OBP - Fietsroute Oudeland - Strijen
Tekst van het document
Fietsroute Oudeland - Strijen
Hoeksche Waard
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identificatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1963.BPfietspadOudeland-ON01
24-03-2021 19-12-2022
concept ontwerp vastgesteld
projectnummer:
44001646.20180241 opdrachtleider:
ing. W. Groenen
2
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
7
1.3
Vigerend plan
9
1.4
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
11
2.1
Voorgeschiedenis
11
2.2
Huidige situatie
12
2.3
Toekomstige situatie
12
Hoofdstuk 3
Beleid
19
3.1
Rijksbeleid
19
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
20
3.3
Gemeentelijk beleid
25
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
27
4.1
Verkeer
27
4.2
Geluid
28
4.3
Bodemkwaliteit
28
4.4
Archeologie
29
4.5
Water
31
4.6
Bedrijven en milieuhinder
37
4.7
Ecologie
37
4.8
Luchtkwaliteit
41
4.9
Externe veiligheid
42
4.10
Kabels en leidingen
44
4.11
Vormvrije m.e.r.- beoordeling
46
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
47
5.1
Bestemmingsplansystematiek
47
5.2
Planregels
47
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
49
6.1
Economische uitvoerbaarheid
49
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
49
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
4
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Memo sociale veiligheid
Bijlage 2
Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 3
Passende beoordeling Wnb-toets
Bijlage 4
NNN-toets
Bijlage 5
Natuurtoets
Bijlage 6
Aerius-berekening aanlegfase
Bijlage 7
Notitie grote modderkruiper
Bijlage 8
Voorstel waterberging
Bijlage 9
Compensatievoorstel
Bijlage 10
Nader uitwerking compensatievoorstel
Bijlage 11
Verslag inloopavond 13 oktober 2022
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
77
Artikel 1
Begrippen
77
Artikel 2
Wijze van meten
79
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
81
Artikel 3
Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden
81
Artikel 4
Verkeer
83
Artikel 5
Leiding - Gas - 5
84
Artikel 6
Leiding - Hoogspanningsverbinding
85
Artikel 7
Waarde - Archeologie
86
Hoofdstuk 3
Algemene regels
89
Artikel 8
Antidubbeltelregel
89
Artikel 9
Algemene bouwregels
90
Artikel 10
Algemene afwijkingsregels
91
Artikel 11
Algemene wijzigingsregels
92
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
93
Artikel 12
Overgangsrecht
93
Artikel 13
Slotregel
94
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
5
Toelichting
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
6
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
In september 2003 is het Gebiedsprofiel Hoeksche Waard vastgesteld. Hierin zijn afspraken gemaakt tussen de verschillende wegbeheerders in de Hoeksche Waard over het gezamenlijk aanpakken van knelpunten op het gebied van verkeer en vervoer. Het Gebiedsprofiel vormt de basis waarop de provincie haar subsidieverlening in het kader van o.a. SRM 2017 (Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland) baseert. Eén van de knelpunten is de veiligheid van fietsers. Om de veiligheid van het fietsverkeer te verbeteren is het zeer gewenst een fietsroute te realiseren tussen Strijen en Westmaas. Eind 2017 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Strijen besloten om het ontbrekende deel van het fietspad binnen het gemeentelijk grondgebied (als onderdeel van de complete fietsroute voor woon- en werkverkeer) aan te leggen. Het beoogde tracé loopt langs de oostzijde van de buisleidingenstraat en ligt deels binnen het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen. Dit gebied maakt tevens onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De vigerende bestemmingsplannen staan de aanleg van een fietspad niet toe. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van de bestemmingen noodzakelijk.
Omdat dat afspraken over grondgebruik en grondverwerving voor het zuidelijk deel al in een vergevorderd stadium zijn, heeft de gemeente Hoeksche Waard besloten om de bestemmingswijziging voor dit deel alvast in procedure te brengen. Het nu voorliggende bestemmingsplan voorziet in het zuidelijke tracé, van de kern Strijen tot aan de Hoekseweg (Strijen).
1.2
Ligging plangebied
Het aan te leggen fietstracé loopt van de westkant van Strijen tot aan de N489 bij Westmaas. Het tracé is weergegeven in figuur 1.1.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
8
Figuur 1.1 Ligging tracé fietsroute (totaal) Met het voorliggende bestemmingsplan wordt het zuidelijk deel mogelijk gemaakt. Dit deel van het plangebied ligt in de gemeente Hoeksche Waard ten noordwesten van Strijen. Dit gebied wordt gekenmerkt door de agrarische gronden. In de toelichting wordt de totale route opgesplitst in verschillende deelgebied om op een voldoende gedetailleerd niveau de situatie te beschrijven. In figuur 1.2 is de locatie van het zuidelijk deel van de fietsroute en de opdeling in deelgebieden weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
9
Figuur 1.2 Ligging fietsroute zuidelijk deel
1.3
Vigerend plan
Ter plaatse van het plangebied, geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied' dat is vastgesteld op 23 april 2013 door de gemeente Strijen. Voor het plangebied gelden momenteel de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Natuur en Landschapswaarden', 'Verkeer' en 'Water - 1' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Leiding - Leidingstrook'. In figuur 1.2 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
10
Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan met de ligging fietsroute in rood (Buitengebied, Strijen)
1.4
Leeswijzer
Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 volgt een toetsing van de ontwikkeling aan het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt het bestemmingsplan getoetst aan de diverse milieu- en andere sectorale aspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
11
Hoofdstuk 2
2.1
Planbeschrijving
Voorgeschiedenis
De fietsers tussen de kernen Strijen en Westmaas maken nu gebruik van de huidige verkeersstructuur. De fietsroute loopt over de Oudendijk. Dit is een gebiedsontsluitingsweg buiten de gebouwde kom met een maximum toegestane snelheid van 60 km/h. Op deze dijkweg zijn geen voorzieningen voor fietsers aanwezig en ontbreekt de ruimte om voorzieningen te realiseren. Een vrijliggend fietspad is dan ook benodigd om de verkeersveiligheid te waarborgen. Voor de fietsverbinding Strijen – Oud-Beijerland is in 2003 in regionaal verband een projectplan gemaakt, waarbij het Waterschap Hollandse Delta (voorheen De Groote Waard) de trekkersrol heeft opgepakt. Begin 2008 heeft het waterschap middels een schrijven (memo) het voorstel gedaan om de Bovenweg en Waleweg af te sluiten voor gemotoriseerd verkeer m.u.v. bestemmingsverkeer en tevens de betrokken halfverharde paden te asfalteren. Het college (toenmalige gemeente Strijen) heeft het waterschap toen geadviseerd om een gescheiden procedure te volgen voor het afsluiten van de Bovenweg en de Waleweg, daar de verwachting was, dat er (veel) bezwaren zouden zijn tegen het afsluiten van de Waleweg. Bij de Bovenweg was het de verwachting dat hier geen of weinig bezwaar tegen zou zijn. Het voorstel van het waterschap en de reactie van het college is toen ook aan de commissie wonen meegedeeld.
