CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Roerdompsingel 4, Numansdorp v1.3

Besluitvormende raad 9 juli 2024, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Voornemen voor het afgeven van een Vvgb voor het realiseren van 38 appartementen op het perceel Roerdompsingel 4 in Numansdorp13.643 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de Keur is geregeld dat voor de verschillende typen watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van de watergangen niet zonder toestemming van het Waterschap Hollandse Delta werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Waterkering Het plangebied is niet gelegen nabij een regionale of primaire waterkering. Watergangen Binnen of aangrenzend aan het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

34

Plangebied

Afbeelding 14: Uitsnede legger wateren

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. De voorkeursvolgorde ten aanzien van het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening betreft: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename, nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied, nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. De compensatie dient gelijktijdig of voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding te worden gerealiseerd. In sommige gevallen is de eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel.

Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename, van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied via een algemene regel, vrijgesteld van compensatieplicht. Indien er meer verharding toename plaatsvindt, moet volledig worden gecompenseerd. Bij een

35

toename aan verharding tot 500 m² dient een melding bij het waterschap worden gedaan. Verhardingsbalans Thans is nog niet bekend hoe de exacte tuininvulling in de nieuwe situatie eruit zal komen te zien. Derhalve is een indicatieve schets gemaakt om de theoretische verhardingstoename te kunnen bepalen.

Afbeelding 15: Verharding bestaande en nieuwe situatie (indicatie)

Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bebouwing Verharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Bebouwing Verharding Halfverharding (50% van oppervlak) Kavels (50% van oppervlak) Totaal nieuwe situatie Verschil

Oppervlakte 850 m² 913 m² 1.763 m2 964 m² 856 m² 179 m² 107 m² 2.106 m2 343 m2 toename

36

Het plan resulteert in een toename aan verharding van 343 m2. Het Waterschap Hollandse Delta heeft als beleidsregel (BL-11) dat de versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding volledig gecompenseerd moet worden door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. De voorkeursvolgorde ten aanzien van het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening betreft: 1. nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename; 2. nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; 3. nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied; 4. een eventueel alternatief. In sommige gevallen is de eis tot compensatie te zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied via een algemene regel vrijgesteld van compensatieplicht. Omdat het plan voorziet in een verhardingstoename kleiner dan 500 m2, is watercompensatie niet nodig. Grondwater Het plan mag niet resulteren in een blijvende grondwaterpeilverlaging of in vervuiling van het grondwater. Na realisatie van het appartementengebouw dient de ontwatering (het verschil tussen de grondwaterstand en maaiveld) in het plangebied minstens 70 centimeter te bedragen.

Wegen De huidige sportschool wordt ontsloten via de openbare weg Roerdompsingel. In de nieuwe situatie zal deze ontsluiting ‘verplaatst’ worden van het zuiden naar het noorden van het perceel. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

37

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB, de maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het plangebied ligt wel binnen de invloedsfeer van enkele wegen. Het plan betreft de realisatie van appartementen.

In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau. Het onderzoek is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Toetsing aan Wet geluidhinder De berekende geluidbelasting vanwege de Burgemeester de Zeeuwstraat op het appartementencomplex bedraagt ten hoogste 29 dB inclusief aftrek van 5 dB. Deze geluidbelasting wordt berekend op de westzijde van het complex. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de Wet geluidhinder. Voortvloeiend hieruit is geen aanvullend onderzoek naar geluid reducerende maatregelen noodzakelijk en hoeft vanwege deze weg geen hogere waarde te worden aangevraagd. Akoestisch woon- en leefklimaat/Goede ruimtelijke ordening 30 km/ uur wegen De berekende geluidbelasting vanwege de Roerdompsingel bedraagt ten hoogste 40 dB, incl. 5 dB aftrek. Daarmee wordt op het hele perceel voldaan aan de richtwaarde van 48 dB in lijn met de Wgh en is dus sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat bij het appartementencomplex.

38

Cumulatie van geluid De geluidsbelasting van de Roerdompsingel is maatgevend voor de geluidsbelasting op de gevel. De gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt ten hoogste 45 dB(A), dit is de berekende geluidsbelasting exclusief aftrek van 5 dB.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Ten aanzien van de onderbouwing van het aspect geluidhinder als gevolg van de naastgelegen scholen wordt verwezen naar §4.5 van deze ruimtelijke onderbouwing.

