CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Tekening nieuwe situatie

Besluitvormende raad 7 maart 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitendijk 28 Strijensas23.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5

Onderbouwing externe veiligheid Buitendijk 28 Strijensas

3.1.2 Buisleidingen

De buisleidingen A-667 (aardgas, 80 bar, 48” diameter) en Air Liquide 7012 (stikstof, 64 bar, 6” diameter) liggen beide op 900 meter ten noorden van de planlocatie. De aardgasleiding heeft een invloedsgebied van 580 meter en vormt voor de planlocatie geen relevant extern risico. Voor de leiding van Air liquide is de 1% letaliteitsafstand kleiner dan één meter; deze leiding vormt daarmee ook geen extern risico voor de planlocatie. 3.1.3 Bedrijven met propaantanks

Twee bedrijven op circa 1000 ten noorden van de planlocatie beschikken beide over een propaantank kleiner dan 5 m3. Voor deze propaantanks gelden vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden van maximaal 20 meter. De propaantanks zijn daarmee niet relevant voor de planlocatie. 3.1.4 Risicobronnen op grote afstand

Over zowel de snelweg A16 als de spoorlijn Dordrecht – Lage Zwaluwe, die beide op circa 4 km van de planlocatie liggen, worden zeer toxische stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van deze zeer toxische stoffen is > 4 km. Formeel is vanwege het vervoer van toxische stoffen daarom een beperkte verantwoording nodig. Ook voor de Brzo-bedrijven op industrieterrein Moerdijk kan in geval van een grote effectafstand een verantwoording nodig zijn. Op een afstand van meer dan 2 km tot de planlocatie zijn alleen gifwolken relevant. Tabel 1 weergeeft de risicobedrijven met het grootste invloedsgebied. tabel 1: risicobedrijven industrieterrein Moerdijk met de grootste effectafstanden Bedrijf

Invloedsgebied

Shell Nederland Chemie B.V. Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. NTG Logistics (voorheen Gondrand Traffic B.V.)

10,7 km 9,6 km 5,0 km

Afstand tot planlocatie 3,0 km 2,5 km 5,0 km

k:\doc\m\2020\113600\m2020113600n001v4.docx 14-12-2021

Bij de huidige wetgeving is bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een risicobron een verantwoording van het groepsrisico verplicht. Voor transportroutes volstaat bij een ontwikkeling op meer dan 200 meter van de risicobron een beperkte verantwoording, waarbij alleen wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor bedrijven is conform het Bevi een volledige verantwoording vereist, waarbij naast bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid wordt ingegaan op ruimtelijke alternatieven, bronmaatregelen en een doorkijk naar de toekomst. Met het ingaan van de Omgevingswet worden rondom risicobedrijven aandachtsgebieden aangewezen. Deze worden gemaximaliseerd op 1.500 meter. Voor transportroutes gelden alleen aandachtsgebieden voor brand en explosie en niet voor gifwolken. Bij toepassing van de Omgevingswet ligt de planlocatie ligt daardoor niet in het aandachtsgebied van deze risicobronnen.

4. Aanzet tot verantwoording groepsrisico De gemeente Hoeksche Waard moet bij vaststelling van het bestemmingsplan het groepsrisico verantwoorden als gevolg van het transport van geklasseerde stoffen over het Hollands Diep, de snelweg A16, de spoorlijn Dordrecht – Lage Zwaluwe en van de bedrijven Shell, ATM en NTG op bedrijventerrein Moerdijk. Omdat de transportroutes op meer dan 200 meter van de planlocatie liggen, volstaat volgens het Bevt artikel 7 een beperkte verantwoording, waarbij alleen wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor bedrijven is volgens het Bevi een volledige

