Quickscan Flora en Fauna Toegangsweg 's-Gravendeel West juni 2024
Tekst van het document
Quickscan Flora & Fauna
Toegangsweg, ‘s-Gravendeel West
Quickscan Flora & Fauna
Toegangsweg, ‘s-Gravendeel West Projectnummer: 2024-0792 Datum: 11-6-2024 Versie 1.0
Opdrachtgever: ABB Ontwikkeling B.V. Bram Beune
Adviseur Ecologie
b.beune@lycens.nl
M 06 450 627 49
Ben ten Oever
Projectleider Ecologie
b.tenoever@lycens.nl M 06 160 074 42
Inhoudsopgave Samenvatting ................................................................................................................................ 4 1. Inleiding .................................................................................................................................... 6 2. De ontwikkeling ...................................................................................................................... 7 2.1. Plangebied ............................................................................................................................................................ 7
2.2. Voorgenomen activiteiten ................................................................................................................................. 8 2.3. Onderzoeksgebied .............................................................................................................................................. 9
3. Natuurwetgeving en -beleid .............................................................................................. 11
3.1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 11 3.2. Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 11
3.3. Soortenbescherming ........................................................................................................................................ 11 3.4. Houtopstanden .................................................................................................................................................. 15
4. Gebiedsbescherming ........................................................................................................... 18
4.1. Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied en Nationaal Landschap .... 18
4.2. Natura 2000......................................................................................................................................................... 19 4.3. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 20
5. Soortenbescherming ........................................................................................................... 21
5.1. Hypothese en bureauonderzoek ................................................................................................................... 21 5.2. Methode ............................................................................................................................................................... 21 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties .................................................................................................... 23
5.4. Slotconclusie ...................................................................................................................................................... 27
6. Houtopstanden ..................................................................................................................... 30 7. Conclusies en advies ........................................................................................................... 31 8. Bronnen .................................................................................................................................. 32 Bijlagen ......................................................................................................................................... 33
Bijlage 1: Foto’s ........................................................................................................................................................... 34 Bijlage 2: Toelichting Omgevingswet aanvullingswet natuur ........................................................................ 36
3
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Samenvatting Er zijn concrete plannen voor de realisatie van een ontsluitingsweg te ’s-Gravendeel West (Zuid-Holland). Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet (aanvullingswet natuur) en kunnen consequenties ten aanzien van provinciaal beleid op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is
gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en consequenties ten aanzien van provinciaal beleid in beeld te brengen.
Het onderzoeksgebied is op 29 mei 2024 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een
negatief effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Ganzenrustgebied (GR), Weidevogelgebied (WG) en Nationaal landschap (NL). Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied en
Weidevogelgebied behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN. De bescherming van
het ganzenrustgebied en weidevogelgebied kennen wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Wel ligt
het onderzoeksgebied binnen gronden die tot het Nationaal Landschap Hoeksche Waard behoren. Geen van de kernkwaliteiten wordt door de voorgenomen activiteiten negatief beïnvloedt. Er hoeft dan ook niet
getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien
van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten maar een negatief effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan niet worden uitgesloten.
Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde
diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en beschermde ongewervelden bezetten geen vaste
rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.
Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het
oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette
vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte
periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden
mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de
voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren, vissen, kreeftachtigen en amfibieën voor
binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden. Er hoeft dan ook geen
4
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
omgevingsvergunning voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.
In het kader van de specifieke zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied
aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als
foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden
Wegens de ligging van het onderzoeksgebied binnen de bebouwingscontour van houtkap is de bomenverordening van de Hoeksche Waard van toepassing. Er dient te worden nagegaan of regels zijn opgesteld in het omgevingsplan over het vellen van houtopstanden van de betreffende gemeente. Indien er
een vergunning nodig is, dient, afhankelijk van de gemeente, een Bomen Effect Analyse en een
Boomwaardebepaling te worden uitgevoerd. Eveneens geldt er een herplantplicht voor de bomen die gerooid worden. In hoeverre deze plicht geldt, is ook afhankelijk van de desbetreffende gemeente.
