mookhoek 5 ligt buiten bestaand stads- en dorpsgebied.

Figuur 3.1 deel tekening bestaand stads-en dorpsgebied provincie Zuid-Holland

14

In de Omgevingsverordening wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkelingen (artikel 6.9). Inpassing In lid a is bepaald dat een ruimtelijke ontwikkeling moet passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit, geen wijziging voorziet op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een nieuwe woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Aanpassing Dit betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang die niet past bij de aard van het landschap of een gebiedseigen ontwikkeling die niet past bij de schaal van het landschap. Transformatie Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap ontstaat. In de toelichting wordt bij de omschrijving van ‘inpassing’ aangegeven dat dit een ontwikkeling betreft die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel.

Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de provinciale kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit.

Hier is sprake van het toevoegen van twee woningen in het lint, daar waar altijd al bebouwing heeft gestaan. Dit kan worden gekwalificeerd als ‘inpassen’. Hierna wordt ingegaan op de richtpunten van de provinciale kwaliteitskaart. Kwaliteitskaart Zuid-Holland De integrale kwaliteitskaart is opgebouwd uit vier lagen: de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving. De kwaliteitskaart is uitgewerkt in een aantal specifieke richtpunten per laag. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen. Ten aanzien van de integrale kwaliteitskaart zijn voor het plangebied de Laag van de ondergrond, Laag van de cultuur- en natuurlandschappen en Laag van de beleving van belang, nu er bij die lagen richtpunten worden genoemd voor het gebied waar Mookhoek 5 onderdeel van vormt. Het gaat om de volgende richtpunten: 15

Bij de Laag van de ondergrond is voor het plangebied het richtpunten ‘Rivierdeltacomplex’ vermeld:

Rivierdeltacomplex Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden.

Jonge zeeklei De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.

Richtpunt Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoetzoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Beoordeling De ruimtelijke ontwikkeling die in dit bestemmingsplan is opgenomen legt geen groot beslag op het zeekleigebied. De bestaande lintbebouwing in de vorm van agrarische bedrijfsbebouwing wordt vervangen door drie burgerwoningen in datzelfde lint. De waarde van het gebied en de kleigronden worden niet nadelig beïnvloed. Tussen de woningen wordt voldoende ruimte gelaten voor doorkijken naar de achterliggende gronden. Dit wordt geborgd via een in de regels opgenomen voorwaardelijke verplichting.

Bij de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen is voor het plangebied het richtpunt ‘Linten’ vermeld:

Linten Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Om die reden worden linten beschouwd als onderdeel van de tweede laag. Op kaart zijn zowel de linten buiten als binnen het stedelijk gebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven.

Er kunnen verschillende typen linten onderscheiden worden. 1. Dijklint: de bebouwing staat op of tegen de dijk. Er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing. 2. Polderlint: de bebouwing ligt op één niveau met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint.

3.

Boerenervenlint (niet opgenomen op de kaart): het lint als kralensnoer van losse boerderijen met hun erven wordt in stand gehouden, verdere verdichting van dit type lint verstoort de kenmerkende openheid van het landschap en kan alleen daar waar zeer ruime doorzichten bewaard blijven. Met name kenmerkend voor droogmakerijen, zeekleipolders en ruilverkavelingslinten. 16

Boerenerven zelf kunnen uitbreiden onder de voorwaarde dat dit aansluit bij de karakteristieke erfindeling met een landelijke uitstraling en dient ter ondersteuning van de (verbrede) functie van het landbouwbedrijf. Richtpunten: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Bij de Laag van de beleving is voor het plangebied het richtpunt ‘Natuur’ vermeld. Het gaat hier overigens alleen om het deel van het plangebied waar geen bebouwing wordt opgericht en waar de bestaande agrarische bestemming wordt gehandhaafd.