Het waterschap heeft het afsluiten van beide wegen in een procedure naar buiten gebracht om de door hun opgegeven reden, dat het afsluiten van de Bovenweg en Waleweg niet losgezien konden worden. Bij het afsluiten van de Bovenweg en bij het openblijven van de Waleweg zou het verkeer op de laatst genoemde weg toenemen wat weer nadelig is voor de veiligheid van de fietsers. Eind 2017 is binnen de gemeenteraad van de voormalige gemeente Strijen het besluit genomen om het ontbrekende deel van het fietspad binnen het grondgebied van Strijen (als onderdeel van de complete fietsroute) te realiseren. Er is een voorlopig tracé vastgesteld op basis van de huidige planologische uitgangspunten. Per 1 januari 2019 zijn de gemeenten Binnenmaas, Cromstrijen, Korendijk, Oud-Beijerland en Strijen samengevoegd tot één gemeente; Hoeksche Waard. In 2019 is door deze nieuwe gemeente besloten om de complete fietsroute tussen Strijen en Westmaas te gaan ontwikkelen als onderdeel van het Programmaplan Mobiliteit.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
12
2.2
Huidige situatie
Het plangebied ligt in de Hoeksche Waard, ten westen van Strijen en ten zuiden van Westmaas. Het plangebied is gelegen in landelijk gebied. In figuur 2.1 is de locatie van het plangebied globaal weergegeven. De toekomstige fietsroute loopt deels op en deels langs de leidingstraat. De gronden zijn in de huidige situatie in gebruik voor agrarische doeleinden.
Figuur 2.1 Locatie plangebied
2.3
Toekomstige situatie
De ontwikkeling betreft het aanleggen van een fietsroute voor woon- en werkverkeer in de Hoeksche Waard. De complete fietsroute loopt van Strijen tot Westmaas. Voorlopig is besloten om het eerste deel van het gehele tracé langs Strijen aan te leggen. Deze loopt ten noordwesten van Strijen tot de Hoekseweg. De fietsroute zorgt voor een veilige doorgaande route, doordat de rijweg gescheiden wordt van het fietspad. Het nieuwe fietspad zorgt tevens voor winst in reistijd voor fietsers tussen de kernen van Strijen en Westmaas/Mijnsheerenland/Oud-Beijerland. Gemotoriseerd verkeer is niet toegestaan op het fietspad. Het fietspad sluit in het noorden aan op de Hoekseweg en in het zuiden op de Bovenweg in Strijen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
13
LSNED Het fietspad wordt gerealiseerd deels op en deels naast de gronden van de Leidingenstraat Nederland (LSNED). Deze straat wordt ook wel de ondergrondse snelweg van Nederland genoemd. De leidingenstraat is een obstakelvrij leidingentracé tussen de industriegebieden van Rotterdam en Moerdijk, in de richting van Vlissingen en Antwerpen. Het beoogde tracé op de buisleidingenstraat ligt voor een belangrijk deel binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Hiervoor is een compensatieplan opgesteld. Hier wordt in paragraaf 3.2 nader op ingegaan. Deelgebied 1 Het eerste deelgebied loopt van de Hoekseweg tot de Molenweg. Het fietspad steekt hierna de Oudendijk over, hierbij wordt circa 70 meter van de bestaande infrastructuur van de Oudendijk gebruikt voor het fietspad. Op deze weg delen de verschillende voertuigen de rijbaan. Op de Oudendijk is het fietspad planologisch toegestaan. In oostelijke richting volgt het nieuwe fietspad een bestaand stuk van het fietspad van de Hoekseweg (circa 200 meter), vervolgens loopt het fietspad richting het zuiden langs de leidingenstraat. In de huidige situatie zijn de gronden van het geplande fietspad primair in gebruik voor agrarische doeleinden.
Figuur 2.2 Ligging deelgebied 1 Deelgebied 2 Deelgebied 2 van het toekomstige fietspad loopt van de Molenweg tot aan de onderhoudsweg (ontsluiting agrarische percelen) van de leidingenstraat ten hoogte van Oudendijk 35. In de huidige situatie zijn de gronden van het geplande fietspad primair in gebruik voor agrarische doeleinden.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
14
Figuur 2.3 Ligging deelgebied 2 Deelgebied 3 Het derde deelgebied loopt over de onderhoudsweg van de leidingenstraat tot aan de Waleweg. De Waleweg is een landelijke weg welke Strijen ontsluit in oostelijke richting. In de huidige situatie zijn de gronden van het geplande fietspad primair in gebruik voor agrarische doeleinden.
Figuur 2.4 Ligging deelgebied 3
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
15
Deelgebied 4 Deelgebied 4 loopt vanaf de Waleweg tot aan de Bovenweg. Deze wegen ontsluiten Strijen in oostelijke richting. Het fietspad sluit aan op de Bovenweg, waarna de fietsroute gebruik maakt van de huidig aanwezige infrastructuur. Op een gedeelte van dit gebied is een onderhoudsweg van de leidingenstraat aanwezig. In de huidige situatie zijn de gronden van het geplande fietspad primair in gebruik voor agrarische doeleinden.