6

Onderbouwing externe veiligheid Buitendijk 28 Strijensas

verantwoording is vereist, waarbij ook wordt ingegaan op ruimtelijke alternatieven, bronmaatregelen en een doorkijk naar de toekomst. Voor overige externe risicobronnen is geen verantwoording nodig. De gemeente kan voor de verantwoording onderstaande paragrafen gebruiken. Daarbij heeft de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid adviesrecht over zowel bestrijdbaarheid als zelfredzaamheid. De reactie van de veiligheidsregio hebben wij opgenomen in bijlage 1 van deze notitie. De VRZHZ kan zich vinden in de eerder voorgestelde aanzet. Aanvullend wijst zij erop dat dient te worden voldaan aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Gezien de eisen die hiervoor reeds gelden voor de omringende bebouwing en de nabijheid van voldoende oppervlaktewater lijkt dit goed te doen als dit water goed te bereiken is. 4.1 Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een calamiteit op de transportroutes verandert niet door de realisatie van het plan. Het plan bestaat uit de bouw van twee woningen en wordt omgeven door bestaande bebouwing. Vanwege de afstand tot externe risicobronnen is een gifwolk het enige relevante scenario. Daarvoor kan men inpandig schuilen. Aanvullende mogelijkheden voor ontruiming zijn daarom niet nodig. Vanwege de afstand van de planlocatie tot de risicobronnen, veroorzaakt het plan ook geen barrière voor de hulpdiensten om een ongevalslocatie te bereiken.

4.2 Zelfredzaamheid Vanwege de afstand tot externe risicobronnen is een gifwolk het enige relevante scenario. Daarvoor kan men inpandig schuilen, moet men ramen en deuren sluiten en eventuele mechanische ventilatie uit schakelen. Tijdige alarmering is in dat geval belangrijk. De planlocatie wordt omringd door bestaande woningbouw en ligt binnen het dekkingsgebied van alarmeringsinstallaties. 4.3 Overige criteria vanuit het Bevi

k:\doc\m\2020\113600\m2020113600n001v4.docx 14-12-2021

4.3.1 Personendichtheid rondom risicobronnen en groepsrisico

De drie risicobedrijven Shell, ATM en NTG bevinden zich op een industrieterrein met een lage dichtheid. Dat geldt ook voor de omgeving die, afgezien van de woonkernen Klundert en Moerdijk wordt gekenmerkt door landbouwgrond en open water. • Voor Shell is op de risicokaart het groepsrisico op basis van een QRA uit 2011 beschikbaar. Het groepsrisico ligt net boven de oriëntatiewaarde. • Voor ATM is op de risicokaart het groepsrisico op basis van een QRA uit 2015 beschikbaar. Het groepsrisico ligt rond 0,1 keer de oriëntatiewaarde. • Voor NTG is via de risicokaart geen groepsrisico beschikbaar. De twee extra woningen leiden tot circa 5 extra personen binnen het invloedsgebied, maar op grote afstand van de risicobron. De combinatie van dit aantal en de afstand betekent dat geen sprake is van een verandering van het groepsrisico. 4.3.2 Afweging bronmaatregelen en aanscherping voorschriften risicobedrijf

Vanwege de kleine omvang van het plan en de afstand tot de externe risicobronnen is de bijdrage aan het groepsrisico van de risicobedrijven Shell, ATM en NTG minimaal. Daarom worden geen aanvullende maatregelen getroffen bij deze bedrijven om het groepsrisico verder te beperken en worden geen aanvullende voorschriften opgelegd. Ook voor de toekomst zijn geen maatregelen voorzien.

7

Onderbouwing externe veiligheid Buitendijk 28 Strijensas

4.3.3 Alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen

De voorgenomen ontwikkeling betreft een inbreilocatie waarmee een op dit moment leegstaande schuren worden vervangen door twee woningen. Naast het efficiënt gebruik van grond wordt mede door deze ontwikkeling voorzien in de behoefte om in deze woonkern te wonen. Omdat de ontwikkelaar alleen de betreffende locatie in bezit heeft, is een andere locatie voor deze woningbouw geen optie. 4.3.4 Afweging maatregelen in ruimtelijk besluit

Vanwege de afstand tot risicobronnen is de bijdrage aan het groepsrisico klein. Een alternatieve invulling van het plan leidt tot verwaarloosbare verschillen, waarbij meer woningen rekenkundig tot een verwaarloosbaar hoger risico leiden en minder woningen tot een verwaarloosbaar lager risico. Een andere spreiding van de woningen is met betrekking tot de risicobronnen niet mogelijk. 4.3.5 Afweging toekomstige maatregelen

Er zijn geen toekomstige maatregelen gezien aan de bronkant en ook niet ten aanzien van de ruimtelijke indeling. 4.4 Afweging bouwkundige maatregelen De voorgenomen woningen liggen op zodanige afstand van de risicobronnen dat bouwkundige maatregelen ten aanzien van brand of explosie niet nodig zijn. Met betrekking tot toxische wolken kan men inpandig schuilen en voldoen de woningen aan artikel 3.31 van het Bouwbesluit: mechanische ventilatie van de woningen is uit te schakelen.

