Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
Tekst van het document
Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP en de betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma's op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM) Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021.Het plan vormt de strategische basis voor het provinciale waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen. Waterschap Hollandse Delta Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Hollandse Delta. Het waterbeleid van dit waterschap is neergelegd in het waterbeheerprogramma 2016-2021. In het Waterbeheerprogramma (WBP) staan de doelen van het waterschap voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen, voldoende water, schoon water (inclusief de Europese Kaderrichtlijn Water) en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater).
32
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
Afbeelding 4.2. Doelenboom Waterschap Hollandse Delta (bron: Waterschap Hollandse Delta) Het waterschap Hollandse Delta is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak tot afvoer te laten komen.
4.2.2
Beoordeling plangebied
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de huidige watersituatie in het plangebied. Daarnaast legt het vast aan welke watereisen ontwikkelingen, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, moeten voldoen. Het doet dit door ruimtelijke plannen onder meer te toetsen aan " hydrologisch neutraal" conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. Digitale watertoets Het waterschap Hollandse Delta biedt de mogelijkheid een digitale watertoets uit te voeren. Uit deze digitale watertoets is gebleken dat de volgende waterschapsbelangen relevant zijn: Er wordt een beperkingsgebied geraakt; De toename van het verharde oppervlak is meer dan 1.500 m² in het buitengebied; Er wordt nieuw oppervlakte water aangelegd; Er worden bruggen en/of duikers aangelegd. Vanwege de omvang van het initiatief en de vele waterbelangen is het nodig een vergunning aan te vragen bij het waterschap.
De watertoets genereert ook de uitgangspunten voor het toekomstige watersysteem: De afvoer van water mag maximaal 2/l/s/ha bedragen; Bij toename van meer dan 1.500 m² verhard oppervlak in het buitengebied dient 10% watercompensatie te worden gerealiseerd. Bij voorkeur in de vorm van open water; Waterberging wordt berekend boven het streefpeil; Het systeem moet robuust genoeg zijn om hevige neerslag binnen het plangebied op te vangen alvorens af te wentelen op naburig gebied; Tijdens droge periodes moet het inlaten van water mogelijk zijn. Voor oevers langs open water wordt gestreefd naar een duurzame, natuurvriendelijk en onderhoudsvriendelijke inrichting. De initiatiefnemer heeft hierover afspraken gemaakt met het waterschap en bovenstaande aspecten zijn verwerkt in het ontwerp van de nieuwe woonwijk. Gedurende het overleg is ook gebleken dat een op de digitale kaart aangegeven duiker in werkelijkheid niet aanwezig bleek. Hierdoor is er slechts sprake van 2 peilgebieden binnen het plangebied. De initiatiefnemer en het waterschap hebben gezamenlijk afspraken gemaakt op welke wijze de waterberging en waterhuishouding binnen het plangebied geregeld gaan worden.
(ontwerp)
33
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I Bestaande situatie In de bestaande situatie is het plangebied niet tot nauwelijks verhard, er is in totaal 3380 m2 oppervlaktewater aanwezig. Grenzend aan en in het plangebied zijn hoofdwatergangen aanwezig. In onderstaande afbeelding is de bestaande waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied weergegeven.
Afbeelding 4.3: bestaand wateroppervlak plangebied
34
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I Toekomstige situatie Er is sprake van een herontwikkeling naar woningbouwgebied. In de eerste fase komen er 179 nieuwbouw woningen van verschillende types. De ontwikkeling houdt rekening met de noodzakelijk watercompensatie vanwege de toename van de verharding. In onderstaande afbeelding is de waterhuishoudkundige situatie in de toekomstige situatie weergegeven. Onder het kopje 'berekening toename verharding' volgt een cijfermatige en tekstuele onderbouwing van de geplande watercompensatie.
Afbeelding 4.4 Watercompensatie binnen het plangebied
(ontwerp)
35
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I Berekening toename verharding Bestaande situatie
Onderdeel
Aantal
Bestaand oppervlakte water
3380
Aanwezige verharding
-
Aanwezige bebouwing
Eenheid
Betreft
m2
bestaande waterpartijen conform tekening
0
m2
geen verharding aanwezig
-
0
m2
geen bebouwing aanwezig
3380
0
Onderdeel
Aantal
Aantal
Eenheid
Betreft
Nieuw oppervlakte water
7072
-
m2
Nieuwe waterpartijen conform tekening
Verharding openbaar gebied
14.980
m2
Wegen, trottoirs parkeerkoffers etc.
Verharding door bebouwing
11.600
m2
Woningen
Rijwoningen/rug aan rug tuinen 50% verhard
6.088
m2
Uitbouw/bestrating in tuinen/extra berging etc.
