natuuronderzoek en AERIUS calculator
Tekst van het document
Natuurtoets Land van Esseweg
COLOFON Natuurtoets Land van Esseweg OPDRACHTNEMER
idverde Advies Willemsplein 2-4 5211 AK ‘s-Hertogenbosch T 073 205 11 00 E advies@idverde.nl
OPGESTELD DOOR VRIJGEGEVEN DOOR
Matthias Koster (Adviseur Ecologie) Arjan Schoenmakers (Teamleider Ecologie)
Opdrachtgever
Van Dun Advies Postel 8 5711 ET Someren
Projectnummer
722200282
Status VERSIE DATUM
DEFINITIEF Versie 4.0 04 JANUARI 2021
Copyright 2021 idverde. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van idverde. idverde is niet aansprakelijk voor eventuele schade ontstaan bij gebruik van gegevens uit dit rapport. In deze rapportage is gebruik gemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op deze gegevens rusten auteursrechten. Het schriftelijk of digitaal delen of publiceren van (een deel van) de gegevens uit de NDFF is niet toegestaan zonder toestemming van BIJ12, uitgezonderd aan bevoegd gezag in het kader van een vrijstellings- of ontheffingsprocedure of voor intern gebruik van de opdrachtgever voor de duur van het betreffende project. Idverde Advies is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Idverde Advies. De opdrachtgever vrijwaart Idverde Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
Idverde Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving. Door de inzet van conform de wet ter zake kundige ecologen, waarborgen wij daarnaast onze onderzoekskwaliteit. Omdat ecologisch (veld)onderzoek een momentopname is, kan aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Idverde Advies is niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
2
INHOUDSOPGAVE COLOFON
2
1
INLEIDING
4
1.1 Aanleiding 1.2 Onderzoeksgebied, huidige situatie en voorgenomen activiteit 1.2.1 Ligging van het onderzoeksgebied 1.2.2 Huidige situatie 1.2.3 Beschrijving voorgenomen ingreep en werkperiode 1.3 Wettelijk kader
4 4 4 5 5 6
2 WERKWIJZE
3
4
5
7 7 8 8
ONDERZOEKSRESULTATEN
9
3.1 Beschermde soorten Wet natuurbescherming 3.2. Beschermde gebieden Wet natuurbescherming
9 12
TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING
14
4.1 Beschermde soorten 4.2 Beschermde gebieden
14 16
CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN
29
5.1 Soortenbescherming 5.2 Gebiedsbescherming
29 30
LITERATUURLIJST
31
BIJLAGEN
32
Bijlage 1: Foto impressie plangebied Bijlage 2: Beslisboom voor toestemmingverlening bij nieuwe activiteiten. Bijlage 3: Memo Aerius Stikstofberekening Bijlage 4: Invoergegevens Aerius Stikstofberekening
3
7
2.1 Bronnenonderzoek 2.2 Veldbezoek 2.3 Berekening stikstofdepositie 2.4 Effectenbeoordeling
32 34 35 36
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Van Dun advies is voornemens een bestemmingsplanwijziging te doen voor van Land van Esseweg 9 en 10 te Strijen. Het perceel is momenteel deels bestemd als zijnde “Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden”, en deels als “overige zone ecologische hoofdstructuur” (noordelijke deel van het perceel). Ruimtelijke ingrepen als sloop-, bouw- en graafwerkzaamheden kunnen (negatieve) effecten hebben op beschermde flora en fauna. Een doel van dit natuuronderzoek is het signaleren en rapporteren van het (mogelijk) voorkomen van beschermde plant- en diersoorten en natuurgebieden in en rondom de Land van Esseweg 9-10 te Strijen. Van Dun Advies heeft idverde Advies gevraagd om de voorgenomen werkzaamheden te toetsen aan de vigerende natuurwetgeving. Uitgangspunt bij deze natuurtoets vormt de Wet natuurbescherming. Deze wet beoogt onder andere de bescherming van planten, dieren en natuurgebieden bij uitvoering van beheer en ruimtelijke ingrepen. Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de eerdergenoemde sloop- bouw- en graafwerkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Hiervoor wordt getoetst op de onderdelen soortbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000) van de Wet Natuurbescherming. Op basis van de bevindingen van het onderzoek is beoordeeld welke vervolgstappen nodig zijn om te voldoen aan de wetgeving.
1.2
Onderzoeksgebied, huidige situatie en voorgenomen activiteit
1.2.1
Ligging van het onderzoeksgebied
Het onderzoeksgebied, Land van Esseweg 9-10, bevindt zich in de Hoeksche Waard en ligt ten zuiden van het dorp Strijen. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Oudeland van Strijen, Hollandse Diep, Haringvliet en Krammer-Volkerak.
1
2 1
Afbeelding 1.1. Projectgebied met de locaties aan het Land van Esseweg 9-10 (nummer 1) en Buitendijk 60 (nummer 2) (Bron: Google Earth)
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
4
1.2.2
Huidige situatie
De huidige situatie bestaat uit een woonhuis aan de Land van Esseweg 10. Het erf bestaat uit een woonhuis dat minimaal al 4 jaar onbewoond is. Het woonhuis bevat overhangende dakpannen. De ruimtes die aanwezig waren door het overhangende karakter zijn door middel van cement lang geleden dichtgemaakt. De muren bevatten geen open stootvoegen, maar bevatten wel een spouwmuur. De enige ventilatiegaten bevinden zich op 10 cm boven het maaiveld. Aan de voorzijde en één van de kopse kanten van de woning bevindt zich opgaande struwelen en enkele open rommelhoekjes. Op het erf bevindt zich eveneens een vrijstaand schuurtje. Het dak van dit schuurtje is grotendeels weggewaaid, waardoor de nodige lekkage inpandig heeft plaatsgevonden. Eveneens bevinden zich hier 2 solitair staande Corsicaans dennen. Aan de overzijde van Land van Esseweg 10 bevindt zich Land van Esseweg 9 (zie afbeelding 1.1). Hier bevindt zich een opslagloods. Het omliggende gebied kenmerkt zich door graslanden. Deze locaties bevinden zich respectievelijk binnen een straal van ca. 1 kilometer van de Buitendijk 60 (zie afbeelding 1.1).
1.2.3
Beschrijving voorgenomen ingreep en werkperiode
Van Dun Advies is voornemens de bestemming van het gehele perceel te wijzigen. Het totale plan omvat de verkoop van een paardenhouderij aan locatie Buitendijk 60 en het opnieuw oprichten van de paardenhouderij aan de Land van Esseweg 9. Doel is om de paardenhouderij te verplaatsen van de Buitendijk 60 naar de Land van Esseweg 9. Op termijn wordt de locatie Buitendijk 60 herbestemd. Echter op dit moment is de nieuwe functie nog niet bekend en vindt er dus (nog) geen herbestemming plaats van de Buitendijk 60. In deze Natuurtoets is daarom uitgegaan van de worst-case situatie. Dit houdt in dat als uitgangspunt voor deze Natuurtoets is aangehouden dat er zowel paarden gehouden kunnen worden op Buitendijk 60 en op de Land van Esseweg 9. De huidige woning aan de Land van Esseweg 10 wordt gesloopt en hiervoor wordt, tezamen met de nieuwe paardenhouderij , een nieuwe bedrijfswoning voor teruggebouwd. Deze bebouwing wordt aan de Land van Esseweg 9, naar de bestaande loods gebouwd.