5. Conclusie Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V is betrokken bij de ontwikkeling van een locatie aan de Buitendijk 28 te Strijensas. Het plan is om hier twee extra woningen te realiseren, waarvoor het bestemmingsplan wordt gewijzigd. DGMR heeft voor deze wijziging een onderzoek externe veiligheid heeft uitgevoerd. In deze notitie beantwoorden wij de volgende vraag:

k:\doc\m\2020\113600\m2020113600n001v4.docx 14-12-2021

Welke externe risicobronnen liggen in de omgeving van de planlocatie en hoe kan de gemeente Hoeksche Waard, indien nodig, het groepsrisico als gevolg van deze risicobronnen verantwoorden? Externe risicobronnen liggen op 500 meter en verder van de planlocatie en kunnen alleen als toxische wolk een extern risico voor de planlocatie vormen. De gemeente Hoeksche Waard moet bij vaststelling van deze wijziging het groepsrisico verantwoorden van het transport van geklasseerde stoffen over het Hollands Diep, de A16, de spoorlijn Dordrecht – Lage Zwaluwe en van de bedrijven Shell, ATM en NTG (voorheen Gondrand Traffic B.V.) op bedrijventerrein Moerdijk. Omdat het om de ontwikkeling van twee extra woningen gaat op ruime afstand van de risicobronnen, zijn de gevolgen voor het groepsrisico klein. De gemeente kan bij verantwoording van het groepsrisico het voorstel gebruiken zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van deze notitie.

ing. M.H.M. (Michel) van Kesteren DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V.

8

Onderbouwing externe veiligheid Buitendijk 28 Strijensas

Bijlage 1 Titel

Reactie veiligheidsregio

De veiligheidsregio VRZHZ heeft gereageerd op een concept van deze notitie (versie 10 juni 2021). De reactie zoals opgenomen in de Memo van de gemeente Hoekse waard d.d. 30 november 2021 luidt: “De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) kan zich vinden in de paragraaf 4.6 Externe veiligheid van het hoofdstuk 4 Sectorale aspecten van de Toelichting Bestemmingsplan Strijensas, Buitendijk 28 en de Onderbouwing externe veiligheid herontwikkeling Buitendijk 28 Strijensas (DGMR, 10-06-2021, vs. 002) Hierbij moet wel de aantekening worden gemaakt dat de overname van de gegevens en conclusies uit de onderbouwing in de toelichting niet zorgvuldig en volledig is gebeurd. De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020).

De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren.”

broed

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. G. Kooijman Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Datum

10 juni 2021

Kenmerk

BE/2021/567/r

Uw kenmerk

Email d.d. 19 mei 2021

Auteur(s)

ing. R.C. Pickert

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Buitendijk 28 te Strijensas Aan de Buitendijk 28 te Strijensas is een boerenerf met vrijstaande woning en drie schuren gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande schuren op de planlocatie te saneren ten behoeve van twee woningen. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Buitendijk 28 te Strijensas (figuur 1). De planlocatie bestaat uit een vrijstaand woonhuis en drie schuren. Er is veel verharding aanwezig tussen de schuren. A Deze schuur bestaat deels uit een enkele gemetselde muur en deels uit hout. Het dak betreft golfplaten zonder dakbeschot. B Deze schuur bestaat uit damwandmuren zonder spouw en heeft een golfplaten dak zonder dakbeschot. C Deze schuur heeft houten wanden. Het dak bestaat deels uit dakpannen en deels uit golfplaten. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Aangrenzend aan de planlocatie is de rivier de Strijense Haven gelegen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijk gebied met vrijstaande huizen en veel oppervlaktewater. Circa 50 m ten noorden ligt het dorp Strijensas. Circa 200 m ten zuiden van de planlocatie ligt het Hollands diep. Op circa 3,7 km ten oosten ligt de A16.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Buitendijk 28 te Strijensas (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van drie schuren voor de ontwikkeling van twee woonhuizen. Een aantal bomen zal gekapt worden. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen en enkele solitaire bomen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw en parkeergelegenheid: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Van den Heuvel B.V.).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021 en is uitgevoerd door ing. R.C. Pickert. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 22 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF).

