NL.IMRO.1963.BPOudBonaventSTR22-ON01 def ontwerp bp -toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Oud Bonaventurasedijk nabij nummer 53a, Strijen Gemeente Hoeksche Waard
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.1963.BPOudBonaventSTR22-ON01
Datum:
2023-02-14
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. F.M. Polderman
Kenmerk Buro SRO:
SR2200243
Opdrachtgever:
Dhr. Konstapel
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleid en regelgeving ............................................................................................................................ 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 22 4.3 Archeologie ....................................................................................................................................................... 24 4.4 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 25 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 26 4.6 Geluid ................................................................................................................................................................ 26 4.7 Luchtkwaliteit ....................................................................................................................................................
27 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 28 4.9 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 29 4.10 Externe veiligheid ............................................................................................................................................ 30 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 33 4.12 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 34
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 36 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 36 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 36 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 36 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 37
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 39 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 40 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 40 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 41 7.3 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 41
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel gelegen ten noordoosten van het centrum van Strijen een vrijstaande woning te realiseren. Het perceel bevindt zich tussen de woningen gelegen aan de Oud Bonaventurasedijk 53a en 57 in en is volledig onbebouwd. Momenteel wordt het perceel gebruikt als tuin. Voor de gronden van het plangebied is het bestemmingsplan 'Dorp III 2012' van de voormalige gemeente Strijen van kracht, vastgesteld op 23 april 2013. De gemeente Strijen is inmiddels opgegaan in de gemeente Hoeksche Waard. In het geldend bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Tuin'. Het voornemen om de woning te realiseren gaat in tegen het huidige bestemmingsplan. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken zal een herziening van het bestemmingsplan vastgesteld moeten worden. Initiatiefnemer heeft reeds de gemeente benaderd met het initiatief. Met een brief (kenmerk/21/112049) heeft de gemeente aangegeven positief te staan tegenover de beoogde ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan geeft inzicht in de bij de afweging betrokken belangen en aspecten, alsmede in hoeverre het project past in een breder ruimtelijk verband en perspectief. Behalve op het ruimtelijke aspect wordt daarbij onder meer ingegaan op de (toekomstige) beleidskaders, milieuaspecten, de financiën, zowel als de regelgeving.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Strijen, in de gemeente Hoeksche Waard. De planlocatie is gelegen aan de Oud Bonaventurasedijk. De planlocatie is kadastraal bekend onder de gemeente Strijen, sectie N, perceelnummer 4711 en heeft een oppervlakte van 2.045 m². Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging (plangebied rood omcirkeld, bron: Google Earth)
5
Globale begrenzing (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Dorp III 2012' (vastgesteld op 23 april 2013 door de voormalige gemeente Strijen) en het 'Paraplubestemmingsplan Strijen' (vastgesteld op 25 september 2018 door de voormalige gemeente Strijen). De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan 'Dorp III 2012'.
Uitsnede geldend bestemmingsplan (plangebied is globaal rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het plangebied heeft volgens het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Tuin'. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen bij aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Een kleine strook in het oosten van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Voor gronden bestemd als 'Waterstaat - Waterkering' gelden specifieke beperkingen omtrent bouwen.
6
Het 'Paraplubestemmingsplan Strijen' is opgesteld vanwege gewijzigde regelgeving en beleid. Met het Paraplubestemmingsplan zijn onderdelen van andere bestemmingsplannen in de voorgaande gemeente Strijen herzien. Het gaat hierbij onder andere over het vervallen van de stedenbouwkundige bepalingen van de Bouwverordening, veranderend beleid voor de horeca en verblijfsrecreatie en het doorvoeren van regels uit de provinciale verordening die op 19 januari 2018 in werking zijn getreden. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient er een bestemmingswijziging plaats te vinden. Het plangebied dient de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' te krijgen. De dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' zal worden gehandhaafd. Het realiseren van de beoogde ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan 'Dorp III 2012'. Om dit mogelijk te maken dient een nieuw juridischplanologisch kader te worden opgesteld. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationaal provinciaal en gemeentelijk beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 is aandacht voor de juridische planbeschrijving. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied betreft een perceel gelegen naast de woning aan de Oud Bonaventurasedijk 53a, in de kern Strijen. Strijen is een kern met ongeveer 8.800 inwoners en is onderdeel van de gemeente Hoeksche Waard. De Oud Bonaventurasedijk is een belangrijke weg waarmee het mogelijk is om Strijen via noordelijke richting te verlaten. Ten zuidwesten van het plangebied ligt het centrum van Strijen. Ten westen van het plangebied ligt het bedrijventerrein Bonaventura. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de Oude Bonaventurasedijk.
