TOE Bestemmingsplan correctieve herziening Nieuw-Beijerland Zuid II (7-10-20)
Tekst van het document
45
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld een richtafstand van 50 meter voor het aspect ‘geur’. Daarnaast gelden er richtafstanden van 30 meter voor de overige aspecten ‘geluid’ en ‘stof’. De schuur waarin de paarden worden gehouden, ligt op ruim 55 meter van de dichtstbijzijnde woning. Aan deze richtafstand wordt dan ook voldaan. Het onderhavige bestemmingsplan biedt ook geen mogelijkheid om de schuur op een kortere afstand van de betreffende woningen te realiseren. Voor een paardenbak zijn in de VNG-uitgave geen richtafstanden opgenomen. Op het perceel worden op hobbymatige wijze paarden gehouden. De paardenbak maakt in feite onderdeel uit van deze inrichting. Op basis van de VNG-uitgave wordt in dit geval daarom aangesloten bij de eerder genoemde richtafstanden voor maneges en paardenfokkerijen. De VNG-uitgave gaat uit van middelgrootte moderne bedrijven. In dit geval is hier geen sprake van. Het gaat namelijk niet om een reguliere paardenfokkerij dan wel een manege. Het betreft een hobbymatige activiteit. Het gaat om het houden van 6 paarden. Op basis van onderhavig bestemmingsplan heeft het perceel de bestemmingen ‘’Wonen – 1’’ en ‘’Tuin’’. Het bestemmingsplan biedt planologisch dan ook geen mogelijkheden tot het op een bedrijfsmatige wijze uitbreiden van de activiteiten.
De paardenbak zal in de praktijk enkel worden gebruikt door de bewoners van het betreffende perceel. Van bedrijfsmatig gebruik is dan ook geen sprake. De richtafstand kan dan ook worden teruggebracht naar 30 meter voor het aspect ‘geur’ en 10 meter voor de aspecten ‘stof’ en ‘geluid’. De paardenbak ligt op circa 26 meter van de dichtstbijzijnde woningen. De richtafstand ten aanzien van de paardenbak wordt dan ook niet gehaald. Van de richtafstanden kan echter, mits gemotiveerd, worden afgeweken. In een uitspraak (ECLI:NL:RVS:2012:BV5074) heeft de raad geoordeeld dat er bij een paardenhouderij geen sprake was van bedrijfsmatig gebruik. Gelet op de aard, omvang en intensiteit van het gebruik en de afstand tussen de mestopslag en de paardenbak met lichtmast en de met het plan beoogde woningen, voorziet de paardenhouderij van [appellant sub 2] in een minder intensieve milieubelasting dan een bedrijfsmatige paardenhouderij, aldus de raad. Derhalve betoogt de raad dat in dit geval van de in de VNG-brochure voor een paardenfokkerij en een manege aangegeven afstand kon worden afgeweken. De raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat tussen de paardenbak en de te realiseren woningen een groenhaag en een watergang aanwezig zijn, die een afschermende werking zullen hebben.
Uit de verbeelding en de ter zitting daarop gegeven toelichting is gebleken dat de voorziene woningen ter hoogte van de paardenhouderij tot op de plangrens kunnen worden gebouwd en dat de afstand tussen de perceelsgrens van [appellant sub 2] en de gevels van deze woningen ten minste 25 meter bedraagt. Hiermee wordt afgeweken van de in de VNG-brochure voor een paardenfokkerij of een manege aanbevolen afstand van 30 meter (op basis van gemengd gebied). Gelet op de aard, omvang en intensiteit van de activiteiten van [appellant sub 2] en de relatief beperkte afwijking van de richtafstand die in dit geval zou gelden voor een paardenfokkerij of een manege, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid een afstand van 25 meter toereikend heeft kunnen achten om een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen te waarborgen. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de stal en de mestopslag op het perceel van [appellant sub 2] verder dan 50 meter van de in het plan voorziene woningen zijn verwijderd. Gelet op het feit dat op het perceel van [appellant sub 2] een enkele lichtmast aanwezig is, die zich bovendien niet aan de rand van zijn perceel bevindt, heeft de raad in redelijkheid kunnen stellen dat zich voor de bewoners van de voorziene woningen geen onaanvaardbare lichthinder zal voordoen.