3

Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, de Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland en de Belangrijke weidevogelgebieden geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, de Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.

4

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare

per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft een boerenerf met woning en drie schuren. Tussen de schuren is veel verharding aanwezig. Alleen achter en naast de schuren is wat groen aanwezig in de vorm van gras en andere kruidachtige vaatplanten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, paardenbloem en wilde geranium. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen.

Er zijn een klein aantal gecultiveerde bomen op de planlocatie aanwezig. Langs de waterkant achter de schuren staan knotwilgen, welke behouden blijven. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten.

5

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, damhert, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, noordse woelmuis, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, damhert en noordse woelmuis. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Bevers leven in oevergebieden. Daarbij moet er beschutting op de oevers zijn en tevens moeten er zachthoutsoorten zoals wilg staan. Er zijn zeer veel bevers in de directe omgeving van de planlocatie waargenomen. Echter is de planlocatie grotendeels verhard en is er weinig beschutting aanwezig. Daarnaast is er beschoeiing aanwezig wat het onmogelijk maakt om het perceel op te komen. Het is niet onmogelijk dat er eens een bever op de planlocatie aanwezig is, echter is er geen sprake van essentieel leefgebied. Het damhert komt vooral voor in bossen en gezien het gebrek aan beschutting en de grote mate van verstoring op de planlocatie kan de aanwezigheid van het damhert uitgesloten worden.

De noordse woelmuis leeft voornamelijk in hogere grasachtige vegetatietypen, waarbij er voldoende variatie in vegetatie aanwezig dient te zijn. Gezien de grote mate van verharding en de beschoeiing is de aanwezigheid van de noordse woelmuis uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 20112021). Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen.

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.

Bij alle schuren ontbreekt het aan spouwmuren en dakbeschot. Daarnaast zijn alle openingen reeds dichtgemaakt en sluiten alle dakranden goed aan. Wegens het ontbreken van muren met spouw is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Een andere gebouwbewonende soort is de gewone grootoorvleermuis. Deze

6

soort huist niet altijd in krappe ruimtes zoals onder het dakbeschot of in een luchtspouw maar hangt soms vrij aan houten balken op open zolders. Een deel van schuur B is open, deze is geïnspecteerd op sporen van de gewone grootoorvleermuis, zoals afgebeten vlindervleugels en uitwerpselen. Deze zijn niet aangetroffen. De aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis is dan ook uitgesloten. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er zijn geen lineaire structuren als bomenlanen op de planlocatie aanwezig. De achterliggende rivier Strijensche Haven kan als foerageergebied en vliegroute gebruikt worden, echter zijn hier geen werkzaamheden aan beoogd. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden deze niet aangetast. Gezien de grote kans van de aanwezigheid van vleermuizen bij de Strijensche Haven dient er geen lichtuitstraling plaats te vinden richting het noorden in de toekomstige situatie (zie Maatregelen). In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik.

Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (NDFF 2011-2021). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.

Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is verhard en wordt gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Naast de achterliggende rivier is er geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie. Deze wordt niet aangetast. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.

7

Vissen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten: grote modderkruiper (NDFF 2011-2021). Alle waarnemingen van de grote modderkruiper zijn op bijna 2 km afstand van de planlocatie. Er zijn geen werkzaamheden beoogd aan de achterliggende rivier. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. De rivierrombout komt vooral voor langs grote rivieren. De voortplanting vindt plaats bij zandige substraten in stromingsluwe gedeelten. Dit habitat is niet in de directe omgeving van de planlocatie aanwezig. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gierzwaluw, houtduif, huismus, koekoek en tjiftjaf. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn individuen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Er zijn jaarronde groene heesters op de planlocatie en tevens zijn er geschikte invliegopeningen in schuur C (zie figuur 4).

Figuur 4

Potentiële nestlocaties voor huismussen.