Afbeelding 1.2. Beoogde situatie Land van Esseweg 9.
5
1.3
Wettelijk kader
De bescherming van soorten en hun leefgebieden is geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en op nationaal niveau verankerd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb genoemd). Enerzijds richt de Wnb zich op de bescherming van daartoe aangewezen gebieden. Deze gebieden bestaan uit Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden. Natura 2000-gebieden is de overkoepelende naam voor de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Activiteiten die schade toebrengen aan de beschermde natuurwaarden in deze gebieden zijn verboden. Anderzijds richt de wet zich op de bescherming en het behoud van in het wild levende planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt van de wet is het “Nee, tenzij…” principe. Dit betekent dat geen schade mag worden toegebracht, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan (in de vorm van een vrijstelling of verleende ontheffing). In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt in een drietal beschermingsregimes. Onderstaand zijn deze kort toegelicht. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (§ 3.1 in de Wnb): Dit zijn Europees beschermde vogelsoorten. In de wet staat beschreven dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als beschreven in de Vogelrichtlijn te doden, verstoren of vangen.
Daarnaast mogen nesten/rustplaatsen niet opzettelijk worden vernield en is het verboden eieren te rapen. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (§ 3.2 in de Wnb): Dit zijn Europees beschermde soorten. Hierin staat beschreven dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren als beschreven in de Habitatrichtlijn (Bijlage IV), Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn te doden, verstoren of vangen in hun natuurlijke leefgebied. Beschermingsregime andere soorten (§ 3.3 in de Wnb): Deze soorten zijn nationaal beschermd. In de wet staat beschreven dat het verboden is om flora en fauna beschreven in bijlage onderdeel A en B van Wet natuurbescherming opzettelijk te doden of vangen. Naast het beschermen van de soorten worden ook de voortplantings- en rustplaatsen beschermd, het is verboden om deze opzettelijk te beschadigen of vernielen. Ook de betreffende planten mogen niet worden geplukt/vernield. Beleid Door grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen zijn in Nederland veel natuurgebieden en verbindingen tussen deze gebieden verloren gegaan. Om deze reden is het Natuurwetwerk Nederland (NNN) in werking gesteld om enerzijds bestaande verbindingen te beschermen en anderzijds om nieuwe verbindingen te creëren. Op deze manier wordt een goed functionerend netwerk tussen natuurgebieden gerealiseerd.
In deze gebieden zijn geen nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Bevoegd gezag In de Wnb geldt dat de provincies overwegend het bevoegd gezag vormen ten aanzien van de Wet natuurbescherming. In dit geval is de provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. In de Verordening Ruimte Provincie ZuidHolland zijn aanvullende voorwaarden opgenomen, waarin onder andere de vrijstelling van soorten voor bepaalde activiteiten is geregeld. De provincie is ook bevoegd gezag ten aanzien van het NatuurNetwerk Nederland, dat voor de provincie nader is gespecificeerd in het NatuurNetwerk Zuid-Holland.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
6
2 Werkwijze In dit hoofdstuk is de methodiek beschreven van het verkennend onderzoek dat bestaat uit een bronnenonderzoek en een veldonderzoek. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, wordt bepaald welke beschermde natuurwaarden (mogelijk) aanwezig zijn. Aan de hand van deze gegevens kan worden beoordeeld of het plan (negatieve) effecten heeft (effectenanalyse) op beschermde soorten. Hieronder is per onderdeel de werkwijze toegelicht.
2.1
Bronnenonderzoek
2.1.1
Voorkomen beschermde soorten Wet natuurbescherming (Wnb)
Voor het bronnen- en literatuuronderzoek zijn gegevens opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In de NDFF is rondom de te herstellen havendam een polygoon ingetekend van ca. 1 km. Binnen dit polygoon zijn alle verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd van de afgelopen vijf jaar. Door het polygoon ruimer in te tekenen dan het plangebied is de verkregen dataset voldoende groot om te kunnen benutten voor dit onderzoek. De uit de NDFF aangeleverde dataset bestaat in totaal uit 4436 soortgegevens. Op basis van de beschikbare gegevens is een inschatting gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten binnen de genoemde polygoon. Aanvullend zijn de Atlas van de Nederlandse zoogdieren en de Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland geraadpleegd.
2.1.2
Beschermde gebieden
In de omgeving van Land van Esseweg 9-10 bevinden zich onder andere de Natura 2000-gebieden Biesbosch en Krammer-Volkerak. Uit de eerder uitgevoerde Aerius stikstofberekening (Van Dun Advies, 2020) blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden mogelijk een negatief effect op deze gebieden heeft. Om de verspreiding van habitattypen inzichtelijk te krijgen is gebruik gemaakt van de beheerplannen behorend bij deze Natura 2000gebieden. Daarnaast zijn bestaande gegevens over de aanwezigheid van kwalificerende vogel- en habitatsoorten onderzocht.
2.1.3
Beleid
Nationaal NatuurNetwerk (NNN) Het gebied rondom de Land van Esseweg 9-10 is niet aangewezen als NNN. Toetsing aan de planologische gebiedsbescherming is dan ook niet aan de orde.
2.2
Veldbezoek
Het veldbezoek bestaat uit een biotooptoets met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied. De bevindingen van het bronnenonderzoek zijn hierbij in het veld getoetst en waar nodig aangevuld. In het bijzonder is gelet op het voorkomen van rustplaatsen, foerageergebied, nesten en zeldzame en beschermde flora. Op 5 oktober 2020 is een veldbezoek uitgevoerd door een ecoloog van BTL Advies, ter plaatse van de Land van Esseweg 9-10 te Hoeksche Waard. Het veldbezoek is specifiek voor deze woning uitgevoerd, aangezien deze gesloopt gaat worden. Daarnaast zijn de locaties waar gebouwd gaat worden (woning, paardenhouderij en loods) onderzocht. De weersomstandigheden waren op dat moment bewolkt, sporadisch lichte neerslag, 11 ⁰C en 2 Bft. Op het moment dat een veldbezoek wordt uitgevoerd, zijn niet alle te verwachten soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Zo houden vleermuizen en kleine zoogdieren als egel een winterslaap op een beschutte plaats en gebruiken vogels verschillende gebieden als foerageer en rustgebied. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen met betrekking tot vaste rusten verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten aan hun leefomgeving stellen, vergeleken met en getoetst aan de situatie in het veld.