In onderhavig geval is er sprake van een vergelijkbare situatie. Het betreft een paardenbak die enkel hobbymatig in gebruik is. De paardenbak is voorzien van slechts twee lichtmasten, die beide niet op de ligging van de beoogde woningen gericht zijn. Daarnaast is de stal op een afstand van meer dan 50 meter van de woningen gelegen. Gezien vorenstaande uitspraak en het feit dat het dit geval gaat om hobbymatige activiteiten, kan een kleinere afstand tot omliggende geurgevoelige objecten worden gemotiveerd. Naast vorenstaande worden er tevens maatregelen genomen om eventuele overlast tegen te gaan. Momenteel is er tussen de paardenbak en de beoogde woningen een windscherm (een dichte houtsingel) gelegen. Het windscherm heeft een zekere afschermende werking. Als extra bescherming zal er een kokosscherm worden geplaatst.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld
Op het perceel is tevens een mestopslag gelegen. Voor een mestbassin geldt het activiteitenbesluit. Op basis van artikel 3.51 van het activiteitenbesluit geldt dat een mestbassin op tenminste 25 meter van een geurgevoelig object is gelegen, indien het bassin kleiner is dan 350 vierkante meter. Daar is in dit geval sprake van. De inhoud van het mestbassin bedraagt namelijk 45 m3. De dichtstbijzijnde woningen liggen op 30 meter van het bassin. Aan de richtafstand wordt dan ook voldaan. Gezien vorenstaande wordt gesteld dat er ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig zal zijn. Voor het overige zijn in het plangebied en in de nabijheid van het plangebied geen milieubelastende functies aanwezig. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of in de directe omgeving daarvan. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Haringvliet’ (Vogelrichtlijn + Habitatrichtlijn) ligt op circa 3,5 kilometer afstand (zie afbeelding 5.3). Door Natuurbank Overijssel is een onderzoek naar stikstof (Aeriusberekening) uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 7. Bij de berekening is onderscheid gemaakt tussen de bouwfase en de gebruiksfase van de ontwikkeling. De totale stikstofemissie (Zowel NOx als NH3) op de betreffende Natura 2000-gebieden ‘Haringvliet’ en ‘Oude Maas’, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteit, is volgens de Aeriusberekening nergens hoger dan de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar. Dit geldt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Voor het aspect depositie NOx en NH3.
Er hoeft geen PAS-vergunning aangevraagd te worden en er hoeft geen melding te worden gedaan in het kader van de PAS. 5.6.1.2 Natuur Netwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN' waarbij tevens zoveel mogelijk rekening gehouden dient te worden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de zowel het Natura 200-gebied als de NNN weergegeven.
Afbeelding 5.3
Ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebied en de NNN (Bron: Provincie Zuid-Holland)
De locatie is niet gelegen binnen het NNN, de afstand tot de dichtstbijzijnde gebieden aangewezen als NNN bedraagt circa 250 meter. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is van significant negatieve effecten (bijv. areaalvermindering) op de NNN geen sprake. Een nadere toetsing wordt niet noodzakelijk geacht. 5.6.2
Soortenbescherming
5.6.2.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden 5.6.2.2 Situatie plangebied Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Onderstaand wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. Deze quickscan is gericht op zowel de woongebieden Akkerdreven, Damgaarde als Dorpsgaard. De resultaten ten aanzien van het woongebied Dorpsgaard zijn in dit bestemmingsplan buiten beschouwing gelaten aangezien hiervoor een separaat bestemmingsplan zal worden opgesteld. Hierna wordt dan ook enkel ingegaan op de woongebieden Akkerdreven en Damgaarde. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en (beschermde) grondgebonden zoogdiersoorten. Deze soorten benutten het onderzoeksgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar verschillende grondgebonden zoogdiersoorten bezetten er een voortplantings- en (winter)rustplaats, verschillende amfibieënsoorten bezetten er een (winter)rustplaats, verschillende vogels nestelen in het plangebied en mogelijk bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Het plangebied vormt een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Er nestelen hoofdzakelijk vogelsoorten in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten die in het plangebied voorkomen geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Wel dient rekening gehouden te worden met deze dieren tijdens de uitvoering. Werkzaamheden dienen afgesteld te worden op de ecologie van de dieren om te voorkomen dat ze onnodig verwond of gedood worden. Dit dient nader uitgewerkt te worden in een werkprotocol.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk vleermuizen verwond of gedood, worden mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen beschadigd en vernield. Ook wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor sommige kritische vleermuissoorten mogelijk negatief beïnvloed. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten inzichtelijk te krijgen is nader onderzoek nodig. Het plangebied heeft geen functie als vliegroute voor vleermuizen. Het plangebied vormt functioneel leefgebied van verschillende ‘licht beschermde’ soorten waarvoor een vrijstelling geldt om ze te mogen verwonden en doden en hun rust- en voortplantingsplaatsen te mogen beschadigen en vernielen als gevolg van de voorgenomen activiteiten, maar ook het functioneel leefgebied van een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten. Om deze soorten negatief te mogen beïnvloeden is een ontheffing vereist. Omdat de functie van het plangebied voor een aantal ‘zwaar beschermde’ soorten op basis van het uitgevoerde onderzoek onvoldoende duidelijk is geworden, is nader onderzoek vereist in het deelgebied Damsgaard (niet Akkerdreven).
Nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor vleermuizen (verblijfplaatsen en foerageergebied); Opstellen ecologisch werkprotocol om invulling te geven aan de zorgplicht; Werkzaamheden die vogelnesten negatief beïnvloeden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode;
Voor het uitvoeren van het nader vleermuizenonderzoek zijn er een aantal werkzaamheden gepland. Het betreft samengevat het volgende: • •
Rooien/verplanten enkele tientallen laagstam fruitbomen in deelgebied Damgaarde; Graven sleuven/cunet voor kabels, leidingen en aanleggen bouwweg binnen deelgebied Damgaarde;
In totaal wordt 10-20% van de fruitbomen gerooid/verwijderd en blijft de randbeplanting, aan de buitenzijde van het perceel behouden. Onderzocht is wat de gevolgen van deze werkzaamheden voor de daar voorkomende soorten zijn. Onderstaand wordt dit nader weergegeven, de volledige briefnotitie is opgenomen in bijlage 9 van deze toelichting. Gebleken is dat de voorgenomen werkzaamheden, ter voorbereiding op de feitelijke ontwikkeling van het plangebied, niet leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, mits bij de uitvoering rekening gehouden wordt met de broedtijd van vogels. Bij uitvoering van werkzaamheden geldt altijd de zorgplicht (art. 1.11 van de Wet natuurbescherming). 5.6.3
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kunnen de wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming niet volledig vastgesteld worden. Aanvullend onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het projectgebied is verplicht. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Korendijk heeft het archeologiebeleid verwerkt in de archeologische dubbelbestemmingen. Op basis van deze dubbelbestemmingen hebben de gronden in het plangebied deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ geldt een onderzoeksplicht voor werkzaamheden dieper dan 50 cm en groter dan 500 m2. Voor gronden met de bestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt een onderzoeksplicht voor werkzaamheden dieper dan 50 centimeter en groter dan 10 hectare. Ten aanzien van de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ worden deze oppervlaktes en dieptes gehaald, waardoor voor deze gronden een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Door Laagland Archeologie is een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek ter plaatse van deze gronden (Damgaarde) uitgevoerd. Voor het deelgebied Akkerdreven is in 2011 reeds door Synthegra Archeologie een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de belangrijkste resultaten opgenomen. De volledige rapportages zijn opgenomen in bijlage 10, 11, 12 en 13 van deze toelichting. Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek Akkerdreven (januari 2012) De ondergrond van het plangebied bestaat uit getij-afzettingen (grotendeels matig fijn tot uiterst fijn zand met kleilaagjes en schelpenresten en in mindere mate zandige klei). Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren, dat onderdeel uitmaakt van de Formatie van Naaldwijk. Alleen in boring 1 is veen aangetroffen. Het wordt gerekend tot het Hollandveen Laagpakket, dat onderdeel uitmaakt van de Formatie van Nieuwkoop. Het betreft vermoedelijk lokaal veen dat is gevormd in een verlaten kreek. De verwachting is dat binnen het plangebied geen archeologische resten in situ aanwezig zijn. Als er al vindplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied, dan is liggen ze dieper dan 4 m beneden maaiveld, waardoor ze niet worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied.
De hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor nederzettingssporen uit de ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen kan op grond van de resultaten van het veldonderzoek naar laag worden bijgesteld. De middelhoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd kan op grond van de resultaten van het veldwerk naar laag worden bijgesteld. De onbekende verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum als voor nederzettingsresten uit de periode vroeg- en midden-neolithicum blijft op grond van de resultaten van het onderzoek bestaan. De lage verwachting voor de periode laat-neolithicum tot en met de bronstijd blijft bestaan. Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek Damgaarde (oktober 2018) Het noordelijk deel van het plandeel Damgaarde ligt in een zone met een middelhoge verwachting voor nederzettingen van de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd op de gemeentelijke verwachtingskaart. Het plangebied ligt in een vlakte van getij-afzettingen en getij-oeverwal aan een kreek, binnen de bedijking van 1581. Vanaf die tijd was het plangebied met zekerheid een favoriete plek voor landbouw en/of bewoning.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Mogelijk was dit landschap ook aanwezig in een eerdere, onbekende, door stormvloeden overstroomde middeleeuwse polder. Verder bevind zich mogelijk een veenlandschap dat werd bewoond in de IJzertijd (Hollandveen) op ca. 4 m diepte. Het daardoor afgedekte kwelderlandschap (Laagpakket van Wormer) was mogelijk op bepaalde plaatsen bewoonbaar door opslibbing. Het verkennende booronderzoek had tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. De verkennende boringen hadden tot doel eventuele vindplaatsen op te sporen. Ook hiertoe zijn onderzoeksvragen opgesteld. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. Het plangebied ligt aan een kreek die mogelijk al in de IJzertijd-Romeinse tijd als veenstroom aanwezig was. Op 2,5 m –mv is namelijk plaatselijk (boring 17) een ingeschakelde kleilaag aangetroffen in het Hollandveen. De oevers van een dergelijke veenstroom waren mogelijk een favoriete plek voor bewoning. De huidige NieuwBeijerlandse Kreek wordt begeleidt door kreekafzettingen, die afgedekt zijn met kwelderafzettingen (beide van het Laagpakket van Walcheren van de Formatie van Naaldwijk). In deze kwelderafzettingen is een afgedekte Ahorizont aangetroffen op ca. 80 cm –mv in boring 10, waarin een enkel houtskoolfragmentje is aangetroffen.