2^1 kap en VS tuinen 25% verhard
3.584,5
m2
Uitbouw/bestrating in tuinen/extra berging etc.
m2
Watercompensatie vanwege toename verharding binnen het plangebied
Subtotaal
Nieuwe situatie
Subtotaal
7072
watercompensatie 10%
3.625
Geplande watercompensatie
3692
Uitkomt berekening watercompensatie
+67
Aantal
36.252,5
Nieuw gegraven water, infiltratiemogelijkheden etc.
m2
Het overschot van de watercompensatie is vanwege het aanbrengen van de tijdelijke watergang aan de noordzijde van het plan gebied t.b.v. de volgende fase. Het overschot van 66,75 m2 zal in de toekomst gebruikt worden voor de opvolgende ontwikkeling
Tabel 2: Verschilberekening verharding bestaande vs nieuwe situatie
36
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I Hydrologisch Neutraal bouwen Uiteraard moet eerst voorkomen worden dat het hemelwater vervuild. Vervuiling zal worden voorkomen door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen. Dit wordt getoetst bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Bij hydrologisch neutraal bouwen wordt door het waterschap gekeken naar de toename van het verharde oppervlak. De grens voor de vergunningplicht ligt bij een toename van 500 m². Deze grens wordt ruimschoots overschreden zodat er een vergunning moet worden aangevraagd. De omvang van de verhardingstoename is groot. Daarom voorziet het plan in tenminste 10% watercompensatie en diverse kleinere bergings- en infiltratiesystemen waarmee de bergingsopgave volledig kan worden ingevuld. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
37
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.3
Flora en fauna
4.3.1
Wettelijk kader
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er toch negatieve effecten worden verwacht, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. In de meeste gevallen is een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.
De dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden ten opzichte van voorliggend bestemmingsplangebied zijn 'de Biesbosch' en 'Oudeland van Strijen' op respectievelijk 5,5 en 4,5 kilometer afstand. Het Natura-2000 gebied 'Oudeland van Strijen' is geen stikstofgevoelig natuurgebied.
4.3.2
Beoordeling plangebied
Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is een toets aan de natuurwetging noodzakelijk. De eerste stap van een natuurtoets bestaat uit een quickscan flora en fauna. Het rapport is toegevoegd als bijlage 2 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit het onderzoek kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Op basis van de quickscan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling een positief effect kan hebben op waterflora en -fauna. Ook de aanplant van bomen in het plangebied kan een positief effect op vleermuizen hebben. Om een negatief effect op (beschermde) soorten te minimaliseren dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van weidevogels aan te vangen. Indien deze toch in het broedseizoen aan zullen vangen, dient vooraf een aanvullende schouw plaats te vinden. Tevens dient voor de werkzaamheden in de watergangen een ecologisch werkprotocol gevolgd te worden, welke door de gemeente en de initiatiefnemer gezamenlijk wordt opgesteld. Conclusie Op basis van de quickscan is een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna niet noodzakelijk. Voor de geplande activiteiten is geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbeheer noodzakelijk en zijn geen compenserende maatregelen nodig.
Het aspect flora & fauna vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
38
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.4
Stikstof
4.4.1
Wettelijk kader
Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan (Europese) regelgeving te kunnen voldoen. Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator kan correct berekend worden of er sprake is van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Conform de huidige wetgeving dient daarbij alleen de gebruiksfase berekend te worden.
4.4.2
Beoordeling plangebied
Het plangebied ligt op circa 7 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied "Biesbosch". Door Langelaar milieuadvies is een stikstofberekening gemaakt voor de beoogde ontwikkeling. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 3 aan de toelichting. Het onderzoek heeft betrekking op de toekomstige gebruiksfase van het nieuwe woongebied. Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat in de bouwperiode 2022 t/m 2026 het aantal woningen dat is opgeleverd gestaag toe neemt. Na 2026 zijn alle woningen opgeleverd. Uitgangspunt is dat de depositiebijdrage inzichtelijk wordt gemaakt voor het jaar waarvoor de depositie het hoogst is. Door de technologische ontwikkelingen en milieuregelgeving nemen de emissies van o.a. wegverkeer licht met de jaren af. Deze afname is procentueel veel lager dan de gestage toename van het aantal woningen per jaar. De eindfase die optreedt na het 5e bouwjaar is daarmee maatgevend voor de emissies. De beëindiging van het agrarisch grondgebruik met bemesting van de agrarische percelen ( grasland, akkerbouw) dat reeds nog plaats vindt, is het onlosmakelijke (positieve) gevolg van de woningbouwontwikkeling en uitvoering van het onderhavige bestemmingsplan.
Emissies van mobiele werktuigen op de percelen en verkeer van en naar de percelen is buiten het onderzoek gelaten, waardoor de berekende positieve effecten een worstcase berekening in het licht van interne saldering is. Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator blijkt dat ten gevolge van de referentiesituatie de stikstofdepositietoename op verschillende reeds (bijna) overbelaste delen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in 2000-gebied “Biesbosch” maximaal 0,01 mol/ha/jr is. Er is een verschilberekening uitgevoerd tussen de referentiesituatie en de emissies die plaats vinden in het maatgevende jaar (2027). AERIUS rapporteert per saldo dat de NOx depositie op alle kwetsbare habitats en leefgebieden in Natura2000-gebieden in het maatgevende jaar niet groter is dan ten tijde van de referentiesituatie. Omdat de verschilberekening betrekking heeft op het maatgevende jaar, geldt deze conclusie ook voor alle voorgaande bouwjaren. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten.
(ontwerp)
39
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.5
Geluid
4.5.1
Wettelijk kader
Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare belasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten, zoals nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB, indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag enkel worden verleend, indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens.
Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden. Spoorverkeerslawaai Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de geluidszone van een spoorweg valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (Wgh artikel 77). Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarde genoemd in de Wgh, of indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.
Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting overdag (Lden) en 's nachts (Lnight)) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
40
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I 4.5.2
Beoordeling plangebied
Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 4 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit het onderzoek kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 4 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit het onderzoek kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren van een belastende industrie, een spoorweg en/of luchtvaartverkeer. Ten oosten van het plangebied ligt op een afstand van circa 1100 meter het spoortraject van de HSL. De geluidscontour ter plaatse bedraagt 600 meter. Het plangebied ligt ver buiten de geluidscontour van het spoortraject. Aanvullend onderzoek naar deze geluidsbronnen is dan ook niet noodzakelijk. Uitgangspunten van het onderzoek De nieuwe woningen zijn geprojecteerd in de wettelijke geluidzone van de provinciale weg N217 (Maasdamseweg) en de Molendijk.
De locatie ondervindt mogelijk een relevante geluidbelasting van de nieuwe niet gezoneerde 30 km/u ontsluitingsweg 'Polderlint' van noord naar zuid door het plan. Langs de nieuwe ontsluitingsweg liggen bestaande woonfuncties, ook daar is rekening mee gehouden. In het kader van de toetsing van het woon- en leefklimaat is de gecumuleerde geluidsbelasting van alle wegen inclusief de nieuwe ontsluitingsweg beschouwd. Onderzocht is wat de gecumuleerde geluidsbelasting is bij de woningen, inclusief de buitenruimte. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de nieuwe woningen en de bestaande woningen nabij de nieuwe ontsluitingsweg. Conform het geluidsbeleid moet ook voldaan worden aan de eis dat er minimaal één geluidsluwe gevel en buitenruimte aanwezig is. Er van uitgaand dat er wordt voldaan aan de minimale eis voor de geluidwering van een woning van 20 dB conform het Bouwbesluit, mag de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger zijn dan 53 dB om (zonder akoestische maatregelen) aan de richtwaarde van het binnengeluidniveau van 33 dB te voldoen. Indien hier niet aan voldaan kan worden zijn aanvullende maatregelen mogelijk noodzakelijk. Hogere waarden en gemeentelijke geluidsbeleid Wet geluidshinder De maximum geluidsbelasting op de gevels bedraagt 53 dB, dit geldt voor 21 woningen zoals weergegeven in paragraaf 4.2 van het geluidsonderzoek.
Voor deze woningen wordt een hogere waarde verleend in het kader van de Wet Geluidshinder. Het terugbrengen van de geluidsbelasting tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB is binnen de kaders van het plan onmogelijk gebleken. In het geluidsrapport zijn verschillende geluidsreducerende maatregelen (geluidsarm asfalt N217, geluidsscherm N217 en diffractoren) doorgerekend. De maatregelen zijn allen of onvoldoende doelmatig gebleken of niet wenselijk vanuit stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. De aanvullende onderbouwing om deze maatregelen niet te treffen zijn gelijk aan de onderbouwing voor afwijking van het gemeente geluidsbeleid. Deze onderbouwing wordt gegeven onder het kopje 'Afwijking van het gemeentelijke geluidsbeleid '. Gemeentelijk geluidsbeleid De Gemeente Hoeksche Waard hanteert tevens de door omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid opgestelde richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden. Het geluidsbeleid is van toepassing wanneer sprake is van de voorbereiding van een ruimtelijk plan waarin nieuwe geluidgevoelige bestemmingen geprojecteerd worden aan 30 kilometer per uur wegen en/of vaarwegen. Het beleid dient ook als richtlijn te worden toegepast bij de realisatie van woningen, die volgens een (globaal) bestemmingsplan wel al zijn toegestaan.
(ontwerp)
41
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I De ontwikkeling van 's Gravendeel West fase 1 wordt mogelijk gemaakt middels een globaal bestemmingsplan, daarmee is het geluidsbeleid van de gemeente van toepassing. Toetsing op woningniveau is nog niet altijd volledig mogelijk, wel dient voldoende in beeld gebracht te worden of er sprake is van geluidluwe gevels en buitenruimtes. In het beleid van de gemeente is opgenomen dat er alleen hogere geluidswaarde kan worden verleend als voldaan is aan de onderzoeksverplichting. Onderdeel van de onderzoekverplichting is ook het beoordelen of het nemen van akoestisch maatregelen mogelijk is. Hiervoor geldt de volgende voorkeursvolgorde: 1. bronmaatregelen, 2. maatregelen in de overdracht, 3. maatregelen bij de ontvanger. Het is niet altijd nodig of mogelijk maatregelen te treffen. Op grond van de volgende twee in criteria kan van het treffen van maatregelen worden afgezien: Maatregelen zijn onvoldoende doeltreffend om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde. Maatregelen ondervinden ernstige bezwaren van: stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Conform het aanvullende geluidbeleid is de kwaliteit van de woon- en leefomgeving acceptabel als er een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte aanwezig is.