Figuur 2.5 Ligging deelgebied 4 Beeldkwaliteit In figuur 2.6 is het profiel van de fietsroute opgenomen. Het fietspad krijgt een zwarte kleur en wordt aangelegd met asfalt. Direct naast het fietspad worden grasbetontegels aangelegd voor een voorzichtige overgang van het verhard fietspad naar de groene berm. De nieuwe perceelsgrenzen worden aangegeven middels houten paaltjes. In figuren 2.7 en 2.8 zijn visualisaties van de fietsroute opgenomen. Langs het 2-baans fietspad wordt geen verlichting gerealiseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
16
Figuur 2.6 Profiel fietsroute
Figuur 2.7 Visualisatie profiel fietsroute
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
17
Figuur 2.8 Vogelvlucht visualisatie kruispunt Molenweg
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
18
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
19
Hoofdstuk 3
3.1
Beleid
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is.
Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Barro Voor de doorwerking van de Rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van ruimtelijke plannen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
20
Toetsing Het realiseren van een recreatief fietspad draagt bij aan het doel van de NOVI om ruimte te bieden aan beweging en ontspanning in de openbare ruimte. Daarnaast zijn er geen rijksbelangen vanuit het Barro die strijdig zijn met het voornemen. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de gestelde kaders in de omgevingsvisie en het barro.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
Omgevingsvisie In de omgevingsvisie zijn voor het aanleggen van een recreatief fietspad drie delen van de omgevingsvisie van belang: Landschappen, Sport, recreatie en water- en groenbeleving en Vaker en verder fietsen. Landschappen De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten. De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding en versterking van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap hangt samen met de ruimtevraag van een aantal functies, zoals bijvoorbeeld recreatie, agrarisch ondernemerschap, natuur, de waterhuishouding, energiewinning, wonen en bedrijvigheid.
Door op bovenregionaal niveau af te stemmen hoeven niet alle functies op gelijke manier in ieder gebied te landen, maar kunnen afhankelijk van de kwaliteiten en draagkracht van het landschap, de functies evenwichtig verdeeld en waar mogelijk gecombineerd worden. De provincie Zuid-Holland heeft zowel cultuurlandschappen als natuurlandschappen. Cultuurlandschappen kenmerken zich doordat het land door de mens gemaakt is en veelal is ingericht voor landbouwkundig gebruik. In heel Zuid-Holland horen daar onmiskenbaar alle kunstwerken bij die het leven beneden NAP mogelijk maken, zoals, duinen, dijken, dammen, (water)molens, stuwen en gemalen. Natuurlandschappen hebben nog steeds een relatief hoog natuurlijk karakter. Uniek voor Zuid-Holland is de combinatie van deltalandschappen: het kustlandschap, het veenlandschap en het rivierdeltalandschap en het altijd nabije stedelijk landschap. Deze landschappen zijn ontstaan op het grensvlak van zout en zoet, van land, zee en rivieren. Ze vormen de grondslag voor de identiteit van Zuid-Holland. Voor elk landschapstype zijn richtpunten opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt richting gegeven aan de manier waarop ontwikkelingen ingepast kunnen worden in de verschillende landschappen en hoe de ruimtelijke kwaliteit behouden of versterkt kan worden.
Er wordt ook richting gegeven aan de manier waarop landschappen aangepast of getransformeerd kunnen worden. Structuurdragers zoals linten, dijken, water en infrastructuur bepalen in hoge mate de landschappelijke identiteit van Zuid-Holland, algemeen geldende richtpunten ruimtelijke kwaliteit:
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
21
Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Het gaat hierbij om aardkundige waarden die door de natuur tot stand zijn gekomen. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Genoemde archeologische waarden betreffen door de mens gemaakte fenomenen. Nieuwe ontwikkelingen dienen te passen binnen de structuur van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur. Waar mogelijk worden de cultuurhistorische waarden meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Sport, recreatie en water- en groenbeleving De provincie streeft naar behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed en ontwikkelt en verbindt hiervoor onder meer met name de uit oogpunt van belevingswaarde bijzonder waardevolle gebieden inzake landschap (o.a. Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland), water en natuur (o.a. Hollands Plassengebied en onze Nationale Parken NL Delta en Hollandse Duinen) en verbindt sportief en recreatief de groenblauwe netwerken in en om de stad. De provincie draagt samen met partners zorg voor het beheer van recreatiegebieden, -netwerken en -voorzieningen, waaronder de recreatieve netwerken voor varen, fietsen, wandelen en paardrijden en streeft ernaar deze voor sport geschikter te maken. In het bedrijvige en dichtbevolkte Zuid-Holland dient er ook ruimte te zijn voor ontspanning en voor sport en recreatie. De provincie zet daarom samen met partners in op een in omvang en kwaliteit goed netwerk en goede voorzieningen, locaties en gebieden voor sport en recreatie. Ons recreatieve routenetwerk (voor fietsen, wandelen, varen en ruiters en menners) speelt daarbij een belangrijke rol. In omvang en kwaliteit optimale sport- en recreatiemogelijkheden dragen bij aan een goed en gezond leef-, woon- en vestigingsklimaat en aan (ook spreiding van) toerisme.