Deze begraven A-horizont is afgedekt met kwelderafzettingen van waarschijnlijk na de Sint-Elizabethsvloed van 1421. Om deze reden bestaat er een reële kans dat er in het plangebied een vindplaats uit de Volle en/of Late Middeleeuwen aanwezig is. Al kan het bij een enkel houtskoolfragmentje gaan om een akkerlaag met opgebracht materiaal gaan. In het aangetroffen Hollandveen zijn verder geen veraarde horizonten aangetroffen. Waarschijnlijk is de top van het Hollandveen geërodeerd. Met name het archeologisch belang van een mogelijke middeleeuwse vindplaats aan een kreek is van hoog archeologisch belang. Gezien de kans dat er in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is wordt geadviseerd om een aanvullend onderzoek uit te voeren waarmee een eventuele vindplaats kan worden aangetoond. Dit aanvullende onderzoek dient te worden uitgevoerd door middel van aanvullende boringen rondom boring 10 op basis van het KNA-protocol 4003 IVO-O om een eventuele vindplaats op te sporen. De aanvullende boringen dienen plaats te vinden volgens de KNA-leidraad IVO Karterend Booronderzoek volgens de methode E2. Archeologisch inventariserend veldonderzoek Damgaarde (november 2018) Het zuidelijk deel van het plandeel Damgaarde is middels een separaat onderzoek onderzocht. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting.
Onderstaand wordt op de belangrijkste conclusies ingegaan. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans groot dat het plangebied archeologische sporen bevat. Het plangebied ligt dichtbij een kreek die mogelijk al in de IJzertijd-Romeinse tijd als veenstroom aanwezig was. Binnen het onderzoeksgebied zijn oeverafzettingen van een dergelijke veenstroom op aangetroffen 220 à 270 cm diepte. De oevers van een dergelijke veenstroom waren geschikt voor bewoning. In het daaronder gelegen Hollandveen zijn verder geen veraarde horizonten aangetroffen. Waarschijnlijk is de top van het Hollandveen geërodeerd. Verder wordt de huidige Nieuw-Beijerlandse Kreek begeleid door kreekafzettingen uit de Vroege Middeleeuwen tot Volle Middeleeuwen, die afgedekt zijn met kwelderafzettingen uit de Vroege Middeleeuwen-Vroege Nieuwe tijd (1581). Vanaf 10 à 40 cm –Mv onder de bouwvoor is een archeologisch niveau te verwachten in de kwelderafzettingen. Een tweede archeologisch niveau kan voorkomen in de top van de kreekafzettingen die vanaf 40 à 70 cm –Mv (0,37 à 0,58 m –NAP) overal tenminste tot 2 m diepte aanwezig zijn. Met name het archeologisch belang van een mogelijke middeleeuwse vindplaats nabij een kreek is van hoog archeologisch belang.
