CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1963.BPOudBonaventSTR22-ON01 def ontwerp bp -toelichting

Besluitvormende raad 29 juni 2023, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Oud-Bonaventurasedijk nabij 53a Strijen14.451 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten en dus dient te worden onderzocht of voldaan kan worden aan de Wet geluidhinder. De planlocatie is gelegen aan de Oud Bonaventurasedijk, een weg waar ter plaatse van het plangebied een snelheidsregime van 50 km/u geldt. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Adviesbureau van der Boom, d.d. 26 september 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3).

26

De geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de Industriestraat bedraagt ten hoogste 26 dB op de gevels van de woning. De geluidbelasting door wegverkeer op de Handelstraat bedraagt eveneens ten hoogste 26 dB op de gevels van de woning. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daardoor niet overschreden. Een hogere waarde voor wegverkeer op deze locatie is daardoor niet nodig. De geluidbelasting door de niet gezoneerde 30 km weg Oud Bonaventurasedijk bedraagt ten hoogste 40 dB na 5 dB aftrek. De geluidbelasting door het niet gezoneerde 30 km deel van de Industriestraat bedraagt ten hoogste 22 dB na 5 dB aftrek. De voorkeurs grenswaarde uit de Wgh wordt daarmee door de 30 km wegen niet overschreden. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het geluidbeleid van de gemeente. Aan de grenswaarden uit de Wgh wordt zonder maatregelen voldaan. De gemeente beoordeelt ten eerste op basis van de cumulatieve geluidbelasting op de gevels, inclusief de geluidbelasting door 30 km wegen. Deze bedraagt 45 dB op de hoogste geluidbelaste gevel. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor de cumulatieve geluidbelasting van 53 dB uit het geluidbeleid van de gemeente.

Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit op basis van de gecumuleerde geluidbelasting. De geluidbelasting op de gevels bedraagt ten hoogste 45 dB zonder aftrek. Voor gevels met een geluidbelasting van ten hoogste 53 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woning zijn derhalve geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de voorgenomen herontwikkeling wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. Gezien de beperkte omvang van het plan kan geconcludeerd worden dat dit ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen nader onderzoek nodig.

27

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. In 2020 geldt voor fijnstof PM 10 een concentratie van 15,2 µg/m³, voor fijnstof PM2,5 een concentratie van 8,2 µg/m³ en voor stikstofdioxide NO2 een concentratie van 14,2 µg/m³. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en NO2 over 2020 voldoen aan de gestelde grenswaarden, waarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, belangrijke weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.

Voor effecten op Natura 2000-gebieden (trillingen, geluid, optische verstoring, etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende is om effecten uit te kunnen sluiten. Stikstofberekening De ontwikkeling gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de gebruiks- en bouwfase en heeft mogelijk effect op de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Echter, gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling worden er tijdens de gebruiksfase geen effecten verwacht op het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura-2000 gebied. De afstand tot het stikstofgevoelige Natura-2000 gebied ‘Biesbosch’ bedraagt namelijk meer dan 5 km. De woning zal gasloos worden gerealiseerd en gezien de beperkte toename in de verkeersgeneratie (Zie toelichting paragraaf 4.11.1), zullen de effecten van stikstof tijdens de gebruiksfase nihil zijn. Daarnaast betreft het een 'prefab' woning die 'kant en klaar' wordt aangeleverd. Het aantal mobiele werktuigen dat gebruikt zal worden en het aantal verkeersbewegingen tijdens de bouwfase zal gering zijn. Gezien het bovenstaande kan daarmee gesteld worden dat de stikstofuitstoot tijdens de gebruiks- en bouwfase op de nabijgelegen Natura-2000 gebieden vrijwel nihil zal zijn. Een stikstofberekening wordt niet daarom nodig geacht. Soortenbescherming Het plangebied bestaat enkel uit kort gehouden gras.