Natuur Natuurgebieden in Zuid-Holland zijn te onderscheiden naar hun ligging in het landschap. Inrichting en beheer zijn dan ook gerelateerd aan het onderscheid tussen kust-, delta- en veenlandschap. Het betreft een samenhangend netwerk van unieke natuurlandschappen dat toegankelijk en beleefbaar is in evenwicht met de ecologische draagkracht ter plaatse. Richtpunt • Ontwikkelingen behouden of herstellen de wezenlijke natuurkenmerken en waarden van een gebied. • Toegankelijkheid en gebruik zijn in evenwicht met de ecologische draagkracht ter plaatse. Beoordeling De ruimtelijke ontwikkeling die in dit bestemmingsplan aan de orde is, betreft de vervanging van bedrijfsmatige lintbebouwing door lintbebouwing in de vorm van drie woningen. Het bestaande dijklint wordt niet aangetast, de nieuwe woningen voegen zich in dat bestaande dijklint. De situering en afmetingen sluiten daar bij aan. Gebiedsprofiel Hoeksche Waard Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben op 24 mei 2013 het Gebiedsprofiel Hoeksche Waard vastgesteld. Het Gebiedsprofiel Hoeksche Waard is één van de 16 gebiedsprofielen die voor Zuid- Holland worden gemaakt. Met de introductie van deze profielen wil de provincie ruimtelijke kwaliteit als belangrijke voorwaarde stellen voor nieuwe gebiedsontwikkelingen. Het gebiedsprofiel verbeeldt en beschrijft de ruimtelijke kwaliteiten en ambities voor het landelijke gebied.

Hierdoor wordt duidelijk waar rekening mee moet worden gehouden bij nieuwe ruimtelijke ingrepen. 17

De Hoeksche Waard is een uniek agrarisch polderlandschap en als representant van de bedijkingsgeschiedenis van Nederland ook op internationale schaal bijzonder. De schoonheid van het landschap zit in de eenvoud: een weids en open landschap waarin dorpen, dijken, polders en kreken de ingrediënten van een leesbaar landschap zijn. De landschappelijke identiteit van de Hoeksche Waard wordt sterk bepaald door de ligging in het deltagebied. Een eiland tussen de grote wateren, waar het land is gewonnen op het water. De vruchtbare kleigronden hebben van de Hoeksche Waard een sterk landbouwgebied gemaakt. Door de rust en de ruimte is het een aantrekkelijk gebied voor recreatie, toerisme en wonen in de nabijheid van de stad. Kwaliteiten In samenwerking met SOHW, Waterschap Hollandse Delta en maatschappelijke organisaties, heeft de provincie Zuid-Holland de kwaliteiten in de Hoeksche Waard bepaald. De ambities in het gebiedsprofiel richten zich op: • de herkenbaarheid van de structuur van dijken en kreken; • de openheid van de polders; • de ontwikkeling van hoogwaardige dorpsranden; • een zonering van het landschap; • het versterken van de verbindingen tussen dorp en landschap; • de verdere ontwikkeling van buitendijkse natuur. Nieuwe ontwikkelingen dienen met deze kwaliteiten rekening te houden.

Uit het Gebiedsprofiel blijkt dat het hier gaat om de volgende karakteristieken ‘Herkenbaar open zeekleipolderlandschap’ en ‘Linten blijven Linten’. Bij hetgeen hiervoor is geschreven over de richtpunten van de kwaliteitskaart is op deze karakteristieken al ingegaan. De provincie heeft gebieden ingedeeld in drie beschermingscategorieën: 1. Beschermingscategorie 1: gebieden met topkwaliteit (bv. Natuur Netwerk Nederland, Natura2000 en cultuurhistorische kroonjuwelen). Ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden; 2. Beschermingscategorie 2: gebieden met bijzondere kwaliteit (weidevogelgebieden buiten NNN, groene buffers, graslanden in Bollenstreek en openbare recreatiegebieden). Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden; 3. Beschermingscategorie 3: overige gebieden. Het perceel Mookhoek 5 ligt in gebied met beschermingscategorie 3. De bouw van de woningen verstoort daarmee geen waardevol gebied.

18

Figuur 3.2 deel kaart ‘bescherming categorieën ruimtelijke kwaliteit’ provincie Zuid-Holland