Voor planten is gelet op de vegetatiestructuur en de abiotische omstandigheden van de groeiplaats. Op deze manier is ook het belang en potentie van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets. 7
2.3
Berekening stikstofdepositie
De voorgenomen ruimtelijke ingreep vindt plaats in de nabijheid van Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige natuurwaarden. Om de emissie van stikstof en de daaruit voortkomende stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de huidige situatie te vergelijken met de beoogde situatie is een verschilberekening uitgevoerd door Van Dun Advies. Hiervoor is gebruik gemaakt van het rekenmodel Aerius (versie 2020). De resultaten van de berekening zijn weergegeven in bijlage 3.
2.4
Effectenbeoordeling
Op basis van de uitkomsten van het bronnen- en veldonderzoek wordt beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben. Hierbij is de uitvoeringsperiode meegewogen, en wordt waar mogelijk onderscheid gemaakt in korte en lange termijn effecten. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt te zijn, dan kan pas na afloop van dit nader onderzoek de effectanalyse worden afgerond. Indien sprake is van een conflictsituatie tussen de aanwezigheid van strikt beschermde soorten en de geplande ruimtelijke ingreep, is in onderhavige rapportage aangegeven welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen. Indien (significant) negatieve effecten door het nemen van voorzorgsmaatregelen niet te voorkomen zijn, is aangegeven dat mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn en/of een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
8
3 Onderzoeksresultaten De basis voor de toetsing wordt gevormd door gegevens over het (mogelijk) voorkomen van zeldzame en beschermde planten- en diersoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden aan de Land van Esseweg 9-10 te Strijen. Onderstaand zijn per soortgroep en Natura 2000-gebied de resultaten van het bronnen- en veldonderzoek beschreven. In bijlage 1 is een foto impressie van het plangebied opgenomen.
3.1
Beschermde soorten Wet natuurbescherming
3.1.1
Vaatplanten
In en rondom de Land van Esseweg 10 zijn in de NDFF geen meldingen bekend van beschermde vaatplanten. Eveneens zijn geen meldingen bekend van invasieve exoten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Vanwege de tijd van het jaar dat de biotooptoets is uitgevoerd, het najaar, is dit ook te verwachten. Beschermde vaatplanten worden echter niet verwacht in en rondom de plangebieden vanwege het ontbreken van het specifieke geschikte biotoop waar deze soorten groeien. Voorkomen beschermde vaatplanten: • Beschermde vaatplanten zijn uitgesloten binnen het plangebied.
3.1.2
Zoogdieren
Grondgebonden zoogdiersoorten In de NDFF zijn meerdere meldingen van bever bekend. Deze meldingen bevinden zich ruim buiten het plangebied (900 meter). Daarnaast zijn in de NDFF meerdere meldingen uit de directe omgeving van het plangebied bekend van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren als hermelijn, wezel, konijn, haas en mol. Uit de geraadpleegde algemene verspreidingsgegevens blijken eveneens dat soorten als noordse woelmuis, vos en egel voorkomen in de omgeving van de Land van Esseweg 10. Tijdens het veldbezoek zijn sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Het gaat hierbij om poepsporen van de huisspitsmuis. Het voorkomen van de bever binnen het plangebied wordt uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikte diepere watergangen. Geschikt biotoop voor de noordse woelmuis ontbreekt vanwege de droge omstandigheden. Door de droge omstandigheden wordt deze soort weggeconcurreerd door de rosse woelmuis en aardmuis. Hierdoor wordt het voorkomen van de Noordse woelmuis uitgesloten. Door de aanwezigheid van ruigtestroken langs de watergangen, opslag en rommelhoekjes kan het voorkomen van kleine marterachtigen niet worden uitgesloten. Op de aanwezige zolder van de woning zijn geen prooi- en poepresten van de steenmarter aangetroffen. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van deze soort in het plangebied worden uitgesloten.
Voorkomen grondgebonden zoogdieren: • Voorkomen van de bever is vanwege ontbreken geschikt biotoop binnen het plangebied en de directe invloedssfeer ervan uitgesloten. • verblijfplaatsen steenmarter is uitgesloten vanwege ontbreken poep- en prooiresten op de zolder van de woning. • Voorkomen Noordse woelmuis is uitgesloten vanwege aanwezigheid droog biotoop. • Land van Esseweg 10 is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren (egel, haas, konijn, bunzing, wezel, hermelijn, vos en verschillende muissoorten (niet noordse woelmuis)).
9
Vleermuizen Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Op basis van literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van Land van Esseweg vleermuizen voorkomen. Meldingen van vleermuizen binnen 1 km van het plangebied zijn niet bekend in de NDFF. Daarentegen blijkt uit de Atlas van de Nederlandse zoogdieren dat vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis en laatvlieger in de omgeving van Land van Esseweg 9-10 voorkomen. Uit het veldbezoek blijkt dat bij het woonhuis aan de Land van Esseweg 10 diverse dakpannen schuin dan wel los liggen. Deze openingen kunnen fungeren als zomer- en paarverblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. Doordat de eerdergenoemde openingen niet aan de zijkanten van de woningen zitten, bevinden deze zich te ver van de aanwezige spouwmuur en zijn deze niet geschikt als opening naar kraam- en winterverblijfplaatsen. Vanwege het feit dat geen ruimtes naar de zolder vanaf het dak aanwezig zijn, zijn winterverblijfplaatsen van gebouw bewonende soorten als grootoorvleermuizen uitgesloten. Dit wordt versterkt door het ontbreken van open stootvoegen aan de kopse kant van de woning die vrij is van begroeiing. Hier zijn aan-en uitvliegroutes voor vleermuizen niet aanwezig.
Op de grond van het schuurtje zijn geen prooiresten als vlindervleugels aangetroffen. Dit soort sporen indiceren verblijfplaatsen van grootoorvleermuizen. Doordat het plafond van de schuur zeer vochtig is, is de schuur ongeschikt als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen als grootoorvleermuizen. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in de schuur worden uitgesloten. De aanwezige bomen bevatten geen loszittende bast en/of holtes. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen in het plangebied en de invloedsfeer ervan uitgesloten. Voorkomen vleermuizen: • Zomer- en paarverblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen kunnen bij de woning niet worden uitgesloten. • Winter- en kraamverblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen kunnen worden uitgesloten vanwege ontbreken geschikte openingen (open stootvoegen en ruimtes onder overhangende dakpannen). • Verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen kunnen bij het vrijstaande schuurtje worden uitgesloten vanwege te vochtige omstandigheden. • Verblijfplaatsen boom bewonende vleermuizen kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van loszittende bast en holtes in de aanwezige bomen. • Plangebied en omgeving kan gebruikt worden als vliegroute.