5
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
1.
Inleiding
Er zijn concrete plannen voor de realisatie van een ontsluitingsweg te ’s-Gravendeel West (Zuid-Holland). Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Omgevingswet en provinciaal beleid op voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de
voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en consequenties ten aanzien van provinciaal beleid in beeld te brengen.
In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en
beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en houtopstanden.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties en de consequenties ten aanzien van provinciaal beleid bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingswet en de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Doel van deze rapportage
De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende
(milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het
wijzigen van het omgevingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Omgevingswet overtreden wordt als gevolg van de
voorgenomen activiteiten. De Omgevingswet is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te
betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer
detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van het
plangebied, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat uitleg
van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van
gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6 komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komen de conclusies en advies aan de orde.
Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar hoofdstuk 8. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.
6
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
2.
De ontwikkeling
2.1.
Plangebied
Situering
Het plangebied is gesitueerd nabij de Boezemhof te ’s-Gravendeel West. De locatie ligt in de aan de rand ten noordwesten van de woonkern ’s-Graveldeel en wordt omgeven door zowel landelijk als stedelijk gebied. In
figuur 2.1 wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied
Beschrijving
Het plangebied bestaat uit gazon waarop beplanting aanwezig is in de vorm van bomen en struiken. Het gazon wordt intensief onderhouden en is strak gemaaid. Soorten die er bijvoorbeeld staan zijn veldesdoorn/Spaanse
aak, Es en enkele schietwilgen. De oevers van de sloot zijn dichtbegroeid. Voor een verbeelding van het
plangebied wordt verwezen naar bijlage 1. In figuur 2.2 wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.
7
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Figuur 2.2: Begrenzing van het plangebied
2.2.
Voorgenomen activiteiten
Initiatiefnemer is voornemens een toegangsweg te realiseren. Hierbij wordt een deel van het groen verwijderd en de sloot op twee plekken gedempt. Voornemen is om zoveel mogelijk groen te behouden. Figuur 2.3 geeft het wenselijke eindbeeld weer.
Figuur 2.3: Verbeelding van het wenselijke eindbeeld
8
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
De volgende flora- en fauna-activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Omgevingswet: rooien beplanting; dempen sloot;
realiseren toegangsweg.
2.3.
Onderzoeksgebied
Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden
De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden:
verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden.
Mogelijke permanente invloeden: mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond beschermde nesten;
vernielen/verdwijnen van beschermde soorten;
aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten. Vaststellen van de invloedsfeer
Naast een tijdelijk effect op het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit wordt invloedsfeer genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of
permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.
In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals rooien beplanting en het realiseren van de toegangsweg.
Vaststellen van het onderzoeksgebied
Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten het plangebied te kijken. Echter loopt de toegangsweg recht door het plangebied. Wanneer het gehele
plangebied wordt meegenomen als onderzoeksgebied wordt er automatisch breder gekeken dan enkel de toegangsweg. Om die reden wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld met het plangebied (zie figuur 2.4).
9
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Figuur 2.4: Begrenzing van het plangebied en de toegangsweg
10
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
3.
Natuurwetgeving en -beleid
3.1.
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld,
namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag. Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.
3.2.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het onderdeel gebiedsbescherming van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen
voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen
van plannen zoals een omgevingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient
ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets
niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een omgevingsvergunning noodzakelijk op grond van artikel 11.1 uit het Bal. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland
In de Omgevingswet is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota
Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een van de
algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder de Omgevingswet. Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt
het 'ja, mits'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.
Concrete beleidsregels ten aanzien van natuur en landschap in Zuid-Holland zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Zuid-Holland. In Zuid-Holland worden de volgende
gebieden beschermd door regels in de verordening van natuur en landschap: het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Ganzenrustgebied (GR), Weidevogelgebied (WG) en Nationaal landschap (NL).