Woningen met een tuin moeten een geluidluwe (of een deel daarvan) tuin hebben van minimaal 20 m2. Met geluidsluw wordt een geluidsbelasting van maximaal 50 dB bedoeld. Bij alle woningen in het plan wordt voldaan aan de aanvullende eis dat huizen met tuinen moeten kunnen beschikken over een geluidluw gedeelte in de ''achter- of zijtuin''. Afwijking van het gemeentelijke geluidsbeleid Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt slechts één woning niet over een volledig geluidluwe gevel op de 1e en 2e verdieping te beschikking en slechts één woning niet op de 2 e verdieping. Het gaat om buitenruimtes ter plaatse van rekenpunten 1/4 en 3/4. Ter plaatse wordt de richtwaarde van 50 dB met 1 dB overschreden. Het Polderlint (al uitgevoerd met 'stille elementen') is maatgevend voor deze geluidsbelasting. De geluidbelasting op deze gevels kan in theorie met toepassing van verschillende geluidsreducerende maatregelen verlaagd worden tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het college van burgemeester & wethouders kan zoals gesteld afzien van het nemen van maatregelen als deze onvoldoende doeltreffend zijn en/of ernstige bezwaren ondervinden van stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Stedenbouwkundig: Eén van de uitgangspunten van het nieuwe woongebied is openheid en verbondenheid tussen het (nieuwe) stedelijke gebied en het open landschap. Het realiseren van een geluidsafscherming past niet binnen deze ambitie. Het (grootschalig) aanpassen van het stedenbouwkundig plan is niet mogelijk, wel zijn de rug aan rug woningen verplaats voor een verbeterende akoestische situatie. Het stedenbouwkundig plan is in samenwerking met de provincie, gemeente, inwoners van 's Gravendeel en de initiatiefnemer tot stand gekomen. Landschappelijk: De overgang tussen het nieuwe stedelijke gebied en het landelijke gebied is één van de belangrijkste uitgangspunten geweest bij de ontwikkeling van ’s Gravendeel West. Om de geluidsbelasting in de buitenruimtes te laten dalen tot onder de voorkeursgrenswaarde van het gemeentelijke geluidsbeleid is niet mogelijk, zonder dat hiermee de belangrijkste landschappelijke uitgangspunten (openheid, verbondenheid, overgang) te niet gedaan worden. Vanwege deze reden is het realiseren van een geluidswal, welke met een afmeting van bijvoorbeeld 300 meter breed en 2 meter doelmatig kan zijn, niet wenselijk. Verkeerskundig of vervoerskundig: Een optie de geluidbelasting te reduceren is het verlagen van de maximum snelheid op een deel van de N217 van 80 naar 50 kilometer per uur.
Deze optie is op zichzelf niet doelmatig omdat slechts 1,5 dB vermindering van geluid behaald kan worden. Het verlagen van de snelheid is bovendien niet wenselijk vanuit het oogpunt van verkeersdoorstroming en de openbaar vervoersdiensten.
42
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I Daarnaast zou het toepassen van geluidsarm asfalt overwogen kunnen worden. Wanneer over een afstand van 350 meter ten westen van de rotonde geluidsarm asfalt wordt toegepast kan het geluid met 5 dB gereduceerd worden tot de voorkeursgrenswaarde. Ondanks dat deze maatregel doelmatig is zijn er bezwaren tegen deze maatregel. Het huidige wegdek is nog van voldoende kwaliteit, het is pas bij toekomstig groot onderhoud financieel verantwoord een ander wegdek te overwegen. Het huidige asfalt vroegtijdig vervangen is bijvoorbeeld ook vanuit duurzaam materiaal en grondstof gebruik niet acceptabel, zeker wanneer de bestaande overschrijding gering is. Ten slotte betreft het een provinciale weg, zowel de initiatiefnemer als de gemeente hebben hier geen directe zeggenschap over. Diffractoren: Een diffractor is een betonnen constructie die direct naast de verharding van de te onderzoeken weg geplaatst wordt. Door middel van afbuiging van het geluid in de diffractor wordt theoretisch gezorgd voor een afname van het geluid met 1-2 dB. Omdat het een vrij recent ontwikkelde nieuwe oplossing betreft volgen de verwachte theoretische afnames nog niet altijd direct uit de berekeningen.
Vooralsnog is het daarom een onvoldoende doeltreffend maatregel om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde Het college heeft op basis van bovenstaande afwegingen besloten gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid in het gemeentelijke geluidsbeleid. De maatregelen binnen de kaders van het plan onvoldoende doelmatig en/of niet wenselijk. Bovendien staan deze aanzienlijke maatregelen niet in verhouding tot een overschrijding van slechts 1 dB, een verschil wat voor het menselijk oor feitelijk niet waarneembaar is. De kosten die gemoeid zijn met het doorvoeren van de akoestische maatregelen worden derhalve onverantwoord geacht binnen de integrale afwegingen in het project. Binnen het project wordt bijvoorbeeld veel geïnvesteerd in duurzaamheid en klimaatadaptatie (paragraaf 4.13). Deze investeringen komen onder druk te staan indien dure akoestische maatregelen getroffen dienen te worden. Bovendien betreft het dus een dermate geringe overschrijding dat afwijking van het geluidsbeleid als verantwoord gezien wordt. Het is zeer waarschijnlijk dat de geluidsbelasting in de komende jaren nog zal afnemen. De provincie Zuid-Holland heeft aangegeven in de nabije toekomst na te denken over het vervangen van het asfalt op de N217 met modern stil asfalt.