Impressie van de Oud Bonaventurasedijk (bron: Google streetview, maart 2019)
Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik als tuin en is volledig onbebouwd. Tussen het plangebied en de Oud Bonaventurasedijk ligt een sloot en een 2 meter hoge haag. De Oud Bonaventurasedijk is een smalle weg welke een snelheidsregime van 50 km/u kent. De dijk is ca. 2 meter hoger gelegen ten opzichte van het plangebied. Het plangebied is te bereiken via de oprit van het perceel aan de Oud Bonaventurasedijk 53a. Aan de noord- en zuidzijde van het plangebied staan meerdere bomen welke het plangebied een groen karakter geven, deze bevinden zich echter grotendeels buiten het plangebied. Aan de westzijde grenst het plangebied aan een grasveld.
8
Onderstaande afbeelding geeft een impressie van het plangebied richting het westen.
Impressie plangebied
2.2 Toekomstige situatie Met de beoogde ontwikkeling wenst initiatiefnemer een vrijstaande woning te realiseren aan de westzijde van de Oud Bonaventurasedijk. Het voornemen is om één vrijstaande woning te realiseren die in vorm en karakter passend is bij het lint en de rest van de bebouwing aan de Oud Bonaventurasedijk. Voor de beoogde ontwikkeling is een kavelpaspoort en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze is als bijlage bij dit bestemmingsplan toegevoegd (Buro SRO, d.d. 24 november 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Onderstaande afbeelding toont een tekening van de beoogde situatie van het plangebied.
Situatietekening toekomstige situatie (bron: Enigma architecten, 8 december 2022)
9
Nieuwbouw naast Oud Bonaventurasedijk 53a De nieuwe woning op het perceel naast Oud Bonaventurasedijk 53a zal in grootte en karakter aansluiten op de andere vrijstaande woningen ten noorden en zuiden van het plangebied. De beoogde woning zal worden uitgevoerd in een laag met een kap en met een oppervlakte van ca. 145 m². De woning wordt ca. 8,3 meter hoog. De woning wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande landschappelijke structuur, waarbij de bomenrij aan de zuidzijde van het onderhavige perceel in stand wordt gehouden. De sloot gelegen in het oosten van het plangebied wordt behouden. De beoogde woning vormt in de voorgestelde vorm een passende aanvulling op het bestaande patroon van lintbebouwing aan de Oud Bonaventurasedijk. Onderstaande afbeelding toont een doorsnede van de beoogde woning.
Doorsnede beoogde woning(bron: Enigma architecten, 8 december 2022)
Onderstaande afbeelding toont een impressie van de beoogde woning.
10
3D impressie beoogde woning (bron: Enigma architecten, 16 september 2022)
Het plangebied zal te bereiken zijn via een gedeelde ontsluitingsweg van de Oud Bonaventurasedijk 53a. Bij de ontsluiting van het plangebied wordt gebruik gemaakt van kavel N 4712. De ontsluitingsweg zal in het oosten van het plangebied doorgetrokken langs de woning aan de Oud Bonaventurasedijk 53a. Ten behoeve van het maaien van de sloot zal een strook van 3 meter vanaf de sloot vrij worden gehouden. De onderstaande afbeelding toont de beoogde ontsluiting van het plangebied.
Beoogde ontsluiting plangebied (bron: google maps)
11
3 Beleid en regelgeving 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld.
Planspecifiek Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die
12
3.
4.
ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Met de beoogde ontwikkeling wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. In beginsel is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Derhalve is de beoogde ontwikkeling niet ladderplichtig. De locatie ligt vanwege de huidige bestemming, tussen bebouwing in en kan daarmee gezien worden als bestaand stedelijk gebied. Gezien de ligging nabij de dorpskern van Strijen is een transformatie van het perceel tot woonbestemming een gewenste ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 7 augustus 2021. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:
•
het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;
• •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;
• • • • 2.
het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie. Ambities en sturing
De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk.
13
De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:
• • • • • •
naar een klimaatbestendige delta;
3.
Omgevingskwaliteit
naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:
•
een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;
•
een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;
•
een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
4.
Beleidskeuzes
De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.
Ruimtelijke hoofdstructuur
De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.
Ambities en sturing
De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.
Omgevingskwaliteit
Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven. Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' is het plangebied aangewezen als ‘rivierdeltacomplex’ en specifiek als 'jonge zeeklei'. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Gezien de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling van het plangebied zal deze geen grote invloed hebben op de kleigronden.
14
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied is onderdeel van het ‘zeekleipolderlandschap’. Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken. Richtpunten voor het gebied zijn voornamelijk:
•
Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen.
•
Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren. Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder.
•
•
Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap. Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.
•
Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.
De planlocatie bevindt zich aan de rand van de kern Strijen. Het plangebied heeft een redelijk gesloten karakter, met veel groen aan de randen van het plangebied en bebouwing tussen het perceel en de Oud Bonaventurasedijk waarmee het wordt omsloten. Met de beoogde ontwikkeling wordt aansluiting gevonden met de bestaande bebouwing van omliggende woningen. Het open karakter van het achterliggende veld zal zoveel mogelijk behouden blijven. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied ligt in gebied dat aangemerkt is als ‘stads- en dorpsranden’. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. De provincie kiest ervoor om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheidt de provincie drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Het plangebied ligt in de zone aan de noordoostelijke dorpsrand van Strijen en het open landschap. De realisering van de woning brengt geen wezenlijke wijziging in het bestaande lintpatroon van de Oud Bonaventurasedijk met zich mee.
Het draagt bij aan de voor dorpen in agrarisch gebied kenmerkende verweving tussen landschap en bebouwing. 4.
Beleidskeuzes
De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Met de introductie van deze profielen wil de provincie ruimtelijke kwaliteit als belangrijke voorwaarde stellen voor nieuwe gebiedsontwikkelingen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de Hoeksche Waard. De Hoeksche Waard is een uniek agrarisch polderlandschap en als representant van de bedijkingsgeschiedenis van Nederland ook op internationale schaal bijzonder. De ambities in het gebiedsprofiel richten zich op:
• • • •
de herkenbaarheid van de structuur van dijken en kreken; de openheid van de polders; de ontwikkeling van hoogwaardige dorpsranden; een zonering van het landschap;
15
• •
het versterken van de verbindingen tussen dorp en landschap; de verdere ontwikkeling van buitendijkse natuur.
Linten blijven linten Het plangebied ligt aan het boerenervenlint van de Oud Bonaventurasedijk. De boerenerven zijn een essentieel onderdeel van het landschap. De erven liggen zowel langs de dijken als midden in de polder en hebben een directe en functionele relatie met het landschap. De erven aan de Oud Bonaventurasedijk bevinden zich vrijwel allemaal aan de oostzijde van de Oud Bonaventurasedijk. Het plangebied bevindt zich aan de westzijde van de weg. Het realiseren van de woning is passend bij de rest van de lintbebouwing aan de Oud Bonaventurasedijk. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit blijft behouden en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. Bij de beoogde ontwikkeling wordt één woning gebouwd. De beoogde ontwikkeling levert een bijdrage aan het gewenste ontwikkelperspectief van de provincie Zuid-Holland. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 7 augustus 2021 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie.
