CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1 concept TOELICHTING

Besluitvormende raad 5 juli 2022, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Prins Bernardlaan 1 Puttershoek16.908 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5

Parkeren en verkeer

4.5.1

Parkeren

Het benodigd aantal parkeerplaatsen kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. Het plangebied wordt gekenmerkt als 'schil centrum' in weinig stedelijk gebied. In onderstaande tabel is het gemiddeld benodigd aantal parkeerplaatsen per functie aangegeven. Type functie

Parkeernorm per Aantal w oning (gemiddeld) w oningen

Benodigde aantal parkeerplaatsen

Appartementencomplex Appartement (koop, midden)

1,7

13

22,1

Rijw oningen Tussen/hoek (koop)

1,8

13

23,4

Startersappartementen Appartement (koop, goedkoop)

1,4

6

8,4

Tw ee-onder-een-kapw oning (twee-onder-een-kap, koop)

2

2

4

Vrijstaande w oning Vrijstaand woning (koop)

2,1

1

2,1

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

28

Totaal

59,6

Tabel: Parkeernormen In totaal zijn er, uitgaande van de gemiddelde parkeernormen, afgerond 60 parkeerplaatsen nodig. Dit is inclusief het benodigde aantal parkeerplaatsen voor bezoekers. Voor de woningen langs de Arent van Lierstraat (twee-onder-één-kapwoning en vrijstaande woning) geldt dat deze woningen een oprit (zonder garage) krijgen. Voor de oprit is uitgegaan van 1 parkeerplaats per oprit (3 parkeerplaatsen in totaal). Daarnaast worden langs de Arent van Lierstraat vier openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Gezamenlijk zijn hiermee langs de Arent van Lierstraat 7 parkeerplaatsen. In het appartementengebouw worden 15 parkeerplaatsen gerealiseerd. Voorts worden er binnen de plangrenzen nog 38 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Derhalve voorziet het plan in 60 parkeerplaatsen. Gelet op de gemiddelde parkeerbehoefte van 59,6 parkeerplaatsen voorziet het plan in voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte van de ontwikkeling op te vangen.

Figuur: Overzicht openbare parkeerplaatsen binnen plangebied 4.5.2

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Arent van Lierstraat en de Wilhelminastraat/Prins Bernhardlaan. Via deze wegen is de planlocatie ontsloten met de rest van Puttershoek. De verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van de kencijfers van de publicatie 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren' uit 2018. In de huidige situatie is een bedrijfsfunctie toegestaan. Dit heeft een verkeersaantrekkende werking. Er is gekeken naar de kencijfers voor een arbeidsintensief bedrijf (zoals een werkplaats). Per 100 m2 bvo is de verkeersgeneratie in schil centrum zo'n 7,7 - 9,4 mvt/etmaal. De planlocatie heeft een oppervlakte van ruim 6.000 m2. Een groot deel hiervan is echter slechts in gebruik als opslag. Er is daarom gekeken naar het oppervlakte van de opstallen. Gezamenlijk is hiervan het vloeroppervlakte circa 1.350 m2. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van 104,0 - 126,9 mvt/etmaal. Hierbij wordt opgemerkt dat een aanzienlijk deel hiervan bestaat uit vrachtverkeer, wat zorgt

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

29

voor een zwaardere geluidsbelasting dan licht verkeer. In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking op dezelfde manier te bepalen. In onderstaande tabel zijn de minimale en maximale kencijfers per functie weergegeven en is de totale gemiddelde verkeersgeneratie te vinden:

Type functie

Minimale verkeersgeneratie per w oning

Maximale Aantal Minimale verkeersgeneratie w oninge verkeersper w oning n generatie

Maximale verkeersgeneratie

Appartement (koop, midden)

5,5

6,3

13

71,5

81,9

Tussen/hoek (koop)

6,9

7,7

13

89,7

100,1

Startersappartementen (appartement (koop, goedkoop)