Wanneer deze maatregel doorgevoerd wordt zullen alle woningen naar verwachting voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De afwijking van het geluidsbeleid is zeer beperkt en gezien de hoge woningnood ruimtelijk acceptabel. Het uitgangspunt is dat ook zonder bovengenoemde maatregelen de juiste kaders worden vastgesteld om de woonbestemming mogelijk te maken. Gecumuleerde geluidsbelasting Nieuwe woningen De hoogste geluidbelasting bij de nieuwe woningen is ten hoogste 57 dB, maatgevend is de N217. De benodigde geluidwering ter plaatse bedraagt (57-33=) 24 dB. Bij nieuwe woningen is het aannemelijk dat, vanwege de eisen voor energieprestatie de geluidwering van gevels zonder verdere akoestische voorzieningen voldoet aan tenminste 24 dB. Het woon- en leefklimaat is in de geluidgevoelige ruimten van de nieuwe woning daarom zonder nader onderzoek gewaarborgd. Bestaande woningen Voor één bestaande woning is een geluidsbelasting berekend van 54 dB ten gevolge van het verkeer op het Polderlint. Het gaat om meetpunt TP01. De benodigde geluidwering ter plaatse zou (54-33=) 21 dB moeten bedragen. De minimaal vereiste geluidwering van een woning is 20 dB (conform Bouwbesluit). Gelet op de goede bouwkundige staat van dit pand is het aannemelijk dat de benodigde geluidwering van 21 dB aanwezig is en daarmee sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. De gemeente Hoeksche Waard kan gemotiveerd afwijken van het geluidsbeleid. Alle mogelijke akoestische maatregelen binnen het plangebied worden genomen. De geluidbelasting waarvoor de gemeente afwijkt van haar beleid zijn wettelijk en vanuit een goede ruimtelijke ordening gezien acceptabele geluidsniveaus. Afwijken van het gemeentelijk geluidsbeleid is dan ook acceptabel voor dit specifieke project.
(ontwerp)
43
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.6
Bodem
4.6.1
Wettelijk kader
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten regels moeten stellen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels zijn nodig om voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Een historisch onderzoek kan worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem een planontwikkeling in de weg staat. Dit onderzoek kan aangevuld worden met een nader bodemonderzoek. Het is niet toegestaan om te bouwen op vervuilde grond. Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Bij het toepassen van grond en bagger hanteert dit besluit een toets. De bodem moet met de gebruiksfunctie in balans zijn. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. De bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu moet in balans zijn met gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Te denken valt aan woningbouw of het aanleggen van wegen. Er moet bij plannen rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Dit is bepaald in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.
4.6.2
Beoordeling plangebied
Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is het noodzakelijk om de bodemkwaliteit in kaart te brengen. Het plangebied is in het verleden en ook in het heden mogelijk verontreinigd geraakt. Doelstelling van het onderzoek is vast te stellen of de bodemkwaliteit binnen het plangebied passend is bij een woonfunctie. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 5. Bureauonderzoek Voorafgaand aan het veldwerk is bureauonderzoek verricht. Uit de omgevingsrapportage van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid beek dat binnen het plangebied en binnen een straal van 50 meter van het plangebied geen bodemonderzoeken bekend zijn. Op de ten oosten gelegen percelen (100 meter en meer verwijderd van het plangebied) zijn wel diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Uitgangspunt is geweest dat de resultaten van deze bodemonderzoeken, gezien de afstand, geen invloed hebben op de bodemkwaliteit van onderhavig plangebied. Verkennend bodemonderzoek Tijdens het veldwerk is bij boring 26 is in de bovengrond zintuigelijk een bijmenging met baksteen aangetroffen tussen het opgeboorde bodemmateriaal. Bij de overige boringen zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Er is evenmin asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal. Aanvullend onderzoek naar asbest in de bodem is dan ook niet noodzakelijk.
44
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
Afbeelding 4.5 locaties boorpunten (bron: verkennend bodemonderzoek Arnicon, d.d. juni 2021)
(ontwerp)
45
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I De verzamelde monsters zijn na uitvoering van het veldwerk onderzocht in een laboratorium. Uit dit onderzoek is gebleken dat de bovengrond (plaatselijk) licht verontreinigd is met koper, zink, cadmium, lood en PAK. In de ondergrond zijn (plaatselijk) licht verhoogde gehalten kobalt en nikkel aangetoond. In de bovengrond van het westelijke terreindeel met kadastrale perceel H 758 (voormalig perceel H 170) is PFOA(som) aangetroffen in een gehalte dat voldoet aan de voorlopige toepassingsnormen voor hergebruik (functie wonen of industrie). Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink. Bij de overige bronnen zijn in de grond en in het grondwater geen verontreinigingen aangetroffen. PFAS onderzoek In december 2019 is het grootste deel van de onderzoekslocatie onderzocht op PFAS en GenX, de resultaten zijn als bijlage aan het verkennend bodemonderzoek toegevoegd. Een deel van het kadastraal perceel H 758 (voormalig perceel H 170 is toen niet onderzocht op PFAS en GenX, maar nu wel meegenomen in het verkennend bodemonderzoek. Uit het onderzoek is gebleken dat het gehalte PFAS niet voldoet aan de achtergrondwaarden uit het tijdelijke handelingskader van 2 juli 2020. Dat vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan en het toekomstige bouwplan omdat er gewerkt zal worden met een gesloten grondbalans.