De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 5 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.
b.
c.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
De planlocatie heeft in de huidige situatie een tuinbestemming en maakt onderdeel uit van een cluster van vrijstaande woningen en bedrijfsbebouwing aan de Oud Bonaventurasedijk. Het plan wordt ingepast binnen de begrenzing van het huidige plangebied. Gezien de ligging aan de Oud Bonaventurasedijk en de aansluiting van de woning met de rest van de bebouwing in de directe omgeving is er geen sprake van een wijziging op structuurniveau. Daarmee is sprake van het inpassen van de ruimtelijke ontwikkeling. In toelichting paragraaf 2.2 is de ontwikkeling weergegeven en beschreven. In aanvulling hierop zijn de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan zoveel mogelijk voldoet aan de richtpunten.
16
Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.
b.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X.
Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking, waaruit volgt dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijk ontwikkeling. Sub b is niet van toepassing, omdat de woningbouwlocatie per saldo kleiner dan 3 hectare. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.50 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: 1. 2. 3. 4.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte.
Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie is gelegen op een locatie waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn. Ten oosten van het plangebied is een watergang aanwezig. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied geen noemenswaardige kans op overstromingen is. Het thema overstromingen is gelet op de aard en omvang van het initiatief verder niet van belang. Desalniettemin wordt de woning gebouwd worden op een soort van terp, waarbij de woning ca. 70 cm hoger komt te liggen dan de omliggende grond. Daarmee wordt de kans op overstroming van de woning verkleind. Hitte In het stedelijk gebied speelt het thema hittestress een belangrijke rol. Het plangebied wordt groen ingericht. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft.
Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie is er in het oosten van het plangebied een watergang aanwezig. Door het plangebied verder groen in te richten wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water.
17
Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening. Conclusie Vanuit de omgevingsverordening worden er aanvullend op het voorgaande geen eisen gesteld aan het voorgenomen plan op de betreffende locatie. Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Hoeksche Waard In de Omgevingsvisie Hoeksche Waard (vastgesteld op 17 december 2019) beschrijft de gemeente haar gewenste koers. Dit doet de gemeente mede door het beschrijven van hun programmaplannen en met welke regels dit gaat gebeuren. Trends en ontwikkelingen zorgen ervoor dat de gemeente moet blijven werken om de Hoeksche Waard vitaal en leefbaar te houden. In de Omgevingsvisie is de Hoeksche Waard opgedeeld in 5 deelgebieden. Initiatieven moeten bijdragen aan de ‘Hoeksche Werken’ en de ‘Hoeksche Waarden’. Elk deelgebied kent haar eigen identiteit en waarden. In de omgevingsvisie worden vijf Hoeksche Werken specifiek beschreven: 1.
Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig;
Het tegengaan van klimaatverandering, aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, de energie- en warmtetransitie (aardgasloos) en een transitie naar een circulaire economie zijn randvoorwaarden voor het behoud van welzijn en welvaart van onze inwoners. Een duurzame Hoeksche Waard vereist een transitie op economisch, sociaal, ruimtelijk en ecologisch gebied. 2.
Vitaal economisch klimaat;
Als we niks doen vergrijst en ontgroent de Hoeksche Waard. Dit kan leiden tot het verdwijnen van voorzieningen en krapte op de arbeidsmarkt, waardoor vacatures steeds lastiger zijn in te vullen voor werkgevers. De sociale cohesie kan ook onder druk komen te staan: wie kan nog voor wie zorgen? De demografische ontwikkeling kan op termijn leiden tot een negatieve spiraal. Om jonge mensen en gezinnen te binden aan de Hoeksche Waard is het nodig om te investeren in aantrekkelijke woon-, werk- en verblijfsmilieus. 3.
Bereikbaar, nabij en toegankelijk;
De Hoeksche Waard is sterk verweven met de regio. Elke dag gaan zo’n 25.000 Hoeksche Waarders van het eiland af om elders te gaan werken. Ook voor grotere voorzieningen zoals een ziekenhuis en een theater zijn we afhankelijk van het stedelijk gebied om ons heen. In omgekeerde richting reizen elke dag zo’n 12.500 mensen de Hoeksche Waard in om er te gaan werken. Goede verbindingen van het eiland met de omgeving – met auto, openbaar vervoer en de fiets – zijn van levensbelang. 4.