Conclusie Aan alle voorwaarden wordt voldaan zodat het provinciale beleid de voorgestane ontwikkeling niet in de weg staat.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard De Omgevingsvisie is door de gemeenteraad van Hoeksche Waard op 17 december 2019 vastgesteld. In de Omgevingsvisie is er voor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. Het accent is gelegd op wat de Hoeksche Waard wil; niet op wat niet mag. Of in Omgevingswet termen: ‘Ja mits’, in plaats van ‘Nee, tenzij’. Het gaat dus om een gewenste koers, niet om een alomvattend beleid. Het is niet nodig gevonden om nu al alle aspecten die in het Omgevingsplan worden uitgewerkt te benoemen. Alle beleidsaspecten opnemen zou ten koste gaan van het karakter van de visie: gericht op inspireren en uitnodigen. • De Omgevingsvisie richt zich op de gewenste koers van de gemeente; • De Programmaplannen richten zich er op hoe daar te komen; • Het Omgevingsplan geeft aan binnen welke regels dit gaat gebeuren. In de Omgevingsvisie is o.a. aangegeven dat er gestreefd wordt naar een krachtige en vitale participatiesamenleving waarin inwoners zelfbewust en in samenwerking met maatschappelijke organisaties en de gemeente regie voeren op het eigen bestaan, waarin voldoende vangnetten zijn ingericht en waarin preventie een grote rol speelt. Inzet is dat er voor alle inwoners een duurzaam veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit aanwezig is.

Partijen worden uitgenodigd om vooral zelf met concrete uitwerkingen te komen.

19

Daarbij is het van belang om de Hoeksche Werken te noemen, waaraan het initiatief een bijdrage levert. Daarnaast moet worden gekeken naar het gebied waar het initiatief aan de orde is. Daarbij dienen de Hoeksche Waarden te worden benoemd, die met het initiatief behouden of versterkt worden. Hoeksche Werken Bij de Hoeksche Werken zijn er diverse enkele maatschappelijke opgaven die de aandacht vragen de komende jaren. De bijdrage van het initiatief aan de Mookhoek 5 aan de Hoeksche Werken is als volgt te omschrijven: - Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig Het plan bestaat om zo veel mogelijk eigen energie op te wekken middels zonnepanelen voor elektriciteit en zonnecollectoren voor warm water. De locatie zal in de toekomst daarmee een bijdrage leveren aan reductie van CO2 en andere broeikasgassen. - Vitale dorpen en actieve samenleving De agrarische functie van het perceel is niet meer aanwezig, door de bestemmingswijziging wordt meegewerkt aan de afbraak van verouderde agrarische bedrijfsbebouwing en de nieuwbouw van een woning. Dit heeft een positieve uitstraling voor de omgeving. Hoeksche Waarden De Hoeksche Waard is bij het maken van de Omgevingsvisie ingedeeld in vijf gebieden. Elk deelgebied bestaat uit eigen Hoeksche Waarden, bestaand en verder te ontwikkelen. Het perceel Mookhoek 5 ligt in het gebied ‘Natuurlijk! Verbonden’.

De Hoeksche Waarden waar het initiatief aan de Mookhoek 5 een bijdrage aan levert betreft: - Versterken en in stand houden van het patroon van groene dijken en kreken In de huidige situatie zijn diverse bedrijfsgebouwen aanwezig, bebouwing die zich in slechte bouwkundige staat bevindt. Door afbraak van deze bebouwing wordt de hoeveelheid bebouwing op het perceel aanzienlijk verminderd. In de nieuwe situatie zijn zichtlijnen naar het achtergelegen open agrarische landschap meer aanwezig. Het groene dijkenpatroon wordt hiermee in stand gehouden. Het plan tot de afbraak van de agrarische bedrijfsbebouwing en de nieuwbouw van de woningen is daarmee in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.4.2 Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Het plangebied is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. De gemeenteraad van de toenmalige gemeente Strijen heeft het bestemmingsplan op 25 mei 2010 vastgesteld. Uit de verbeelding blijkt dat de gronden de bestemming ´Agrarisch met waarden landschapswaarden´. Op deze grond is een agrarisch bouwvlak aanwezig.

20

Figuur 3.4: deel verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied’

Het agrarisch bouwvlak wordt van deze locatie verwijderd. In paragraaf 2.4 is uitvoering ingegaan op de aspecten beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing. De gemeente vindt dat met de gekozen opzet en uitwerking sprake is van een ontwikkeling met voldoende ruimtelijke kwaliteiten.

21

4.

Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zullen de verschillende omgevingsaspecten nader worden beschreven en toegelicht.