Gezien de kans dat er in het plangebied een archeologische vindplaats aanwezig is wordt geadviseerd om een aanvullend onderzoek uit te voeren waarmee een eventuele vindplaats kan worden aangetoond. De hoge verwachting op eventuele vindplaatsen is vanwege de aanwezigheid van kreekafzettingen in de ondergrond, die afgedekt zijn met kwelderafzettingen. De oeverafzettingen van een onbekende veenstroom liggen op een zodanige diepte, dat een archeologisch vervolgonderzoek zeker bij de huidige plannen onder de verstoringsdiepte liggen. Daarom wordt een aanvullend onderzoek geadviseerd voor de niveaus bovenin de kreekafzettingen en de afdekkende kwelderafzettingen tot 1 m -Mv. Dit aanvullende onderzoek dient te worden uitgevoerd door middel van een proefsleuvenonderzoek op basis van het KNAprotocol 4003 IVO-P om een eventuele vindplaats op te sporen en in kaart te brengen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Oplegnotitie archeologie Damgaarde (februari 2019) In oktober 2018 heeft Laagland Archeologie in verband met de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied ‘Nieuw Beijerland-Zuid, deelgebied Damgaarde een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Bij dit onderzoek is boring 10, in het meest noordoostelijke deel (onderzoek oktober 2018), een overdekte oude A-horizont aangetroffen op kwelderafzettingen langs de Nieuw-Beijerlandse Kreek. In boring 10 is een fragmentje houtskool aangetroffen. De conclusie in het rapport was dat er sprake kan zijn van een archeologische vindplaats en geadviseerd is om daar een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van een vindplaats te kunnen vaststellen. Naar aanleiding van deze conclusie en bijbehorend advies is onderzocht wat de noodzaak met betrekking tot het uitvoeren van het geadviseerde proefsleuvenonderzoek. Hieruit is gebleken dat er in eerste instantie nabij boring 10 aanvullende boringen zouden worden gezet. Deze zijn in februari 2019 uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige bijbehorende oplegnotitie is opgenomen in bijlage 13 van deze toelichting.
Op basis van de aanvullende boringen is vastgesteld dat er ter plaatse van de noordoosthoek van het gebied Damgaarde in ieder geval een oude bodem aanwezig is waarin zich archeologische indicatoren bevinden die kunnen duiden op een oude bewoningslocatie of een akkerlaag. Hoewel dit niet met boringen bevestigd kan worden, is er daarmee een grote kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Voor de overige gronden in deelgebied Damgaarde geldt een lage archeologische verwachting. Voor het deelgebied Akkerdreven blijft de door Synthegra vastgestelde lage verwachtingswaarde in stand. Om meer zekerheid te krijgen omtrent de aanwezigheid van een vindplaats en om te kunnen bepalen wat de aard en waarde van deze vindplaats is, wordt voorgesteld om in een zone rond de boringen met de afgedekte oude bodem alsnog een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld waarin de omvang en verdere specificaties voor het proefsleuvenonderzoek worden vastgelegd. Voor het betreffende deel is in eerste instantie een aanduiding ‘hoge archeologische verwachtingswaarde’ als (voorlopige) dubbelbestemming opgenomen (dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 3”). De uitvoering van het proefsleuvenonderzoek wordt als voorwaarde bij de omgevingsvergunning opgenomen. Voor het overige is het onderzoeksgebied vrijgegeven.
Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de gemeente of haar regio-archeoloog. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied In het plangebied zelf zijn geen bouwkundige monumenten of cultuurhistorische elementen aanwezig. Wel zijn er een aantal landschapselementen aanwezig die van een wezenlijk cultuurhistorisch belang zijn.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Ten noorden van het plangebied loopt de Nieuw-Beijerlandse kreek. De kreekstructuur is kenmerkend voor de polders van Nieuw-Beijerland en Nieuw-Piershil. Het organisch gevormde kreekrelict met de grienden en eeuwkanten contrasteert met de blokverkavelde, rationele polder. Naast de kreek zijn de van oorsprong aanwezig boomgaarden van cultuurhistorische waarde. Tot slot bevindt zich er in het plangebied een waardevolle elzenrij. In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart opgenomen. Het plangebied is met de blauwe contour aangegeven.
Afbeelding 5.3
Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Gemeente Korendijk)
In het ontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met de cultuurhistorische aspecten in het plangebied. Het ontwerp gaat uit van wonen binnen een landschappelijk raamwerk van groen- en waterstructuren. Het landschap is in de wijk dan ook een constant aanwezige factor, waarop het ontwerp is gebaseerd. Op de kavelgrenzen en langs de wegen zullen de reeds bestaande bomen worden gehandhaafd. ook de zogenaamde ‘windschermen’ (dichte rijen bomen om de wind tegen te houden) blijven intact. Gesteld wordt dat op zorgvuldige mate rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. 5.7.3
Conclusie
Met inachtneming van het uitvoeren van het nader archeologische onderzoek, vormen de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld
Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 3,5 kilometer van het plangebied. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied zal, gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling dan ook geen sprake zijn. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2.2 Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Activiteiten met een waarde van minder dan 0,05 mol per hectare per jaar worden als verwaarloosbaar beschouwd; deze activiteiten hoeven niet te worden gemeld (ook al niet onder de ontwerp Regeling). Ook cumulatief beschouwd zorgen deze activiteiten voor geen effecten voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, aldus de toelichting van de PAS. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is, zoals genoemd in paragraaf 5.6, gelegen op circa 3,5 kilometer afstand van het plangebied. Om na te gaan of uitvoering van het bestemmingsplan mogelijk tot significant negatieve effecten kan leiden op instandhoudingsdoelstellingen is met het rekenprogramma AERIUS Calculator de stikstofdepositie op beide Natura 2000-gebieden in beeld gebracht voor zowel de eindsituatie als de aanlegwerkzaamheden. Voor de resultaten wordt verwezen naar subparagraaf 5.6.1.