Duurzame, innovatieve landbouw;
De Hoeksche Waard is van oudsher een top landbouwgebied, waar ondernemers inzetten op innovatie en kennisontwikkeling, agrobiodiversiteit en agrarisch natuurbeheer. De komende decennia komen enkele grote structurele veranderingsopgaven bij elkaar in het landelijk gebied. De productie van gezond en veilig voedsel, geproduceerd door een innovatieve en economisch krachtige agrarische sector is één van de grotere opgaven. Daarbij moet de voedselproductie nog meer in balans komen met gezondheid, klimaat, luchten waterkwaliteit, waterbeheer, biodiversiteit en kwaliteit van het landschap.
18
5.
Vitale dorpen en actieve samenleving
Veel inwoners van de Hoeksche Waard ‘hebben het goed’. Ze hebben een baan, inkomen, sociale contacten, voelen zich gewaardeerd, geaccepteerd, weerbaar en beschermd. Voor een groep mensen is dat niet het geval. Tegen hun zin en vaak buiten hun macht worden ze geconfronteerd met problemen. In de Hoeksche Waard gaat het dan vooral om: kwetsbare ouderen, het opvoed- en opgroeiklimaat voor onze jeugd en jongeren en armoede. Als de trend zich doorzet raakt als gevolg van de vergrijzing de verhouding tussen jongere en oudere huishoudens dusdanig uit balans dat het draagvlak voor basisvoorzieningen verder onder druk komt te staan. Steeds meer winkels en basisscholen zullen moeten sluiten. Positief is de voorzichtige trend van de instroom van jonge gezinnen die in de afgelopen jaren spontaan op gang is gekomen Planspecifiek De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de Hoeksche Werken 'Duurzaam, Energieneutraal en Klimaatbestendig' en 'Vitale Dorpen en Actieve Samenleving'. Beoogd plan is de ontwikkeling van een nieuwe, duurzame woning niet ver van het centrum van Strijen. Op de daken van de woningen worden zonnepanelen geïnstalleerd en de woning wordt conform BENG gebouwd. Het plangebied is gelegen in het deelgebied 'Dorpse Trots'. Dit deelgebied omvat alle dorpen in de Hoeksche Waard. De te ontwikkelen waarden binnen dit deelgebied zijn:
• • • • • • •
Versterken van de onderscheidende identiteit per dorp. Versterken van de gemeenschapszin in het dorp. Versterken van de vitaliteit en leefbaarheid per dorp. Versterken van de natuurlijke overgang van het dorp naar het landelijk gebied. Bedrijvigheid met toegevoegde waarde voor de Hoeksche Waard. Sociale cohesie onder bevolking faciliteren en versterken. Versterken van de inclusieve samenleving.
Voor dit deelgebied geldt dat de gemeente eerst de mogelijkheden voor inbreiding en herontwikkeling binnen het dorp wil benutten, voordat aan de rand van het dorp wordt gebouwd. De beoogde woning wordt gebouwd tussen de woningen gelegen aan de Oud Bonaventurasedijk. Er is hierbij sprake van de invulleng van een lege plek en dus sprake van inbreiding. De beoogde woning wordt daarnaast in vorm en stijl passend gebouwd bij het karakter van de omgeving van het plangebied waardoor ook sprake zal zijn van aansluiting bij de schaal en maat van Strijen. Het onderhavig plan is in lijn met de ambities van de gemeente. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan in lijn is met de omgevingsvisie van de Hoeksche Waard. Het is ambitie van de gemeente is dat nieuwe woningen energieneutraal en BENG worden gebouwd. Bij voorkeur leveren woningen energie op en worden ze klimaatbestendig gebouwd. De beoogde woning zal bijna energieneutraal (BENG) zijn. In toelichting paragraaf 4.12 wordt het aspect duurzaamheid nader toegelicht. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan in lijn is met de omgevingsvisie van de Hoeksche Waard en dat er sprake is van aansluiting met de 'Hoeksche Werken' en de 'Hoeksche Werken'. 3.3.2 Regionale Woonvisie 2030 In de Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030 staat de vitaliteit van de regio centraal.