4.2 Verkeer/parkeren Ontsluiting De woningen komen direct aan de Mookhoek 5. Bij een woning kan worden uitgegaan van een aantal verkeersbewegingen per auto per etmaal van circa 7, derhalve in totaal 21 vervoersbewegingen per etmaal. Dit is vergelijkbaar met het aantal verkeersbewegingen dat het voormalige agrarische bedrijf ter plaatse genereerde. De Mookhoek is voldoende gedimensioneerd om dit te verwerken. Parkeren Voor de berekening van het vereist aantal parkeerplaatsen voor onderhavig bouwplan is uitgegaan van de parkeernormen van het CROW (Toekomstbestendig parkeren, uitgave nr. 381). Het plangebied is te categoriseren als ‘buitengebied’. De bijbehorende norm is dat er tussen de 2,0 en 2,8 parkeerplaatsen per vrijstaande koopwoning. Daarvan uitgaande moeten er per woning 3 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig voor het parkeren van minimaal 3 auto’s. De parkeernorm is in de regels vastgelegd.

4.3. Flora en fauna Op basis van de Wet natuurbescherming is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Het gebied vormt geen onderdeel van de provinciaal ecologische hoofdstructuur. Er is geen sprake van een ecologische verbindingszone dan wel een recreatiegebied of een natuurgebied. Ten einde een beeld te krijgen van eventueel aanwezige natuurwaarden is een quick scan Flora en Fauna uitgevoerd (Breur Ecologie&Onderzoek, 24 maart 2020, nr. QS20019v01). Het onderzoek heeft tot de volgende conclusies geleid: • De ontwikkeling leidt niet tot negatief effect op beschermde natuurgebieden; • De geplande ontwikkeling heeft mogelijk negatief effect op nest/verblijfplaatsen van diverse beschermde soorten. Aanvullend onderzoek is nodig naar: ◦ Huismus; ◦ Gierzwaluw ◦ Uilen: Kerkuil, steenuil en ransuil; ◦ Vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis); ◦ Steenmarter. 22

• Het plangebied is tevens geschikt als nesthabitat van algemene gebouw-, boom- en struikbroedende vogels. Nesten van deze vogels zijn alleen beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Bij het plannen van de werkzaamheden wordt hierom aangeraden om rekening te houden met het vogel broedseizoen. • Afgezien van de wettelijk beschermde soorten geldt voor alle soorten flora en fauna te allen tijde de zorgplicht. Dit betekent dat de initiatiefnemer verplicht is om zorgvuldig te werken en dat onnodige schade aan planten of dieren altijd dient te worden voorkomen. Als vrijblijvende aanbeveling voor dit project is nog het volgende vermeld: • De herinrichting van het terrein biedt kansen voor biodiversiteit. De woningen kunnen worden voorzien van neststenen voor vleermuizen of vogels. Ten aanzien van nieuw aan te brengen beplanting wordt aanbevolen om te kiezen voor inheemse soorten. Het aanvullend onderzoek is in gang gezet en wordt voor de zomer van 2021 afgerond. In de regels is een vergunningsvereiste voor de sloop van gebouwen opgenomen. Op basis daarvan is het verboden om bebouwing in het plangebied te slopen, tenzij er met ecologisch onderzoek is aangetoond dat deze sloop niet in strijd is met de bepalingen van de Wet natuurbescherming. Op deze wijze zijn de eventueel aanwezige natuurbelangen in voldoende mate geborgd.

Stikstof Vanwege recente jurisprudentie moet er ook aandacht worden besteed aan de vraag of bij een ruimtelijke ontwikkeling er sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000 gebied. In en rondom de gemeente Hoeksche Waard liggen de Natura 2000-gebieden Haringvliet, Hollands Diep, Oudeland van Strijen en Oude Maas. Deze Natura 2000-gebieden zijn niet stikstofgevoelig. Op enige afstand liggen de Biesbosch en Krammer-Volkerak. Die gebieden zijn wel stikstofgevoelig. Het plangebied ligt op meer dan 4 km van het Natura 2000 gebied de Biesbosch. Het gaat derhalve om een grotere afstand van het plangebied ten opzichte van genoemde Natura2000 gebieden. Inmiddels blijkt, dat bij de bouw van niet meer dan 5 woningen, op een afstand van meer dan 3,5 km van stikstofgevoelig Natura2000 gebieden, er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie in die gebieden. Conclusie is dat er geen frictie ontstaat met de natuurwetgeving op het terrein van stikstofdepositie. Uit oogpunt van de Wet natuurbescherming is het plan, met inachtneming van de eis van het genoemde vervolgonderzoek, uitvoerbaar. 4.4 Archeologische waarden en cultuurhistorie. Archeologie De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ordening is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta, 1992), alsmede de Erfgoedwet.