Er zijn geen huismussen waargenomen op de planlocatie bij het veldbezoek, echter zijn er op het naburig perceel wel huismussen gezien en gehoord. De huismussen roepen in deze periode voornamelijk vanuit hun territorium en dus is het zeer aannemelijk dat er alleen huismusnesten op de naastgelegen percelen aanwezig zijn. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De waargenomen gierzwaluwen betroffen foeragerende (hoogvliegende) dieren. Er zijn tevens voor de gierzwaluwen geen invliegopeningen op een geschikte hoogte aanwezig in de te saneren bebouwing. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen wegens de hoge mate van verharding.

8

Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten wegens de hoge mate van verharding. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.

Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland, de Belangrijke weidevogelgebieden en de Groene buffers. Op een afstand van circa 60 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Hollands Diep’ (figuur 4). Op een afstand van circa 0 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 16,5 km ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied en op een afstand van circa 4,4 km ligt een Groene buffer (figuur 6). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.

Figuur 4

9

De planlocatie ligt op een afstand van circa 60 m tot het Natura 2000-gebied ‘Hollands Diep’ (bron: Natura 2000).

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 0 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zuid-Holland).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 16,5 km tot een Belangrijk weidevogelgebied en circa 4,4 tot een Groene buffer (Provincie Zuid-Holland).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS-Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten.

10

In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van twee vrijstaande woningen. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er een geringe afstand (60 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Hollands Diep’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS-Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffers en er zijn karakteristieke landschapselementen aanwezig. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk./ Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5)

Tabel 3

11

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

60 m

Stikstof

AERIUS

Natuurnetwerk Nederland

0m

Geen

N.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

16,5 km

Geen

N.v.t.

Groene buffer

4,4 km

Geen

N.v.t.

Tabel 4

Overzicht van beschermde Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Nee

Ja

N.v.t.

Bomen

Ja

Ja

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De sanering van drie schuren voor de ontwikkeling van twee vrijstaande woonhuizen aan de Buitendijk 28 te Strijensas is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Na de beoogde ontwikkeling dient er geen lichtuitstraling te zijn richting de rivier de Strijensche Haven.

• De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

12

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl

13

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. R.C. Pickert Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

14

Bijlage 1 Fotografische impressie

15

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Buitendijk 28 te Strijensas en bestaat uit een vrijstaand woonhuis en drie schuren. De woning zal in de beoogde ontwikkeling behouden blijven. De schuren gesaneerd.

Figuur 2

Een van de schuren.

16

Figuur 3

De planlocatie betreft onder andere een schuur, welke is opgetrokken uit damwandplaten.

Figuur 4

Aan schuur B zit een open gedeelte.

Voortoets stikstofdepositie Ontwikkeling Buitendijk 28 te Strijensas

Van den Heuvel Milieuadvies Adres: Postcode + plaats: Telefoon: Email: Website:

Lekdijk 44 2967 GB Langerak 0184-600240 info@vandenheuvelbv.eu www.vandenheuvelbv.eu

Titel document: Referentie: Versie: Datum:

Voortoets stikstofdepositie ontwikkeling Buitendijk 28 te Strijensas 20123 1.2 7 juni 2022

AERIUS-kenmerk:

RUu3emajmqxx

Pagina 2 van 14

Inhoudsopgave 1 Inleiding ...........................................................................................................................................4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................. 4 1.2 Plangebied............................................................................................................................................. 4 1.3 Nieuwe situatie ..................................................................................................................................... 5 1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats.................................................................. 6 2. Beleidskader ....................................................................................................................................7 2.1 Wet natuurbescherming ....................................................................................................................... 7 2.2 Besluit natuurbescherming ................................................................................................................... 7 2.3 Regeling natuurbescherming ................................................................................................................

7 2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering .......................................................................................... 7 3. Uitgangspunten ............................................................................................................................... 8 3.1 Aanlegfase ............................................................................................................................................. 8 3.2 Gebruiksfase.......................................................................................................................................... 8 4. Emissiebepaling ............................................................................................................................... 9 4.1 Woningen .............................................................................................................................................. 9 4.2 Af- en aanrijdend verkeer ................................................................................................................... 10 5.3 Gebouwinvloed ................................................................................................................................... 12 6. Rekenresultaten en conclusie .........................................................................................................