De vijf voormalige gemeenten in de Hoeksche Waard hebben gezamenlijk een nieuwe woonvisie en bijbehorend woningbouwprogramma opgesteld. De visie kwam tot stand in samenwerking met diverse partijen. De komende jaren is er sprake van een toenemende vergrijzing van de bevolking. Op middellange termijn betekent dit dat het aantal huishoudens eerst nog toeneemt als gevolg van de gezinsverdunning die
19
gepaard gaat met de vergrijzing. Om te kunnen voorzien in deze volkshuisvestelijke opgave moeten tussen 2015 tot 2025 circa 3.000 woningen gebouwd worden, verdeeld over de vijf voormalige gemeenten en hun onderliggende kernen. Om de regio vitaal te blijven houden zijn er drie opgave die een belangrijke rol spelen: 1. 2. 3.
het realiseren van voldoende nieuwbouw om te kunnen voorzien in de toename van de reguliere woningbehoefte; het realiseren van nieuwbouw om extra instroom van gezinnen te kunnen faciliteren; een vergroting van het aantal voor (voor senioren) geschikte woningen.
Planspecifiek In de woonvisie wordt duidelijk dat er veel vraag is naar de nieuwbouw van woningen om de vitaliteit van de Hoeksche Waarde te kunnen verbeteren. Met de beoogde ontwikkeling wordt één woning gebouwd. De ontwikkeling van nieuwbouw in de Hoeksche Waard is zeer gewenst en ook in Strijen is behoefte aan woningen. De beoogde ontwikkeling speelt een rol in het realiseren van voldoende nieuwbouw binnen de gemeente. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Regionale Woonvisie 2030 van de gemeente Hoeksche Waard.
20
4 Uitvoerbaarheid In een ruimtelijke onderbouwing moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Van belang is te weten of een planvoornemen in overeenstemming is met wettelijke normen. Er wordt aandacht besteed aan de volgende thema's: 1. milieueffectrapportage; 2. waterhuishouding; 3. archeologie; 4. cultuurhistorie; 5. bodem 6. geluid; 7. luchtkwaliteit; 8. ecologie; 9. milieuzonering; 10. externe veiligheid; 11. verkeer en parkeren; 12. duurzaamheid.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
•
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
21
• •
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Het betreft een Prefab woning die 'kant en klaar' wordt aangeleverd. Op de planlocatie wordt de woning vervolgens in elkaar gezet. Hierdoor zal er weinig tot geen afval of sprake van geluidsoverlast zijn. Tevens wordt de nieuwe woning conform BENG gebouwd. Er zullen duurzame en niet uitlogende materialen worden gebruikt en afval wordt gescheiden afgevoerd. Gelet op de aard en de omvang van de beoogde ontwikkeling kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Waterhuishouding 4.2.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
22
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.2.2 Regionaal en lokaal beleid Waterschapsbeleid Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het waterschap Hollandse Delta (hierna: WSHD) heeft haar waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027 vastgesteld op 10 november 2021. In het waterbeheerprogramma worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zien tevens op het plangebied waarin de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is 4.2.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.
De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Voor het beoogde plan is een watertoets ingevuld bij het Waterschap Hollandse Delta. Watercompensatie Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied en 1.500 m² in niet-stedelijk gebied moet voor hemelwater een lozingsvergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Bij een plan wordt gebruik gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m² verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. In de huidige situatie is het plangebied volledige onverhard. Met de beoogde ontwikkeling wordt een vrijstaande woning gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 145 m². De rest van het plangebied wordt als tuin ingericht. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van een toename in verharding van meer dan 500 m². Gezien deze constatering is er voor de beoogde ontwikkeling geen watercompensatie vereist. Oppervlakte- en grondwater Aan de oostzijde van het plangebied is een sloot gelegen. Met de beoogde ontwikkeling zal de sloot behouden blijven.