39

4.4 Bodemkwaliteit Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om te kunnen concluderen dat de kwlaitiet van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik, is door Tritium Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende. Zintuiglijk zijn plaatselijk in de bovengrond tot een maximale diepte van 0,80 m-mv sporen aangetroffen met kolengruis. Tevens is in de ondergrond van boring B02 een zwakke bijmenging met baksteen aangetroffen en is in de ondergrond van boring B04 een zwakke bijmenging met slib aangetroffen ter plaatse van de vermoedelijke gedempte watergang.

Deellocatie A: gehele locatie Uit de analyseresultaten blijkt dat in de zintuigelijk schone bovengrond aan de noordzijde van de locatie een lichte verontreiniging met drins en chlordaan is aangetoond. De zwak baksteenhoudende ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met PAK. De sporen kolengruishoudende grond is licht verontreinigd met minerale olie. De overige zintuiglijk schone bovengrond en ondergrond zijn niet verontreinigd met de onderzochte parameters. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De aangetoonde verontreinigingen zijn in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Deellocatie B: gedempte watergangen Uit de analyseresultaten blijkt dat de matig slibhoudende ondergrond ter plaatse van boring B04 licht verontreinigd is met minerale olie. De aangetoonde verontreiniging is in overeenstemming met de hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is hiervoor. Het aangetroffen gehalte is echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Resumé De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het 40

voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen transactie van de onderzoekslocatie en toekomstige afgifte van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteit. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.’ Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit geen belemmeringen vormt voor de realisatie van het plan. Conclusie De bodemkwaliteit is geschikt voor de realisatie van het plan.

41

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. Omgevingstype De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). De VNG geeft de volgende definities van deze omgevingstypen: ‘Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.

Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend’. Onderzoek Het plan betreft het realiseren van een appartementengebouw. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante bedrijven als gevolg van het plan en of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). De richtafstanden hebben betrekking op de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.

Ten aanzien van het omgevingstype is uitgegaan van de categorie ‘gemengd gebied’. In de omgeving zijn namelijk bedrijven en milieubelastende functies aanwezig die direct grenzen aan woningen. Daardoor is er in ieder geval geen sprake van een rustige woonwijk die is ingericht volgens het

42

principe van functiescheiding. De richtafstanden van de VNG kunnen daardoor een afstandstrede worden verlaagd, behalve voor het aspect gevaar.

2

1 3

4 6 7

5

Afbeelding 16: Omliggende milieubelastende activiteiten

Tabel 3: Omliggende milieubelastende activiteiten # Functie MilieuZwaarste categorie richtafstand 1 2 3 4 5 6 7

Bedrijf, max. cat. 2 Nutsvoorziening Basisschool Basisschool Nutsvoorziening Bedrijf, max. cat. 2 Dienstverlening

2 1 2 2 1 2 1

10 meter 0 meter 10 meter 10 meter 0 meter 10 meter 0 meter

Daadwerkelijke afstand tot appartementen 91 meter 65 meter 5 meter 4 meter 60 meter 30 meter 88 meter

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden, behalve voor de naastgelegen scholen. Voor de scholen gelden de volgende richtafstanden binnen gemengd gebied. Tabel 4: Richtafstanden basisschool Functie Richtafstanden in gemengd gebied Scholen voor basis- en Geur Stof Geluid Gevaar algemeen voortgezet 0 meter 0 meter 10 meter 0 meter onderwijs

43

Uit de richtafstanden blijkt dat niet wordt voldaan aan de richtafstand voor geluid. Voor dit aspect dient derhalve gemotiveerd te worden waarom van deze richtafstand wordt afgeweken. Dit is gedaan door een akoestisch onderzoek uit te voeren naar de geluidbelasting vanwege de scholen op het appartementengebouw. Het onderzoek is uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau en het rapport is toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘De geluidsbelasting op de zuidzijde en op de appartementen aan de noordoostzijde van het appartementencomplex bedraagt 56 dB(A). De geluidsbelasting van 55 dB(A) uit stap 3 van de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering wordt overschreden. De gemeente kan de volgende argumenten meewegen om medewerking te verlenen aan het realiseren van het appartementencomplex: • De scholen zijn alleen in de dagperiode geopend. In de avond- en nachtperiode is geen sprake van activiteiten, daarmee is in de avond- en nachtperiode altijd sprake van een goed tot zeer goed woon- en leefklimaat. • Alle appartementen hebben aan de achterzijde een geluidluwe gevel met een geluidsniveau in de dagperiode van maximaal 37 dB(A), en daarmee is aan de geluidluwe zijde sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. • Bronmaatregelen zijn in deze situatie niet mogelijk.