De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen als de onderhavige, aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. 23

Uit de archeologische verwachtingskaart van de Hoeksche Waard blijkt dat het perceel een middelhoge archeologische verwachting heeft. Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd (SOB Research, juni 2020, nr. 2764-2005). Uit het onderzoek blijkt dat de planrealisatie kan leiden tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Om die reden dienen de ondergrondse sloopwerkzaamheden en de civieltechnische graafwerkzaamheden onder Archeologische Begeleiding te worden uitgevoerd. Voor de uitvoering van die begeleiding wordt een Programma van Eisen opgesteld.

Er is in het bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen waarmee wordt geborgd dat archeologisch onderzoek zal worden verricht. Cultuurhistorie De bebouwing op het perceel Mookhoek 5 heeft geen monumentale status en is ook niet als ‘karakteristiek’ aangeduid op de verbeelding van het bestemmingsplan. Ondanks dat is toch bouwhistorisch onderzoek verricht om te documenteren welke elementen karakteristiek zijn aan deze boerderij (Van Reenen Onderzoeksbureau voor Bouwhistorie, 18 september 2020, nr. P-095). Uit het onderzoek blijkt dat er diverse elementen karakteristiek zijn, zoals de grote schuur, het entreekozijn van het oorspronkelijke ‘inpandige’ woonhuis, elementen in het oorspronkelijke woonhuis (kelder, keldergewelf en opkamer, een kastenwand en bedstede in de opkamer, opgeklampte binnendeuren, binnenluiken bij de gevelopeningen en vaste kasten in de woonkeuken), de schilddaken. Met deze rapportage zijn de vanuit historisch oogpunt waardevolle structuren en elementen benoemd en vastgelegd. Daarmee zijn de aanwezige karakteristieken in voldoende mate gedocumenteerd. Het perceel valt niet binnen een molenbiotoop. Conclusie Dit betekent dat dit onderdeel de planvorming niet in de weg staat.

4.5 Waterhuishouding De watertoets ten behoeve de voorgestane ontwikkeling wordt uitgevoerd om inzicht te krijgen in de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en het vaststellen van eventuele mitigerende of compenserende maatregelen. Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. 24

Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Watergang Het plangebied grenst aan enkele sloten. Voor het onderhoud van deze sloten blijft voldoende vrije ruimte beschikbaar, nu aan de zuidzijde van de sloot geen bebouwing aanwezig zal zijn. Waterveiligheid Het plan wordt niet gerealiseerd binnen de beschermingszone van een waterkering. Voldoende water - wateroverlast Het watersysteem van het Waterschap wordt niet aangetast door het bouwplan. Er is ter plaatse ook geen sprake van wateroverlast. Uit de ‘Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014’van het Waterschap blijkt dat 10 % van de toename van het verhard oppervlak moet worden gecompenseerd in open water.

In buitenstedelijk gebied geldt die eis pas bij een toename van verharding van 1.500 m², in stedelijk gebied bij een toename van 500 m². De verharde oppervlakte op het perceel zal afnemen vanwege de sanering van alle agrarische bedrijfsbebouwing. Het realiseren van compenserend water is om die reden niet vereist. Schoon water De woningen worden aangesloten op de bestaande riolering. Het hemelwater zal worden afgekoppeld en worden geloosd op aanwezig open water. Met het oog op de waterkwaliteit van het te lozen hemelwater geldt dat ook de daken van de woningen worden uitgevoerd in nietuitlogende materialen. Wegen Het Waterschap Hollandse Delta is beheerder van de Mookhoek. De woningen worden ontsloten op de Mookhoek. Conclusie Het bouwplan is in overeenstemming met de geldende normen en beleidsuitgangspunten van het aspect ‘water’.