Indien er wel grond afgevoerd moet worden dan zal dit nader onderzocht moeten worden. Conclusie De aangetoonde verontreinigingen zijn dermate klein van aard dat het niet zinvol is om nader onderzoek uit te voeren. De verontreinigingen geven ook geen aanleiding voor het nemen van saneringsmaatregelen. Het plangebied is geschikt voor de beoogde woonfunctie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
46
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.7
Archeologie
4.7.1
Wettelijk kader
Het nationale beleid voor archeologie is afkomstig uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd. Dit is gedaan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de Wamz hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is ook verwerkt in de Erfgoedwet sinds 1 juli 2016. In de toekomst zal de zorgplicht verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet in gaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het archeologisch erfgoed in de bodem moet zoveel mogelijk behouden worden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Dit moet gedaan worden met archeologisch onderzoek. Het archeologisch belang moet vanaf het begin meewegen in de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.
4.7.2
Beoordeling plangebied
Het archeologische onderzoek is opgedeeld in twee delen: Het nieuwe woongebied en de ontsluitingsweg binnen het geldende bestemmingsplan 'Immaneëlhof'. Aan de oostzijde van het plangebied worden enkele langzaamverkeer routes aangelegd, deze werkzaamheden vallen binnen het geldende bestemmingsplan 's-Gravendeel. Ter plaatse geldt de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3'. De geplande werkzaamheden overschrijden de drempelwaardes voor archeologisch onderzoek niet, aanvullend onderzoek is daarom niet noodzakelijk. 1. Het nieuwe woongebied Binnen het nieuwe woongebied vigeert de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting middelhoog 1'. Binnen de dubbelbestemming geldt dat er geen bodemingrepen mogen plaatsvinden met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en het daarbinnen mogelijk gemaakte bouwplan aan te tonen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek en is in zijn volledigheid toegevoegd als bijlage 6. Bureauonderzoek Het bureauonderzoek dient om een goed beeld te krijgen van de geschiedenis van het plangebied en de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Op basis van het bureauonderzoek is een specifieke archeologische verwachting opgesteld, welke kunnen verschillen per deel van het plangebied.
Samenvattend geldt er conform de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de al dan niet begraven stroomruggen in het plangebied. Voor de lager liggende delen in de ondergrond geldt een middelhoge verwachting. Inventariserend veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is het veldonderzoek uitgevoerd. Er zijn 6 boringen per hectare gezet. In het totaal zijn dat 43 boringen regelmatig verspreid over het plangebied, welke zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) en een guts (3 cm Ø). In het toegevoegde archeologische rapport is een volledige uiteenzetting van het uitgevoerde veldonderzoek opgenomen.
(ontwerp)
47
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: De laagopeenvolging binnen het plangebied bestaat uit een jong overstromingsdek op getijdeafzettingen op veen. Binnen het plangebied zijn twee getij-inversieruggen aanwezig die ouder zijn dan het veenpakket. Er zijn geen grote recente verstoringen gezien in het plangebied. Tijdens het veldonderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische resten. Deelconclusie Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten in het plangebied. De archeologische verwachting is door middel van een verkennend booronderzoek getoetst. Uit het veldonderzoek blijkt dat de verwachting kan worden bijgesteld naar laag, er zijn geen belemmeringen voor het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan en het uitvoeren van de voorgenomen woningbouwplannen. De gemeente Hoeksche Waard heeft op basis van de conclusie een selectiebesluit genomen en daarmee het plangebied archeologisch vrijgegeven. 2. De nieuwe ontsluitingsweg Ter plaatse van de nieuwe ontsluitingsweg binnen het geldende bestemmingsplan 'Immaneelhof' vigeert de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie'.
Binnen de dubbelbestemming geldt dat er geen bodemingrepen mogen plaatsvinden met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Om de uitvoerbaarheid van de ontsluitingsweg aan te tonen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek, dan nog wordt aangevuld met een verkennend booronderzoek. Het bureauonderzoek is toegevoegd als bijlage 7. Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat de laagopeenvolging binnen het plangebied uit jonge getijdenafzettingen op een veenpakket bestaat, gelegen op een oudere mariene afzetting. Het plangebied is reeds verstoord door de aanleg van het bestaande park tot een diepte van circa 1,70 meter. Voor de aanleg van de ontsluitingsweg is een maximale ontgravingsdiepte van ca. 2 meter voorzien, met name voor de aanleg van het riool. Uit het bureauonderzoek volgt dat op deze diepte nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Het gaat specifiek om de top van de getijafzettingen (Late Middeleeuwen), de top van het veenpakket (Bronstijd-IJzertijd) en mogelijk de top van de afzettingen die bij de inversierug horen (Neolithicum-Bronstijd). Op basis van deze conclusies wordt een aanvullend booronderzoek uitgevoerd, daarmee kan de gaafheid en exacte diepte van de archeologische resten bepaald worden.