3.1.3. Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen In de NDFF zijn in de directe omgeving van Land Van Esseweg 9-10 meldingen bekend van het voorkomen van (nesten van) vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1-4 Wet natuurbescherming). Het gaat hierbij om meldingen van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, ransuil, steenuil, sperwer en huismus. Alle meldingen zijn buiten het plangebied afkomstig. Direct grenzend aan het plangebied zijn meldingen bekend van de bosuil, boerenzwaluw, boomkruiper en zwarte kraai (categorie 5, Wet natuurbescherming). Tijdens het veldbezoek is een nest, vermoedelijk van een buizerd, aangetroffen in één van de aanwezige Corsicaanse dennen. Soortgelijke nesten worden met enige regelmaat gekaapt door soorten als sperwer, boomvalk, ransuil en havik. Door de aanwezigheid van het nest kan het voorkomen van de buizerd, ransuil, boomvalk en sperwer als broedvogel niet worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek is een slechtvalk rondom het plangebied waargenomen. Vanwege het ontbreken van hoge bebouwing in het plangebied wordt de slechtvalk als broedvogel uitgesloten. Wel kan het plangebied onderdeel zijn van het leefgebied van deze soort. Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangebied huismussen aangetroffen.
Door de aanwezigheid van een woonhuis met (losliggende) dakpannen kan niet worden uitgesloten dat het plangebied in gebruik is als nestlocatie door de huismus. Door het grotendeels ontbreken van het dak bij het vrijstaande schuurtje zijn verblijfplaatsen van de huismus bij dit schuurtje uitgesloten. Eveneens kan het plangebied in gebruik zijn als foerageergebied door deze soort. De gierzwaluw is tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Dit was ook te verwachten aangezien de soort tijdens het veldbezoek op 5 oktober al weggetrokken is naar hun overwinteringsgebieden in Afrika. Vanwege het feit dat het plangebied voor driekwart direct omzoomd is door hoge groenstructuren zijn deze zijden van het woonhuis niet geschikt als verblijfplaats voor de gierzwaluw. Zo grenst direct aan de westelijke kopse kant opgaand groen (zie bijlage 1). De lange zijde die gelegen is op de noordzijde bevat weliswaar openingen tussen de dakpannen, maar bevat geen NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
10
vrije in en uitvliegmogelijkheden (gierzwaluwen laten zich vallen voordat ze wegvliegen) vanwege de overhangende Corsicaanse dennen (zie bijlage 1). De lange zijde aan de zuidzijde heeft een soortgelijk karakter ook hier staat de vegetatie op enkele meters van de bebouwing. Ook hier ontbreekt dus een vrije in en uitvliegroute. De kopse kant aan de oostzijde van het pand bevat weliswaar overhangende dakpannen, maar de ruimtes van de overhangende dakpannen zijn dichtgemaakt met cement en hierdoor niet geschikt als opening naar een verblijfplaats voor de gierzwaluw. Hierdoor wordt de gierzwaluw als broedvogel binnen het woonhuis uitgesloten. Door het grotendeels ontbreken van het dak bij het vrijstaande schuurtje zijn verblijfplaatsen van de gierzwaluw bij dit schuurtje uitgesloten. Wel kan het plangebied onderdeel zijn van het foerageergebied van deze soort. Door de openheid van het vrijstaande schuurtje is deze bebouwing niet geschikt als broedlocatie voor de steenuil. Door het ontbreken van grote openingen in dak van het woonhuis is deze locatie niet geschikt als broedlocatie voor de steenuil. Hierdoor wordt de steenuil als broedvogel binnen het plangebied uitgesloten. Wel kan het plangebied onderdeel zijn van het foerageergebied van deze soort.
Daarnaast kan het plangebied en de directe omgeving ervan fungeren als foerageergebied voor soorten als de zwarte kraai, boerenzwaluw en boomkruiper. Voorkomen vogels met jaarrond beschermde nesten: • Voorkomen van de huismus als broedvogel bij het woonhuis kan niet worden uitgesloten. • Voorkomen van de buizerd, boomvalk, sperwer en ransuil als broedvogel binnen het plangebied kan niet worden uitgesloten. • Voorkomen van de gierzwaluw en steenuil als broedvogel binnen het plangebied is uitgesloten. • Plangebied kan onderdeel zijn van het leefgebied van soorten als huismus, gierzwaluw, buizerd, boomvalk, sperwer, ransuil en steenuil. • Plangebied is geschikt als leefgebied voor soorten als de boerenzwaluw, boomkruiper en zwarte kraai.
3.1.4. Algemene broedvogels In de gegevens uit de NDFF zijn vele meldingen van algemene vogelsoorten bekend uit de omgeving van het plangebied. Het gaat hierbij om soorten als braamsluiper, roodborst, meerkoet, bergeend, merel en houtduif. Tijdens het veldbezoek is de houtduif, merel, vink en graspieper in en rondom het plangebied waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen gebruikte nesten van algemene broedvogels in het plangebied aangetroffen. Voorkomen algemene broedvogels: • De aanwezige groenstructuren rondom en in het plangebied zijn geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels.
3.1.5. Vissen Uit de NDFF zijn geen waarnemingen afkomstig van streng beschermde vissen in de nabijheid van het plangebied. Uit de algemene verspreidingsgegevens blijkt de grote modderkruiper in de omgeving van het plangebied voor te komen. De sloten direct grenzend aan het plangebied zijn suboptimaal voor de grote modderkruiper. Sloten in het plangebied zijn niet aanwezig. Hierdoor wordt binnen het plangebied het voorkomen van de grote modderkruiper uitgesloten. Binnen de invloedsfeer van het plangebied zijn deze dus wel aanwezig, waardoor het voorkomen van de grote modderkruiper binnen de directe invloedsfeer van het plangebied niet kan worden uitgesloten. Voorkomen beschermde vissen: • Het voorkomen van beschermde vissen (grote modderkruiper) binnen de directe invloedsfeer van het plangebied kan niet worden uitgesloten.
•
3.1.6. Amfibieën en reptielen Er zijn meldingen van amfibieën binnen een straal van ca. 1 km rondom de Land van Esseweg 9-10 bekend in de NDFF. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende amfibieën als bruine kikker, groene kikker en gewone pad. Uit de algemene verspreidingsgegevens blijkt dat de streng beschermde rugstreeppad zijn leefgebied in de omgeving van het plangebied heeft. In de NDFF zijn geen meldingen bekend van reptielen. Tijdens het veldbezoek is gelet op het voorkomen van voor amfibieën geschikte biotopen. Geschikte biotopen voor amfibieën zijn in het plangebied aangetroffen. Het gaat hierbij om de opengetrapte delen in de graslanden bij Land van Esseweg 10. Deze opengetrapte delen worden tijdens natte perioden gevuld met water en vormen op deze 11
manier pionierssituaties die geschikt zijn als voortplantingswater voor de rugstreeppad. Hierdoor kan het voorkomen van de rugstreeppad in en rondom het plangebied niet worden uitgesloten. Door de aanwezigheid van een ondiepe met waterkroos gevulde watergang direct grenzend aan het plangebied kan het voorkomen van algemeen voorkomende amfibieën als kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en groene kikker niet worden uitgesloten in en rondom het plangebied. De aanwezige groenstructuren vormen het landbiotoop voor deze soorten. Reptielsoorten worden op basis van het veldbezoek niet in het plangebied of het gebied binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden verwacht, vanwege het ontbreken van geschikt biotoop. Hierdoor wordt de aanwezigheid van reptielen in het plangebied uitgesloten. Voorkomen amfibieën: • Het voorkomen van de rugstreeppad kan vanwege geschikte pionierssituaties niet worden uitgesloten in en rondom het plangebied. • Het voorkomen van algemene amfibiesoorten (kleine watersalamander, bruine kikker en gewone pad) kan vanwege aanwezig geschikt biotoop (watergangen) direct grenzend en in het plangebied (landbiotoop) niet worden uitgesloten in het plangebied. Voorkomen reptielen: • Het voorkomen van reptielen is uitgesloten binnen het plangebied.