Kansrijke verbindingen zijn er met diverse andere maatschappelijke opgaven als natuur, erfgoed, economie, toerisme en klimaat. Met de decentralisatie (2012) van Het rijksrecreatiebeleid (RodS) is de provinciale verantwoordelijkheid voor het recreatiebeleid uitgebreid. De provincie was reeds verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud voor de recreatiegebieden buiten de stad. De locaties, voorzieningen, gebieden, wateren en netwerken waarin en waarlangs onze bewoners sporten en recreëren, waaronder onze groenblauwe structuur en recreatieve routestructuren, liggen in een groot deel van de provincie en zijn vaak gemeentegrensoverschrijdend. Het behouden en versterken van de sportieve en recreatieve belevingswaarde van landschap, water en erfgoed is een gezamenlijke opgave van provincie, gemeenten en andere partijen. Vaker en verder fietsen Inwoners en bezoekers maken vaker gebruik van de fiets en leggen langere afstanden met de (elektrische) fiets af, zowel in het dagelijks gebruik als voor recreatieve ritten. We stimuleren gemeenten om hun leefomgeving zo fiets- en (wandelvriendelijk) in te richten. We zetten in op het verbeteren en aanleggen van veilige fiets- en wandelpaden en snelfietsroutes en hebben oog voor de landschappelijke inpassing en ketenvoorzieningen. Zuid-Holland is koploper van alle provincies met 5500 kilometer fietspad.
We zijn ook de provincie met de hoogste dichtheid aan fietspaden. Alle ruimte dus voor de fiets! Zo'n 30% van alle reizen in Zuid-Holland, korter dan 15 kilometer, wordt op de fiets gemaakt. Het fietsgebruik neemt toe, vooral in
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
22
de steden. Mensen kiezen dus vaker voor de fiets. Daarnaast zien we nog een trend. Inmiddels worden er meer E-bikes verkocht dan 'gewone' fietsen. E-bikes worden niet alleen gebruikt voor recreatieve tochten, maar steeds meer in woon-werkverkeer en op weg naar scholen en universiteiten. Met de E-bike zijn afstanden tot 15 kilometer makkelijker afgelegd worden. Daarmee wordt de fiets voor veel mensen een alternatief voor OV en auto in het dagelijks gebruik. De fiets heeft een aanzienlijk aandeel in de bereikbaarheid van Zuid-Holland. Interlokale fietsverbindingen, provincie brede beleidsvorming, fietsroutes in provinciaal beheer en planologische ontwikkeling vragen om een visie op de fiets als onderdeel van het mobiliteits- en ruimtelijk beleid van Zuid-Holland. Toetsing Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van een veilige fietsroute ten noordwesten van Strijen. Het planvoornemen draagt zodoende bij aan het verbeteren van de bereikbaarheid en verkeersveiligheid in de provincie. Voor de uitvoering van het Fietsplan 2016-2025 wordt verder in deze paragraaf op ingegaan. Conclusie Het planvoornemen sluit aan bij het provinciale programma naar het verbeteren van de bereikbaarheid en verkeersveiligheid en sluit hiermee aan bij de omgevingsvisie. Omgevingsverordening (geconsolideerde versie 2022) In samenhang met de omgevingsvisie is de omgevingsverordening opgesteld.
De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Toetsing Het fietspad ligt in een categorie 1-beschermingsgebied voor wat betreft ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9 van de Omgevingsverordening). Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Natuur Netwerk Nederland kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e. Omdat er sprake is van een wijziging op structuurniveau en een aanpassing van de gebiedsidentiteit is er geen sprake van inpassen en is de ontwikkeling in beginsel
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
23
strijdig met de verordening. Middels lid 6.34 kan hiervan worden afgeweken met betrekking tot maatwerk. Artikel 6.34 Afwijkingsmogelijkheden voor maatwerk Een bestemmingsplan kan voorzien in een bestemming waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels. Op de doelstelling wordt onder 'toetsing compensatie' nader op ingegaan. Artikel 6.9e Beschermingscategorie 1 1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. 4. Bij compensatie, bedoeld in artikel 6.31, onder b, worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen: a. de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; b. de compensatie vindt plaats: 1. aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; 2.
door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is; of 3. op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige waarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is. 5. De toelichting bij het bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt waarvoor ontheffing als bedoeld in artikel 6.31 nodig is, bevat een verantwoording over de aard van de effect beperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied, en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd. Artikel 6.31 Beoordelingsregels ontheffing natuur Voor zover de ontheffing betrekking heeft op een ontwikkeling in een gebied binnen het Natuurnetwerk Nederland of de strategische reservering natuur, bedoeld in artikel 6.9e, gelden aanvullend de volgende voorwaarden: a. er zijn geen reële alternatieven; b. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd overeenkomstig artikel 6.9e, vierde lid; en c. de toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording, overeenkomstig artikel 6.9e, vijfde lid.
Toetsing compensatie Met de uitvoering van de weidevogelcompensatie komt het plan voldoende tegemoet aan het genoemde richtpunt dat is gericht op de bescherming van de natuurwaarden van het gebied. Omdat het compensatieplan is opgenomen (bijlage 9 en 10) als voorwaarde bij het bestemmingsplan wordt er geen afbreuk gedaan aan de doelstellingen van de regels waarvan afgeweken wordt (artikel 6.34). Het compensatieplan is in concept opgenomen, dit wordt nog nader afgestemd met betrokken partijen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
24
Hierna wordt het compensatieplan definitief gemaakt. Bij het compensatieplan is zo veel mogelijk aangesloten bij het aangetaste gebied. Het gebruik maken van deze regeling is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Er is geen afzonderlijk besluit van GS voor nodig. Aanvullende maatregelen worden niet noodzakelijk geacht, met uitzondering van een goede inpassing in het landschap. Hierop is nader ingegaan in paragraaf 2.3. Er worden geen gebouwen gerealiseerd met betrekking tot de ontwikkeling waardoor de openheid van het landschap gewaarborgd blijft. Hiernaast kruist het plangebied de ecologisch verbindingszone ten zuiden van de Kreupeleweg. Deze verbindingszone verbindt de Oude Maas met het Hollandsch Diep. Door de kleinschaligheid van de ontwikkeling en het verbieden van gemotoriseerd verkeer zijn significante negatieve effecten niet te verwachten voor de verbindingszone. Conclusie De ontwikkeling sluit, vanwege het compensatieplan, aan bij de richtpunten van de kwaliteitskaart. Hiermee kan worden afgeweken van artikel 6.9 en sluit de ontwikkeling aan bij de omgevingsverordening. Fietsplan Zuid-Holland 2016-2025 De provincie Zuid-Holland heeft in 2016 een fietsplan opgesteld waarin de fietsambities voor 2025 genoemd worden. Op basis van een participatieproject zijn drie fietsambities geformuleerd: 1. vaker en verder op de fiets; 2. veilig op de fiets; 3.