13 Rekenresultaten ........................................................................................................................................ 13 Conclusie ................................................................................................................................................... 13

Bijlage – AERIUS-exports.................................................................................................................... 14

Pagina 3 van 14

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Buitendijk 28 te Strijensas is een voormalig agrarisch bedrijfsperceel gelegen. Op het perceel zijn een woning en 4 schuren gebouwd. De initiatiefnemer is voornemens om 3 schuren te slopen en 2 nieuwe woningen te realiseren. Om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden vanwege de aanleg- en gebruiksfase van deze ontwikkeling te berekenen is Van den Heuvel Milieuadvies gevraagd een voortoets stikstofdepositie op te stellen.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel Buitendijk 28 te Strijensas. Dit perceel is kadastraal bekend gemeente Strijen, sectie M, nummer 862. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Strijense Haven en aan de zuidzijde door de Buitendijk. De naastgelegen woonpercelen Buitendijk 26 en 28a zorgen voor respectievelijk de oostelijke en westelijke begrenzing van het plangebied.

AFBEELDING 1: BEGRENZING PLANGEBIED

Pagina 4 van 14

1.3 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie zijn 3 bestaande schuren gesloopt en daarvoor in de plaats 2 nieuwe burgerwoningen gerealiseerd. De bestaande woning met schuur blijft gehandhaafd.

AFBEELDING 2: SCHETS NIEUWE SITUATIE

Pagina 5 van 14

1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat is gelegen binnen Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ en is gelegen op een afstand van circa 4,2 km tot het plangebied. Verder zijn stikstofgevoelige habitats in de volgende Natura 2000-gebieden gelegen. De nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Hollands Diep’, ‘Oudeland van Strijen’, ‘Haringvliet’ en ‘Oude Maas’ zijn niet voorzien van stikstofgevoelige habitats. Tabel 1: Overzicht Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats in de omgeving Gebieds- Natura 2000-gebied Ca. afstand stikstofgevoelige habitat tot nummer plangebied 112 Biesbosch 4,2 kilometer 114 Krammer-Volkerak 13,1 kilometer

4,2 km

13,1 km

AFBEELDING 3: AFSTAND PLANGEBIED TOT STIKSTOFGEVOELIGE HABITATS BINNEN NATURA 2000-GEBIEDEN

Pagina 6 van 14

2. Beleidskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing op basis van de Wnb verleend kan worden.

2.2 Besluit natuurbescherming In titel 2 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) is de Programmatische aanpak stikstof opgenomen. Daarin is aangegeven dat er een programma aanpak stikstof wordt vastgesteld met welke doelstellingen, hoe de vaststelling plaatsvindt, voor hoe lang en door wie. PAS-partijen stellen voor 6 jaar een programma vast. De gebiedsanalyses die per Natura 2000-gebied worden opgesteld zijn een verplicht onderdeel van het PAS. Deze maken ook onderdeel uit van de passende beoordeling van het programma. Deze zijn nodig om aan Europeesrechtelijke verplichtingen van de Habitatrichtlijn te voldoen. In het Bnb is in artikel 2.12 de hoogte van de zogenoemde grenswaarde vastgesteld op twee verschillende manieren. De eerste waarde betreft een generieke waarde van depositie op een habitat van 1,00 mol per hectare per jaar. Deze waarde wordt voor een Natura 2000-gebied van rechtswege verlaagd naar 0,05 mol per hectare per jaar op het moment dat blijkt dat nog maar 5% van de hoeveelheid depositieruimte resteert die voor dit Natura 2000-gebied hiervoor is vastgesteld. De tweede waarde is van toepassing voor infrastructurele activiteiten en betreft een afstand in kilometers. Afhankelijk van de type activiteit waarbij het hier om gaat, is de afstand 3 of 5 km.

Deze grenswaarde voor infrastructurele activiteiten is beperkt tot de activiteiten die zijn opgenomen op de prioritaire lijst. Indien de grenswaarden door een activiteit niet worden overschreden, dan valt deze activiteit onder de uitzondering van de vergunningplicht.

2.3 Regeling natuurbescherming In de Wnb en Bnb is bepaald dat een aantal zaken nader bij ministeriële regeling wordt uitgewerkt en vastgesteld, zoals dat de AERIUS Calculator gebruikt dient te worden als rekenmodel voor de bepaling van de depositie en de vrijstelling van beweiden en bemesten welke in provinciale verordeningen is vastgelegd.