3.3.
Soortenbescherming
In de Omgevingswet is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet wordt onderscheid gemaakt tussen drie verschillende beschermingsregimes waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld. Onderstaand zijn deze drie beschermingsregimes weergegeven. Artikel 11.37 Soorten Vogelrichtlijn
Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor vogels kan vanwege de Vogelrichtlijn een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.
11
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Vergunningplicht
Voor de volgende activiteiten geldt een vergunningplicht: Schadelijke handelingen bij vogels Commercieel bezit van vogels
Niet-commercieel bezit van vogels
Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen van vogels
Schadelijke handelingen bij vogels
Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij vogels (artikel 11.37, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Het gaat om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature
voorkomen. Het gaat dus niet om vogels die in gevangenschap zijn geboren, gefokte vogels of ontsnapte vogels die zijn verwilderd. Onder schadelijke handelingen bij vogels vallen:
Lid 1a het opzettelijk doden of vangen ervan;
Lid 1b het opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren; Lid 1b het opzettelijk wegnemen van hun nesten;
Lid 1c het rapen en onder zich hebben van hun eieren; Lid 1d het opzettelijk storen ervan.
Artikel 11.46 Habitatrichtlijn
Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen kan een vergunningplicht gelden. Er kunnen ook vrijstellingen gelden.
Vergunningplicht
Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Het gaat om beschermde dieren en planten die staan in de Habitatrichtlijn. Ze kunnen ook staan in het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Voor die soorten geldt een vergunningplicht bij: Schadelijke handelingen Bezit
Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen Er kunnen ook vrijstellingen gelden.
Schadelijke handelingen bij dieren
De bedoelde diersoorten zijn in het wild levende soorten (geen vogels) van: Bijlage IVa bij de Habitatrichtlijn Bijlage II bij het Verdrag van Bern Bijlage I bij het Verdrag van Bonn
Onder schadelijke handelingen bij dieren zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde:
Lid 1a opzettelijk doden of opzettelijk vangen;
Lid 1c opzettelijk hun eieren vernielen of rapen in de natuur; Lid 1b opzettelijk verstoren;
Lid 1d hun voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen. Ook als zo’n handeling plaatsvindt tijdens onderzoek dan valt dat onder ‘schadelijke handeling’.
12
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Schadelijke handelingen met planten
De bedoelde plantensoorten zijn soorten in het wild van: Bijlage IVb bij de Habitatrichtlijn
Bijlage I bij het Verdrag van Bern Onder schadelijke handelingen bij planten zijn de volgende handelingen in hun natuurlijke verspreidingsgebied aan de orde: Lid e het is voerboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 11.54 Andere soorten (soorten van het Bal)
Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van het Besluit activiteiten leefomgeving
(Bal), kan een vergunningplicht gelden bij schadelijke handelingen. Die vergunningplicht geldt niet voor bepaalde dieren, als een andere wet de activiteit toestaat of als de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is.
Vergunningplicht
Soorten die in Nederland beschermd zijn, zijn in bijlage IX van het Bal weergegeven. Deze soorten staan niet in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern. Het gaat hierbij onder meer om soorten die ook kunnen staan op de rode lijsten van bedreigde of ernstig bedreigde dier- en plantsoorten. Ook gaat het
om soorten die niet (ernstig) bedreigd zijn, maar vanwege hun intrinsieke waarde en maatschappelijke opvattingen in bijlage IX staan. Voor deze soorten geldt meestal een vergunningplicht voor schadelijke handelingen. Er kunnen namelijk ook vrijstellingen gelden zoals in de omgevingsverordening.
Schadelijke handelingen bij soorten die in het Bal staan Dieren
Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij dieren van bijlage IX, onder A van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Het gaat om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onder schadelijke handelingen bij die dieren vallen: Lid 1a opzettelijk doden of vangen;
Lid 1b opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen beschadigen of vernielen.