innovatieve, energieneutrale fietspaden. Een speerpunt uit deze ambities is het optimaliseren van het fietsnetwerk. In de 'Uitvoeringsagenda Fiets' is een concrete uitwerking van het fietsplan opgenomen. De Uitvoeringsagenda beschrijft een aantal opgaven waar de provincie met diverse partners de komende jaren aan werkt. Dit is uitgewerkt in 3 thema's. Eén van deze thema's is het zorgen voor dat fietsers sneller, veiliger en makkelijker van A naar B kunnen. Toetsing De aanleg van de beoogde fietsroute wordt genoemd in dit beleidsplan als bestaand project. De fietsroute draagt bij aan het verbeteren van het fietsnetwerk. Door het aanleggen van een gescheiden fietspad wordt de verkeersveiligheid vergroot. Conclusie De ontwikkeling van de fietsroute zal bijdragen aan het optimaliseren van het fietsnetwerk en sluit hiermee aan op het fietsplan van de provincie Zuid-Holland.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
25
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Hoeksche Waard De gemeente Hoeksche Waard heeft een omgevingsvisie opgesteld. Samen met inwoners, ondernemers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en medewerkers van overheden en uitvoeringsorganisaties is er gewerkt aan één omgevingsvisie. Waardmaken is een nieuwe manier van ontwikkelen. Bij de totstandkoming van een initiatief worden initiatiefnemers uitgenodigd bij te dragen aan de Hoeksche Waard: aan de Hoeksche Werken en de aan Hoeksche Waarden. Daarmee is omgevingskwaliteit niet langer het domein van overheid en specialisten, maar een verantwoordelijkheid van ons allemaal. De gemeente Hoeksche Waard heeft een Omgevingsvisie voor het gehele grondgebied opgesteld. De Omgevingsvisie biedt handvatten en inspiratie aan iedereen die een bijdrage wil leveren aan de Hoeksche Waard. Dat noemen ze Waardmaken. Het plangebied ligt op de grens van het deelgebied Oudste landen. De Oudste Landen liggen midden in het grootschalige agrarische landschap, maar de verschijningsvorm is anders. De Oudste Landen hebben een min of meer ronde vorm met grillige dijken. Ze hebben een zeer open karakter door een fijnmazige structuur van dijken, kreken en sloten. De Oudste Landen zijn grotendeels in gebruik als akkerland en herbergen een grote rijkdom aan natuurwaarden, met name voor weidevogels en ganzen. In paragraaf 3.2 en 4.7 is nader op de natuurwaarden ingegaan.
Maatschappelijke opgaven: de Hoeksche Werken Vijf maatschappelijke opgaven vragen specifiek onze aandacht de komende jaren. Dit noemen we de Hoeksche Werken. Daarbij gaat het om de volgende opgaven: Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; Vitaal economisch klimaat; Bereikbaar, nabij en toegankelijk; Duurzame, innovatieve landbouw; Vitale dorpen en actieve samenleving. Voor de ontwikkeling is bereikbaarheid van belang. Ten aanzien van bereikbaarheid stelt men het volgende. Bereikbaar, nabij en toegankelijk De afgelopen jaren is de bereikbaarheid steeds meer onder druk komen te staan. Het college wil daarom de komende jaren een forse inhaalslag maken met de in- en externe bereikbaarheid. Hoe gaan we dit bereiken? De aanleg van infrastructuur is vooral een zaak van overheden. De maatregelen die vanuit Rijk en provincie worden voorgesteld willen we benutten voor het verbeteren van het onderliggende wegennet en versterken van de verbindingen voor fietsverkeer en het openbaar vervoer. Eigen investeringen van de gemeente fungeren zoveel mogelijk als multiplier voor investeringen van andere overheidspartijen zoals provincie, Waterschap en Rijkswaterstaat. Ook voor initiatieven van overheden geldt de Hoeksche Waard als vertrekpunt. De inpassing van eventueel nieuwe infrastructuur werken we uit met onze inwoners.
Toetsing De gemeente wilt met de omgevingsvisie onder andere goede verbindingen van het eiland met de omgeving bereiken. Openbaar vervoer en de fiets zijn hierbij van levensbelang. Een goede bereikbaarheid maakt de Hoeksche Waard aantrekkelijk voor inwoners om zich hier te vestigen. De aanleg van de vrijliggende fietsroute draagt bij aan dit voornemen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
26
Conclusie Door de aanleg van een vrijliggende fietsroute wordt de verkeersveiligheid en hiermee de leefbaarheid van de kernen verbeterd. De ontwikkeling sluit hiermee aan bij de doelen van de omgevingsvisie. Fietsplan Hoeksche Waard 2018-2026 In 2018 stelden de 5 voormalige gemeenten het Fietsplan Hoeksche Waard 2018-2026 op. Dit fietsplan is gericht op het verbeteren van de bestaande fietsnetwerken, het uitwerken en uitbreiden van ontbrekende schakels in het fietsnetwerk en het toepassen van aanvullende voorzieningen. De gemeente Hoeksche Waard (2019) wil niet alleen veiligere en snellere routes realiseren voor fietsende scholieren en forenzen, maar de Hoeksche Waard ook aantrekkelijker maken voor zowel dagrecreanten als verblijfsrecreanten. Toetsing Door middel van de fietsroute wordt de route tussen Strijen en Westmaas sneller, maar vooral veiliger. In de huidige situatie mengt het fietsverkeer zich met het overige gemotoriseerde verkeer, wat voor onveilige situatie kan zorgen. De fietsroute levert hiermee een actieve bijdrage aan de doelstelling van het fietsplan. Programmaplan Mobiliteit De Hoeksche Waard is een vitaal en leefbaar eiland, tussen Rotterdam en Dordrecht en het bijzondere Deltagebied. De combinatie van het rustige dorpse leven en de drukte van de stad in de buurt zorgt ervoor dat het een fijn eiland is om te wonen, werken en recreëren.