3.1.7. Ongewervelden Meerdere meldingen van deze soortgroep binnen een straal van ca. 1 km rondom het plangebied zijn bekend uit de NDFF. Het gaat hierbij om verschillende meldingen van een exemplaar van de grote vos (dagvlinder). De meldingen van dit exemplaar bevinden zich ruim buiten het plangebied (1000 meter). In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen waarnemingen gedaan van beschermde ongewervelde diersoorten. Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied (bossen met zoete kers) wordt het voorkomen van de grote vos niet verwacht. Het aangetroffen exemplaar in de omgeving van het plangebied betreft dan ook een zwerver. Voorkomen beschermde ongewervelde diersoorten: • Het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten is uitgesloten binnen het plangebied.
3.2. Beschermde gebieden Wet natuurbescherming De voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden aan het Land van Esseweg 9-10 vinden plaats op circa 1 km van het Natura 2000-gebied Hollands Diep en op circa 1,2 km van het Natura 2000-gebied Oudeland van Strijen. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden en de voorgenomen wijziging in gebruik van deze planlocatie kunnen op deze afstand effecten op natuurwaarden in Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, verstoring (licht, geluid, optisch, trilling), verontreiniging, verdroging en versnippering worden uitgesloten. Alleen het effect van de toename van stikstofemissies (NOx en NH3) op omliggende Natura 2000-gebieden kan niet op voorhand worden uitgesloten. De effecten van een mogelijke toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden worden nader besproken.
3.2.1. Stikstofdepositie Om effecten van stikstofdepositie in beeld te brengen is met Aerius (versie 2020, d.d. 17 november 2020) een verschilberekening uitgevoerd om de stikstofdepositie in de huidige situatie te vergelijken met de beoogde situatie. De resultaten van de berekening zijn weergegeven in bijlage 3. De invoergegevens die gebruikt zijn voor de stikstofberekening zijn weergegeven in bijlage 4. Uit de uitgevoerde stikstofberekening blijkt dat er bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden, o.a. de Biesbosch en het Krammer-Volkerak. Hierdoor is ook een ecologische beoordeling van het effect van de stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van de Natura 2000-gebieden nodig, waar als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een depositietoename. Uit de Aerius berekening blijkt dat er in 7 Natura 2000-gebieden sprake is van een (geringe) toename van stikstofdepositie. Voor al deze gebieden zijn in tabel 3.1 de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten weergegeven waar sprake is van een toename van stikstofdepositie (bijlage 3). Tevens zijn hierbij de instandhoudingsdoelstellingen en de hoogst berekende stikstofbijdrage weergegeven.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
12
Tabel 3.1 Stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden met een stikstofdepositietoename als gevolg van het plan, inclusief de hoogste bijdrage van stikstofdepositie (bijlage 3). Legenda: =: Behoudsdoelstelling, >: Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling, -: geen doelstelling. Hoogste Doelstelling Doelstelling bijdrage Habitattype per Natura 2000-gebied oppervlakte kwaliteit stikstofdepositie plan (mol/ha/jr)
Biesbosch H6120 stroomdalgraslanden
>
=
0,01
H6510A glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
=
>
0,01
>
=
0,01
>
>
0,01
-
-
0,05
-
-
0,02
H1330B Schorren en zilte graslanden binnendijks
=
=
0,02
H2160 Duindoornstruwelen
=
=
0,03
H2190B Vochtige duinvalleien, kalkrijk
>
=
0,03
H6510A glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
=
=
0,01
Lg13 Bos van arme zandgronden
-
-
0,01
L4030 Droge heiden
-
-
0,01
Lg09 Droog struisgrasland
-
-
0,01
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
-
-
0,01
Lg04 Zuur ven
-
-
0,01
=
=
0,01
=
>
0,01
>
>
0,01
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
=
=
0,01
H9160 A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden)
>
>
0,01
H91E0 C *Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
>
>
0,01
=
=
0,01
>
>
0,01
=
=
0,01
H6510B glanshaver- en vossenstaarthooilanden (vossenstaart) H91E0B Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
Krammer-Volkerak
Brabantse Wal
Lingegebied & Diefdijk-Zuid H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen) H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H7230).
Ulvenhoutse Bos
Langstraat H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen H9190 Oude eikenbossen
13
4 Toetsing aan de wet natuurbescherming In dit hoofdstuk is een analyse gemaakt van de te verwachten effecten op de beschermde natuurwaarden die aanwezig zijn of verwacht mogen worden. Op basis van de gegevens uit het bronnen- en veldonderzoek is het optreden van negatieve effecten op deze natuurwaarden in beeld gebracht binnen de wettelijke kaders voor soortbescherming en gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming.
4.1
Beschermde soorten
4.1.1
Grond- en watergebonden zoogdiersoorten
In en rondom Land van Esseweg 9-10 zijn geen verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van streng beschermde grondgebonden zoogdiersoorten aanwezig. Daarentegen kan het voorkomen van nationaal beschermde diersoorten als het konijn, wezel, hermelijn, bunzing, haas en muizensoorten binnen het plangebied door de aanwezige rommelhoekjes en groenstructuren niet worden uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden zorgen voor een permanente verstoring in het plangebied en het omliggende gebied. Echter betreft het een klein oppervlak waar de werkzaamheden uitgevoerd worden en aanwezige beplanting aan de randen van de percelen wordt opnieuw aangeplant, waardoor voldoende leefgebied van deze soorten behouden blijft. Voor de te verwachten algemene grondgebonden zoogdiersoorten geldt in Provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling, d.w.z. dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, geen ontheffing behoeft aangevraagd te worden. De algemene zorgplicht geldt wel te allen tijde en houdt in dat zorgvuldig en met zo min mogelijk schade de ingreep en werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er hoeven geen aanvullende mitigerende maatregelen, anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht, genomen te worden om optredende effecten te verzachten.