Planten
Er geldt een vergunningplicht voor schadelijke handelingen bij planten van bijlage IX, onder B van het Bal (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Onder schadelijke handelingen bij die planten vallen:
Lid 1c het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Rode lijsten met soorten dieren en planten
De rode lijsten hebben geen juridische status. Dat wil zeggen dat rodelijstsoorten niet automatisch onder specifieke beschermingsregels vallen. Er geldt dus niet gelijk een vergunningplicht. Enkel wanneer een
rodelijstsoort onder bijvoorbeeld een soort van nationaal belang van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of een vogel van de Vogelrichtlijn valt gelden specifieke beschermingsregels. Wanneer activiteiten
nadelig zijn voor rodelijstsoorten geldt voor de betreffende flora- en fauna-activiteit de specifieke zorgplicht
(artikel 11.27 van het Bal).
13
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Algemene zorgplicht
De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers
verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of rijksregels er wel zijn, geldt de algemene zorgplicht niet meer. Specifieke zorgplicht
Flora- en fauna-activiteiten kunnen nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of
kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel
11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde
soorten én bij andere soorten.
Specifieke zorgplichten borduren voort op de algemene zorgplicht, maar zijn concreter. Een specifieke zorgplicht geldt voor specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen. In het Besluit activiteiten
leefomgeving (Bal) en in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan specifieke zorgplichten. Deze specifieke zorgplichten maken duidelijk wat er wel en niet moet gebeuren. Bijvoorbeeld dat degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, de beste beschikbare technieken (BBT) gebruikt.
De specifieke zorgplichten zijn algemene regels. Deze regels gelden direct voor burgers en bedrijven. Naast het Rijk kunnen andere overheden specifieke zorgplichten opnemen in hun verordeningen of omgevingsplannen.
Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs
kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook iets nalaten kan onder de specifieke zorgplicht vallen.
Bij het artikel in het Bal (artikel 11.27) over een specifieke zorgplicht staat meestal een verplichting in drie stappen. Hieronder staan drie stappen weergegeven waarbij de stappen is voorkeursvolgorde zijn genoteerd. Degene die een activiteit verricht is verplicht volgens artikel 11.27 lid 1: 1.
(a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die
2.
gevolgen te voorkomen. (b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken
3.
(c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover
of ongedaan te maken.
dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht conform artikel 11.27 lid 2 in ieder geval in dat: a.
Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van
1°. Van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de
vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als
bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2°. Van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II,
IV en V bij de habitatrichtlijn;
3°. Dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde
lid, onder a, onder 3, van de wet; en
4°. Voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;
14
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
b.
Als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van
c.
d.
die soorten;
Als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan
hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;
e.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde
f.
Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen,
effecten hebben; en
of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Algemeen verbod
Naast de algemene zorgplicht is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen (artikel 1.7a Omgevingswet). Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Het gaat niet om het verrichten of nalaten van activiteiten met beperkte gevolgen voor de fysieke leefomgeving. In artikel 1.3 van het Omgevingsbesluit staat
wanneer sprake is van een aanzienlijk gevolg en voor welke gevallen het verbod geldt. Dit verbod is ook een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Als deze specifieke decentrale of
rijksregels er wél zijn, geldt het algemeen verbod niet meer. Bijvoorbeeld als een specifieke zorgplicht of andere algemene regel geldt of een vergunningvoorschrift. Het algemeen verbod is strafrechtelijk handhaafbaar.
3.4.
Houtopstanden
Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van
houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden.