2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet regelt dat er artikels worden toegevoegd aan de Wnb. In de toegevoegde artikels zijn de doelstellingen opgenomen met betrekking tot de reductie van de stikstofdepositie. Om de doelen te realiseren worden maatregelen genomen welke worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Deze wet voorziet hierin. Daarnaast is de partiële vrijstelling van de Natura 2000vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de Wnb-vergunning. Deze vrijstelling geldt alleen voor de aanlegfase, niet voor de gebruiksfase. Bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden tijdens de aanlegfase hoeven daardoor niet meer beoordeeld te worden op het aspect stikstofdepositie.

Pagina 7 van 14

3. Uitgangspunten Om de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling in kaart te brengen is uitgegaan van de volgende uitgangspunten.

3.1 Aanlegfase De aanlegfase voorziet uitsluitend in tijdelijke sloop-, bouw- en/of aanlegwerkzaamheden. Conform artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming worden deze activiteiten in het kader van stikstofdepositie buiten beschouwing gelaten. Derhalve wordt in voorliggende voortoets niet meer ingegaan op de aanlegfase.

3.2 Gebruiksfase Met betrekking tot de gebruiksfase is in het kader van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe situatie alsmede de stikstofuitstoot door stookinstallaties en sfeerhaarden in de woningen relevant.

3.2.1 Woningen De bestaande woning blijft behouden. Uit wordt gegaan dat deze woning gas verbruikt en voorzien is van een openhaard. Het gasverbruik van de bestaande woning is niet bekend. De nieuwe woningen worden conform de huidige eisen gasloos gerealiseerd. Wel wordt worstcase uitgegaan dat de nieuwe woningen worden voorzien van een sfeerhaard.

3.2.2 Af- en aanrijdend verkeer Lichte verkeersbewegingen Het af- en aanrijdend verkeer als gevolg van de woningen zorgen voor stikstofemissies. Voor de vaststelling van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de maximale kencijfers voor verkeersgeneratie uit de CROW-publicatie 381. Met betrekking tot de stedelijke zone wordt uitgegaan dat het plangebied is gelegen in ‘rest bebouwde kom’ behorende bij de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’. Tabel 2: Verkeersgeneratie per etmaal Categorie Verkeersgeneratie Koop, woning, vrijstaand 8,6 per woning

Aantal 3

Totale verkeersgeneratie per etmaal

Totaal 25,8 verkeersbewegingen 25,8 verkeersbewegingen

Het plan voorziet in een verkeersgeneratie van 26 lichte verkeersbewegingen per etmaal. Vrachtverkeer Verder houdt de CROW publicatie er rekening mee dat elke woning 0,02 vrachtverkeersbewegingen per etmaal genereert. Per saldo komt dit neer op 1 vrachtverkeerbeweging per dag.

Pagina 8 van 14

4. Emissiebepaling 4.1 Woningen Nieuwe woningen De nieuwe woningen worden gasloos gerealiseerd. Wel wordt worstcase aangenomen dat de woningen worden voorzien van een sfeerhaard en zodoende voorzien in emissies. Volgens het document ‘Emissiekentallen NOx en NH3 voor PAS / AERIUS’ (TAUW (in opdracht van BIJ12), 31 augustus 2018) zorgen sfeerhaarden voor een emissie van 0,44 kg NOx per jaar per woning. De nieuwe woningen zijn als puntbronnen opgenomen in de Calculator, waarbij qua uittreedhoogte wordt uitgegaan van de maximale toegestane bouwhoogte + 1 meter: 10 meter. Bestaande woning De bestaande woning blijft behouden. Uit wordt gegaan dat deze woning gas verbruikt. Het gasverbruik van de bestaande woning is niet bekend. Daardoor wordt aangesloten bij de emissies behorende bij de categorie ‘oudere woningen, vrijstaande woning’ genoemd in de factsheet ‘Emissiewaarden AERIUS’ d.d. 5 juli 2018. Volgens deze factsheet zorgt een dergelijke woning voor een emissie van 3,59 kg NOx en 0,47 kg NH3 per jaar. Daar wordt de emissie vanwege de sfeerhaard van 0,44 NOx bij opgesteld. De woning is opgenomen als puntbron. Met betrekking tot de uittreedhoogte is uitgegaan van de hoogte van de woning volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN): 6,67 meter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12359855/2