Hier wordt gesteld dat van significant negatieve effecten op de betreffende Natura 2000-gebieden geen sprake is en er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd is. 5.8.2.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
54
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Aangezien hier sprake van is, dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden (een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen) kan worden geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe dient de vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden gehanteerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie (zie bijlage 14) blijkt dat het bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.8.3
Conclusie
Dit project is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het project.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
55
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterweg (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
Het waterbeleid voor de periode 2016 tot 2021 van de provincie Zuid-Holland bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Regionaal Waterplan 2016 – 2021 en de relatie met andere Besluiten, Verordeningen, Agenda’s etc. Dit betreft een herziening en geen nieuw beleid, actualisatie zal in samenwerking met betrokken partijen/overheden worden opgepakt. De ambities uit bovenstaande stukken zijn onder andere: het aangrijpen van de zandige versterking van de Noordzeekust om de regio, ruimtelijk en economisch, te versterken en extra aandacht besteden aan de economische kant van water. Daarnaast gaat het om betaalbaar waterbeheer waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit en duurzaamheid. Tevens dient er aandacht te zijn voor het watersysteem als onderdeel van de ruimtelijke inrichting van Nederland. In het beleid zijn maatregelen en kosten opgenomen, waaronder tevens maatregelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. 6.1.4
Beleid waterschap Hollandse Delta
6.1.4.1 Waterbeheerprogramma 2016-2021 Vanaf 2016 is er een nieuw waterbeheer programma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
56
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. 6.1.4.2 Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014 In de 'Nota toetsingskaders en beleidsregels voor het watersysteem 2014 (BL-11 Versnelde afvoer door toename verhard oppervlak) is via een algemene regel opgenomen dat de compensatieplicht is vrijgesteld bij een verhardingstoename in stedelijk gebied tot maximaal 500 m² en in landelijk gebied tot maximaal 1.500 m². Bij voorkeur gebeurt dit door een nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename.
6.3
Waterparagraaf
6.3.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.3.2
Watertoetsproces
Waterschap Hollandse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De uitgangspuntennotitie behorende bij de ‘normale procedure’ is in bijlage 15 opgenomen. De relevante randvoorwaarden voor dit plan zijn gerangschikt onder acht streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema’s ‘Veiligheid’, ‘Voldoende Water’ en ‘Schoon Wat en het thema ‘’Wegen’. 6.3.4
Uitwerking
De uitgangspuntennotitie voor de normale procedure van de watertoets, zoals hiervoor opgenomen, moet worden gevolg. Het concept-voorontwerpbestemmingsplan zal verder voor advies worden toegezonden naar het Waterschap Hollandse Delta. Uit het overleg met het waterschap is een positief wateradvies naar voren gekomen. Aan de benodigde compensatie als gevolg van de toename aan verharding wordt ruimschoots voldaan. In bijlage 16 is dit in een overzicht weergegeven. De overige eisen van het waterschap zoals opgenomen in de uitgangspuntennotitie zullen in acht worden genomen. Qua waterhuishouding in het plangebied kan op dit moment worden aangegeven dat als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied fors meer verhard oppervlak aanwezig zal zijn. Het hemelwater zal infiltreren in de bodem. Tevens wordt er in voldoende mate voorzien in waterberging, gezien er oppervlaktewater zal worden gerealiseerd. Het hemelwater wordt via een gescheiden riool afgevoerd. Het aspect water leidt niet tot mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
57
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.); Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
58
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld
Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bouw- of gebruiksmogelijkheden;
In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 17) Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
Algemene bouwregels (Artikel 18) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de bouwregels af te wijken inzake bouwgrenzen, goot- en bouwhoogten. Tevens zijn hier regels opgenomen ten aanzien van bestaande maatvoering en geluidgevoelige functies.
Algemene gebruiksregels (Artikel 19) In dit artikel wordt het strijdig gebruik beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 20) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Algemene wijzigingsregels (Artikel 21) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven ten aanzien overschrijdingen bestemmingsgrenzen en het realiseren van een jongerenontmoetingsplek.
Overige regels (Artikel 22) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van parkeren opgenomen.