Er komen dan ook nieuwe inwoners bij en het wordt steeds drukker op de weg. De bereikbaarheid van het eiland staat onder druk. Voor de programma’s economie, wonen en inclusieve samenleving is een goed bereikbare Hoeksche Waard van groot belang. Dit vraagt om een integrale mobiliteitsaanpak. Een aanpak die zich richt op de verschillende modaliteiten als auto, OV (openbaar vervoer) en fiets, op snelheid en veiligheid en op gedragsverandering. Daarom werkt de gemeente aan de opgave mobiliteit en is hiervoor het programmaplan Mobiliteit opgesteld. De ambities zijn: Externe bereikbaarheid verbeteren. Dat houdt in dat de stedelijke gebieden om ons heen met al hun voorzieningen voor iedereen goed bereikbaar zijn. Interne bereikbaarheid verbeteren. Dat houdt in dat de dorpen goed met elkaar verbonden zijn. Leefbaarheid van de dorpen verbeteren. Ondanks het toenemende verkeer blijven de dorpen blijven fijne plekken om te wonen. Toetsing De beoogde ontwikkeling van de fietsroute voor woon- en werkverkeer sluit aan bij het verbeteren van de interne bereikbaarheid. Conclusie De aanleg van de beoogde fietsroute wordt genoemd in dit beleidsplan als onderdeel van het utilitaire fietsnetwerk en levert een bijdrage aan de verkeersveiligheid.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
27
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
De onderzoeken zijn gebaseerd op het gehele tracé. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de onderbouwing en conclusies van het plangebied voor zover zijn betrekking hebben op het zuidelijke gedeelte van het tracé.
4.1
Verkeer
Ontsluiting fietspad De nieuwe fietsroute is onderdeel van een druk bereden fietsroute voor woon- en werkverkeer tussen de kernen van Strijen en Westmaas. Gemotoriseerd verkeer is op de fietsroute niet toegestaan. Het nieuwe fietspad ligt op het tracé van de leidingenstraat. Reistijd en comfort Het vrijliggende fietspad komt het fietscomfort ten goede. Fietsers kunnen ongehinderd snelheid maken op een voor de fietsers ingerichte verkeersruimte. Alleen ter hoogte van de kruisingen met de Oudendijk moet rekening gehouden worden met het gemotoriseerde verkeer. Op de overige kruisingen (Waleweg, Molenweg en Kreupeleweg) hebben fietsers voorrang. Het nieuwe fietspad zorgt voor winst in reistijd voor fietsers van de kern Strijen richting Westmaas/Mijnsheerenland. Ontwerp fietspad in relatie tot verkeersveiligheid Conform de richtlijnen zoals opgenomen in de CROW ontwerpwijzer fietsverkeer is het voor gebiedsontsluitingswegen buiten de bebouwde kom (80 km/u of 60 km/u) niet wenselijk dat fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer. Het voornemen om een vrijliggend fietspad te realiseren voldoet daarom aan de richtlijnen. Met betrekking tot de verkeersveiligheid zijn de locaties waar gekruist moet worden met het gemotoriseerde verkeer van belang. Binnen het plangebied is dit de kruising van het fietspad met de Oudendijk.
Fietsers moeten voorrang verlenen aan het gemotoriseerde verkeer. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede. In situaties buiten de bebouwde kom ligt de snelheid van het gemotoriseerde verkeer dermate hoog dat automobilisten het kruispunt met hoge snelheid naderen en daarbij de situatie niet altijd even goed kunnen inschatten. Fietsers hebben met hun lage naderingssnelheid beter zicht op de situatie en kunnen daardoor beter inschatten wanneer overgestoken kan worden. Sociale veiligheid De fietsverbinding Oudeland ligt grotendeels in landelijk gebied, waar sociale onveiligheid een bedreiging kan vormen. In bijlage 1 is de analyse van de sociale veiligheid van de fietsroute opgenomen. Hieruit blijkt dat de sociale veiligheid goed is, maar op enkele punten verbetering mogelijk is. De genoemde aandachtspunten zoals plaatsing van objecten dragen extra bij aan de sociale veiligheid.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
28
Hoofdeisen fietsvriendelijke infrastructuur Het CROW noemt in haar publicatie Ontwerpwijzer Fietsverkeer (publicatie 230) vijf hoofdeisen waaraan fietsvriendelijke infrastructuur moet voldoen, waaraan op de volgende wijze wordt voldaan: Aantrekkelijkheid: beleving en het naast elkaar kunnen fietsen: Met een breedte van 3 m met aan beide zijden grasbetontegels kunnen twee keer twee fietsers elkaar in tegengestelde richting makkelijk passeren. De verbinding geeft zicht op het open agrarisch gebied, waarmee sprake is van een aantrekkelijke beleving. Directheid: het minimaliseren van weerstanden: Zoals beschreven zorgt de verbinding voor een verkorting van de route en een kortere reistijd. Door de aanleg van het vrijliggende fietspad zijn weerstanden afwezig. Comfort: het optimaliseren van de mentale belasting en het profiel van vrije ruimte: Het fietspad is breed genoeg om twee fietsers twee andere fietsers in tegengestelde richting makkelijk te kunnen passeren. Naast het fietspad staan zo weinig mogelijk obstakels. Veiligheid: de kwetsbaarheid van fietsers: Zoals genoemd maakt de breedte van het fietspad veilig passeren van fietsers in tegengestelde richting mogelijk. Daarnaast draagt de afwezigheid van gemotoriseerd verkeer bij aan de veiligheid.