25

4.6 Milieuzonering Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In deze VNG-publicatie is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Zo ontstaat een zone rond een perceel met een bedrijfsbestemming waar in principe geen milieugevoelige bestemmingen zijn toegestaan. Op deze wijze wordt geborgd dat er geen onaanvaardbare milieuoverlast voor milieugevoelige bestemmingen aan de orde zal zijn. Woningen zijn milieugevoelige objecten. Uit dien hoofde wordt bij de voorbereiding van het bestemmingsplan bezien of de woningen worden gesitueerd in de milieuzone van omliggende milieubelastende functies. Onderzoek In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende bedrijven aanwezig: Mookhoek 1 Strijen In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is bepaald, dat op dit perceel bedrijvigheid t/m milieucategorie 2 is toegestaan, alsmede een transportbedrijf uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

De milieuzone van een dergelijk bedrijf is 100 m, waarbij het aspect ‘geluid’ het maatgevende milieuaspect is. Het plangebied ligt deels binnen die milieuzone, de noordelijk te bouwen woning valt juist buiten die milieuzone. Om deze reden is geluidsonderzoek uitgevoerd (Kraaij akoestisch advies, 29 januari 2021, nr. BP.2039.rev2). Als uitvloeisel daaruit wordt in ieder geval een geluidsscherm geplaatst langs de inrit op de grens van de percelen Mookhoek 1 en 5. Dit geluidscherm wordt 3 meter hoog en is in onderstaande figuur met een gele lijn ingetekend.

Figuur 4.1: tekening met positie geluidsscherm

26

Uit het onderzoek blijkt, dat de representatieve bedrijfssituatie voldoet aan de normen van het Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Ten aanzien van het maximaal geluidniveau geldt in de nachtperiode een richtwaarde van 60 dB(A). Deze richtwaarde wordt met 3 dB(A) overschreden op de meest zuidelijke nieuw te bouwen woning aan de Mookhoek 5, ondanks dat een geluidscherm wordt geplaatst. De richtwaarde wordt eveneens overschreden ter plaatse van de bestaande woning aan de Mookhoek 3 en op het toetspunt op 50 meter ten zuiden van de inrichtingsgrens met 4 dB(A). Ten gevolge van het nieuwbouwplan aan de Mookhoek 5 wordt het transportbedrijf daarom niet extra in de bedrijfsvoering belemmerd. Uit oogpunt van milieu is sprake van een aanvaardbare situatie. Tweede Kruisweg 2 Strijen Er is ter plaatse een groothandel gevestigd, het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ staat bedrijvigheid t/m milieucategorie 2 toe. De bijbehorende richtafstand is 30 m. De afstand van het bedrijfsperceel tot de dichtstbij te bouwen woning bedraagt circa 65 m. Er doet zich geen frictie voor. Schenkeldijk 6 ‘s-Gravendeel Hier is een opslagbedrijf gevestigd (caravanstalling). Een caravanstalling wordt niet expliciet genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, maar is gelijk te stellen met ‘opslaggebouwen’ (verhuur opslagruimte, 521 09, SB1 2008), zijnde milieucategorie 2.

De bijbehorende richtafstand is 30 m, de afstand tot de dichtstbij te bouwen woning is circa 100 m. Dit levert derhalve geen belemmering op voor het bouwplan van de woningen. Schenkeldijk 10 ’s-Gravendeel Op dit perceel is een metaalbewerkingsbedrijf aanwezig met een productieoppervlakte ter grootte van 76 m². Een constructiewerkplaats of een metaalwarenfabriek met een productieoppervlakte tot 200 m² zijn ingedeeld in milieucategorie 3.1. De bijbehorende richtafstand is 50 m. De afstand tot de dichtstbijzijnde nieuwe woning is circa 75 m. Dit levert derhalve geen belemmering op. Uit oogpunt van milieuzonering voldoet het plan aan de daarvoor geldende uitgangspunten.

4.7 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Industrie en/of spoorweglawaai Het plangebied valt niet binnen een zone voor industrie- en/of spoorweglawaai. Wegverkeerslawaai Wettelijk kader: voor woningbouw binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden overgelegd. 27

In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt hebben niet een dergelijke geluidszone. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde Lden van 48dB. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Kraaij akoestisch adviesbureau, 29 maart 2020, projectnr. VL.2020.R01). In het rapport wordt naar aanleiding van het onderzoek geconcludeerd, dat: • De geluidbelasting op de bouwvlakgrenzen voor de nieuwbouw vanwege de niet geluidgezoneerde, 30 km/u weg ten hoogste 24 dB bedraagt en daarmee overal voldoet aan de richtwaarde van 48 dB in navolging van de Wgh; de geluidbelasting op de bouwvlakgrenzen voor de nieuwbouw vanwege de geluidgezoneerde Tweede Kruisweg ten hoogste 46 dB bedraagt en daarmee overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.; • De geluidbelasting op de bouwvlakgrenzen voor de nieuwbouw vanwege de geluidgezoneerde Mookhoek en Strijensedijk ten hoogste 52 dB bedraagt en daarmee niet overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh.