4.1.2. Vleermuizen Het te slopen woonhuis kan vanwege de losliggende dakpannen fungeren als zomer- en paarverblijfplaats voor gebouwbewonende soorten als laatvlieger, gewone en ruige dwergvleermuis. Met de sloop van de woning kan niet worden uitgesloten dat een zomer-/paarverblijfplaats van deze soorten verstoord en vernietigd wordt. Hiermee kan dus ook niet uitgesloten worden dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot overtreding van verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming. Duidelijke lijnstructuren gevormd door groenstructuren over een grote afstand ontbreken in het plangebied en de invloedsfeer ervan. Hierdoor worden vaste foerageergebieden en/of vaste vliegroutes in het plangebied en de directe omgeving ervan uitgesloten. Doordat de werkzaamheden uitsluitend overdag plaatsvinden, is het uitgesloten dat foeragerende vleermuizen verstoord worden. Indien gebruik gemaakt wordt van verlichting tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden zijn voorzorgsmaatregelen nodig ten behoeve het tegen gaan van lichtverstoring op vleermuizen. Vleermuizen zijn namelijk lichtgevoelig.
4.1.3. Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Verblijfplaatsen van vogels, die hun verblijfplaats het hele jaar door gebruiken of elk jaar terugkeren naar hetzelfde nest (cat. 1 t/m 4), zijn permanent beschermd. Op basis van het bronnen- en veldbezoek is niet uit te sluiten dat het aanwezige nest in de Corsicaanse den in gebruik is als nestlocatie door de buizerd, sperwer, ransuil of boomvalk. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat wanneer de voorgenomen sloopwerkzaamheden van het naastgelegen
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
14
woonhuis en de aanwezige vrijstaande schuur in de broedperiode van deze soorten wordt uitgevoerd tot verstoring en dus overtreding van verbodsartikelen van de Wet natuurbescherming leidt. Door de sloopwerkzaamheden buiten de broedperiode, deze periode loopt van februari-september, uit te voeren of te starten, wordt verstoring van een broedende vogel voorkomen. Door de Corsicaanse dennen niet te kappen, wordt voorkomen dat verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het plangebied betreft een klein oppervlak. Hierdoor heeft het plangebied geen essentiële betekenis als foerageergebied voor soorten als de buizerd, ransuil, sperwer, steenuil, huismus en boomvalk. Doordat de gierzwaluw en slechtvalk voornamelijk in de lucht jagend/foerageren heeft het plangebied geen essentiële functie voor deze soorten. Overtredingen van verbodsartikelen door de voorgenomen werkzaamheden zijn dan ook niet aan de orde voor deze vogels (cat. 1 t/m 4). Voor sommige broedvogelsoorten (zoals zwarte kraai, boomkruiper en boerenzwaluw) geldt dat de nestplaats jaarrond beschermd is, indien sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen (cat. 5).
Het betreft (mogelijke) nestplaatsen van vogels die weliswaar vaak terugkeert naar de plaats waar zij het jaar daarvoor heeft gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikt om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Nestplaatsen van de boomkruiper (ontbreekt aan bomen met holtes en loszittende bast) en boerenzwaluw (te open schuurtje) worden niet verwacht in het plangebied. Daarentegen kan het eerdergenoemde nest in de Corsicaanse den ook in gebruik zijn door een zwarte kraai. Door de werkzaamheden buiten de broedperiode van de zwarte kraai, deze loopt van maart tot en met juni, uit te voeren, vindt door de voorgenomen werkzaamheden geen verstoring plaats van een in gebruik zijnde nestplaats. Hierdoor treden door de voorgenomen werkzaamheden geen overtredingen van verbodsartikelen op. Indien de Corsicaanse dennen behouden blijven en de voorgenomen sloopwerkzaamheden buiten de eerdergenoemde broedperioden uitgevoerd wordt, hoeven ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen die in bomen broeden verder geen voorzorgsmaatregelen genomen te worden en/of nader onderzoek plaats te vinden naar het voorkomen ervan. Wordt gekozen om deze bomen te kappen dan is aanvullend onderzoek noodzakelijk om het gebruik van de verblijfplaats vast te stellen.
Vanwege de aanwezigheid van huismussen rondom het plangebied en als broedvogel bij de naastgelegen boerderij kan het voorkomen van de huismus als broedvogel binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Met de sloop van het woonhuis kan niet worden uitgesloten dat verblijfplaatsen van de huismus worden vernietigd en/of verstoord en hiermee verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming worden overtreden. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om het gebruik als nestlocatie van de huismus bij het woonhuis uit te sluiten dan wel vast te stellen.
4.1.4. Overige broedvogels De meeste vogelsoorten maken elk jaar een nieuw nest. Nesten van algemene broedvogels zijn streng beschermd wanneer zij in gebruik zijn. De bomen en struiken rondom het plangebied zijn geschikt als nestplaats voor vogels als de houtduif, roodborst en merel. Indien de voorgenomen sloopwerkzaamheden aan het woonhuis aan de Land van Esseweg 10 worden uitgevoerd vanaf eind september dan kan worden uitgesloten dat in gebruik zijnde nesten worden verstoord en/of vernietigd. Op deze manier is het uitgesloten dat overtreding van verbodsartikelen binnen de Wet natuurbescherming aan de orde is. Worden de voorgenomen werkzaamheden binnen de broedperiode van overige broedvogels uitgevoerd, dan leidt dit mogelijk tot overtreding van het volgende verbodsartikel: Overige broedvogels, het is verboden om opzettelijk dieren te doden of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen (Wnb Art. 3.10 lid 1a & b).
15
4.1.5. Amfibieën Door de aanwezigheid van pionierssituaties rondom land van Esseweg 10 kan het voorkomen van de rugstreeppad niet worden uitgesloten. Echter betreft het aanwezige geschikte leefgebied een dermate klein oppervlak dat van essentieel leefgebied geen sprake is. Toch kan niet worden uitgesloten dat exemplaren zich rondom Land van Esseweg 10 zich ophouden en door de voorgenomen bouwwerkzaamheden gedood worden. Om dit te voorkomen dienen meerdere voorzorgsmaatregelen getroffen te worden. Deze zijn in hoofdstuk 5 benoemd. Aan de hand van de voorzorgsmaatregelen kan het overtreden van verbodsartikelen voorkomen worden. Voor de te verwachten algemene amfibieën geldt in Zuid-Holland een algemene vrijstelling, d.w.z. dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, geen ontheffing behoeft aangevraagd te worden. De algemene zorgplicht geldt wel te allen tijde en houdt in dat zorgvuldig en met zo min mogelijk schade de ingreep en werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er hoeven geen aanvullende mitigerende maatregelen, anders dan maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht, genomen te worden om optredende effecten te verzachten.
4.2
Beschermde gebieden
4.2.1. Aanleiding toename stikstofdepositie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling aan de Land van Esseweg 9-10 is door Van Dun Advies een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met het Aerius-model (versie 2020). Hierbij is een verschilberekening gemaakt tussen de stikstofdepositie als gevolg van de huidige situatie ten opzichte van de beoogde situatie. In de huidige situatie is er sprake van stikstofemissie vanuit de paardenstal aan de Buitendijk 60 en door vervoersbewegingen van en naar de Land van Esseweg 9-10. In de beoogde situatie blijft de emissie van de paardenstal aan de Buitendijk 60 gelijk (worst-case situatie) en komt daar emissie van een paardenopfokstal en een loods aan de Land van Esseweg 9 bij. Tevens neemt de emissie van het aantal vervoersbewegingen in de beoogde situatie toe. Uit de verschilberekening blijkt dat er ten gevolge van activiteiten een geringe permanente toename van stikstofdepositie plaatsvindt van maximaal 0,05 mol/ha/jr in de Biesbosch en 0,03 mol/ha/jr in het KrammerVolkerak. Daarnaast is er sprake van een zeer geringe toename van stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jr op de Natura 2000-gebieden Lingedijk & Diefdijk-Zuid, Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Langstraat en Loonse en Drunense duinen & Leemkuilen (zie tabel 3.1).
De depositie vindt plaats binnen een aantal habitattypen waar de kritische depositiewaarde (KDW) reeds of bijna wordt overschreden door de achtergrondwaarden (de zogenaamde overbelaste hexagonen). In dit geval bestaat het risico dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Dit betekent dat (significant) negatieve effecten door stikstofdepositie op beschermde natuurwaarden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. In tabel 4.1 is in beeld gebracht in hoeverre de depositietoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt binnen het deel van het habitattype en leefgebied dat (bijna) overbelast is. Om de impact van de toename van stikstofdepositie op de relevante Natura 2000-gebieden te bepalen wordt een kwalitatieve ecologische toetsing uitgevoerd. In deze rapport wordt in de vorm van een ecologische voortoets 1 inzichtelijk gemaakt of de stikstofdepositie een risico vormt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen zoals deze voor de genoemde Natura 2000-gebieden zijn bepaald.
1
Bij een toename van stikstofdepositie op overbelaste hexagonen dient onderzocht te worden of significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten. Uit recente jurisprudentie (AbRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110 en ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125) blijkt dat dit kan middels een voortoets als daaruit volgt dat significante gevolgen op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten. Lukt dit niet, dan dient een passende beoordeling te worden gemaakt.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
16
Tabel 4.1 In deze tabel zijn de resultaten van de AERIUS-berekening weergegeven, waarbij per Natura 2000-gebied de toename per habitattype en leefgebied is weergegeven. ‘Bijdrage project’ geeft de maximale stikstofdepositie die ook is terug te vinden in het rapport van de AERIUS-berekening (bijlage 3). ‘Depositie binnen deel (bijna) overbelast’ geeft aan of de stikstofdepositie plaatsvindt binnen een deel van het habitattype dat overbelast is (oranje) en de maximale bijdrage die binnen deze delen plaatsvindt. De groene cellen geven aan dat de toename plaatsvind binnen een deel dat niet overbelast is. Tevens is per habitattype de KDW weergegeven, het oppervlak van het habitattypen in het Natura 2000-gebied en het percentage van het areaal binnen het Natura 2000-gebied dat overbelast is. Voor elk Natura 2000-gebied is de gemiddelde achtergronddepositiewaarde (ADW) weergegeven. Bijdrage Depositie binnen Kritische Oppervlakte Gedeelte project deel van het depositie (gekarteerd) overbelast Habitattype per Natura 2000-gebied (mol/ha/jr) habitattype dat waarde (ha) (bijna) overbelast is
Biesbosch (gem. ADW2020 = 1.173) H6120 stroomdalgraslanden H6510A glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) H6510B glanshaver- en vossenstaarthooilanden (vossenstaart) H91E0B Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierenen zeekleigebied Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
Krammer-Volkerak
0,01
Nee
1286
10,5
0%
0,01
0,01
1429
81,9
1%
0,01
0,01
1571
39,4
0%
0,01
0,01
2000
3
0%
0,05
0,05
1429
220
1%
0,02
0,02
1571
122,3
1%
0,02
0,02
1571
130,1
1%
0,03
0,03
2000
59,9
0%
0,03
0,03
1429
91,3
2%
0,01
0,01
1429
1,5
0%
(gem. ADW2020 = 1.152)
H1330B Schorren en zilte graslanden binnendijks H2160 Duindoornstruwelen H2190B Vochtige duinvalleien, kalkrijk H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden, glanshaver
Brabantse Wal (gem. ADW2020 = 1.772) Lg13 Bos van arme zandgronden
0,01
0,01
1071
3.094,8
100%
L4030 Droge heiden
0,01
0,01
1071
228,8
92%
Lg09 Droog struisgrasland
0,01
0,01
1000
74,1
80%
0,01
0,01
1429
391,6
98%
0,01
0,01
1214
29,9
36%
0,01
Nee
2000
6
10%
0,01
0,01
1857
43,5
33%
0,01
0,01
1143
64,4
100%
0,01
1429
29,1
100%
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden Lg04 Zuur ven
Lingegebied & Diefdijk-Zuid H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen) H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis meest kritische relevante type (H7230).
(gem. ADW2020 = 1.763)
Ulvenhoutse Bos (gem. ADW2020 = 2.035) H9120 Beuken-eikenbossen met hulst 17
0,01
Habitattype per Natura 2000-gebied
H9160 A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden) H91E0 C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
Bijdrage project (mol/ha/jr)
Depositie binnen deel van het habitattype dat (bijna) overbelast is
Kritische depositie waarde
Oppervlakte (gekarteerd) (ha)
Gedeelte overbelast
0,01
0,01
1429
6,3
100%
0,01
0,01
1857
4,7
89%
0,01
0,01
571
1
100%
0,01
0,01
714
2,9
100%
1071
142,3
98%
Langstraat (gem. ADW2020 = 1.403) H3140hz Kranswierwateren, op hogere zandgronden H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (gem. ADW2020 = 1.533) H9190 Oude eikenbossen
0,01
0,01
4.2.2. Toetsing toename stikstofdepositie Situatie niet-overbelast In tabel 4.1 is te zien welke habitattypen en leefgebieden binnen de Natura 2000-gebieden nog niet overbelast zijn en daarom geen negatieve effecten ondervinden van stikstofdepositie (groen gearceerd). De maximaal berekende, jaarlijkse stikstoftoename bij deze habitattypen leidt niet tot een overschrijding van de KDW. Het betreft het habitattype H6120 stroomdalgraslanden in de Biesbosch en het habitattype H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen) in het gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Significant negatieve effecten op deze beide habitattypen kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten. Het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze habitattypen komt niet in gevaar door de geringe depositietoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Situatie bijna-overbelast en overbelast Voor veruit de meeste habitattypen blijkt uit tabel 4.1 dat de depositietoename als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt in een (deels) overbelaste situatie. De toename van stikstofdepositie ligt hierbij tussen de 0,05 en 0,01 mol/ha/jr. Voor de habitattypen die in de huidige situatie al (bijna) overbelast zijn kan een significant negatief effect als gevolg van de extra depositie vanuit het project niet op voorhand worden uitgesloten.