Samenhang: de noodzaak van complete en begrijpelijke fietsinfrastructuur: De nieuwe fietsverbinding past uitstekend in het gewenste fietspadennetwerk. Conclusie De nieuwe vrijliggende fietsroute draagt bij aan een snelle directe en veilige fietsroute tussen Hoekseweg en Strijen. Fietsers hebben op de route een eigen verkeersruimte welke is gescheiden van de rijbaan voor het gemotoriseerde verkeer. Dit komt het comfort en de verkeersveiligheid ten goede. Het fietspad kruist de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer een keer ter hoogte van de Oudendijk. In lijn met het ontwerp moeten fietsers hier voorrang geven aan het gemotoriseerde verkeer. Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid is dit de wenselijke voorrangssituatie. Fietsers hebben met hun lage naderingssnelheid namelijk beter zicht op het naderende kruisingsvlak dan het gemotoriseerde verkeer. Vanuit verkeerskundig perspectief zijn er geen bezwaren die de realisatie van het fietspad in de weg staat.
4.2
Geluid
Verkeer is een geluidsbron met een ruimtelijke relevantie. De Wet geluidhinder stelt kaders voor deze bronnen en normen voor de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten. Binnen het plangebied wordt een fietsroute mogelijk gemaakt, gemotoriseerde voertuigen zijn hier niet toegestaan, mede omdat Oudeland van Strijen een stiltegebied is. Daarmee zijn geluidsbronnen afwezig en is het kader van de Wet geluidhinder niet aan de orde. Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
29
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek en conclusie Gezien het huidige gebruik van de gronden als natuurgebied worden geen verontreinigingen verwacht. Daarnaast wordt geen gevoelige functie mogelijk gemaakt. Hierdoor is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Conclusie omgevingsverkenning Nadat het definitieve tracé is bepaald, dient er (water)bodemonderzoek te worden uitgevoerd met specifieke aandacht voor verdachte locaties als dammen. Daar waar asfaltverhardingen moeten worden opgebroken, moet onderzoek naar de kwaliteit van het verhardings- en funderingsmateriaal uitgevoerd worden. Deze onderzoeken worden in een latere fase uitgevoerd met betrekking tot de vergunningverlening. Indien uit het onderzoek aanvullende werkzaamheden benodigd zijn, worden deze opgevolgd. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.4
Archeologie
Beleid Op 19 januari 2010 stelde de Commissie Hoeksche Waard de archeologische verwachtingenkaart voor de Hoeksche Waard vast. Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007, ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud en beheer van het bodemarchief niet langer bij het Rijk, maar bij gemeenten. Een archeologische verwachtingskaart kan als leidraad worden gebruikt voor de bescherming van archeologische waarden. Ook kan de kaart gebruikt worden om vast te stellen welk archeologisch onderzoek nodig is bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Onderzoek Op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is voor een deel van het plangebied sprake van een middelhoge archeologische verwachting, zie figuur 4.1. Ter plaatse van de buisleidingenstraat geldt geen archeologische verwachting.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
30
Figuur 4.1 Archeologische beleidskaart Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m. Andere bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd wanneer op basis van onderzoek blijkt dat de bouwactiviteiten de aanwezige archeologische waarden niet schaden. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk indien een bouwwerk wordt gebouwd met een maximale oppervlakte van 100 m2 of een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Voor deze gronden is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Uit dit onderzoek blijk dat ter plaatse van de fietsroute, welke niet op de buisleidingenstraat ligt, vervolgonderzoek benodigd is. Dit onderzoek wordt in een latere fase van het plan uitgevoerd. Omdat de werkzaamheden onder de grenswaardes blijven belemmert het aspect archeologie het bestemmingsplan en de bestemmingswijziging niet.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
31
Waarde - Archeologie (WR - AW) Archeologisch waardevolle gebieden zijn gebieden waarvan de archeologische waarde al bepaald is aan de hand van eerder gedaan archeologisch onderzoek, meestal zijn dit de archeologische monumenten waar de provincie zeggenschap over heeft. Voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen bestaat voor de archeologisch waardevolle gebieden geen vrijstellingsnorm. Indien er sprake is van voorgenomen verstoringen van de bodem is het verplicht vooraf archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Pas na overlegging van een rapport van archeologisch onderzoek aan het bevoegd gezag, over het algemeen de gemeente, kan een vergunning worden afgegeven. Conclusie De bodem is ter plaatse van de fietsroute reeds verstoord door de buisleidingenstraat. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van het gebied dat naast de buisleidingenstraat nader onderzoek aan de orde is. Dit onderzoek vindt plaats in een later fase van het plan. Eventuele maatregelen die hieruit volgen worden opgevolgd. Het aspect archeologie staat het bestemmingsplan niet in de weg.
4.5
Water
Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Omgevingsvisie Provinciale Omgevingsverordening Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) van waterschap Hollandse Delta beschrijven zij de doelen die zij tijdens de planperiode 2022-2027 willen bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen.
De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid van de ambities voor de langere termijn (2050). Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die zij in 2027 bereikt willen hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
32
Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan, is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m² of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur. De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding.
Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Onderzoek Huidige situatie Algemeen Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied ten westen van Strijen en loopt tot de Hoekseweg. De locatie beslaat de huidige agrarische gronden die tevens zijn bestemd voor de buisleidingenstraat. Het gebied is voor een groot deel onverhard. Bodem en grondwater De bodem van het plangebied bestaat uit klei op veen, lichte klei met homogeen profiel en zavel met homogeen profiel. Er sprake van grondwatertrap V met een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 0,40 m-mv en een laagste grondwaterstand van 1.20m-mv en grondwatertrap III met een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 0,40 m-mv en een laagste grondwaterstand van 0,80-1,20 m-mv.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
33
Figuur 4.2 Uitsnede bodemkaart inclusief grondwatertrap en indicatieve ligging totale fietsroute Waterkwantiteit Conform de Legger van het Waterschap Hollandse Delta bevinden zich in de omgeving van het plangebied watergangen behorende tot de categorie 'hoofdwatergang' en 'overige water'. De beschermingszone van een hoofdwatergang betreft 5 meter en van een overige watergang 1 meter. Binnen deze beschermingszones gelden conform de Keur van Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
34
Figuur 4.3 Waterlopen en kunstwerken Waterschap Hollandse Delta. Waterkwaliteit Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied.