Het gaat om spelende kinderen waarvan het geluidsniveau niet kan worden beperkt. • Maatregelen in de overdrachtsweg liggen eveneens niet voor de hand. Het appartementencomplex is 10,5 meter hoog. Als er al ruimte is voor geluidschermen, dan komen deze zeer kort op de appartementen te staan waardoor er geen uitzicht is. De schermen moet ook erg hoog zijn om effectief te zijn. Vanuit stedenbouwkundig en financieel oogpunt is dat geen wenselijke situatie. • De minimaal vereiste geluidwering overeenkomstig het Bouwbesluit bedraagt 20 dB(A). Voor nieuwbouwwoningen geldt voor industrielawaai een geluidsniveau in een woning van 35 dB(A). Bij een gevelwering van 20 dB(A) bedraagt het binnen niveau 36 dB(A). Vanwege de huidige eisen aan energiebesparing (denk hierbij aan gebalanceerde ventilatiesystemen) is de gevelwering meestal hoger dan de standaardgeluidwering van 20 dB(A). Daarmee is een aanvaardbaar binnen niveau in deze situatie te realiseren.’ Gesteld kan worden dat met bovenstaande motivering gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

44

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en LPG-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is, op enkele onderdelen na, op 27 oktober 2004 in werking getreden. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet worden gerealiseerd in gebieden waar sprake is van een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar. Voor het PR geldt als norm dat dit kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn. De kans per jaar dat één persoon, die op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden door een ongeval van het vervoer van gevaarlijke stoffen moet kleiner zijn dan 1 op 1 miljoen. Ook het vaststellen van een bestemmingsplan geldt als een nieuwe situatie, waarbij voldaan moet worden aan de eisen uit het Bevi. Concreet betekent dit dat kwetsbare objecten binnen de 10-6 per jaar contour niet zijn toegestaan. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden toegestaan. Onderzoek Invloed van stationaire inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het betreft het bedrijf aan de Burg. de Zeeuwstraat 130. Relevante bronnen zijn de opslagtank, vulpunt en de tankzuil waarvoor een PR10-6-contour gelden van respectievelijk 25 meter, 25 meter en 15 meter.

Het plangebied ligt daarmee ruimschoots buiten de PR10-6contour. Ook is het plangebied ruimschoots buiten de invloedscontouren voor brand en explosie gelegen. Invloed transport gevaarlijke stoffen – buisleidingen Bij besluit van 24 juli 2010 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden. Dit besluit stelt regels voor risico’s en zonering langs buisleidingen, het opnemen van voorschriften in bestemmingsplannen, technische eisen, het

45

aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. In of rondom het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen gelegen. Invloed transport gevaarlijke stoffen – transportroutes Het Besluit externe veiligheid transportroutes, per 1 april 2015 van kracht, stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante vaarwegen aanwezig.

± 430 m

± 310 m

Afbeelding 17: Uitsnede kaart REV - Quickscan

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

46

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Voor aanvang van de werkzaamheden dient een KLIC-melding te worden gedaan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

47

4.8 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Onderzoek Archeologie De Commissie Hoeksche Waard heeft voor de regio een Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart op laten stellen. Op de kaart is te zien welke archeologische verwachting gronden hebben en bij welke ontwikkelingen zijn vrijgesteld tot het opstellen van een archeologische verwachting. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelhoge verwachting. Er dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij ontwikkelingen die voorzien in bodemverstoringen dieper dan 30 cm over een oppervlak van meer dan 500 m².