5,0

5,8

6

30

34,8

Tw ee-onder-een-kapw oning (twee-onder-een-kap, koop)

7,3

8,1

2

14,6

16,1

Vrijstaande w oning (vrijstaand woning (koop)

7,7

8,5

1

7,7

8,5

213,5

241,4

Totaal

Tabel: Verkeersgeneratie De ontwikkeling zorgt voor een toename van de verkeersgeneratie per etmaal. De toename is circa 100 mvt/etmaal ten opzichte van de huidige situatie. Hierbij dient echter vermeld te worden dat er slechts sprake is van licht verkeer en er geen zwaar vrachtverkeer meer zal plaatsvinden. De Wilhelminastraat heeft voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie te verwerken. Gezien de inrichting van de straat, waarbij parkeervakken langs de weg beschikbaar zijn, ontstaan er geen verkeersopstoppingen. De ontwikkeling leidt niet tot problemen met de verkeersafwikkeling in en rond het plangebied. 4.5.3

Conclusie

Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgelost en de verkeersgeneratie neemt slechts beperkt toe. 4.6

Geluidhinder

4.6.1

Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/u-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

30

met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. Vanuit het bestemmingsplan 'Puttershoek' kent de planlocatie een gebiedsaanduiding met betrekking tot de geluidzone van industrie. In een later bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Puttershoek' is deze gebiedsaanduiding komen te vervallen. 4.6.2

Onderzoek / beoordeling

Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen de geluidzone van wegverkeer. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door SPA WNP. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 9. Hieronder volgt een korte samenvatting en de conclusies van het onderzoek. De nieuwe woningen liggen binnen de bebouwde kom, in de geluidzone van de Arent van Lierstraat, Wilhelminastraat en Prins Bernhardlaan. Voor de Weverseinde geldt een maximale rijsnelheid van 30 km/u. Ondanks het feit dat er geen sprake is van een geluidzone langs deze weg, is in het voorliggende onderzoek de geluidbelasting vanwege deze weg toch berekend. De overige wegen liggen op grotere afstand van het plangebied en/of de verkeersintensiteit is er dusdanig gering (onder andere Prinsenhof en de Kerkstoep), dat deze wegen niet relevant zijn met betrekking tot de geluidbelasting. Uit het onderzoek blijkt het volgende: De geluidbelasting vanwege het verkeer op de Arent van Lierstraat, de Wilhelminastraat en de Prins Bernhardlaan zal op de nieuwe woningen niet hoger zijn dan de voorkeurswaarde. Vanwege het verkeer op de 30 km/uur-weg Weverseinde zal de geluidbelasting niet hoger zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe woningen. 4.6.3

Conclusie

Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief, mits er wordt voldaan aan de aanbevelingen van het akoestisch onderzoek. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

31

grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige w oonw ijk en rustig buitengebied

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Tabel: Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2

Onderzoek / beoordeling

Voor onderhavige ontwikkeling dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe woningen mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als gemengd gebied. Er is geen duidelijk overheersende woonfunctie rond het plangebied. Met name ten oosten en ten zuiden van de planlocatie vindt er een afwisseling van functies plaats, zoals een kerk, een begraafplaats, maar ook bedrijven. Direct ten westen van planlocatie is een agrarische functie gelegen. Het betreft een bedrijf in de teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden (Arent van Lierstraat 11). Hierop gelet kan het perceel worden beschouwd als een bedrijf uit milieucategorie 2. In gemengd gebied geldt hierbij een richtafstand van 10 meter, waarbij geluid maatgevend is. De activiteiten die plaatsvinden op het perceel zijn echter dermate kleinschalig, waarbij er geen inzet is van zware, geluid producerende machines, zodat de feitelijke hinder minimaal is. Daarnaast vinden de bedrijfsactiviteiten voornamelijk inpandig plaats. Op de grote schuur zijn ventilatoren geplaatst. Binnen een straal van tien meter van deze schuur wordt geen gevoelige functie mogelijk gemaakt.