Wanneer gelden de rijksregels over vellen en herbeplanten
De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een
herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen. De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in een van de volgende gevallen (artikel 11.111, Besluit activiteit leefomgeving (Bal)):
Houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Dat komt er ongeveer op neer dat de rijksregels alleen gelden voor houtopstanden buiten stedelijk gebied Houtopstanden op erven of in tuinen
Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen
Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen en niet ouder zijn dan 20 jaar Kweekgoed Populieren of wilgen van • • •
Wegbeplantingen
Beplantingen langs waterwegen, of
Éénrijige beplantingen langs landbouwgronden
Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand
15
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: • • • •
Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats
De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid
Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 meter brede onbeplante stroken De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013
Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel
Houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal
rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen
Meldingsplicht voor vellen
Indien rijksregels gelden over vellen dan is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst
een melding te doen. Behalve voor de uitzonderingen op de meldingsplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk vier weken én niet eerder dan één jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal).
Herbeplantingsplicht
Indien de houtopstand (deels) geveld is of op een andere manier verloren gegaan, zoals brand of storm, dan moet herbeplanting plaatsvinden (artikel 11.129, Bal). De herbeplantingsplicht geldt in alle gevallen voor de
rechthebbende van de houtopstand. Dus bijvoorbeeld ook als een derde de houtopstand onrechtmatig heeft geveld. Er gelden uitzonderingen op de herbeplantingsplicht.
Bosbouwkundig verantwoord
Herbeplanting moet op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvinden. Dat betekent dat herbeplanting zich moet richten op:
Een duurzame instandhouding en ontwikkeling van houtopstanden Een adequate vervulling van de functies van die houtopstanden
De bodem, het water en de lucht in de omgeving van die houtopstand Het is aan degene met een herbeplantingsplicht zelf om met eigen of andermans deskundigheid te bepalen wat hiervoor nodig is. Het is ook mogelijk dat het bevoegd gezag met maatwerk aangeeft wat onder ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’ valt.
Bij een herplantingsplicht moet het herbeplanten binnen 3 jaar na het vellen plaatsvinden. Het is verplicht om beplanting die niet binnen 3 jaar gaat groeien, te vervangen. Verder moet het herbeplanten op dezelfde grond als het vellen plaatsvinden. Het is mogelijk om maatwerk op te stellen over de regels.
Er zijn ook uitzonderingen op de meldingsplicht voor het vellen en de herbeplantingsplicht. Dit geldt niet in een van de volgende gevallen:
Het periodiek vellen van griend- of hakhout. Het vellen is voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.
Het vellen is voor het uitvoeren van maatwerk dat preventieve of herstelmaatregelen voorschrijft die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied te bereiken.
Het vellen is voor het uitvoeren van een maatwerkvoorschrift dat verbonden is aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of flora- en fauna-activiteit.
Het vellen is voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
16
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Het vellen en herbeplanten vindt aantoonbaar plaats volgens een gedragscode. Het vellen dat voldoet aan alle volgende voorwaarden: •
Het is een activiteit van nationaal belang of hangt daarmee samen. Het Omgevingsbesluit geeft aan
•
Het gaat om een houtopstand die niet is aangeplant vanwege een herbeplantingsplicht (van het Bal,
•
welke activiteiten van nationaal belang zijn (artikel 4.12, Omgevingsbesluit).
de Wet natuurbescherming of de Boswet). De minister van LNV heeft in het verleden een kennisgeving ontvangen (en dat bevestigt) voor het aanleggen van de houtopstand. Die kennisgeving moet het tijdstip en de plaats van de (destijds aan
te leggen) houtopstand aangeven. Uit de kennisgeving moet ook blijken dat het om tijdelijke houtopstand gaat waarvan het vellen (in z’n geheel) zal plaatsvinden binnen 40 jaar na dat tijdstip.
Dit staat in artikelen 11.126, 11.129 en 11.131 van het Bal.
Binnen bebouwingscontour houtkap
De rijksregels over het (deels) vellen van houtopstanden of herbeplanten gelden niet binnen de
bebouwingscontour houtkap. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels in het omgevingsplan wil voor houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en voor welk doel van de Omgevingswet. Zo kunnen die regels voor natuurbescherming, veiligheid of een ander doel van de Omgevingswet zijn.