De overschrijding bedraagt 2 – 4 dB en vindt uitsluitend plaats aan de oostelijke voorgevelzijde; • De maximale geluidbelasting voor het aanvragen van een hogere waarde (63 dB) niet wordt overschreden; • Uit maatregelenonderzoek blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doeltreffend zijn of stuiten op overwegende bezwaren; • Cumulatie van geluid vanwege alle betrokken bronnen van het wegverkeerslawaai niet leidt tot een toename in de geluidbelasting ten opzichte van alleen de maatgevende bron en daarmee bij cumulatie van geluid dus geen sprake is van een verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat; • Het akoestisch woon- en leefklimaat bij de nieuwbouw aan de voorzijde van de bouwvlakken als ‘matig’ dient te worden beoordeeld, aan de zijdelingse grenzen als ‘redelijk tot goed’ en aan de achterzijde als ‘zeer goed tot goed’; • De geluidbelasting op de zijdelingse en achterste grens van de bouwvlakken voor de nieuwbouw ten hoogste 52 dB bedraagt (cumulatief, zonder aftrek) en deze daarmee geheel als geluidluw kunnen worden beschouwd.

In dit geval is dus sprake van een goede ruimtelijke ordening; • Bij de gemeente Hoeksche Waard voor de nieuwbouw aan de Mookhoek 5 een hogere waarde van 52 dB dient te worden aangevraagd vanwege de Mookhoek; • In combinatie met de aanvraag hogere waarde, de nieuwe woningen aan de meest kritisch gelegen voorgevelzijde uitgevoerd dient te worden met een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van tenminste 24 dB voor een verblijfsgebied en tenminste 22 dB voor een verblijfsruimte. Indien bij de nieuwbouw gebruik gemaakt wordt van een gebalanceerd ventilatiesysteem met mechanische luchttoe- en afvoer, zal een geluidwering van 26 tot 28 dB vrij eenvoudig worden behaald.

28

Spoorweg- en/of industrielawaai Het perceel Mookhoek 5 ligt niet in een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein dan wel nabij een spoorweg. Conclusie De plannen zijn uit oogpunt van geluid realiseerbaar, met dien verstande dat een hogere geluidsgrenswaarde dient te worden vastgesteld van 52 dB vanwege het geluid van wegverkeer op de Mookhoek.

4.8 Bodem In de Woningwet is bepaald dat door de gemeenteraad in de bouwverordening regels moeten worden opgenomen om het bouwen op verontreinigde bodem te voorkomen. Deze regels hebben onder andere betrekking op het uitvoeren van een (bodem)onderzoek naar de aard en schaal van de verontreiniging van de bodem. Er is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Schutter, september 2010, nr. 200802). Uit de uitkomst van dit onderzoek blijkt er slechts lichte verontreinigingen aanwezig zijn op het perceel. Er is daarnaast aanvullend onderzoek verricht (Schutter, januari 2021, nr. 200802). Op aangeven van de gemeente/Omgevingsdienst is onderzoek ingesteld ter plaatse van de locatie van gedempte sloten en er is aanwezig puin geanalyseerd. De conclusie van dit aanvullend onderzoek is, dat er geen milieuhygiënisch bezwaar bestaat tegen het afgeven van een omgevingsvergunning op de onderzochte gronden.

4.9 Geur Geurhinder heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van de leefomgeving. Geurhinder is tevens een belemmerende factor voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het perceel bevindt zich niet binnen een geur- en/of stankcirkel, waardoor het aspect geur/stank geen belemmeringen oplevert voor de realisering van het bouwplan.

4.10 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: a. b. c. d.

Er is geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; De concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). 29

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat’. Voorheen werd het perceel gebruikt voor agrarisch bedrijfsmatige doeleinden. Daarvoor in de plaats komen drie woningen met circa 7 vervoersbewegingen per etmaal van en naar elke woning. Er kan worden geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Heersende luchtkwaliteit Voor de volledigheid is uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening ook de heersende luchtkwaliteit in ogenschouw te nemen.