Voorts geldt dat de achtergevels van de woningen grotendeels op 10 meter of meer van de perceelsgrens van de agrarische functie komen te liggen. Daar waar de gevels dichter bij de perceelsgrens komen te liggen is het perceel in gebruik als bedrijfswoning en vinden er geen of slechts minimale bedrijfsactiviteiten plaats. Andere bedrijven in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen en hebben eveneens maximaal milieucategorie 2, waardoor deze niet in de invloedssfeer van de planlocatie vallen. De ontwikkeling zorgt niet voor hinder voor omliggende milieugevoelige woningen. 4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt ontwikkeling van de woningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. De herontwikkeling zorgt zelfs voor minder overlast voor omliggende functies, omdat een bedrijf uit milieucategorie 2 van de planlocatie verdwijnt. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

32

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

33

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Onderzoek / beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, waardoor de gewenste ontwikkeling getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

34

Figuur: Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Basisnet route spoor Nabij de planlocatie ligt een spoorlijn. Het plangebied ligt op circa 3,3 kilometer van het spoor Over dit spoor worden stoffen van categorie D4 vervoerd. De PR 10-6 contour bedraagt 28 meter. Het plangebied valt hierbuiten. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 4 kilometer. Het plangebied ligt op circa 3,3 kilometer van het spoor en ligt daarmee in het invloedsgebied. Het plan voorziet in een kwetsbaar object en er sprake is van een toename van het aantal personen. Daarom dient conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) het groepsrisico beperkt te worden verantwoord. Hierbij wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bestrijdbaarheid Voor de bestrijdbaarheid van zowel dagelijkse incidenten, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn in of nabij het plangebied. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.

Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Binnen het plangebied zijn meerdere ontsluitingswegen. Het plangebied is te bereiken via de de Arent van Lierstraat, de Schoolstraat en de Prins Bernhardlaan. Deze meerdere ontsluitingswegen naar het plangebied komt de bestrijdbaarheid ten goede. Op die manier kan in geval van een incident via meerdere wegen van de bronnen af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Het voorgenomen plan bestaat uit diverse soorten woningen. De verwachting is dat het overgrote deel van de aanwezige personen beschouwd kan worden als zelfredzaam. Er kunnen ook kinderen en ouderen binnen het plangebied wonen dan wel verblijven. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. De ouders/verzorgers van de kinderen kunnen zowel de kinderen als de aanwezige ouderen begeleiden indien zich een incident voordoet.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

35

Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en het gebouw geschikt is om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van eventuele (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Oude Maas In de nabijheid van de planlocatie is de Oude Maas gelegen. Deze is opgenomen in het Basisnet Water. De route Oude Maas heeft een PR-plafond welke is gelegen op 0 meter. Het invloedsgebied voor de route wordt bepaald op basis van de maatgevende stof (GT3) die over de Oude Maas wordt vervoerd en bedraagt 1.070 meter. De planlocatie ligt binnen dit invloedsgebied (circa 170 meter). Groepsrisio Om het groepsrisico te bepalen is gebruik gemaakt van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport d.d. 17-06-2014.

De vuistregel voor het bepalen of 10% van de oriëntatiewaarde mogelijk wordt overschreden bij bevaarbaarheidsklasse 6 is de volgende: "Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar." Binnen 200 meter van de oever zijn geen aanwezigheidsdichtheden van meer dan 500 per ha. De vervoershoeveelheden van LT2 + GT3 zijn voor de binnenvaart 196 en voor de zeevaart 38. Op basis van de vuistregels uit de HART wordt daarmee 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Daarnaast ligt het grootste gedeelte van het plangebied op een afstand van meer dan 200 meter van de oever van de vaarweg waardoor de ontwikkeling geen significante invloed heeft op de aanwezigheidsdichtheid binnen 200 meter. Op grond van het voorgaande is een kwantitatieve analyse van het groepsrisico niet nodig. Doordat het groepsrisico niet met meer dan 10% toeneemt hoeft er voor de transportroute over water geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Wel dient conform artikel 7 van het Bevt ingegaan te worden op de zelfredzaamheid van de inwoners van het plangebied en de mogelijkheden een ramp te bestrijden.