17
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
4.
Gebiedsbescherming
4.1.
Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied en Nationaal Landschap
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNN, G R, WG & NL
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied en
Weidevogelgebied behoren. Wel ligt het onderzoeksgebied binnen gronden die tot het Nationaal Landschap behoren. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied en Weidevogelgebied behoren liggen op minimaal 1,1 kilometer afstand van het onderzoeksgebied (figuur 4.1).
Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNN
Effectbeoordeling en consequenties t.a.v. provinciaal beleid
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied en Weidevogelgebied behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN. De bescherming van
het ganzenrustgebied en weidevogelgebied kennen wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van
de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.
Wel ligt het onderzoeksgebied binnen gronden die tot het Nationaal Landschap Hoeksche Waard behoren. De Hoeksche Waard is een jonge zeekleilandschap dat ligt tussen Rotterdam en het Haringvliet. De indicatoren voor kernkwaliteiten die meesturend zijn voor de gebiedsontwikkeling in de Hoeksche Waard zijn:
18
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Historische landschapselementen van polderpatroon: kreekruggen en dijken; Grote mate van openheid.
Geen van de kernkwaliteiten wordt door de voorgenomen activiteiten negatief beïnvloedt. Er hoeft dan ook niet
getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid.
4.2.
Natura 2000
Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000
Het onderzoeksgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. De Natura 2000-gebieden Oudeland van Strijen,
Biesbosch, Hollands Diep en Oude Maas zijn het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en liggen op
minimaal 4,1 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.2 wordt de ligging van Natura 2000-
gebied in de omgeving van het onderzoeksgebied weergegeven.
Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000-gebied
Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten en consequenties t.a.v. Omgevingswet
De uitvoering van fysieke activiteiten in een onderzoeksgebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een onderzoeksgebied. Als gevolg van
fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.
19
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten. Stikstofgevoelige habitattypen
Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar de omliggende Natura 2000-gebieden bestaan voor een deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling stikstof in realisatie- en gebruiksfase en consequenties t.a.v. Omgevingswet
Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materiaal met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een
tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en
personeel. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied, kan een
negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied en leiden daarom
mogelijk tot wettelijke consequenties. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren.
4.3.
Slotconclusie
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Ganzenrustgebied en
Weidevogelgebied behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking.
Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN. De bescherming van het ganzenrustgebied en weidevogelgebied kennen wel een externe werking. Door de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten en de dusdanig grote afstand met het onderzoeksgebied, leiden voorgenomen activiteiten niet tot een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden. Wel ligt
het onderzoeksgebied binnen gronden die tot het Nationaal Landschap Hoeksche Waard behoren. Geen van de kernkwaliteiten wordt door de voorgenomen activiteiten negatief beïnvloedt. Er hoeft dan ook niet
getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden
uitgesloten maar een negatief effect van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied kan niet worden uitgesloten.
Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening te laten uitvoeren.
20
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
5.
Soortenbescherming
5.1.
Hypothese en bureauonderzoek
Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en soorten welke op de rode lijst staan is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied mogelijk tot een geschikte groeiplaats voor
(beschermde) plantensoorten en tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied
mogelijk tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande
soortgroepen:
amfibieën; flora;
grondgebonden zoogdieren; ongewervelden; vleermuizen; vogels;
Vissen en kreeftachtigen. Reptielen Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor reptielen door het ontbreken van heide, broeihopen, een goede ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Tevens geven
de NDFF-verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2019-2024) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.
5.2.
Methode
Veldbezoek
In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 29 mei 2024 tijdens de
daglichtperiode met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op
de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel
en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Amfibieën
De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de
winterverblijfplaats verlaten en, afhankelijk van de soort, bezetten amfibieën de land- of voortplantingsbiotoop.
Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden
van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de
gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
21
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Flora
De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar de groeiplaats van beschermde planten. In deze tijd
van het jaar bloeien de meeste soorten en is determinatie goed mogelijk. Het onderzoeksgebied is beoordeeld op potentieel geschikte standplaatsen van planten. Beschermde planten komen hoofdzakelijk voor in de volgende biotopen: zomen en ruigte, natte of droge storingsmilieu ’s, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige standplaatsen. Grondgebonden zoogdieren
Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek. Verschillende beschermde grondgebonden
diersoorten hebben zogende zogen in deze tijd van het jaar en veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.
Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de
aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Ongewervelden
De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar beschermde dagvlinders, libellen en overige
ongewervelden. Ongewervelden komen voor in waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële waardplanten voor beschermde ongewervelden zoals hooilanden, heidevelden en hoogveenmoerassen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en het voorkomen van essentiële waardplanten kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor ongewervelden. Vleermuizen
De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in
bomen en gebouwen. De gebouwen en bomen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen en bomen.
Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied. Vogels
Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar territoriumindicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben. Sommige standvogels (dit
zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar
door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats. In het onderzoeksgebied is gekeken naar vogels, (oude)
nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het onderzoeksgebied duiden, zoals prooiresten
(roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het
22
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.
Vissen en kreeftachtigen
De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar vissen. Vissen komen in alle watertypen in Nederland voor. Afhankelijk van de soort, bezetten de vissen de voortplantingswateren. Vrijwel alle
vissensoorten stellen dezelfde eisen aan de voortplantingswateren; deze wateren zijn ondiep en bevatten veel waterplanten die voor beschutting zorgen.
Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vissen en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de
gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende beschermde vissensoorten.
5.3.
Resultaten en wettelijke consequenties
Amfibieën
Verspreiding en functie
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieënsoorten (NDFF, 20192024).
Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in
de grond. Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander,
rugstreeppad
of
poelkikker
beschouwd.
Het
onderzoeksgebied
ligt
buiten
de
verspreidingsatlas van deze soorten. Voor de rugstreeppad geldt ook dat de soort afhankelijk is van ondiepe
wateren die vrij snel opwarmen. De te dempen sloot ligt hiervoor te diep.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een
(winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene
soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties. Ter plaatse van de tijdelijk te dempen sloten wordt aangeraden om ze eerst af te dammen waarna eventueel nog aanwezige
amfibiesoorten kunnen worden weggevangen. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten.
23
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
Flora
Verspreiding en functie
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast wordt het
onderzoeksgebied op basis van verspreidingsatlassen en NDFF niet als geschikt beschouwd voor het voorkomen van beschermde plantensoorten (NDFF, 2019-2024).
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde plantensoorten aangetast. Er
hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning van de
verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Conclusie
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor flora.
Grondgebonden zoogdieren
Verspreiding en functie
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel
leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd en er is een waarneming bekend van de steenmarter en wezel (NDFF, 2019-2024). Grondgebonden zoogdieren die in het
onderzoeksgebied voor kunnen komen zijn bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter, haas en konijn.
De voorgenoemde muizensoorten bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten in de grond. De steenmarter bezet geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied.
Er zijn geen gebruikssporen aangetroffen welke eenvoudig vast te stellen zijn aan de hand van prooiresten en
latrines. Ook beschikken de bomen niet over geschikte holen. Mogelijk gebruikt de steenmarter het onderzoeksgebied als foerageergebied. Het onderzoeksgebied wordt niet als essentieel leefgebied beschouwd gezien de ligging en het relatief kleine oppervlakte.