Inventariserend veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is het veldonderzoek uitgevoerd. In het totaal zijn 6 boringen geplaatst regelmatig verspreid over het plangebied, welke zijn gezet met een edelmanboor (7 cm Ø) en een guts (3 cm Ø). In het toegevoegde archeologische rapport is een volledige uiteenzetting van het uitgevoerde veldonderzoek opgenomen. Deelconclusie Uit het veldonderzoek blijkt dat de verwachting kan worden bijgesteld naar laag, er zijn geen belemmeringen voor het vaststellen van voorliggend bestemmingsplan en het uitvoeren van de voorgenomen woningbouwplannen. De gemeente Hoeksche Waard heeft op basis van de conclusie een selectiebesluit genomen en daarmee het plangebied archeologisch vrijgegeven voor de aanleg van de ontsluitingsweg.
4.7.3
Algemene conclusie
Op basis van de uitgevoerde archeologische onderzoeken is het plangebied geheel vrijgegeven door het bevoegd gezag. Ook in het vrijgegeven deel van het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen, de zogenaamde toevalsvondst. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Hoeksche Waard.
48
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.8
Cultuurhistorie
4.8.1
Wettelijk kader
In de ruimtelijke ordening moet de cultuurhistorie worden afgewogen. Het Rijk heeft in 2009 hiervoor een aanzet gegeven in de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Het Rijk stelt dat de cultuurhistorie moet worden verantwoord in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. De Bro is samen met andere wetten al eerder aangepast op 17 juni 2011. Zo zijn ook het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Dit sluit aan op de vaststelling van de Wijzigingswet Monumentenzorg 1988. Ook sluit het aan op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in mei 2011. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen. Dit is met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waar de voorbereiding van een bestemmingsplan aan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd.
In deze beschrijving moet worden aangegeven hoe er met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Ook moet het aangeven hoe er met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Er dient een beschrijving over de cultuurhistorische waarden worden opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Deze beschrijving moet toelichten hoe er met aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied wordt omgegaan. Dit betreft ook de cultuurhistorische waarden in de grond. Daarnaast moet er ook gekeken worden of er monumenten in het gebied zijn. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan naar alleen archeologie. Ook het facet historische (steden)bouwkunde dient te worden meegenomen in de belangenafweging. Daarnaast gaat het ook om het facet historische geografie. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving op het gebied van het cultureel erfgoed in Nederland in één wet. De wet is van kracht sinds 1 juli 2016 en gaat over het behoud en beheer van cultureel erfgoed. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving is overgenomen in de Erfgoedwet.
Dit betreffen de Monumentenwet en de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is de aanwijzing van Rijksmonumenten overgenomen. Ook is overgenomen wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet over het cultureel erfgoed. Deze heeft betrekking op de museale objecten, musea, monumenten, en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten. Deze hadden elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat deze beschermingsniveaus worden gehandhaafd. Dit zijn de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Omgevingswet wordt naar verwachting in 2022 ingevoerd.
4.8.2
Beoordeling plangebied
Binnen het plangebied komen geen cultuurhistorische waarden voor zoals rijks- en gemeentelijke monumenten of beschermde stads- dorpsgezichten voor. Wel is het plangebied en de directe omgeving van cultuurhistorische belang wanneer het gaat om de landschapsstructuur. In de provinciale kwaliteitskaart valt het plangebied volledig binnen het zeekleipolderlandschap.
(ontwerp)
49
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I Op basis van de kwaliteitskaart, die reeds in paragraaf 3.2.1 is doorlopen, is het van cultuurhistorisch belang dat (binnen het zeekleipolderlandschap) ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de bestaande karakteristieke kenmerken en het herkenbaar houden van de polders en dijken als landschapsstructuren. Tevens is het versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap wenselijk en dient bebouwing geconcentreerd te blijven rondom de kernen. Conclusie Het plangebied wordt ingepast binnen de bestaande structuren, de dijken en polder landschapsstructuren dienen behouden te blijven. Om dit te kunnen garanderen is een ruimtelijk raamwerk opgesteld waarbinnen het woongebied zich kan ontwikkelen. Het ruimtelijk raamwerk zorgt ervoor dat belangrijke cultuurhistorische structuren behouden blijven. Het ruimtelijk raamwerk is de onderlegger geweest voor de verbeelding behorend bij voorliggend bestemmingsplan. In het gebiedsprofiel Hoeksche Waard (paragraaf 3.2.3) is aangegeven dat de bestaande kreek een belangrijke structuurdrager is en dat deze waar mogelijk versterkt moet worden. De kreek wordt met de realisatie van een openbare groenvoorziening centraal in het plangebied extra geaccentueerd, daarom heen vindt de bebouwing op gepaste afstand plaats.
Ten slotte wordt de bebouwing direct aangrenzend aan het bestaand stedelijk gebied gebouw, daarmee blijven de waardevolle open polderlandschappen behouden. Geconcludeerd wordt dat de cultuurhistorische belangen voldoende meegewogen zijn en de ruimtelijke ontwikkeling. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
50
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Wettelijk kader
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Deze wet wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor de volgende stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordening vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 3 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie
40 ug/m³
vanaf 2015
Fijnstof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 ug/m³
vanaf 11 juni 2011
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 ug/m³
vanaf 11 juni 2011
Tabel 3: Grenswaarden NO2 en PM10 Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM) In dit besluit is precies bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij een ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
(ontwerp)
51
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I 4.9.2
Beoordeling plangebied
Op basis van de NSL - monitoringstool kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in de huidige situatie van voldoende kwaliteit is. De ontwikkeling van 179 woningen valt binnen het NIBM - besluit, op voorhand kan daarom gesteld worden dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse en de nabije omgeving.