7.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. ‘Groen’ (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van groenstroken en groengebieden. Binnen deze bestemming zijn groen- water, sport- en hangplekken, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan. Tevens zijn
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
59
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld (nuts)voorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. ‘Groen -1’ (Artikel 4) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het zuidelijke park. Deze bestemming wijkt af van de bestemming ‘Groen’ ten aanzien van parkeren. Binnen de bestemming ‘Groen-1’ zijn geen parkeervoorzieningen toegestaan. Voor het overige is deze bestemming gelijk met de bestemming ‘Groen’. ‘Groen – 2’ (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het nieuw aan te leggen parkachtig gebied, wat ten zuiden van de bestaande woning wordt gerealiseerd. Deze bestemming wijkt af van de andere groenbestemmingen in die zin dat deze gronden niet bedoeld zijn als openbaar toegankelijk gebied. Voor het overige is deze bestemming gelijk met de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Groen – 1’. ‘Natuur’ (Artikel 6) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van een natuurstrook langs de Kreek in het noorden van het plangebied. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurlijke water. Tevens zijn groen, water, duikers, bruggen, wandel- en fietspaden toegestaan.
Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken beschermd de natuurlijke waarden van het gebied. ‘Tuin’ (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de tuin behorende bij het voormalige agrarische bedrijf (in onderhavig bestemmingsplan bestemd als woonperceel). Het betreffen de gronden rondom de woning en het bijgebouw, in gebruik zijnde als tuin. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, bestaande paardenbakken, bestaande stapmolens en bestaande mestopslag. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ (Artikel 8) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de infrastructuur en de parkeervoorzieningen. Het gaat om de wegen die voor doorgaand verkeer geschikt zijn, fiets en voetpaden vallen buiten deze bestemming. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. Een uitzondering op vorenstaande vormt het bouwen van garageboxen ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding.
Ter plaatse van deze aanduiding mogen garageboxen, met inachtneming van opgenomen oppervlaktes en hoogte worden gebouwd. ‘Water’ (Artikel 9) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de te realiseren watergangen. Deze gronden zijn bedoeld voor water, met bijbehorende taluds en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals duikers en bruggen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met inachtneming van de opgenomen bouwhoogtes. ‘Wonen – 1’ (Artikel 10) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de aaneengebouwde en twee-onder-één kap woningen binnen het woongebied Damgaarde. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, daaronder begrepen aan-huisgebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of internetverkoop aan huis. Tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in:
Hoofdgebouwen; Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
60
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld In de bouwregels voor hoofdgebouwen is bepaald dat het maximaal toegestane aantal woningen 11 bedraagt. Hoofdgebouwen zullen geschakeld danwel aaneengebouwd worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Hoofdgebouwen zullen op ten minste 1 meter en ten hoogste 5 meter uit de voorste perceelsgrens worden gebouwd. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij geschakelde woningen aan de zijde waar de hoofdgebouwen niet aaneen zijn gebouwd ten minste 2 meter. Bij aaneengebouwde woningen bedraagt deze afstand 1 meter. Tot slot is bepaald dat de diepte van hoofdgebouwen ten hoogste 15 meter bedraagt. Voor wat betreft de bijbehorende bouwwerken geldt dat deze op minimaal 2,5 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd. De goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,2 meter. Tevens zijn er regels ten aanzien van afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen en het hoofdgebouw opgenomen. Tot slot zijn er regels ten aanzien van het oppervlakte van bijbehorende bouwwerken opgenomen. Voor wat betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is bepaald dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel maximaal 1 meter bedraagt. Achter de voorgevel bedraagt dit 2 meter.
Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een bouwhoogte van 3 meter. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten worden afgeweken. Specifieke gebruiksregels en afwijkingen De specifieke gebruiksregels geven specifieke regels ten aanzien van beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten en internetverkoop aan huis. Deze functies zijn toegestaan. In de afwijking op de gebruiksregels worden tevens mogelijkheden geboden voor het realiseren van een bed & breakfast, meergeneratiewoningen of een theetuin. ‘Wonen – 2’ (Artikel 11) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de vrijstaande woningen binnen het woongebied Damgaarde. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, daaronder begrepen aan-huis-gebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of internetverkoop aan huis. Tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in:
Hoofdgebouwen; Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Voor dit woongebied is ten aanzien van de hoofdgebouwen een specifieke maatwerkregeling opgenomen. Voor wat betreft de hoofdgebouwen is bepaald dat uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan. Deze dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, met dien verstande dat per bouwvlak maximaal één woning is toegestaan. Het totale aantal woningen bedraagt 19. Voor wat betreft de bouw- en goothoogtes en de oppervlakte van de woningen geldt dat deze afhankelijk is van de grootte van de kavel en van het aantal bouwlagen van de woning. Er is onderscheid gemaakt tussen kleine kavels (bouwvlakken kleiner dan 500 m2) en grote kavels (bouwvlakken groter dan 500 m2). De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt aan één zijde minimaal 3 meter, aan de andere zijde bedraagt dit 3 meter. Tot slot is de diepte van hoofdgebouwen vastgelegd op ten hoogste 15 meter. Voor wat betreft de bijbehorende bouwwerken is bepaald dat deze op minimaal 2,5 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd op de kleine kavels. Op de grote kavels mogen de bijgebouwen, in het geval ze bestaan uit één bouwlaag, voor de voorgevel worden gebouwd. De goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,2 meter. De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken is afhankelijk van de kavelgrootte en het aantal bouwlagen.