Zelfredzaamheid In het geval van een calamiteit is risicocommunicatie en vluchten vanaf de risicobron van belang. Ook is NL-alert operationeel, waarmee burgers gericht geïnformeerd kunnen worden, in geval van een calamiteit. Vluchten in tegenovergestelde richting van de vaarweg (naar het zuidwesten) is een goede mogelijkheid. Voorbereiden, bestrijden en beperk en van de omvang Bij een incident met toxische stoffen over de Oude Maas kan een giftige gaswolk ontstaan. Bij een dergelijk incident kan de omvang van de ramp worden beperkt door het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert. Voor (overige) incidenten is het plangebied via diverse wegen, vanuit verschillende richtingen goed bereikbaar voor hulpdiensten. Er is voldoende ruimte in het plangebied voor hulpdiensten om zich hier te manoeuvreren. Buistransportleiding Ten zuiden van de planlocatie is een leiding van de Gasunie gelegen met kenmerk W-507-01. De buisleiding is gelegen op circa 130 meter van de planlocatie. Het zuidelijk deel van het plangebied ligt binnen het invloedsgebied (1% letaliteitsgrens) van de hogedruk aardgastransportleiding, maar buiten de 100% letaliteitsgrens.

Daarom is door SPA WNP een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd ten aanzien van de risico's van de aargasbuisleiding. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 10. In het onderzoek is gekeken naar de huidige en toekomstige situatie. Plaatsgebonden risico

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

36

Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied niet binnen de 10-6 contour van de buisleiding is gelegen. Dat betekent dat zowel in de huidige als toekomstige situatie aan de norm voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Groepsgebonden risico Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling het groepsrisico niet berekenbaar toeneemt. Het plangebied ligt niet binnen de 100% letaliteitscontour, hetgeen betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het meest waarschijnlijke en meest voorkomende incident, is beschadiging van de buisleiding door grondwerkzaamheden. Hierbij kan aardgas uitstromen, maar aangenomen wordt dat door snel en accuraat optreden van alle betrokkenen (o.a. Gasunie, omwonenden) de ontstane gaswolk niet tot ontbranding komt. Omdat het hierbij gaat om een reukloos gas, zal een lekkage door omwonenden moeilijk ontdekt worden. Pas als men de lekkage ziet of hoort onderneemt men actie. Het ergst denkbare scenario is een grote breuk in de aardgastransportleiding, die explosief tot ontbranding komt, waardoor een fakkelbrand ontstaat. Bij dit scenario is tot in de wijde omgeving de explosie merkbaar en kunnen er tot 140 meter (1% letaliteitgrens) personen overlijden. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt het aantal personen toe.

Het groepsrisico is lager dan de oriëntatiewaarde maar hoger dan 10% van de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling leidt niet tot een wijziging van het groepsrisico. Bestrijdbaarheid Het plangebied en de bronnen zijn vanuit diverse richtingen goed bereikbaar voor de brandweer. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Bij een instantaan ongeval kunnen de hulpdiensten echter geen mensen redden die zich binnen de 100% letaliteitscontour van de risicobron bevinden, ongeacht hun zelfredzaamheid. De hittestraling is te intens voor de hulpdiensten om veilig te kunnen werken. Pas na het doven van de fakkelbrand kunnen de hulpdiensten het rampgebied veilig betreden. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. Van belang is dat het risico op een ongewenst voorval zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit betekent dat de buisleiding met rust wordt gelaten of werkzaamheden in de directe nabijheid van de buisleiding alleen worden uitgevoerd onder toezicht van een deskundige, zodat de kans, dat er iets mis gaat, klein is. Zelfredzaamheid Binnen het plangebied zijn er mogelijkheden voor personen om zich in tegenovergestelde richting van de aardgasbuisleiding te begeven.