Op basis van de landelijk beschikbare GCN- waarden (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland) kan gesteld worden dat de jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide 18,1 (2018, gebaseerd op gegevens gcn 2018) microgram per kubieke meter lucht bedraagt en voor fijn stof pm 10 is dit 18,3 (2018, gebaseerd op gcn 2018) microgram per kubieke meter en voor fijn stof pm 2,5 is dit 11,2 (2018, gebaseerd op gen 2018). Hieruit kan geconcludeerd worden dat de luchtconcentraties ruim voldoen aan de normering Wet milieubeheer onderdeel luchtkwaliteit (grenswaarde voor stikstofdioxide en fijn stof bedragen 40 microgram per kubieke meter). Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van drie woningen. Gezien dit beperkte omvang van het plan behoeft er geen specifiek luchtkwaliteitsonderzoek te worden uitgevoerd. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit worden geen belemmeringen ondervonden. 4.11 Externe veiligheid Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) van kracht geworden. In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft.

Tevens dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. Daarnaast zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang. Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten, het Bevt ziet toe op veiligheidsaspecten van transportroutes. Uit de risicokaart Nederland blijkt dat er, behoudens de hierna behandelde gevallen, geen risicovolle inrichtingen of -leidingen aanwezig zijn nabij het perceel Mookhoek 5. 30

Figuur 4.2: deel risicokaart Nederland

Op circa 100 m ten zuidwesten van het plangebied lopen twee olieleidingen. Het plangebied valt niet binnen de beschermingszone van die leidingen en ook niet binnen de plaatsgebonden risicozone. Het invloedsgebied van de leidingen bedraagt circa 280 meter. Gezien de beperkte toename van het aantal woningen en de hoogte van het groepsrisico is aannemelijk dat het groepsrisico niet wijzigt door dit bouwplan.

De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) stemt in met deze paragraaf over externe veiligheid. Daarbij adviseert de VRZHZ om de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het toekomstige Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Bij de verdere uitwerking van het plan wordt aandacht besteed aan deze aspecten. Voor de volledigheid wordt er op gewezen dat het plangebied in het invloedsgebied van Shell Nederland Chemie (Shell Moerdijk) valt. De afstand van het plangebied tot Shell Moerdijk is ruim 6 km. Het bouwplan heeft echter geen tot nagenoeg geen invloed op het groepsrisico. Hierna is een beperkte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Het aantal personen dat in het plangebied zal verblijven is beperkt. Er worden drie vrijstaande woningen gebouwd met voldoende ontvluchtingsmogelijkheden. Het plangebied kent vluchtmogelijkheden en de bewoners zijn zelfredzaam c.q.

kunnen vanuit zorgoogpunt geholpen worden bij eventuele evacuatie. 31

Vanuit oogpunt van externe veiligheid kan het bestemmingsplan als aanvaardbaar worden bestempeld. 4.12 Kabels en leidingen Binnen of langs het plangebied liggen diverse kabels en leidingen, zoals elektriciteit, telefoon en kabeltelevisie. Er zijn, behoudens de in paragraaf 4.11 genoemde olieleidingen, geen kabels of leidingen aanwezig die een specifieke bescherming hebben in het bestemmingsplan, het gaat om ‘gewone’ leidingen waar bij de uitvoering van een eventueel bouwplan rekening mee wordt gehouden.

4.13

Milieueffectrapportage

Het plan maakt ontwikkelingen mogelijk die vallen onder categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Een m.e.r. beoordeling is in dat geval op basis van de Wet milieubeheer verplicht. In dit plan is al ingegaan op de verschillende onderdelen. Echter hieronder motiveren wij nogmaals dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het plan optreden een en ander overeenkomstig de criteria genoemd in Bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: De omvang van het project betreft de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing en herbouw van 3 woningen. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreft het afvoeren van hemelwater in de nabij gelegen watergang, er worden geen uitlogende materialen gebruikt. De productie van afvalstoffen is niet aanwezig. Huishoudelijk afvalwater wordt via de riolering afgevoerd. Er is geen sprake van verontreiniging en hinder. Verwezen wordt naar onderdeel bedrijven en milieuzonering onder 4.6. Er is geen risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid zoals beschreven onder 4.11. Er zijn geen risico's voor de menselijke gezondheid. Verwezen wordt naar het onderdeel externe veiligheid, zoals beschreven onder 4.11. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11183006/1