Tot slot zijn er regels ten aanzien van afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen en het hoofdgebouw opgenomen. Voor wat betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is bepaald dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel maximaal 1 meter bedraagt. Achter de voorgevel bedraagt dit 2 meter.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
61
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een bouwhoogte van 3 meter. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten worden afgeweken. Specifieke gebruiksregels en afwijkingen De specifieke gebruiksregels geven specifieke regels ten aanzien van beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten en internetverkoop aan huis. Deze functies zijn toegestaan. In de afwijking op de gebruiksregels worden tevens mogelijkheden geboden voor het realiseren van een bed & breakfast, meergeneratiewoningen of een theetuin. ‘Wonen – 3’ (Artikel 12) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het woongebied Akkerdreven. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, daaronder begrepen aan-huis-gebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of internetverkoop aan huis. Tevens zijn bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan. Er is gekozen voor een flexibele regeling, waarbij de bouwregels onderscheid maken in:
Hoofdgebouwen; Bijbehorende bouwwerken; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In de bouwregels voor hoofdgebouwen is bepaald dat het maximaal toegestane aantal woningen 70 bedraagt. Hoofdgebouwen zullen vrijstaand, geschakeld danwel aaneengebouwd worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte is middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Hoofdgebouwen zullen op ten minste 1 meter en ten hoogste 5 meter uit de voorste perceelsgrens worden gebouwd. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij geschakelde woningen aan de zijde waar de hoofdgebouwen niet aaneen zijn gebouwd ten minste 2 meter. Bij aaneengebouwde woningen bedraagt deze afstand 1 meter. Tot slot is bepaald dat de diepte van hoofdgebouwen ten hoogste 15 meter bedraagt. Voor wat betreft de bijbehorende bouwwerken geldt dat deze op minimaal 2,5 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw dienen te worden gebouwd. De goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,2 meter. Tevens zijn er regels ten aanzien van afstanden tot de zijdelingse perceelgrenzen en het hoofdgebouw opgenomen. Tot slot zijn er regels ten aanzien van het oppervlakte van bijbehorende bouwwerken opgenomen. Voor wat betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is bepaald dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel maximaal 1 meter bedraagt. Achter de voorgevel bedraagt dit 2 meter.
Tot slot bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, een bouwhoogte van 3 meter. Van de bouwregels kan op ondergeschikte punten worden afgeweken. Specifieke gebruiksregels en afwijkingen De specifieke gebruiksregels geven specifieke regels ten aanzien van beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten en internetverkoop aan huis. Deze functies zijn toegestaan. In de afwijking op de gebruiksregels worden tevens mogelijkheden geboden voor het realiseren van een bed & breakfast, meergeneratiewoningen of een theetuin. Wonen – 4 (Artikel 13) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het om te zetten agrarisch bedrijf. Er is gekozen om voor deze woning een aparte woonbestemming op te nemen, aangezien de regels van de bestemming ‘Wonen’ specifiek gericht zijn op het bouwplan. De betreffende woning betreft een bestaande situatie, waardoor een specifieke regeling als passender kan worden aangemerkt. In de bouw- en gebruiksregels is aangesloten bij de regels van de bestemming ‘Wonen’ van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Korendijk’, aangezien het perceel feitelijk in het buitengebied is gelegen. In de bouw- en gebruiksregels is daarnaast maatwerk opgenomen om de feitelijke en vergunde situatie planologisch vast te leggen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
62
Bestemmingsplan “Nieuw Beijerland Zuid II’’ Vastgesteld Waarde – Archeologie 3 en 4 (Artikelen 14 en 15) Ter plaatse van de archeologische verwachting (zie paragraaf 5.7.1.2) zijn bijbehorende dubbelbestemmingen opgenomen. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Een omgevingsvergunningenstelsel beschermt de archeologische waarden. In de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4”, ter plaatse van de watergangen, is tevens opgenomen dat het uitgraven van watergangen onder archeologische begeleiding plaats dient te vinden. Mocht uit archeologisch onderzoek blijken dat er geen verwachtingswaarde aanwezig is, dan vervalt deze verplichting.
Waterstaat – Waterkering (Artikel 16) Ter plaatse van de waterkering (de Oudendijk) is deze dubbelbestemming opgenomen. Deze gronden zijn mede bestemd voor de waterkerende functie van de Oudendijk.