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
35
Veiligheid en waterkeringen In het plangebied is een waterkering gelegen aan de Oudendijk. Het betreft een secundaire waterkering.
Figuur 4.4 Uitsnede Legger waterkeringen Waterschap Hollandse Delta Afvalwaterketen en riolering Het plangebied ter hoogte van het beoogde fietspad is momenteel braakliggend en niet aangesloten op de riolering. Toekomstige situatie Algemeen Het bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een fietspad op de buisleidingstraat. Reeds bestaande inspectiewegen zullen met elkaar worden verbonden. Met de aanleg van het fietspad zal er dan ook sprake zijn van een toename van het verhard oppervlak. Daarnaast zullen er op enkele plekken sloten worden verlegd. Waterkwantiteit Om de kans op wateroverlast te verkleinen is het van belang om ervoor te zorgen dat het watersysteem optimaal functioneert en goed wordt onderhouden. Het Waterschap Hollandse Delta hanteert een grens van 1.500 m2 buiten de bebouwde kom. Wanneer een ontwikkeling deze grens overschrijdt, dient er voor de verharding gecompenseerd te worden. In bijlage 8 is de toename van de oppervlakteverharding, het verleggen van de watergangen en het compensatievoorstel van de gehele fietsroute in beeld gebracht. Uitgangspunt is dat compensatie plaatsvindt conform de eisen van het waterschap; in het betreffende peilgebied en ten minste 10% van de toename in verharding. Te dempen watergangen dienen volledig te worden gecompenseerd.
Voordat met enige demping gestart wordt, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd. Met het oog op ongewenste kwel of inzijging dient de bodemgesteldheid bekeken te worden. In bepaalde situaties kan de goede kwaliteit van kwelwater
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
36
benut worden. In watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Ter plaatse van kruisingen van infrastructuur met (hoofd)watergangen gaat de voorkeur uit naar het aanleggen van bruggen in plaats van duikers. De lengte van een duiker mag niet langer zijn dan voor het doel hiervan strikt noodzakelijk is. Een duiker wordt alleen toegestaan indien het verval hierover kleiner is dan 4 mm. Een duiker mag niet kleiner zijn dan rond 1.000 mm in hoofdwatergangen en rond 500 mm in niet-hoofdwatergangen. In het geval van kruisingen met grootschalige infrastructuur en/of bebouwing kan een overkluizing worden overwogen. Hoofdwatergangen dienen te voldoen aan een technisch profiel en hebben een minimale waterdiepte van 1 m bij het laagst vigerend peil, een minimale bodembreedte van 1 m en een talud van 1:2 of flauwer. De maximaal toelaatbare gemiddelde stroomsnelheid voor onbeschoeide watergangen bedraagt: 0,60 - 0,80 m/s voor kleigrond, 0,30 - 0,60 m/s voor zavel en veen, 0,20 - 0,50 m/s voor grof zand en 0,15 - 0,30 m/s voor fijn zand. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit de Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming en het Interprovinciaal beleid voor de hygiënisch verantwoorde toepassing van secundaire grondstoffen in werken. Voor beschoeiing zijn alleen niet-oxydeerbare en niet uitlogende materialen toegestaan. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Natuurvriendelijke oevers hebben een talud van 1:5 of flauwer; afhankelijk van de beschikbare ruimte en functie kan een steiler talud worden toegepast. Grotere waterpartijen en plassen hebben een waterdiepte van minimaal 1,5 meter bij streefpeil (mede i.v.m. stabiliteit); plaatselijk zijn verdiepingen van de waterbodem tot een diepte van 2 meter gewenst. Bij de inrichting van het watersysteem dient water met een hogere kwaliteit te stromen naar water met een lagere kwaliteit. De aanvoer van water dient zoveel mogelijk te worden beperkt als het aanvoerwater van mindere kwaliteit is dan de kwaliteit van het water binnen het plangebied. Er is voldoende watercirculatie. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling ligt in een kern- en beschermingszone van een waterkering. Om in deze zones werkzaamheden te mogen uitvoeren, dient er een ontheffing bij het Waterschap aangevraagd te worden.
De stabiliteit van de waterkering mag niet achteruit gaan. Dit geldt voor de situatie na uitvoering van het werk, maar ook tijdens de werkzaamheden. Afvalwaterketen en riolering Het plan betreft een realisatie van een fietspad, hierbij wordt geen afvalwater verwacht. De beoogde ontwikkeling zal niet aangesloten worden op het rioolstelsel. Bij de realisatie van het fietspad zal het hemelwater via de berm in de naastgelegen sloten afstromen. Een zuivering is hierbij niet noodzakelijk. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aanof afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur".
Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Het functioneren van het huidige wegsysteem mag door de planuitvoering niet verslechteren. De
Rho adviseurs voor leefruimte
44001646.20180241
37
wegbermen dienen zo veel mogelijk vrij te blijven van obstakels niet zijnde objecten die een functionele bijdrage hebben. Voor het beheer wordt een beheerplan opgesteld. Hierin wordt onder andere ingegaan op het onderhoud en zwerfvuil. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water' en zijn de beschermingszones van de waterkering beschermd met de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. Conclusie In het plangebied liggen verschillende hoofdwatergangen, overige water en een regionale waterkering. Om werkzaamheden te mogen uitvoeren in de beschermings- en kernzones, dient er een ontheffing bij het Waterschap te worden aangevraagd. Daarnaast dient er ook compensatie plaats te vinden voor de demping van twee wegsloten en de toename aan verharding. Hiermee worden negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse uitgesloten.
4.6
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderzoek en conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op bedrijven of gevoelige functies en heeft dus geen invloed op de milieuzonering.