Plangebied

Afbeelding 18: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

Het plan zal voorzien in bodemingrepen groter dan 500 m², waardoor archeologisch onderzoek nodig is. Door Transect is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op deze locatie. Dit rapport is toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusie van het onderzoek luidt:

48

‘Conclusie • Op basis van het bureauonderzoek is in het plangebied sprake van een lage archeologische verwachting voor resten uit de periode IJzertijd – Nieuwe tijd. Of en in hoeverre resten uit het Neolithicum en Bronstijd aanwezig zijn is niet bekend. Gezien de verwachting op de ligging in een waddengebied hier is de aanwezigheid van resten echter niet heel waarschijnlijk. Resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd bevinden zich theoretisch gezien in de top van het veen en een oude kleilaag (als onderdeel van de Duinkerke-I afzettingen). Op basis van de opbouw van de ondergrond in het plangebied op basis van milieuboringen, is sprake van een dik zandpakket in het plangebied. Dit betreffen vermoedelijk getijdeafzettingen uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. De aanwezigheid van een zandpakket wijst op snelle stroomsnelheden, die waarschijnlijk voor een erosie van de top van het veen hebben gezorgd. Om deze reden is sprake van een lage archeologische verwachting voor de periode IJzertijd – Late Middeleeuwen. Het plangebied bevindt zich in de Numanspolder ten noorden van de historische kern van Numansdorp. Het plangebied bevindt zich in het agrarische buitengebied, buiten bekende bewoningskernen, waardoor een lage archeologische verwachting • Op basis van het veldonderzoek is de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd.

In het plangebied zijn getijdegeulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig. Deze getijdeafzettingen zijn tijdens en na de Sint Elisabethsvloed uit de 15de eeuw afgezet. Er is een zandpakket met hierop klei aanwezig. De boringen konden niet dieper worden gezet dan het zandpakket en hierom is de top van het veen niet bereikt. Deze bevindt zich in ieder geval dieper dan 3,0 m -Mv. De aanwezigheid van een dik zandpakket wijst op sterke stroomsnelheden. Het plangebied heeft in een getijdegeul gelegen. Vanwege deze sterke stroomsnelheden is het zeer aannemelijk dat de top van het veen reeds geërodeerd is. Hiermee is het archeologisch relevante niveau voor de periode Bronstijd – Late Middeleeuwen ook geërodeerd geraakt. De lage verwachting voor deze periodes is hiermee bevestigd. Er zijn evenmin aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologisch relevant niveau uit de periode Nieuwe tijd. Advies Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Geadviseerd wordt het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven.

Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Hoeksche Waard).’ Cultuurhistorie Er zijn geen monumenten of cultuurhistorische waarden aanwezig op het perceel of de directe omgeving. Wel is op enige afstand een molenromp aanwezig, zie §4.11 van deze ruimtelijke onderbouwing. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen.

49

4.9 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. Tabel 5: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Daarnaast hanteert de Wereldgezondheidsorganisatie een advieswaarden voor fijn stof van 20 µg/m3 PM10 en 10 µg/m3 PM2,5 voor het jaar 2030. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft CIMLK-monitoringsronde 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020 (receptor 73544086_2919): • Een stikstofconcentratie van 15,36 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 15,93 µg PM10/m3 met 6 overschrijdingsdagen; • Een fijnstofconcentratie van 8,63 µg PM2,5/m3.

50

Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Voor het jaar 2030 geeft dezelfde CIMLK-monitoringsronde 2021 het volgende overzicht met betrekking tot fijnstof in het jaar 20230: • Een fijnstofconcentratie van 14,19 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 7,33 µg PM2,5/m3 Geconcludeerd kan worden dat tevens wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van acceptabele concentraties. Daarnaast wordt gesteld dat het plan valt onder het besluit NIBM. Verder is het perceel niet gelegen binnen een geur- en/of stankcirkel, waardoor het aspect geur/stank geen belemmeringen oplevert voor de realisering van het plan. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wm (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

51

4.10 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande werkzaamheden op eventueel aanwezige flora en fauna- en natuurwaarden in kaart te brengen is door Ecofect een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing. De resultaten van de quickscan luiden: ‘Gebiedsbescherming Natura 2000 Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van N2000 gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura2000 wordt noodzakelijk geacht. Ten aanzien van stikstof wordt er in de nieuwe gebruiksfase mogelijk een hogere depositie verwacht. Een Aerius (stikstof) berekening wordt geadviseerd).

Natuur Netwerk Nederland De planlocatie is gelegen buiten het Natuur Netwerk Nederland of de groene ontwikkelingszone hiervan. Aangezien het Natuur Netwerk in Zuid-Holland geen externe werking kent is vastgesteld dat een verdere toetsing niet aan de orde is. Soortbescherming Flora Geen overtreding Wet natuurbescherming. Vleermuizen Geen overtreding Wet natuurbescherming. Zoogdieren Geen overtreding Wet natuurbescherming. Vogels Geen overtreding Wet natuurbescherming. Overige soorten Geen overtreding Wet natuurbescherming.