Kleine marterachtigen zijn sterk afhankelijk van beschutte landschapselementen welke met elkaar in
verbinding staan. Voorbeeld hiervan zijn bosschages, dichtbegroeide oevers en houtwallen met onderbegroeiing. Kleine marterachtigen gebruiken deze elementen om te foerageren en om te migreren tussen
foerageergebieden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Binnen het onderzoeksgebied is vegetatie aanwezig. Deze vegetatie ligt niet in verbinding met overige dekkende groenelementen doordat het wordt
omringd door wegen, sloten of gebouwen zoals de Welhof waar veel menselijke activiteiten plaatsvinden. De
vegetatie binnen het onderzoeksgebied ligt dan ook geïsoleerd en zijn te klein om een functioneel leefgebied te vormen. Een vaste rust- en voortplantingsplaats kan dan ook worden uitgesloten binnen het onderzoeksgebied.
Overige beschermde soorten welke niet op de vrijstellingslijst van de provincie staan, zoals de eekhoorn en
das, kunnen door het ontbreken van geschikt leefgebied in het onderzoeksgebied worden uitgesloten. Daarnaast zijn eveneens geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de betreffende soorten aangetroffen.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen
24
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
van de rust- en voortplantingsplaats geldt voor de algemene soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, wordt het aangeraden buiten de kwetsbare
periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Aangeraden wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren kunnen vluchten.
Ongewervelden
Verspreiding en functie
In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat het onderzoeksgebied een geschikt habitat vormt voor beschermde ongewervelden. Er zijn
eveneens geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en nabij het onderzoeksgebied (NDFF, 2019-2024). Beschermde dagvlinders en libellen zijn voornamelijk gebonden aan
specifieke terreintypen zoals droge- en vochtige heiden, vennen en hoogveen welke voornamelijk in natuurgebieden te vinden zijn. In het onderzoeksgebied ontbreekt dergelijk habitat en er zijn geen geschikte waardplanten aanwezig van beschermde ongewervelden.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde ongewervelden gedood en wordt
geen vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen
omgevingsvergunning van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Conclusie
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor ongewervelden.
Vleermuizen
Verspreiding en functie: verblijfplaats
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd en er zijn waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis ten noordoosten in de woonwijk van het onderzoeksgebied (NDFF, 2019-2024).
Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat
vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied bezetten. De opgaande beplanting vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen, deze bomen beschikken niet over holen in de stam of losse schors.
Verspreiding en functie: foerageergebied
Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van
een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het onderzoeksgebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten rond de bebouwing en beplanting en vliegen ze over het onderzoeksgebied terwijl ze foerageren rond bomen die net
25
Quickscan Flora & Fauna Toegangsweg ’s-Gravendeel West
11-6-2024
buiten het onderzoeksgebied staan. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt
het onderzoeksgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Verspreiding en functie: vliegroute
Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van
verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige
elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantaarnpalen en gevels van woningen. Het sloot in het onderzoeksgebied vormt een verbindende schakel in
een lijnvormig landschapselement en maakt daarom mogelijk onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.
Echter wordt gezien de vele aanwezige elementen de sloot niet als essentiële vliegroute beschouwd.
Wettelijke consequenties
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood, wordt geen
vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield en wordt geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke
consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen omgevingsvergunning van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Omgevingswet.
Conclusie
Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor vleermuizen.
Vogels
Verspreiding en functie
Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel
leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd en zijn er waarnemingen bekend van de heggenmus, nachtegaal, roodborst en zwartkop (NDFF, 2019-2024). Vogelsoorten gebruiken het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk nestelen verschillende vogelsoorten in de beplanting. Vogelsoorten die mogelijk in het onderzoeksgebied nestelen zijn roodborst, vink, winterkoning, houtduif en merel.
Tijdens het veldbezoek zijn nesten van vogelsoorten aangetroffen. Wel nestelen mogelijk algemene vogelsoorten in de beplanting. In het onderzoeksgebied zijn geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels en/of uilen er een vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten. Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van roofvogels
en uilen zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen aan de hand van schijtsporen, braakballen en ruiveren op de grond onder de zitplaats. Het agrarische perceel naast de bebouwing wordt niet als geschikt beschouwd voor vogels om te broeden wegens het intensieve beheer.
Wettelijke consequenties
Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd, vernield en/of verstoord. Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de