Er wordt verder geen oppervlaktewater aangelegd. Voor een eventuele tijdelijke
23
onttrekking van grondwater bij de bouwfase, afhankelijk van het waterbezwaar, het onttrekkingsdebiet en de duur van de bronnering, dient een watervergunning of melding gedaan te worden bij het waterschap. Waterkering Een kleine strook in het oosten van het plangebied ligt in de beschermingszone van de waterkering (Oud Bonaventurasedijk). Het plan is voorgelegd aan het Waterschap Hollandse Delta en er zal uiteraard met de voorwaarden van het waterschap rekening worden gehouden. Met de beoogde ontwikkeling wordt niet gebouwd en vinden geen werkzaamheden plaats in deze zone. Mochten er werkzaamheden in de beschermingszone plaatsvinden zal een watervergunning aangevraagd worden. Hierbij moet voldaan worden aan de beleidsregel 'bouwwerken in en nabij waterkeringen', wat betekent dat de waterkering niet mag verslechteren door het uitvoeren van de werkzaamheden, dat de werkzaamheden geen belemmeringen mogen opleveren voor eventuele dijkversterkingen en dat de waterkering toegankelijk is voor beheer en onderhoud. Waterafvoer De afvoer van hemelwater wordt ontkoppeld van de afvoer van afvalwater. De afvoer van het afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Bij de bouw zal ter bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen zoals zink, lood, koper en zacht pvc. Het hemelwater infiltreert in de bodem.
Conclusie Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid met betrekking tot de waterhuishouding zijn.
4.3 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 10 november 2020 is de regionale archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard vastgesteld. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart geeft de archeologische verwachtingen in de gemeente weer.
Planspecifiek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de Hoeksche Waard wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische waarden. Voor gebieden met een middelhoge verwachting geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij plangebieden groter dan 500 m² en bodemingrepen dieper dan 30 cm. Met de beoogde ontwikkeling wordt een woning gerealiseerd met een oppervlakte van ca. 145 m². Derhalve is uitvoeren van archeologisch onderzoek niet benodigd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
24
4.4 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Een belangrijk onderdeel van het landschap van de Hoeksche Waard is het kenmerkende bedijkingslandschap. Bewoning begon voornamelijk aan de randen van de polders langs de dijken. De Oud Bonaventurasedijk is ook onderdeel van het bedijkingslandschap van de Hoeksche Waard. Het plangebied ,uitgaande van het gebiedsprofiel Hoeksche Waard van de provincie Zuid-Holland, is gelegen nabij een boerenervenlint. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het boerenervenlint van het gebiedsprofiel Hoeksche Waard.
Gebiedsprofiel Hoeksche Waard: Linten blijven Linten (plangebied rood omkaderd)
Doorzichten naar het landschap zijn door de verloopt van tijd al grotendeels verdwenen. Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de Oud Bonaventurasedijk en bevindt zich niet direct aan de weg. Ten noordwesten en ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich woningen. Ten westen van het plangebied bevindt zich een bedrijventerrein. Met de beoogde ontwikkeling wordt de relatie gezocht met de omliggende bebouwing. Het gebied direct ten westen van het plangebied zal zijn open karakter blijven behouden en zal een open groene zone blijven. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering zal ondervinden van het aspect cultuurhistorie.
25
4.5 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Om aan te tonen dat de kwaliteit van de bodem en grondwater is voor het beoogde gebruik een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 29 maart 2022, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er enkel sprake is van een licht verontreiniging van lood en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. De licht verhoogde concentratie barium wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. In het kader van Niet Gesprongen Explosieven zal, mits nodig, voorafgaand van de werkzaamheden een verkennend NGE-onderzoek uitgevoerd worden. Aan de hand van de uitkomsten wordt bepaald of er een verdiepend onderzoek nodig is of dat er op de locatie veilig gewerkt kan worden door de uitvoerder. Gezien het voorgaande dient geconcludeerd te worden dat het voorgenomen plan uitvoerbaar is vanuit aspect bodem.
4.6 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •