natuuronderzoek en AERIUS calculator
Tekst van het document
Het instandhoudingsdoel wordt mogelijk niet gehaald. Stikstofdepositie is daarvan echter niet de oorzaak. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie wordt de KDW niet overschreden (gebiedsanalyse Biesbosch, 2017). De zeer geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jr heeft hierdoor geen enkele invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. Het betreft verder 0,0009% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype (zie tekstbox 2). Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,09% van de huidige achtergronddepositie binnen de Biesbosch zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) zijn gesteld.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
20
Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied De onderstaande doelsoorten binnen de Biesbosch hebben een stikstofgevoelig leefgebied en komen voor binnen het leefgebied (Lg08 en Lg11) waar sprake is van een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,05 mol/ha/jr door de voorgenomen ontwikkeling. ▪ ▪
A081 Bruine kiekendief A156 Grutto
Op plekken in de Biesbosch waar beide leefgebieden voorkomen wordt van het areaal de KDW overschreden door de achtergronddepositie. Wanneer dit het geval is kan een significant negatief effect als gevolg van de extra depositie door het project niet op voorhand worden uitgesloten. Voor deze stikstofgevoelige leefgebieden (Lg08 en Lg11) is een nadere analyse nodig op basis van de instandhoudingsdoelen, de huidige kwaliteit en de mate waarin de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden. Uit de gebiedsanalyse voor de Biesbosch blijkt dat slechts 1% van de oppervlakte Lg08 en Lg11 overbelast is. Voor het grootste deel van het areaal van beide leefgebiedtypen ligt de achtergrondwaarde momenteel dus onder de KDW. In tabel 4.2 zijn voor de soorten die voorkomen in deze leefgebieden waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden de instandhoudingsdoelstellingen weergegeven. Tevens is de trend weergegeven. Vervolgens is voor het leefgebied beschreven wat de situatie t.a.v. stikstofoverbelasting is, en is elk van de soorten apart de gevoeligheid voor stikstofdepositie beschreven. Hierbij is per soort het effect beoordeeld van een toename van stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
Tabel 4.2 Van de soorten die voorkomen binnen de stikstofgevoelige leefgebieden (Lg08 en Lg11) waarvan de KDW wordt overschreden zijn de instandhoudingsdoelstellingen en trend weergegeven (bron: Gebiedsanalyse Biesbosch). Code
Habitattype
Instandhoudingsdoelstelling
Doelstelling aantal
Trend
A081
Bruine kiekendief
Behoud oppervlakte en kwaliteit
30 broedparen
negatief
A156
Grutto
Behoud oppervlakte en kwaliteit
60 populatie
stabiel
Toetsing Bruine kiekendief Het aantal broedparen van Bruine kiekendief is in de Biesbosch door verruiging van de rietgorzen afgenomen. Bij verruiging van rietvegetaties worden deze minder geschikt als broedgebied. De trend van de bruine kiekendief is vanaf 1990 negatief, en onder de doelstelling van 30 broedparen. Ook de landelijke trend van deze soort is negatief, zowel vanaf 1990 als over de laatste 10 jaar. (gebiedsanalyse Biesbosch, 2017). De leefgebieden van de soort zijn divers, en maar ten dele stikstofgevoelig als het gaat om leefgebied Lg08 en Lg11 (en andere graslandtypen). Het mogelijke effect bestaat daaruit dat de beschikbaarheid aan prooien door stikstofdepositie vermindert omdat de vegetatie verruigt (de prooien zijn minder goed te vinden). Het reguliere maaibeheer van deze graslanden is in de meeste gevallen echter voldoende om de verruiging tegen te gaan. Omdat de kiekendieven naast graslandgebieden ook in moeras- en akkergebieden foerageren is daarmee een eventueel effect van stikstofdepositie op de instandhouding van de soort waarschijnlijk beperkt (gebiedsanalyse Biesbosch, 2017). Gezien de waarschijnlijk zeer beperkte invloed van stikstofdepositie op de populatie van de bruine kiekendief zijn buiten het reguliere maaibeheer geen extra stikstofherstelmaatregelen voor de Biesbosch vastgesteld.
De permanente toename van maximaal 0,05 mol/ha/jr op de leefgebieden Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11; Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied, is zeer gering. Door deze zeer geringe depositietoename zal de situatie in dit Natura 2000-gebied voor de populatie van de Bruine kiekendief niet wijzigen of van negatieve invloed zijn op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Toetsing Grutto De Biesbosch vormt een rustplaats voor trekkende grutto’s. De aantallen grutto’s in de Biesbosch als niet-broedvogel hangen vooral samen met de omvang van de Nederlandse broedpopulatie. De dalende lijn op langere termijn hangt daar mee samen. Recent is er enige toename in de aantallen als gevolg van de uitvoering van natuurontwikkelingsprojecten. In de Biesbosch komen de grutto’s vooral voor in de nieuwe natuurontwikkelingsgebieden (leefgebied zoet getijdenwater) en niet in de graslanden die stikstofgevoelig zijn (Lg08 en Lg11) (gebiedsanalyse Biesbosch, 2017). De nieuwe natuurontwikkelingsgebieden hebben niet te lijden van verzuring door regelmatige overstroming met rivierwater. Er is daarom geen zorg dat de stikstofdepositie in de Biesbosch de trend negatief zal beïnvloeden (gebiedsanalyse Biesbosch, 2017). Ook voor de Grutto geldt dat door de 21
geringe permanente toename van maximaal 0,05 mol/ha/jr op het leefgebied Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland en Lg11; Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied, de situatie voor de populatie Grutto’s niet wijzigt of van negatieve invloed is op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen.
Krammer-Volkerak H1330B Schorren en zilte graslanden binnendijks Op 2 locaties vindt een overschrijding plaats van stikstofdepositie boven de KDW van het habitattype Schorren en zilte graslanden (H1330B). Deze locaties bevinden zich op de Hellegatsplaten (Zuid-Holland) en in de slikken van de Heen (Oost). De overschrijding vindt plaats op 1% van het totale oppervlakte. De KDW van H1330B wordt niet overschreden op het overige oppervlak. Herstelmaatregelen worden voor dit habitattype niet noodzakelijk geacht (gebiedsanalyse Krammer-Volkerak, 2017). De toename van 0,02 mol/ha/jr (tabel 4.1) bedraagt 0,0017% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype (zie tekstbox 2). Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,17% van de huidige achtergronddepositie binnen de Krammer-Volkerak zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H1330B Schorren en zilte graslanden binnendijks zijn gesteld.
H2160 Duindoornstruwelen Het habitattype komt verspreid en in ruime oppervlakte voor op de Hellegatsplaten, Plaat van de Vliet, en de eilandjes noordwestelijk van de Krammerse Slikken. En verder lokaal op de Slikken van de Heen. Voor het habitattype geldt een behoudsdoelstelling, die in de huidige situatie wordt bereikt. In de huidige situatie is 0% van het totale oppervlak (bijna) overbelast. Voortzetting van het huidige begrazingsbeheer voorziet om de instandhouding van dit habitattype ter plaatse te garanderen (gebiedsanalyse Krammer-Volkerak, 2017). De toename van 0,03 mol/ha/jr (tabel 4.1) bedraagt 0,0026% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,26% van de huidige achtergronddepositie binnen de Krammer-Volkerak zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H2160 Duindoornstruwelen zijn gesteld.
H2190B Vochtige duinvalleien, kalkrijk De Krammer-Volkerak herbergt een relatief grote oppervlakte van 133,7 ha van het kalkminnende habitattype Vochtige duinvalleien, kalkrijk (subtype B) in goed ontwikkelde vorm. In de huidige situatie is 2% van het totale oppervlak (bijna) overbelast. De oppervlakte en de kwaliteitsontwikkeling van dit habitattype is ondanks de overschrijding van de KDW uitzonderlijk gunstig en de kwaliteit van het habitattype neemt op alle locaties met een overschrijding nog steeds toe. Hierdoor is stikstofdepositie op dit moment geen knelpunt voor dit habitattype op Krammer-Volkerak. Voorwaarde daarbij is wel dat het beheer van begrazing en maaien onverminderd wordt voortgezet (gebiedsanalyse Krammer-Volkerak, 2017). De toename van 0,03 mol/ha/jr (tabel 4.1) bedraagt 0,0026% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,26% van de huidige achtergronddepositie binnen de Krammer-Volkerak zijn.
Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H2190B Vochtige duinvalleien, kalkrijk zijn gesteld. H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden, glanshaver In de gebiedsanalyse van het Krammer-Volkerak (2017) is vastgesteld dat stikstofdepositie geen knelpunt vormt voor dit habitattype, aangezien de KDW op 0% van het areaal in Krammer-Volkerak wordt overschreden. De feitelijke stikstofdepositie bevindt zich ruim (meer dan 70 mol/ha/jr) beneden de KDW’s van deze habitattypen. Stikstofdepositie is dan ook geen knelpunt voor dit habitattype in het Krammer-Volkerak. De toename van 0,01 mol/ha/jr bedraagt 0,0009% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
22
op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,09% van de huidige achtergronddepositie binnen de Krammer-Volkerak zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden, glanshaver zijn gesteld.
Brabantse Wal Lg13 Bos van arme zandgronden, L4030 Droge heiden, Lg09 Droog struisgrasland, Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden en Lg04 Zuur ven De onderstaande doelsoorten binnen de Brabantse Wal hebben een stikstofgevoelig leefgebied en komen voor binnen het leefgebied (Lg13, L4030, Lg09, Lg14 en Lg04) waar sprake is van een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,01 mol/ha/jr door de voorgenomen ontwikkeling. ▪ ▪ ▪ ▪
A004 Dodaars (Lg04) A224 Nachtzwaluw (Lg13, L4030, Lg09) A236 Zwarte specht (Lg13, Lg14) A246 Boomleeuwerik (L4030, Lg09)
Op plekken in de Brabantse Wal waar deze leefgebieden voorkomen wordt het areaal de KDW overschreden door de achtergronddepositie. Wanneer dit het geval is kan een significant negatief effect als gevolg van de extra depositie door het project niet op voorhand worden uitgesloten. Voor deze stikstofgevoelige leefgebieden (Lg13, L4030, Lg09, Lg14 en Lg04) is een nadere analyse nodig op basis van de instandhoudingsdoelen, de huidige kwaliteit en de mate waarin de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden. Uit de gebiedsanalyse voor de Brabantse Wal blijkt dat tussen de 80% en 100% van de oppervlakte Lg13, L4030, Lg09 en Lg14 overbelast is. Voor Lg04 is 36% van het aanwezige areaal overbelast. Voor het grootste deel van het areaal van deze leefgebiedtypen ligt de achtergrondwaarde momenteel dus boven de KDW. In tabel 4.3 zijn voor de soorten die voorkomen in deze leefgebieden waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden de instandhoudingsdoelstellingen weergegeven. Tevens is de trend weergegeven. Vervolgens is voor het leefgebied beschreven wat de situatie t.a.v. stikstofoverbelasting is, en is elk van de soorten apart de gevoeligheid voor stikstofdepositie beschreven. Hierbij is per soort het effect beoordeeld van een toename van stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
Tabel 4.3 Van de soorten die voorkomen binnen de stikstofgevoelige leefgebieden waarvan de KDW wordt overschreden zijn de instandhoudingsdoelstellingen en trend weergegeven (bron: Gebiedsanalyse Brabantse Wal). Code
Habitattype
Instandhoudingsdoelstelling
Doelstelling aantal
Trend
A004
Dodaars
20-40 broedparen
Licht negatief
A224
Nachtzwaluw
uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Behoud oppervlakte en kwaliteit
80 broedparen
Licht positief
A236
Zwarte specht
Behoud oppervlakte en kwaliteit
40 broedparen
Licht negatief
A246
Boomleeuwerik
Behoud oppervlakte en kwaliteit
100 broedparen
Stabiel
Nachtzwaluw (A224) Voor deze soort is de trend licht positief én ligt het aantal broedparen boven het instandhoudingsdoel. Dat betekent dat voor deze soort er geen potentiële bedreiging wordt gezien in de nabije en verdere toekomst (gebiedsanalyse Brabantse Wal, 2017). Deze soort is daarmee niet gevoelig voor een (zeer geringe) toename van stikstofdepositie en daarmee mogelijke verandering van het leefgebied. Door de zeer geringe depositietoename zal de situatie in dit Natura 2000-gebied voor de populatie van de Nachtzwaluw niet wijzigen of van negatieve invloed zijn op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Dodaars (A004) De trend in de Brabantse Wal is de laatste tien jaar licht negatief, maar er zijn voor de Brabantse Wal geen gebiedsdekkende tellingen van aantallen broedparen van dodaars bekend. Verdroging en op de tweede plaats vermesting (atmosferische depositie) zijn de grootste knelpunten ten aanzien van de dodaars. Voortdurende stikstofdepositie kan bij periodiek droogvallen de habitatkwaliteit aantasten en mogelijk bijdragen aan het niet 23
behalen van de instandhoudingsdoelstelling. Gezien de trend van de dodaars en de overschrijding van de KDW in het belangrijke leefgebied Lg04 Zuur ven, kan niet worden uitgesloten dat stikstofdepositie heeft bijgedragen aan verslechtering van het leefgebied. De zeer geringe toename van 0,01 mol/ha/jr zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de habitatkwaliteit van het leefgebied Lg04 Zuur ven. Door de zeer geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jr zal de situatie in dit Natura 2000-gebied voor de populatie van de Dodaars niet wijzigen of van negatieve invloed zijn op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Zwarte specht (A236) In de gebiedsanalyse is beschreven dat successie (dichtgroeien bos en heide) het knelpunt is voor nachtzwaluw. Open zandig terrein groeit sneller dicht met grassen en boomopslag als gevolg van stikstofdepositie. In de gebiedsanalyse wordt daarentegen ook genoemd dat op basis van de licht negatieve trend en actuele aantallen niet kan worden aangetoond dat stikstofdepositie in de periode 2000-heden heeft bijgedragen aan een significante verslechtering van het leefgebied van de soort. Een mogelijke verklaring voor de licht negatieve trend is dat via beheer de eventuele negatieve gevolgen van het dichtgroeien zijn gemitigeerd.
De huidige kwaliteit van het leefgebied wordt als gunstig beoordeeld. Een zeer geringe toename van 0,01 mol/ha/jr zal de situatie in dit Natura 2000-gebied voor de populatie van de Zwarte specht niet wijzigen of van negatieve invloed zijn op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen. Boomleeuwerik (A246) In de gebiedsanalyse is beschreven dat successie (dichtgroeien bos en heide) het knelpunt is voor boomleeuwerik. Open zandig terrein en heide groeit sneller dicht met grassen en boomopslag als gevolg van stikstofdepositie. Het openhouden van de vegetatie door beheer speelt een belangrijke rol voor het voortbestaan van de boomleeuwerik en draagt bij aan het tegengaan van de successie, die wordt versneld door stikstofdepositie. Herstelmaatregelen die reeds zijn uitgevoerd en het openhouden en uitbreiden van heide door begrazingsbeheer heeft voor een geleidelijke toename van de aantallen boomleeuwerik gezorgd. Hierdoor blijft de populatie de laatste jaren stabiel of neemt in aantal licht toe. Een zeer geringe toename van 0,01 mol/ha/jr zal de situatie in dit Natura 2000-gebied voor de populatie van de boomleeuwerik niet wijzigen of van negatieve invloed zijn op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen.
Lingegebied & Diefdijk-Zuid H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Het subtype beekbegeleidend bos (H91E0C) komt voor in de lager gelegen uitgedijkte terreinen langs de Diefdijk en vooral de Nieuwe Zuiderlingedijk. Verder komt het zeer lokaal buitendijks voor langs de Linge (Koornwaard, Asperense Waard) en lokaal ook binnendijks (nabij Put van Bullee, Bos Huigenstraat). Dit is, voor zover het gekarteerde voorkomens betreft, totaal 43,5 ha. Uit de gebiedsanalyse komt naar voren dat er geen aanwijzingen zijn dat het areaal, na 2004, in belangrijke mate is gewijzigd. Deze wordt beschouwd als stabiel. Tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat de kwaliteit op gebiedsniveau voor dit habitattype een negatieve trend kent. De belangrijkste knelpunten zijn de ontoereikende hydrologische omstandigheden (verdroging), te hoge voedselrijkdom van de bodem en water en bossuccessie. Matige overbelasting door stikstofdepositie is een beperkter knelpunt. De KDW (1857 mol/ha/jr) ligt momenteel ruim boven door de gemiddelde achtergronddepositiewaarde (ADW) (1763 mol/ha/jr) (tabel 4.1). Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie wordt de KDW niet overschreden. De zeer geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jr heeft hierdoor nauwelijks invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling.
De zeer geringe depositietoename betreft verder 0,0006% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype (zie tekstbox 2). Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,06% van de huidige achtergronddepositie binnen het Lingegebied & Diefdijk-Zuid zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) zijn gesteld. H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker, KDW op basis meest kritische relevante type (H7230). H9999 betreft locaties waar het habitattype onbekend is. Uit de gebiedsanalyse blijkt dat het in het Lingegebied vooral gaat om zoekgebieden voor vochtige alluviale bossen (H91E0). Daarbij gaat het vooral om de mogelijke aanwezigheid van zachthoutooibossen (H91E0A) en lokaal ook essen-Iepenbossen (H91E0B) en beekbegeleidend bos (H91E0C). De maatregelen die in de gebiedsanalyse voor deze habitattypen zijn opgenomen, hebben ook betrekking NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
24
op locaties waar het habitattype zou kunnen voorkomen, maar waar de aanwezigheid niet met zekerheid is vastgesteld. Dit betreft in dit Natura 2000-gebied locaties waar meerdere habitattypen niet kunnen worden uitgesloten (code H9999). In de praktijk zullen maatregelen alleen worden uitgevoerd waar uit nader onderzoek blijkt dat het betreffende habitat daadwerkelijk voorkomt. Op basis van de worst-case benadering wordt bij deze beoordeling desondanks uitgegaan van het kwalificerende habitattype van dit Natura 2000-gebied met de laagste KDW, namelijk H7230 Kalkmoerassen, met een KDW van 1143 mol/ha/jr (tabel 4.1). Uit de gebiedsanalyse komt naar voren dat voor dit habitattype de trend in areaal positief is, maar dat de trend in kwaliteit echter negatief is. Met name de ontoereikende hydrologische omstandigheden (verdroging) is het belangrijkste knelpunt voor dit habitattype, maar ook overschrijding van de KDW voor stikstofdepositie is een probleem. De toename van 0,01 mol/ha/jr bedraagt 0,0006% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype.
Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,06% van de huidige achtergronddepositie binnen het Lingegebied & Diefdijk-Zuid zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H9999 zijn gesteld, onafhankelijk van het habitattype dat binnen het zoekgebied voorkomt.
Ulvenhoutse Bos H9120 Beuken-eikenbossen met hulst Uit de gebiedsanalyse blijkt dat de huidige oppervlakte 29,1 ha is, waarvan het merendeel vegetatiekundig van goede kwaliteit is. Het habitattype is grondwateronafhankelijk. In het Ulvenhoutse Bos komt het van nature voor op de hogere delen tussen de laagten en is daarnaast ook ontstaan door aanplant op plaatsen die voorheen te nat waren voor dit bostype en door ontwatering droger geworden zijn. Als gevolg van verdroging en daardoor van verzuring is het areaal van het habitattype afgenomen. De kwaliteit van het habitattype is in de huidige situatie nog goed maar neemt wel af. Stikstofdepositie kan voor verzuring en eutrofiering zorgen en in 100% van het areaal is momenteel sprake van overbelasting. De toename van 0,01 mol/ha/jr bedraagt 0,0005% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,05% van de huidige achtergronddepositie binnen het Ulvenhoutse Bos zijn.
Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H9120 Beuken-eikenbossen met hulst zijn gesteld. H9160 A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) Uit de gebiedsanalyse blijkt dat de huidige oppervlakte 6,3 ha bedraagt, waarvan 5,7 ha vegetatiekundig van een goede kwaliteit is. Zowel oppervlakte als kwaliteit laat echter een negatieve trend zien. Hoger gelegen delen gaan over in habitattype beuken-eikenbossen met hulst (verarmde vorm). De oorzaken van de negatieve trend van zowel oppervlakte als kwaliteit zijn: verdroging door dalende grondwaterstanden, verzuring door verminderde aanvoer van buffer door het grondwater en versterkte afvoer van bufferende stoffen als gevolg van uitloging door regenwater en verzuring en eutrofiering door stikstofdepositie. In 100% van het areaal is momenteel sprake van overbelasting. De toename van 0,01 mol/ha/jr bedraagt 0,0005% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype.
Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,05% van de huidige achtergronddepositie binnen het Ulvenhoutse Bos zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H9160 A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) zijn gesteld. H91E0 C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Uit de gebiedsanalyse blijkt dat de huidige oppervlakte 4,7 ha is, waarvan 4,1 ha vegetatiekundig van goede kwaliteit. Het merendeel is vogelkers-essenbos, verder is er elzenbroekbos. Zowel oppervlakte als kwaliteit laat echter een negatieve trend zien. De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype zijn: verdroging, vernatting, verzuring en stikstofdepositie. Hoge stikstofdepositie leidt tot aanvoer van zuur en veroorzaakt uitloging van bodems en dus een
25
vermindering van de buffering. Het versterkt daardoor de effecten van verzuring. Momenteel is er in ca 89% van het areaal sprake van overbelasting. De toename van 0,01 mol/ha/jr bedraagt 0,0005% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,05% van de huidige achtergronddepositie binnen het Ulvenhoutse Bos zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H91E0 C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) zijn gesteld.
Langstraat H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden De landelijke staat van instandhouding van het habitattype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig”. De relatieve bijdrage van Nederland aan de Europese instandhouding is zeer groot, de relatieve bijdrage van de Langstraat aan de staat van instandhouding in Nederland is (met een areaal van ca 1 ha van dit habitattype) zeer gering. Door enkele zwaar bemeste landbouwpercelen in het gebied is de oppervlaktewaterkwaliteit in een deel van de sloten negatief beïnvloed waardoor dit habitattype in het verleden sterk achteruit is gegaan. Door een verbeterde waterkwaliteit, gaat het de laatste jaren beter met de kranswiergemeenschappen (Gebiedsanalyse Langstraat, 2017). In 100% van het (geringe) areaal is momenteel sprake van overbelasting van de KDW. Uit de gebiedsanalyse blijkt dat, ondanks de overbelasting van het aanwezige areaal, de hydrologische maatregelen die noodzakelijkerwijs getroffen worden voor overige habitattypen, de instandhouding ook voor dit habitattype mogelijk maken. Er wordt zelfs een uitbreiding van oppervlakte en vooral van kwaliteit verwacht. Er is daarom geen twijfel over het behalen van de IHD voor het habitattype H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden. De geringe toename van 0,01 mol/ha/jr heeft hier met zekerheid geen negatief effect op.
Deze toename bedraagt namelijk 0,0007% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,07% van de huidige achtergronddepositie binnen de Langstraat zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden zijn gesteld. H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) De landelijke staat van instandhouding van dit subtype is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “zeer ongunstig”. De relatieve bijdrage van Nederland aan de Europese instandhouding is zeer groot, de relatieve bijdrage van de Langstraat aan de staat van instandhouding in Nederland is (met een areaal van ca 2,9 ha van dit habitattype) gering. De belangrijkste knelpunten voor dit habitattype in de Langstraat zijn: het wegvallen van de eertijds substantiële kweldruk, de beïnvloeding van de waterkwaliteit door landbouw, depositie van stikstof en het beheer.
De atmosferische depositie van stikstof versterkt de effecten van eutrofiering van het oppervlaktewater, versterkt de effecten van verzuring door hydrologische isolatie en verhoogt de biomassagroei en versnelt daarmee de successie. In 100% van het (geringe) areaal is momenteel sprake van overbelasting van de KDW. De toename van 0,01 mol/ha/jr bedraagt 0,0007% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,07% van de huidige achtergronddepositie binnen de Langstraat zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) zijn gesteld.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
26
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen H9190 Oude eikenbossen Uit de gebiedsanalyse blijkt dat de oude eikenbossen vooral te lijden hebben onder de relatief hoge recreatiedruk, waardoor erosie ontstaat. Bovendien is er in de randzones en geïsoleerde oude eikenbossen in het stuifzandgebied, sprake van inwaaiing van zand en windwerking. Deze tasten het stabiele milieu aan van de oude eikenbossen. Ten aanzien van oude eikenbossen geldt dat deze de kans moeten krijgen zich rustig verder te ontwikkelen, waarbij recreatie en dynamiek de bodemvorming vertraagt of zelfs teniet doet. Hierdoor stagneert de kwaliteit van met name de kruidlaag. Door de hoge stikstofdepositie kunnen soorten als bramen, brede stekelvaren en grassen zich uitbreiden ten koste van meer karakteristieke plantensoorten zoals blauwe bosbes, hengel en kamperfoelie. Bovendien kan een verhoogde stikstofdepositie bijdragen aan toename van de verzuring van de toch al zure standplaats van de oude eikenbossen. In de gebiedsanalyse wordt geconcludeerd dat er negatieve effecten zijn van stikstofdepositie welke lokaal een negatieve trend veroorzaken. Over het algemeen is dit habitattype echter stabiel waardoor er netto een licht negatieve trend in kwaliteit is. De toename van 0,01 mol/ha/jr bedraagt 0,0007% van de huidige achtergronddepositie.
De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype. Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,07% van de huidige achtergronddepositie binnen de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H9190 Oude eikenbossen zijn gesteld.
4.2.3. Conclusie toename stikstofdepositie De stikstofdepositie vanuit de voorgenomen ontwikkeling aan de Land van Esseweg 9-10 vindt plaats binnen een aantal habitattypen (en leefgebieden). Deze verschillen in hun gevoeligheid voor stikstof, hun huidige kwaliteit en mate van overbelasting en knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een geringe depositietoename binnen de Natura 2000-gebieden Biesbosch, KrammerVolkerak, Lingedijk & Diefdijk-Zuid, Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Langstraat en Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen. Op basis van de verschilberekening met Aerius tussen de huidige en toekomstige situatie en aan de hand van deze toetsing kan voor de voorgenomen ontwikkeling de volgende conclusie getrokken worden. Effect op niet overbelaste habitattypen Voor het habitattype H6120 stroomdalgraslanden in de Biesbosch en het habitattype H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen) in het gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid is er geen sprake van een overbelaste situatie, waardoor significant negatieve effecten op deze habitattypen zijn uitgesloten. Het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen komt niet in gevaar door de geringe depositietoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
Effect op (bijna) overbelaste habitattypen Uit de stikstofberekening blijkt dat er sprake is van een geringe permanente toename van stikstofdepositie van maximaal 0,05 mol/ha/jr in de Biesbosch en 0,03 mol/ha/jr in het Krammer-Volkerak. Daarnaast is er sprake van een zeer geringe toename van stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jr op de Natura 2000-gebieden Lingedijk & Diefdijk-Zuid, Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Langstraat en Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen (zie tabel 3.1). De depositie vindt plaats binnen een aantal habitattypen en leefgebieden waar de kritische depositiewaarde (KDW) reeds of bijna wordt overschreden door de achtergrondwaarden (de zogenaamde overbelaste hexagonen). Een mogelijk significant negatief effect kan hierdoor in eerste instantie niet worden uitgesloten. Als alleen wordt gekeken naar de toename aan stikstofdepositie die vanuit de voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen dan blijkt uit de toetsing dat deze hoeveelheden marginaal zijn. Met een stikstofdepositietoename van maximaal 0,05 mol/ha/jr of minder blijkt dat deze toename zeer gering is ten opzichte van de huidige achtergronddepositie. De toename in stikstofdepositie (mol/ha/jaar) leidt in deze minimale hoeveelheden niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten.
De toename zorgt hierdoor niet voor een verschuiving in concurrentiepositie, omdat er voor stikstof minnende plantensoorten geen meetbaar voordeel ontstaat. De extra stikstofdepositie die door de voorgenomen ontwikkeling wordt veroorzaakt zorgt niet voor veranderingen in de verhouding waarmee soorten in de vegetatie voorkomen.
27
Daarnaast blijkt uit een rapport van RIVM (2019) dat kleine depositiewaarde (<0,05 mol/ha/jaar) een zeer grote ruimtelijke verspreiding hebben. Iedere bron stoot deze kleine hoeveelheden namelijk aan de buitenste rand van zijn depositie uit. Het RIVM heeft aangetoond dat bijdragen van kleiner dan 0,05 mol/ha/jaar weinig gevoelig zijn voor de exacte locatie van de bron waarvandaan de bijdrage afkomstig is (RIVM, 2019). Dit betekent dat een bijdrage van kleiner dan 0,05 mol N/ha/jaar nauwelijks effect heeft op de ruimtelijke verdeling van de depositie en niet betekenisvol tot een project zijn te herleiden. Dit effect wordt groter naarmate de afstand tot het project groter wordt. De specifieke habitattypen die op deze afstanden worden aangegeven door de AERIUS-Calculator zijn dus een inschatting en geven niet specifiek aan dat de uitstoot daadwerkelijk in deze habitattypen terecht komt. Binnen Nederland zijn de te hoge achtergronddeposities het voornaamste probleem voor stikstofgevoelige habitattype. Het wel of niet plaatsvinden van deze allerlaagste depositie bijdrages, zal daarom niet significant bijdragen aan het wel of niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen. De redenatie dat bij overbelaste habitattype elke toename, hoe laag deze ook is, een significant effect heeft is dan ook al eerder verworpen (ECLI:NL:RVS:2020:1125).
Voor zover in de beoordeelde Natura 2000-gebieden de kwaliteit van de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden, (mede) als gevolg van de veel te hoge aanvoer van stikstof, op dit moment slecht is, worden (of zijn reeds) maatregelen opgenomen in het beheerplan van deze gebieden om de kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden te verbeteren of herstellen. Dit kunnen zowel systeemgerichte maatregelen zijn (bijvoorbeeld herstel van de waterhuishouding) als maatregelen die de geaccumuleerde stikstof uit het gebied verwijderen (plaggen, maaien en afvoeren). Door de zeer geringe depositietoename zal de situatie in de Natura 2000-gebied niet wijzigen. De depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de (herstel-)maatregelen die (vanuit het beheerplan) genomen moeten worden. De permanente toename van 0,01 t/m 0,05 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Krammer-Volkerak, Lingedijk & Diefdijk-Zuid, Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Langstraat en Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen, is zeer gering.
In geval van habitattypes en leefgebieden met een overbelasting geldt dat geringe stikstofdepositietoenames op grond van voorgaande nooit de oorzaak zijn, die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald. Het heeft eveneens niet tot gevolg dat leefgebieden dusdanig worden aangetast dat het instandhoudingsdoel van vogelrichtlijnsoorten niet meer kan worden behaald. De geringe depositietoename als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aan de Land van Esseweg 9-10 is voor stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden dermate klein dat op zichzelf een negatief effect is uitgesloten, op grond van het gegeven dat de depositie dermate klein is dat deze ecologisch geen effect sorteert. De extra belasting is ook ten opzichte van een op zichzelf overbelaste situatie dermate klein dat deze depositie met zekerheid niet tot een significant negatief effect leidt op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de stikstofgevoelige habitattypen of de leefgebieden van kwalificerende vogelrichtlijnsoorten binnen de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Krammer-Volkerak, Lingedijk & Diefdijk-Zuid, Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Langstraat en Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
28
5 Conclusie en aanbevelingen Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies van het onderzoek beschreven.
5.1
Soortenbescherming
De verspreidingsgegevens en het eenmalig veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, algemene broedvogels, jaarrond beschermde nestplaatsen, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelde diersoorten. Voor beschermde vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, reptielen, vissen en ongewervelde diersoorten is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een soortgericht onderzoek om het voorkomen en/of hun verblijfplaatsen nader vast te stellen. Voor vleermuizen, jaarrond beschermde nesten, overige broedvogels, amfibieën en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren kan niet zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden en moeten aanvullende maatregelen worden genomen. De maatregelen zijn onderstaand weergegeven. Voor alle beschermde soorten is de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming van toepassing. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren • Voldoen aan zorgplicht vrijgestelde soorten, zie verder onder paragraaf 4.1.1. Broedvogels Jaarrond beschermde nesten • Huismus: Aanvullend onderzoek noodzakelijk om gebruik van het woonhuis als nestlocatie door de huismus uit te sluiten of vast te stellen • Nestlocatie buizerd/boomvalk/ransuil/sperwer: Sloopwerkzaamheden rondom de Corsicaanse dennen buiten de broedperiode (februari-eind augustus) uitvoeren.
• Nestlocatie buizerd/boomvalk/ransuil/sperwer: Aanvullend onderzoek noodzakelijk (indien Corsicaanse dennen gekapt worden) om gebruik van het nest vast te stellen of uit te sluiten. Overige broedvogels • Sloopwerkzaamheden buiten broedperiode (maart-september) uitvoeren of opstarten. Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt: Broedvogelcheck maximaal 3 dagen voorafgaand aan werkzaamheden. Indien nesten aanwezig zijn dienen werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het de nestjongen het nest hebben verlaten. Vleermuizen • Aanvullend onderzoek noodzakelijk ten behoeve van zomer en paarverblijfplaatsen. Aanvullend onderzoek wordt in de periode 15 maart tot en met 1 oktober uitgevoerd. Amfibieën Rugstreeppad • Plaatsen van amfibieënschermen rondom het werkgebied van Land van Esseweg 10. Plaatsing van de amfibieënschermen dient onder ecologische begeleiding van een ecoloog van idverde Advies uitgevoerd te worden en uitgevoerd te worden voordat de actieve periode van de rugstreeppad begint (begin/medio april). • Start grondwerkzaamheden voor het bouwrijp maken van Land van Esseweg 10 buiten de kwetsbare periode (medio april-eind augustus) van de rugstreeppad. Daarnaast voorkomen dat er in de kwetsbare periode van rugstreeppad, na een regenbui, plassen blijven staan op de bouwlocatie, depotlocatie en transportroute.
Algemeen voorkomende grondgebonden amfibieën • Voldoen aan zorgplicht vrijgestelde soorten, zie verder onder sub paragraaf 4.1.1.
29
5.2
Gebiedsbescherming
Op basis van de analyse van de mogelijke gevolgen van stikstofdepositie, wordt geconcludeerd dat de zeer geringe extra stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling aan de Land van Esseweg 9-10 geen risico vormt voor de aantasting van natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige habitattypen en de leefgebieden en de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen. Als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aan de Land van Esseweg 9-10 is er sprake van een geringe toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen, leefgebieden en de vogelrichtlijnsoorten die gebruik maken van de leefgebieden in de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Krammer-Volkerak, Lingedijk & DiefdijkZuid, Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Langstraat en Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen. De depositietoename van de beoogde situatie ten opzichte van de huidige situatie is maximaal 0,05 mol/ha/jr. Ondanks deze geringe toename van stikstofdepositie kan met zekerheid (significant) negatieve effecten ten gevolge van de kleine deposities worden uitgesloten voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied en de voor dit gebied gestelde instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen, leefgebieden of de soorten die hiervan afhankelijk zijn.
Momenteel bestaat er geen vastgesteld beleid ten aanzien van stikstofdeposities als gevolg van ruimtelijke ingrepen waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Omdat er uit deze ecologische voortoets blijkt dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten kan, volgend de beslisboom van de Rijksoverheid (bijlage 2) en huidige uitgangspunten in het toetsingskader van de provincies, geconcludeerd worden dat vergunning voor dit project niet nodig is (stap 3 van de beslisboom).
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
30
Literatuurlijst ▪
▪
▪ ▪
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
▪
Berg, L. van den, R. Loeb en R. Bobbink, 2014: Mitigatie N-depositie Zeetoegang IJmond: inschatting stikstofafvoer door PAS-herstelmaatregelen. Dienst Landelijk Gebied, RWS West-Nederland Noord (Rapportnummer: 2014.08). Bobbink R & Hettelingh JP, (eds.) 2011. Review and revision of empirical critical loads and dose-response relationships, Coordination Centre for Effects, National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), www.rivm.nl/cce. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center. P. 236-264. Caporn, S., Field, C., Payne, R., Dise, N., Britton, A., Emmett, B., Jones, L., Phoenix, G., S Power, S., Sheppard, L. & Stevens, C. 2016. Assessing the effects of small increments of atmospheric nitrogen deposition (above the critical load) on semi- natural habitats of conservation importance. Natural England. Dietz, C., Helversen von, O., Nill, D., Vleermuizen, alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, Utrecht 2011. ECLI:NL:RVS:2020:1125, Uitspraak, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 22‑04‑2020; (Eerste aanleg -meervoudig). Mouissie M. 2019. Stikstofdepositie en woningbouwontwikkeling; verkennend onderzoek naar de bijdrage van woningbouwontwikkeling aan de stikstofdepositie. Rapport SWNL0250596, Sweco, De Bilt. NDFF.
(2020). https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul. RIVM, 2019. Gevoeligheid van de gesommeerde depositiebijdrage onder 0,05 mol/ha/jaar voor fluctuaties in de ruimtelijke verdeling van de veroorzakende emissiebronnen. Memo 1 februari 2019. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven. Van Dobben H.F., R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2397 2397. 68 blz.; 1 fig.; 3 tab.; 21 ref. Van Dun Advies, 2020. Toelichting Buitendijk-Land van Esseweg. Gemeente Hoeksche Waard. Projectnummer 17191-008. Status: ontwerp.
Gebiedsanalyses (i.k.v. Programma Aanpak Stikstof (PAS)): ▪ 070_Lingegebied-en-Diefdijk-Zuid_gebiedsanalyse_d.d: 15-12-17 ▪ 112_Biesbosch_gebiedsanalyse_d.d: 15-12-17 ▪ 114_Krammer-Volkerak_gebiedsanalyse_d.d: 15-12-17 ▪ 128_Brabantse-Wal_gebiedsanalyse_d.d: 15-12-17 ▪ 129_Ulvenhoutse-Bos_gebiedsanalyse_d.d: 15-12-17 ▪ 130_Langstraat_gebiedsanalyse_d.d: 15-12-17 ▪ 131_Loonse-en-Drunense-Duinen-en-Leemkuilen_gebiedsanalyse_d.d: 15-12-17.
31
Bijlagen Bijlage 1: Foto impressie plangebied
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
32
33
Bijlage 2: Beslisboom voor toestemmingverlening bij nieuwe activiteiten.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
34
Bijlage 3: Memo Aerius Stikstofberekening
35
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Huidig en Beoogd Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 1/19
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Van Dun Advies
Land van Esseweg 9, 3291LJ Strijensas
Omschrijving
AERIUS kenmerk
17191-008
RSL2M3Pis2uo
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
17 november 2020, 16:48
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
Situatie 2
Verschil
NOx
43,34 kg/j
85,08 kg/j
41,74 kg/j
NH3
225,18 kg/j
472,77 kg/j
247,59 kg/j
Resultaten
Natuurgebied
Verschil
Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)
Biesbosch
+ 0,05
Toelichting
Verschilberekening - 17 november 2020 + vervoersbewegingen H+B
Resultaten
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 2/19
Resultaten
Locatie Huidig
Emissie Huidig
Bron Sector
Emissie NH3
Emissie NOx
225,00 kg/j
-
Vervoersbewegingen binnen inrichting Mobiele werktuigen | Landbouw
< 1 kg/j
39,42 kg/j
Vervoersbewegingen-W Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
1,55 kg/j
Vervoersbewegingen-O Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
2,37 kg/j
paardenstal Landbouw | Stalemissies
Resultaten
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 3/19
Resultaten
Locatie Beoogd
Emissie Beoogd
Resultaten
Bron Sector
Huidig Beoogd
Emissie NH3
Emissie NOx
paardenopfokstal Landbouw | Stalemissies
197,40 kg/j
-
Loods Landbouw | Stalemissies
50,00 kg/j
-
Vervoersbewegingen-W Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
1,81 kg/j
Vervoersbewegingen-O Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
2,99 kg/j
Vervoersbewegingen binnen inrichting - 1 Mobiele werktuigen | Landbouw
< 1 kg/j
40,86 kg/j
Vervoersbewegingen binnen inrichting - 2 Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
39,42 kg/j
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 4/19
Resultaten
Bron Sector
Paardenstal Landbouw | Stalemissies
Resultaten
Huidig Beoogd
Emissie NH3
Emissie NOx
225,00 kg/j
-
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 5/19
Resultaten
Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden
Natuurgebied
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
Biesbosch
0,05
0,11
+ 0,05
Krammer-Volkerak
0,03
0,06
+ 0,03
Brabantse Wal
0,01
0,01
+ 0,01
Lingegebied & Diefdijk-Zuid
0,01
0,01
+ 0,01
Ulvenhoutse Bos
0,01
0,01
+ 0,01
Langstraat
0,01
0,01
+ 0,01
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen
0,00
0,01
+ 0,01
Oosterschelde
0,00
0,01
0,00
Grevelingen
0,00
0,01
0,00
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem
0,00
0,01
0,00
Uiterwaarden Lek
0,00
0,01
0,00
Zouweboezem
0,00
0,01
0,00
Voornes Duin
0,00
0,01
0,00
Duinen Goeree & Kwade Hoek
0,00
0,01
0,00
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
0,00
0,01
0,00
Solleveld & Kapittelduinen
0,00
0,01
0,00
Westduinpark & Wapendal
0,00
0,01
0,00
Meijendel & Berkheide
0,00
0,01
0,00
Oostelijke Vechtplassen
0,00
0,01
0,00
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek
0,00
0,01
0,00
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
(mol/ha/j)
Resultaten
Huidig Beoogd
-
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 6/19
Resultaten
Natuurgebied
Regte Heide & Riels Laag
*
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
0,00
0,01
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
0,00
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 7/19
Resultaten
Resultaten per habitattype
Biesbosch Habitattype
(mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met het hoogste resultaat
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
0,05
0,11
+ 0,05
Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
0,02
0,04
+ 0,02
H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
0,01
0,02
+ 0,01
H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)
0,01
0,02
+ 0,01
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
0,01
0,02
+ 0,01
H6120 Stroomdalgraslanden
0,01
0,01
+ 0,01
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
-
Krammer-Volkerak Habitattype
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
H2160 Duindoornstruwelen
0,03
0,06
+ 0,03
H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
0,03
0,05
+ 0,03
H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks)
0,02
0,05
+ 0,02
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
0,01
0,01
+ 0,01
H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
0,00
0,01
0,00
H2170 Kruipwilgstruwelen
0,00
0,01
0,00
Huidig Beoogd
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 8/19
Resultaten
Brabantse Wal Habitattype
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
Lg13 Bos van arme zandgronden
0,01
0,01
+ 0,01
L4030 Droge heiden
0,01
0,01
+ 0,01
Lg09 Droog struisgrasland
0,01
0,01
+ 0,01
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,01
0,01
+ 0,01
Lg04 Zuur ven
0,01
0,01
+ 0,01
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
0,00
0,01
0,00
H3160 Zure vennen
0,00
0,01
0,00
H4030 Droge heiden
0,00
0,01
0,00
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
0,00
0,01
0,00
H3130 Zwakgebufferde vennen
0,00
0,01
0,00
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,00
0,01
0,00
H2330 Zandverstuivingen
0,00
0,01
0,00
Huidig Beoogd
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 9/19
Resultaten
Lingegebied & Diefdijk-Zuid Habitattype
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H7230).
0,01
0,01
+ 0,01
H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)
0,01
0,01
+ 0,01
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
0,00
0,01
+ 0,01
H7230 Kalkmoerassen
0,00
0,01
0,00
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
0,00
Ulvenhoutse Bos Habitattype
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
0,01
0,01
+ 0,01
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,01
0,01
+ 0,01
H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)
0,01
0,01
+ 0,01
Huidig Beoogd
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 10/19
Resultaten
Langstraat Habitattype
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden
0,01
0,01
+ 0,01
H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
0,01
0,01
+ 0,01
H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)
0,00
0,01
0,00
H6410 Blauwgraslanden
0,00
0,01
0,00
H3140lv Kranswierwateren, in laagveengebieden
0,00
0,01
0,00
H7230 Kalkmoerassen
0,00
0,01
0,00
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Habitattype
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
H9190 Oude eikenbossen
0,00
0,01
+ 0,01
H2330 Zandverstuivingen
0,00
0,01
0,00
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
0,00
0,01
0,00
H3130 Zwakgebufferde vennen
0,00
0,01
0,00
H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)
0,00
0,01
0,00
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
0,00
0,01
0,00
Lg02 Geïsoleerde meander en petgat
0,00
0,01
0,00
Huidig Beoogd
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 11/19
Resultaten
Oosterschelde Habitattype
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks)
0,00
0,01
0,00
H1320 Slijkgrasvelden
0,00
0,01
0,00
H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks)
0,00
0,01
0,00
H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
0,00
0,01
0,00
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
-
Grevelingen Habitattype
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
0,00
0,01
0,00
H2160 Duindoornstruwelen
0,00
0,01
0,00
H2170 Kruipwilgstruwelen
0,00
0,01
0,00
H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks)
0,00
0,01
0,00
H2130A Grijze duinen (kalkrijk)
0,00
0,01
0,00
Huidig Beoogd
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 12/19
Resultaten
Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem Habitattype
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
Lg02 Geïsoleerde meander en petgat
0,00
0,01
0,00
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
0,00
0,01
0,00
H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, 0,00 buiten afgesloten zeearmen
0,01
0,00
-
ZGH3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen
0,00
0,01
0,00
-
H6120 Stroomdalgraslanden
0,00
0,01
0,00
*
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
-
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 13/19
Resultaten
Emissie (per bron)
paardenstal 96335, 413890 8,0 m 0,000 MW 225,00 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Huidig
Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3
Dier
RAV code
Omschrijving
K 1.100
overige huisvestingssystemen (Paarden; volwassen paarden (3 jaar en ouder)) (Overig)
Emissiefactor (kg/dier/j)
Emissie
45 NH3
5,000
225,00 kg/j
Vervoersbewegingen binnen inrichting 96449, 415064 39,42 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
AFW
Tractoren
3,5
3,5
0,0 NOx NH3
39,42 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Aantal Stof dieren
Vervoersbewegingen-W 96270, 415062 1,55 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.040,0 / jaar NOx NH3
1,55 kg/j < 1 kg/j
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 14/19
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Vervoersbewegingen-O 96688, 415182 2,37 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.040,0 / jaar NOx NH3
2,37 kg/j < 1 kg/j
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 15/19
Resultaten
Emissie (per bron)
paardenopfokstal 96483, 415054 8,2 m 0,000 MW 197,40 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Beoogd
Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3
Dier
RAV code
Omschrijving
K 2.100
overige huisvestingssystemen (Paarden; paarden in opfok (jonger dan 3 jaar)) (Overig)
Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3
RAV code
Omschrijving
K 1.100
overige huisvestingssystemen (Paarden; volwassen paarden (3 jaar en ouder)) (Overig)
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Emissiefactor (kg/dier/j)
Emissie
94 NH3
2,100
197,40 kg/j
Aantal Stof dieren
Emissiefactor (kg/dier/j)
Emissie
10 NH3
5,000
50,00 kg/j
Loods 96455, 415052 2,0 m 0,000 MW 50,00 kg/j
Naam
Dier
Aantal Stof dieren
Vervoersbewegingen-W 96283, 415065 1,81 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
2.610,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.082,0 / jaar NOx NH3
1,54 kg/j < 1 kg/j
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 16/19
Resultaten
Vervoersbewegingen-O 96700, 415186 2,99 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
2.609,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.082,0 / jaar NOx NH3
2,55 kg/j < 1 kg/j
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
STAGE IV, 300 <= Laden/lossen kW < 560, bouwjaar Vrachtwagen 2014 (Diesel)
Resultaten
Vervoersbewegingen binnen inrichting - 1 96487, 415048 40,86 kg/j < 1 kg/j
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
450
0
0,0 NOx NH3
1,44 kg/j < 1 kg/j
Voertuig
Omschrijving
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
AFW
Tractoren
3,5
3,5
0,0 NOx NH3
39,42 kg/j < 1 kg/j
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 17/19
Resultaten
Naam
Locatie (X,Y) NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
AFW
Loaders
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
4,0
4,0
0,0 NOx NH3
39,42 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud NH3
Dier
Resultaten
Huidig Beoogd
Vervoersbewegingen binnen inrichting - 2 96487, 415048 39,42 kg/j < 1 kg/j
RAV code
Omschrijving
K 1.100
overige huisvestingssystemen (Paarden; volwassen paarden (3 jaar en ouder)) (Overig)
Paardenstal 96335, 413890 8,0 m 0,000 MW 225,00 kg/j
Aantal Stof dieren
Emissiefactor (kg/dier/j)
Emissie
45 NH3
5,000
225,00 kg/j
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 18/19
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20201103_bed432f8ee Database versie 2020_20201013_1649cba239 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Huidig Beoogd
RSL2M3Pis2uo (17 november 2020) pagina 19/19
Bijlage 4: Invoergegevens Aerius Stikstofberekening
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
36
Invoergegevens AERIUS-berekening (aangepast op 17-11-2020 n.a.v. AERIUS Calculator 2020) Deze notitie behoort bij het bestemmingsplan Buitendijk-Land van Esseweg. In deze notitie wordt een toelichting gegeven op de gebruikte gegevens voor het berekenen van de stikstofdepositie met het rekenprogramma AERIUS Calculator 2020.