Bij een instantaan ongeval is het echter niet mogelijk voor mensen, die binnen de 100% letaliteitscontour verblijven, om veilig te vluchten uit het rampgebied, dit vanwege de intense hitte. Dit risico is niet aanwezig, omdat het plangebied niet binnen de 100% letaliteitscontour ligt. Het plan is in hoofdzaak bestemd voor zelfredzame personen. Bij een evacuatie zijn zij zelf in staat zich in veiligheid te brengen. Aanwezigen, die minder of niet-zelfredzaam zijn, kunnen met behulp van zelfredzame personen vluchten. Geconcludeerd kan worden dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor de planontwikkeling. Het groepsrisico blijft na planrealisatie onder de oriëntatiewaarde. De ontwikkeling leidt ten aanzien van de nabijgelegen aardgasleiding niet tot een berekenbaar verschil van het groepsrisico, ten opzichte van de huidige situatie. Het groepsrisico is verantwoord. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevantie inrichtingen gevestigd. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI en vormt de gewenste ontwikkeling geen gevaar voor de omgeving.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

37

4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Puttershoek' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.10

Water

4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

38

Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Waterschap Hollandse Delta Vanaf 2016 is er een nieuw Waterbeheerprogramma 2016-2021 van kracht.

Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema's Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de hydraulische belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 250 m² of meer moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur.

Als er sprake is van toename aan verhard oppervlak, dan moet in principe 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. 4.10.3

Watertoets

Om het voornemen te toetsen aan het waterbeleid, is de watertoets uitgevoerd. Het resultaat is als bijlage bijgevoegd (bijlage 11). Op basis van de watertoets wordt aangegeven dat er geen waterschapsbelang is. Wel dient gestreefd te worden naar de acht streefbeelden, die zijn ingedeeld in drie waterthema's; Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water en het thema Wegen. De ontwikkeling voorziet in een behoorlijke afname van het verhard oppervlakte en in de ontwikkeling van veel groen (tuinen en openbaar groen). Zo wordt in het midden van het plangebied een groenstrook aangelegd. Het hemelwater en rioolwater zal via een gescheiden stelsel worden afgevoerd. Hiermee wordt bij extreme neerslag het vuilwaterriool ontlast. 4.10.4

Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Het waterschap adviseert positief over het voornemen.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

39

4.11

M.e.r.-beoordeling

4.11.1

Wettelijk kader

In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.11.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Kenmerk en van het project De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 13 appartementen, 6 startersappartementen, 13 hoek-/tussenwoningen, een twee-onder-één-kapwoning en een vrijstaande woning. De locatie waar de woningen gerealiseerd worden, wordt nu nog gebruikt ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. Voorts voorziet de ontwikkeling in de ontharding van het plangebied. Plaats van het project De planlocatie is gelegen in de kern Puttershoek en wordt omgeven door woningen, een agrarisch bedrijf en enkele maatschappelijke voorzieningen. In de directe omgeving is geen natuurgebied gelegen. Kenmerk en van het potentiële effect De ontwikkeling zorgt voor een beperkte toename van de verkeersgeneratie, maar voorziet in de aanleg van meer groen. De woningen zullen zorgen voor minder overlast dan de huidige bedrijfsactiviteiten voor de omliggende milieugevoelige functie. De bodemkwaliteit zal, indien noodzakelijk, geschikt gemaakt worden voor de nieuwe functie en vanuit flora en fauna wetgeving worden de plannen uitvoerbaar geacht. Middels archeologisch onderzoek is aangetoond dat de planlocatie geen archeologische waarde heeft. Tevens is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende om woningen mogelijk te maken en verslechterd deze niet door de ontwikkeling. 4.11.3

Conclusie

De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

40

4.12

Molenbiotoop

4.12.1

Bechrijving situatie

Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich de korenmolen ‘De Lelie’ waarvan de molenbiotoop deels is gelegen binnen het plangebied. De molenbiotoop is opgenomen om een vrije windvang en het zicht op de molen te garanderen. Dit betekent dat beperkingen worden gesteld aan de hoogte van bebouwing en beplanting binnen de molenbiotoop. De X-Y coördinaten van de molen zijn 98996 - 424077. De molenbiotoop heeft een omvang van 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen. In de regels bij dit bestemmingsplan is bepaald waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen voor wat betreft de maximale hoogte van nieuwe bebouwing en beplanting.

Figuur: Ligging molenbiotoop (bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland) 4.12.2

Beoordeling

Uit de bestemmingsplanregels van het bestemmingsplan 'Puttershoek' volgt wat de maximale bouwhoogte mag zijn: Binnen een afstand van 100 meter van de molen: de bouwhoogte gelijk dient te zijn aan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek (in dit geval 3,23 meter +NAP) dan wel de bestaande hogere bouwhoogte; Binnen een afstand van 100 meter tot 400 meter van de molen: de bouwhoogte, welke gelijk is aan de verticaal staande wiek, (in dit geval 3,23 meter +NAP) vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen dan wel de bestaande hogere bouwhoogte. Op het deel van de planlocatie waarvoor de molenbiotoop geldt komt een deel van het appartementengebouw te liggen. Dit is gelegen op een afstand van 390 meter. Dit betekent dat conform de uitgangspunten de bouwhoogte maximaal 16,23 meter mag zijn (3,23 meter + 1/30 x 390 meter).

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

41

4.12.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling wordt niet belemmerd door de aanwezige molenbiotoop. De maximale bouwhoogte bedraagt 13 meter. Dit wordt in de planregels en de verbeelding van het plan vastgelegd. De molen heeft geen verminderde windvang ten gevolg van de ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet in strijd is met de gebiedsaanduiding. Derhalve is besloten op de gebiedsaanduiding niet op te nemen in het plan, daar in de planregels de maximale bouwhoogte is gewaarborgd.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

42

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Puttershoek' en de bestemmingsplannen 'Julianastraat Puttershoek' en 'Arent van Lierstraat ong'. Het bestemmingsplan 'Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.

Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2

Inleidende regels

De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1

Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

43

5.3

Bestemmingsregels

5.3.1

Opbouw bestemmingen

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2

Bestemmingen

Bestemming "Wonen" Deze bestemming is toegekend aan alle gronden waarop zich één of meer woningen bevinden. In het plangebied kunnen verschillende typen woningen voorkomen. Op het moment van het opstellen is niet bekend hoe de woningmarkt zich de komende jaren zal ontwikkelen. Derhalve is er voor gekozen om alleen voor het appartementengebouw een aanduiding "gestapeld" op te nemen. Voor de overige woningen geldt dat er, door geen specifieke aanduiding op te nemen, vrijheid bestaat om in de toekomst het plan te wijzigen. Binnen de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Van al deze bouwwerken is in artikel 1 een omschrijving opgenomen. Voor deze bouwwerken gelden maxima ten aanzien van goothoogten, bouwhoogten et cetera. Alleen voor hoofdgebouwen zijn de bouw- en goothoogten op de verbeelding aangeduid. Voor het overige is het uitgeschreven in de planregels. Deze normen beogen met name te voorkomen dat een bouwperceel volledig wordt bebouwd en dat stedenbouwkundig gezien ongewenste situaties ontstaan. Het opnemen van meerdere woningen in een bouwvlak heeft tot gevolg dat het bouwvlak soms ruim bemeten is.