Er worden met de beoogde ontwikkeling geen gebouwen gesloopt of groen verwijderd. De beoogde ontwikkeling van een woning heeft daarmee geen invloed op beschermde soorten. Door werkzaamheden buiten het broed-/voortplantingsseizoen (15 maart t/m 15 augustus) uit te voeren wordt invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig handelen. Hiermee wordt voorkomen dat nesten van vogels worden verstoord. Echter, een broedsel is altijd beschermd ook buiten de broedperiode. Er zal hier met name gelet moeten worden op de vogelnesten op de grond. Indien werkzaamheden wel in deze periode uitgevoerd moeten worden, is het noodzakelijk om de te rooien beplanting voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundige te laten inspecteren op aanwezigheid vogelnesten.

28

Houtopstanden Er zijn op de locatie geen houtopstanden aanwezig. Conclusie Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect ecologie.

4.9 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen

Planspecifiek Rondom het plangebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Ten westen van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein en het plangebied is gelegen aan de Oud Bonaventurasedijk. Dergelijke gebieden kunnen volgens de VNG publicatie aangemerkt worden als ‘gemengd gebied’. De richtafstanden kunnen hiermee met één afstandstap worden verlaagd. Onderstaande tabel tonen de bedrijfsactiviteiten die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn.

Bedrijvigheid Bedrijventerrein Bonaventura Bedrijventerrein Bonaventura Bedrijventerrein Bonaventura

Locatie

Milieucategorie

Richtafstand (gemengd gebied)

Feitelijke afstand

Industriestraat 16

2

10

75

Industriestraat 22

3.1

30

40

Handelstraat 17

3.1

30

74

29

Bedrijventerrein Bonaventura

Handelstraat 19

2

10

69

Kassen

Achter Oud Bonaventurasedijk 82

2

10

35

Bedrijventerrein Bonaventura Het plangebied is gelegen op een relatief korte afstand van het bedrijventerrein Bonaventura. Op het bedrijventerrein vinden verschillende bedrijfsactiviteiten plaats met verschillende milieucategorieën. In de voorgaande tabel zijn de relevante bedrijfsactiviteiten van het bedrijventerrein opgenomen. De milieucategorieën zijn bepaald aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen 2015' waarin maximaal toelaatbare milieucategorieën zijn opgenomen. Voor de bedrijven ten westen van het plangebied gelden de milieucategorieën 2 en 3.1 met richtafstanden van respectievelijk 10 en 30 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 74 meter van deze bedrijven. Derhalve vormen deze geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten noorden van het plangebied, aan de Industriestraat 22, is een bedrijf gevestigd waar volgens het geldende bestemmingsplan een milieucategorie van 3.1 met een richttafstand van 30 meter geldt. De afstand vanaf de bedrijfsbestemming tot aan het plangebied bedraagt ca. 40 meter. Daarmee wordt aan de richtafstand voldaan. De werkelijke afstand tot het plangebied lijkt echter kleiner. Het achterterrein (kadastraal bekend als kavel 4069) wordt ook gebruikt door het bedrijf. Het bedrijf valt onder CBI categorie 016.1 (Dienstverlening t.b.v. de landbouw:- algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o.

> 500 m²) met richtafstanden in gemengd gebied van 10 meter voor geur en 0 meter voor stof. De minimale afstand van het perceel tot aan het bouwvlak van het plangebied is ca. 9 meter. Derhalve wordt niet aan de richtafstand voor geur voldaan. Het is echter mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de richtafstanden. Allereerst bevinden zich direct naast het bedrijfsperceel, aan de Industriestraat 20 en 24, ook al woningen. Deze percelen zijn gelegen op een kortere afstand van het bedrijf dan bij de beoogde woning het geval zal zijn. De woningen aan de Industriestraat kunnen daarmee als maatgevend worden beschouwd. Er kan van uit worden gegaan dat er ter plaatse van deze woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Omdat de naastgelegen woningen aan de Industriestraat als maatgevend kunnen worden beschouwd zal de realisatie van de beoogde woning de bedrijvigheid niet belemmeren. Kassen Ten oosten van het plangebied, gelegen achter de woningen aan de Oud Bonaventurasedijk 82, zijn kassen aanwezig. Voor kassen geldt de milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter. De afstand van de kassen tot aan het plangebied bedraagt ca. 35 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand.

Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat nabijgelegen bedrijven niet in hun uitvoering worden belemmerd. Derhalve vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

30

•

vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.

Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Om de risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving van het plangebied in kaart te brengen is de hulptool risicokaart.nl geraadpleegd. Met de risicokaart kan worden vastgesteld of er in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn.

31

De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.

Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld)

Risicovolle inrichtingen Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op een afstand van 150 meter ten zuiden van het plangebied ligt een caravanpark. Ter plaatse van het caravanpark is een bovengrondse propaantank aanwezig. Voor dergelijke risicovolle objecten geldt een risicoafstand van 20 meter. Gezien de geruime werkelijke afstand tot het object wordt deze niet als risicovol gezien. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het toxische invloedsgebied van de Shell Nederland Chemie B.V te Moerdijk, gelegen ca. 6,6 km ten zuiden van het plangebied. De inrichting heeft een invloedsgebied van 10 km. De afstand van het plangebied tot de inrichting is van dusdanige grootte dat de hoogte van het groepsrisico met de ontwikkeling nauwelijks toe neemt. Een volledige verantwoording van het groepsrisico wordt niet nodig geacht. Wel dient er een beknopte verantwoording te worden gemaakt. Verantwoording groepsrisico Shell Moerdijk Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is goed bereikbaar en kent voldoende ontvluchtingsmogelijkheden.

Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf. Het is mogelijk om via de Oud Bonaventurasedijk te vluchten. De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. De woning zal zodanig gebouwd worden dat er diverse mogelijkheden zijn tot het ontvluchten. Transportroutes Er zijn geen transportroutes van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied. Buisleidingen Er zijn geen buisleidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Advies Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) adviseert gebouwen en woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie, conform artikel 4.124, lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem

32

handmatig kan worden uitgeschakeld. Dit is noodzakelijk bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Het ventilatiesysteem dat toegepast zal worden is afzonderlijk per woning uitschakelbaar. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020).De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de externe veiligheid en het plan in dit kader uitvoerbaar is.

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het beleid met betrekking tot parkeren is vastgelegd in het gemeentelijke parkeerbeleid (‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’). Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het plangebied wordt ontsloten via een gedeelde ontsluitingsweg met de Oud Bonaventurasedijk 53a (perceelnummer 4712). Via een nieuw aan te leggen verharding wordt deze uitrit verbonden met het plangebied.

Er zullen afspraken gemaakt worden in kader van 'recht van overpad'. De verkeersgeneratie van het plangebied is berekend met behulp van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig Parkeren’. Uitgaande van de CROW-publicatie geldt voor een vrijstaande woning in een 'weinig stedelijk' gebied en de 'rest bebouwde kom' een verkeersgeneratie van 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Gezien de beperkte toename in het aantal voertuigbewegingen kan aangenomen worden dat de Oud Bonaventurasedijk deze toename op zal kunnen vangen. Geconcludeerd kan worden dat verkeer geen belemmering zal vormen voor beoogde ontwikkeling. 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het beleid met betrekking tot parkeren is vastgelegd in het gemeentelijke parkeerbeleid (‘Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard houdende regels omtrent de parkeernormen’). Het gemeentelijk parkeerbeleid is gebaseerd op de parkeernormen van het CROWbeleid.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft

33

in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Voor de planlocatie is uitgegaan van 'weinig stedelijk' stedelijkheidsgraad in de 'rest bebouwde kom'. Voor een vrijstaande woning geldt een gemiddelde norm van 2,3 parkeerplaatsen. Met de beoogde ontwikkeling wordt direct ten oosten van de beoogde woning ruimte gereserveerd voor het parkeren. Hier zal voldoende ruimte zijn om de parkeerbehoefte op te lossen. In de regels van het voorliggende bestemmingsplan is tevens een parkeerregeling opgenomen. Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het onderdeel parkeren geen belemmering zal vormen voor het beoogde plan.

4.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 werd de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC).

Vanaf 1 januari 2021 moeten gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Deze eisen vervangen de EPC. De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energie prestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. 2. 3.

de energiebehoefte indicator; de primaire fossiele energie-indicator; en het aandeel hernieuwbare energie.

Milieuprestatie Gebouwen (MPG) De Milieuprestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Gemeentelijke beleid Het gemeentelijk beleid van de gemeente Hoeksche Waard is o.a. vastgelegd in het programmaplan Duurzaamheid. Hierin geeft de gemeente aan dat ze energieneutraal willen zijn in 2040 en in 2050 willen ze dat de Hoeksche Waard 100% circulair en volledig klimaatadaptief is. De ambitie van de gemeente is om

34

iedere nieuw te bouwen woning gasloos en energieneutraal te bouwen. Tevens dient er aandacht te worden besteed aan de klimaatbestendigheid van een plan. Planspecifiek De ambitie van de gemeente is dat nieuwe woningen energieneutraal zijn. Bij voorkeur leveren woningen energie op en worden ze klimaatbestendig gebouwd. De beoogde woning zal (nog) niet 100% energieneutraal worden gerealiseerd, maar bijna energieneutraal (BENG) zijn. Er is sprake van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan. Het huis wordt gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Het huis wordt daarnaast voorzien van acht extra zonnepanelen waarmee het totaal aantal zonnepanelen op tien komt. Daarnaast betreft het een prefab woning die binnen 12 tot 14 weken gerealiseerd is. Gezien de wijze van bouwen, betreft het een zeer schone bouw. Alles wordt op maat en 'kant en klaar' aangeleverd. Op de bouw wordt het bijna als Lego in elkaar gezet. Daarnaast wordt de woning binnen het bestaand bebouwd gebied gerealiseerd, waarmee vanuit een breder perspectief sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Verder kan grotendeels gebruik worden gemaakt van bestaande voorzieningen, waarmee de effecten van de betreffende nieuwbouwwoning kleiner zullen zijn dan die van een nieuwbouwwoning buiten het bestaand bebouwd gebied.

In de toekomst is het mogelijk om de bijna energieneutrale woning verder te verduurzamen en minimaal energieneutraal te laten zijn; dit door de latere toevoeging van extra zonnepanelen op het andere dakvlak alsmede door het realiseren van een voorziening van energie-opslag. In toelichting paragraaf 3.2.2 is ingegaan op de risico's van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen is. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Desalniettemin wordt de woning gebouwd worden op een soort van terp, waarbij de woning ca. 70 cm hoger komt te liggen dan de omliggende grond. De tuin zal van veel groen worden voorzien met een natuurlijke afscheiding (bamboe, (fruit)bomen, siergras, etc.). Deze natuurlijk afscheiding, samen met het behouden van de bomenrij ten zuiden van het plangebied, biedt voldoende ruimte om schuil- en nestmogelijkheden voor planten en dieren te bieden. De bomen en voornamelijk de streekeigen gemengde hagen hebben een belangrijk ecologische functie voor insecten en vogels.

Daarbij worden de initiatiefnemers gestimuleerd om onderzoek te doen naar andere mogelijkheden om de natuur en biodiversiteit te bevorderen (bijvoorbeeld groene daken, gevels, insectenhotels, nestkasten etc.). Gezien het voorgaande is de voorliggende ontwikkeling voor dit moment voldoende in lijn met de duurzaamheidsambities van de gemeente Hoeksche Waard en draagt het bij aan een energieneutraal Hoeksche Waard. De afwijking van de beleidsambitie om nieuwbouwwoningen energieneutraal te bouwen door een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een woning die voldoet aan de op dit moment geldende BENG-eisen, maar die voor de toekomst wel al voorbereid is op minimaal energieneutraal, is in deze context en in dit stadium verantwoord.

35

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

36

5.4 Wijze van bestemmen Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin Aan de westzijde en aan de zuidzijde van het plangebied is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Binnen deze zone zijn geen bijgebouwen of uitbouwen toegestaan. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen bij de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. De nog aan te leggen inrit is ook binnen deze bestemming toegestaan. Artikel 4 Wonen Binnen deze bestemming zijn wonen en bijbehorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, groenvoorzieningen en water, toegestaan.

Tevens zijn aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toegelaten. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd mogen worden. Binnen het bouwvlak mag één (vrijstaande) woning gebouwd worden. De maximale goothoogte voor hoofdgebouwen is tevens aangeduid op de verbeelding. Artikel 5 Waterstaat – Waterkering De beschermingszone van de waterkering is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze hebben betrekking op overschrijding van bouwgrenzen en bestaande maten. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van functies die in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Verder zijn, gelijk aan het 'Paraplubestemmingsplan Strijen', regelingen over parkeren en bed & breakfast bij een woning opgenomen.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan.

37

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn de algemene wijzigingsregels opgenomen. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 12 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

38

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, Wro niet noodzakelijk is; en

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, Wro niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Het verhalen van de gemeentelijke kosten op dit initiatiefnemer wordt geregeld met een anterieure overeenkomst, waarin tevens vastgelegd zal worden dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor tegemoetkoming in eventuele planschade.

39

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie In het kader van het aspect participatie heeft initiatiefnemer een participatieplan opgesteld welke met de gemeente is afgestemd. Het participatietraject wordt gefaseerd uitgevoerd. Fase 1 en 2 zijn reeds uitgevoerd. Fase 1: Medio februari 2022 hebben de initiatiefnemers met meerdere bewoners in de directe omgeving van het plangebied gesproken over de beoogde ontwikkeling (bewoners van de direct aangrenzende kavels: 2285, 1760, 2995 en 4068/4069). Om de doorgang en hinder op de Oud Bonaventurasedijk te minimaliseren is er met de bewoners van kavel 4068/4069 afgestemd dat de heipalen via hun kavel naar kavel 4711 mogen worden getransporteerd. Hierdoor is er een rechtstreekse toevoer/doorgang gerealiseerd vanaf de Industrieterrein. Met de bewoners van kavel 2285 is afgestemd dat het aanleggen van de nutsvoorzieningen voor kavel 4711 rechtstreeks vanaf de Oud Bonaventurasedijk via hun kavel mag worden gerealiseerd. De direct omwonenden hadden vooralsnog geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling. Fase 2: Initiatiefnemers hebben nogmaals face to face het initiatief tot het realiseren van een vrijstaande wooneenheid met de direct omwonenden doorgenomen.

Het initiatief is zo concreet als mogelijk gepresenteerd, inclusief lopende procedure, doorlooptijden, (bouw)planning(en) en wat voor type woning initiatiefnemer wenst te realiseren -na verleende vergunningen. Alle andere omwonende zijn middels een schrijven geïnformeerd over het initiatief. Fase 3: Nadat de vergunning is verleend en de bouwplannen bekend zijn zullen initiatiefnemers de aanwonende concreet informeren over de bouwplanning en de eventuele impact die men hiervan zal ondervinden. Ook zullen alle andere omwonende middels een schrijven hierover worden geïnformeerd.

40

7.2 Vooroverleg Het concept-ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro voorgelegd aan de diverse vooroverlegpartners:

• • •

Provincie Zuid-Holland; Waterschap Hollandse Delta; Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid.

De Provincie Zuid-Holland heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op de beoogde ontwikkeling. De ingekomen reacties van het Waterschap Hollandse Delta en de veiligheidsregio zijn verwerkt in het plan, in zoverre daar aanleiding voor was.

7.3 Zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12824850/1