52

Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming die vallen onder het onderdeel houtopstanden.’ Uit de quickscan volgt dat het plan geen belemmeringen ondervindt ten aanzien van soortenbescherming en houtopstanden. Ten aanzien van gebiedsbescherming wordt mogelijk de Wnb overtreden als gevolg van stikstofdepositie. Derhalve is een stikstofdepositieberekening opgesteld om te kunnen concluderen dat het plan ook in het kader van gebiedsbescherming geen belemmeringen ondervind. De rapportage van de stikstofdepositieberekening is toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. De conclusie van de berekening luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen. Wel dient te allen tijde voldaan te worden aan de algemene zorgplicht zoals opgenomen in artikel 1.11 van de Wnb.

53

4.11 Molenbiotoop Beleidskader Het plangebied is gelegen nabij een molenromp zonder bovenbouw. Voor de molenromp is geen molenbiotoop opgenomen, waardoor de molenromp juridischplanologisch niet is beschermd. De molenromp is niet opgenomen als monument, maar heeft wel enige cultuurhistorische waarde. Onderzoek De molenromp maakte onderdeel van de stellingmolen ‘Landzicht’, gebouwd in het jaar 1856. Rond 1953 werden de wieken en kap verwijderd, waarna er een motor werd geplaatst voor de aandrijving van de werktuigen. Tot 1960 werd zo nog gemalen (molendatabase.nl). Thans is uitsluitend de molenromp van de korenmolen ‘Landzicht’ te zien. Op historische topografische kaarten is te zien dat in de jaren ‘60 een loods om de molenromp is gebouwd.

Locatie molen

Locatie molen

Afbeelding 19: Topografische kaart uit 1959 (links) en 1968 (rechts) (topotijdreis.nl)

Afbeelding 20: Ansichtkaart van de molen (molendatabase.nl)

54

Het appartementengebouw wordt op een afstand van circa 69 meter ten noordoosten van de molenromp gebouwd. Vanaf de Roerdompsingel is de molenromp te zien, maar het hoogste gedeelte van de bestaande sportschool zorgt voor een blokkade op het zicht op de molenromp. Ook de naastgelegen basisschool blokkeert het zicht.

Afbeelding 21: Zicht vanaf de Roerdompsingel (t.h.v. plangebied) op de molenromp

55

Afbeelding 22: De molenromp verdwijnt achter het schoolgebouw

Afbeelding 23: Zichtlijnen vanaf de molenromp naar de Roerdompsingel bestaande situatie (boven) en nieuwe situatie (onder)

Zicht op de molenromp Als gevolg van het plan zal een smalle doorkijk tussen de sportschool en de noordelijk gelegen basisschool verdwijnen. Wel geldt dat bestaande struiken tijdens de bladhoudende periode al de smalle doorkijk tussen de basisschool en de zuidelijk gelegen basisschool op de molenromp aantasten, zoals te zien is in de volgende afbeelding. De zichtlijn tussen de sportschool en de zuidelijk gelegen school blijft wel behouden. Derhalve wordt gesteld worden dat het zicht op de molenromp niet onevenredig wordt aangetast. Tenslotte wordt volledigheidshalve nog gemeld dat er juridisch-planologisch geen belemmeringen vormt omdat de

56

molenromp niet is voorzien van een door het bevoegd gezag vastgestelde molenbiotoop.

Afbeelding 24: Struikgewas zorgt voor wegnemen doorkijk naar molenromp

Windvang Omdat de molen niet voorzien is van een bovenbouw, functioneert de molen thans niet. Derhalve is het aspect windvang niet aan de orde. Mocht in de toekomst de molen worden gecompleteerd, dan zal het appartementengebouw de windvang vanuit noordoostelijke richting enigszins beperken omdat het gebouw hoger is dan het huidige sportschoolgebouw. Echter komt de wind in Nederland voornamelijk uit zuidoostelijke richting. Daardoor wordt gesteld dat het appartementengebouw de windvang bij het eventueel complementeren van de molenromp in de toekomst niet onevenredig zal beperken.

Afbeelding 25: Windroos De Bilt 1991-2020

Conclusie Het plan ondervindt ten aanzien van het aspect molenbiotoop geen belemmeringen.

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14247211/1