Dit heeft niet tot doel mogelijk te maken dat alle bebouwing die binnen het bouwvlak wordt opgericht de goothoogte mag hebben zoals op de verbeelding is ingetekend of dat dit niet meegeteld hoeft te worden in het aantal maximaal toegestane vierkante meters. Immers deze nieuwe bebouwing is, met uitzondering van algehele nieuwbouw van het hoofdgebouw, aan te merken als een aan-, uit-, of bijgebouw. De planregels bij deze bestemming bieden de mogelijkheid tot het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep. Het gaat hierbij om dienstverlenende beroepen op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied. Belangrijk is dat de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat de ruimtelijke uitwerking of uitstraling in overeenstemming met de woonfunctie is. Bestemming "Groen" Structureel groen in het plangebied zoals plantsoenen, groensingels, speelterreinen, et cetera. heeft de bestemming "Groen" gekregen, zodat bewoners er vanuit kunnen gaan dat deze gebieden openbaar groen blijven. In het groen zijn paden en verhardingen wel mogelijk. Kleine(re) stukjes groen zijn in de regel in de verkeersbestemmingen opgenomen. Hierdoor is een zekere flexibiliteit in de inrichting van de openbare ruimte gewaarborgd.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

44

Bestemming "Verkeer" De wegen en straten en dergelijke en daarmee samenhangende infrastructuur met een functie die hoofdzakelijk is gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer zijn bestemd tot "Verkeer". Daarnaast hebben ook de parkeerplaatsen de bestemming "Verkeer" gekregen. Binnen deze bestemming zijn ook verharde en onverharde speelterreinen mogelijk, of diverse kleine groenvoorzieningen. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' Op een deel van de gronden binnen het plangebied is de archeologische dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige waarden van toepassing. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' Op een deel van de gronden binnen het plangebied is de archeologische dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige waarden van toepassing. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' Op een deel van de gronden binnen het plangebied is de archeologische dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige waarden van toepassing. Dubbelbestemming “Waterstaat - Waterkering” Voor het behoud van de waterkering van de grotere waterlopen in het plangebied geldt dat in het bestemmingsplan hiervoor een beschermende regeling is opgenomen.

In principe mogen alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd, mits wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte. Voor het realiseren van gebouwen is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarbij vooraf instemming van de waterbeheerder noodzakelijk is. Tevens is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen om de waterkering te beschermen tegen de verschillende werken en werkzaamheden. 5.4

Algemene regels

5.4.1

Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering. 5.4.2

Overige algemene regels

Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 5.5

Overgangs- en slotregels

5.5.1

Overgangsregel

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen. 5.5.2

Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

45

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet Ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 6.2.1

Overleg met omwonenden

Op 12 februari 2020 is er een bewonersavond georganiseerd door de initiatiefnemer. Op deze avond zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen en de stand van zaken. Er was veel enthousiasme en interesse in het plan. Het plan is of hoofdlijnen gelijk gebleven na deze avond. Vanuit omwonenden waren er vragen over de instandhouding van de haag langs de Schoolstraat. In het nieuwe plan zal deze zoveel als mogelijk behouden blijven. Tevens waren er vragen over de verkeersgeneratie. In het plan (paragraaf 4.5) is hier specifiek aandacht aan geschonken. De direct omwonenden, die met hun perceelgrenzen aan de planlocatie grenzen zijn persoonlijk benaderd. Vanuit de omwonenden waren er enkele vragen met betrekking tot de planontwikkeling. Deze konden door de initiatiefnemer worden beantwoord. Daarnaast is er in de planontwikkeling contact geweest met de eigenaar van het agrarische perceel. Deze heeft aangegeven geen bezwaren te zien tegen het plan, zolang de bedrijfsvoering niet wordt gehinderd. In paragraaf 4.7 wordt dit toegelicht. 6.2.2

Overleg met overheidsinstanties

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties worden in kennis gesteld en krijgen de mogelijkheid om te reageren. Naar wens van de gemeente, in april 2021 mede gedeeld aan de initiatiefnemer, zijn er nu ook starterswoningen toegevoegd aan het plan.

Puttershoek - Prins Bernhardlaan 1

46

Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11561381/1