Afbeelding 4.6. Uitsnede NSL - monitoringstool (bron: nsl-monitoringstool.nl) Conclusie De beoogde ontwikkeling valt qua aard en omvang binnen het NIBM-besluit, derhalve kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit ter plaatse. Op basis van de uitgevoerde toets met de NSL-monitoringstool kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in de bestaande situatie van voldoende kwaliteit is voor de functie wonen. Omdat de ontwikkeling niet in negatieve zin bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ook in de toekomst van voldoende kwaliteit is. Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
52
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (een op een miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts een persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron.
Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. Deze wet is opgevolgd door de Wet basisnet. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'
(ontwerp)
53
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I 4.10.2 Beoordeling plangebied Analyse plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico van een 10-6 contour is niet aan de orde binnen het plangebied. Alle risicobronnen zijn ver verwijderd van de beoogde ontwikkeling, waardoor het plangebied niet in de veiligheidszones ligt. Op onderstaande uitsnede van de risicokaart is het plangebied met rood kader weergegeven, géén van plaatsgebonden risico contouren reikt tot over het plangebied. Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat er geen risicocontour van een nabij gelegen risicobron tot over het plangebied reikt. Een nadere onderbouwing van het plaatsgebonden risico is derhalve niet noodzakelijk. Analyse groepsrisico Door de ontwikkeling van het woongebied zal het aantal mensen toenemen, dit kan mogelijk impact hebben op het groepsrisico. Voor onderhavig bestemmingsplan is alleen de N217 relevant. Volgens de meest actuele versie van het basisnet maakt de N217 geen onderdeel uit van de hoofdtransportroutes voor gevaarlijke stoffen, maar is hier alleen sprake van incidenteel transport. Pas bij meer dan 500 GF3 transporten per jaar is sprake van een 10-6 risicocontour, daarvan is bij de N217 geen sprake. Uit recente tellingen blijkt dat er per jaar sprake is van 48 GF3 transportbewegingen.
De hoeveelheid transporten is dusdanig laag vergeleken met de drempelwaarden uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (Ministerie van infrastructuur en milieu) dat er ook geen sprake kan zijn van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel nader gekeken naar een aanvullende verantwoording van het groepsrisico. In het geval van een calamiteit is er binnen en nabij het plangebied direct water voorhanden om de mogelijke gevolgen van een calamiteit te kunnen bestrijden, dan wel te beperken. Het ontwerp van de nieuwbouw houdt hier rekening mee en wordt afgestemd met de veiligheidsregio. Vanwege de ligging direct nabij de bestaande stedelijke omgeving is de situatie qua alarmering en responstijd van de hulpdiensten goed te noemen. Communicatie over de vluchtwegen en over de (mogelijke) calamiteit is belangrijk voor de aanwezige personen. Het bouwplan betreft grondgebonden woningen, vluchten is relatief eenvoudig. De bewoners zullen indien nodig bij de oplevering van de woningen geïnformeerd worden over de externe veiligheidsrisico's en hoe te handelen in geval dat zich een calamiteit voordoet. De huizen nabij de N217 hebben allen in ieder geval één vluchtroute, namelijk via de voordeur, die van de N217 af is gesitueerd.
De huizen dienen als eerste afscherming tegen een eventueel ongeval, ook voor de overige inwoners van de nieuwe wijk.
54
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
Afbeelding 4.7. Uitsnede risicokaart nabij het plangebied (bron: openbare risicokaart) Conclusie Op basis van de ligging van het plangebied kan met de risicokaart onderbouwd worden dat zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico geen belemmeringen opleveren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het groepsrisico wel nader onderbouwd, ook daaruit volgen geen belemmeringen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
55
Ontwerpbestemmingsplan 's Gravendeel West I
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Wettelijk kader De gemeente Hoeksche Waard hanteert de kencijfers uit de CROW-publicatie 381 voor het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte die de diverse daarin onderscheiden functies oproept. De aanbevelingen van het CROW nemen de vorm aan van kencijfers. Deze kencijfers zijn gebaseerd op (literatuur)onderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. Hierbij worden betrekkelijk ruime bandbreedten aangegeven en wordt een onderscheid gemaakt naar een aantal verschillende gebieden binnen en buiten de kom (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied). Uit studies blijkt bijvoorbeeld dat functies in centrumgebieden een lagere parkeervraag oproepen dan functies elders binnen de bebouwde kom en daarbuiten. Verder maakt het CROW onderscheid tussen gemeenten in Nederland al naar gelang hun mate van stedelijkheid (van zeer sterk stedelijk tot niet stedelijk). Een grotere mate van verstedelijking geeft een geringere parkeerbehoefte. Woonkern 's-Gravendeel is volgens deze indeling te beschouwen als weinig stedelijk, aangezien 's-Gravendeel West een uitbreiding is van de woonkern.
4.11.2 Beoordeling plangebied Met voorliggend bestemmingsplan wordt een nieuwe woonwijk mogelijk gemaakt. Voor een correcte verkeerskundige onderbouwing is een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd door Goudappel Coffeng. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 8.