Voor deze stikstofgevoelige habitattypen is een nadere analyse nodig op basis van de instandhoudingsdoelen, de huidige kwaliteit en de mate waarin de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden. Aan de hand hiervan dient bepaald te worden of significante effecten door extra depositie vanuit het project kunnen optreden of dat deze zijn uitgesloten (zie tekstbox 1). Ook kan stikstofdepositie naar voren komen in leefgebiedtypen, waarvan de vegetatietypen gedeeltelijk kwalificerend zijn. Dit zijn geen habitattypen conform de Habitatrichtlijn en hier zijn ook geen instandhoudingsdoelstellingen voor bepaald. Het kan zijn dat doelsoorten zijn aangewezen die een breder leefgebied hebben dan alleen de aangewezen habitattypen (bijv. Vogelrichtlijnsoorten). Voor deze soorten zijn binnen het Natura 2000-gebied leefgebieden (Lg) aangewezen. Op deze manier wordt in de Aerius-berekening inzichtelijk gemaakt of er sprake is van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige leefgebieden van aangewezen doelsoorten. Per Natura 2000-gebied zijn hieronder voor de habitattypen en leefgebieden waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden de huidige kwaliteit en de trend weergegeven.
Vervolgens is voor elk habitattype en leefgebied de gevoeligheid voor stikstofdepositie beschreven op basis van de huidige en toekomstige overschrijding van de KDW in relatie tot de ADW en is het effect beoordeeld van stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
NATUURTOETS LAND VAN ESSEWEG Van Dun Advies
18
Tekstbox 1. Voortoets In sommige gevallen is beargumenteerd dat bij iedere hoeveelheid stikstofdepositie (hoe minimaal dan ook) binnen overbelaste habitattypen significante effecten niet zouden zijn uit te sluiten en dat daarom in deze gevallen altijd een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd. Uit jurisprudentie blijkt echter dat in bepaalde omstandigheden mogelijk kan worden volstaan met een voortoets. In ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1125, wordt in r.o. 32.4, onder meer het volgende overwogen: “(…) De Afdeling overweegt verder dat, anders dan (…) en anderen stellen, niet elke overschrijding van de kritische depositiewaarden een significant negatief effect heeft of anderszins niet toelaatbaar moet worden geacht. Als een project leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt”. In ABRvS 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:684, r.o. 23.7 en ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1110, r.o 12.7, zijn soortgelijke overwegingen aan te treffen als die welke zojuist zijn geciteerd.
Middels een voortoets (die term wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak expliciet gebruikt) kan worden getoetst of bij een toename van stikstofdepositie op overbelaste hexagonen significante gevolgen op voorhand kunnen worden uitgesloten. Het is dus niet zo dat bij overbelaste hexagonen in alle gevallen een verdiepende passende beoordeling nodig is.
Tekstbox 2. Geringe uitstoot binnen overbelaste hexagonen Indien uitstoot plaatsvindt binnen overbelaste hexagonen kunnen significante effecten bij geringe uitstoot in bepaalde gevallen nog steeds worden uitgesloten. Voor veel Natura 2000-gebieden geldt dat de achtergronddepositiewaarden (ADW) al decennia heel hoog zijn en zorgen voor een overbelaste situatie op stikstofgevoelige habitattypen. Mouissie (2019) concludeert op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer 70 mol N/ha/jr. Experimentele veldstudies betreffen vaak langjarige studies naar effecten van toenames die vele tientallen tot honderden mol N/ha/jaar bedragen. Uit een analyse van een groot aantal veldstudies blijkt dat bij een depositie rond de KDW het verlies van soorten op kan treden bij een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger. In sterk overbelaste situaties treedt (verder) soortenverlies op bij hogere toenames van 35 mol of meer. Habitats zijn dan ook gevoeliger voor een structurele toename in de depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt (Caporn et al. 2016; Bobbink & Hettelingh 2011).
De toevoeging van een beperkte hoeveelheid stikstof, leidt daarmee niet tot waarneembare effecten en derhalve ook niet tot directe schade. Daarbij geldt dat kleine toenames binnen de natuurlijke variatie en de onzekerheden van de KDW’s en achtergronddeposities vallen. Tevens geldt dat er in Nederland vaak sprake is van een situatie die al langdurig overbelast is en dat, wanneer de belasting ten opzichte van deze overbelaste situatie of de KDW dermate klein is, dat deze belasting niet tot een significant negatief effect zal leiden. Los van de gevoeligheid voor stikstof is in meerdere casussen (ECLI:NL:RVS:2020:1125) al beargumenteerd dat kleine depositiewaardes op zichzelf niet kunnen zorgen voor verschillen in groeisnelheid. Bij geringe hoeveelheden stikstof dient dus bepaald te worden of deze überhaupt voor significante effecten zouden kunnen zorgen. Binnen Nederland zijn de te hoge achtergronddeposities het voornaamste probleem voor stikstofgevoelige habitattype. Het wel of niet plaatsvinden van deze allerlaagste depositie bijdrages, zal daarom niet significant bijdragen aan het wel of niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen. De redenatie dat bij overbelaste habitattype elke toename, hoe laag deze ook is, een significant effect heeft is dan ook verworpen (ECLI:NL:RVS:2020:1125).
19
Biesbosch H6510A glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Het gehele oppervlak van dit habitattype komt voor in de Sliedrechtse Biesbosch. In de huidige situatie is slechts 1% van het totale oppervlak (bijna) overbelast. Bijna het hele areaal kwalificeert vegetatiekundig als goed. De trend is dat het totale areaal toeneemt en de kwaliteit blijft over het geheel genomen gelijk. Knelpunten met de huidige of toekomstige stikstofdepositie zijn er niet. In het overige deel is wel sprake van negatieve effecten door hoge stikstofdeposities uit het verleden (gebiedsanalyse Biesbosch, 2017). De toename van 0,01 mol/ha/jr (tabel 4.1) bedraagt 0,0009% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype (zie tekstbox 2). Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,09% van de huidige achtergronddepositie binnen de Biesbosch zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H6510A glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) zijn gesteld.
H6510B glanshaver- en vossenstaarthooilanden (vossenstaart) Het gehele oppervlak van dit habitattype komt voor in de Sliedrechtse Biesbosch. In de huidige situatie is 0% van het totale oppervlak (bijna) overbelast. Bijna het hele areaal is van goede kwaliteit. De trend van het areaal is als totaal negatief. Op detailniveau zijn er verschillen, waarbij in delen het areaal is afgenomen als gevolg van verdroging en onvoldoende beheer. De trend in kwaliteit is ook negatief. De soortendiversiteit daalt en kenmerkende soorten staan onder druk. De voornaamste knelpunten met stikstofdepositie is het tekort aan inundatie in de winterperiode, waardoor aanvoer van bufferende stoffen beperkt is en de aanvoer van voedingsstoffen door stikstofdepositie, met vergrassing tot gevolg. In de huidige en toekomstige situatie wordt de KDW echter niet overschreden. Er is wel sprake van negatieve effecten door hoge stikstofdeposities uit het verleden (gebiedsanalyse Biesbosch, 2017). De toename van 0,01 mol/ha/jr (tabel 4.1) bedraagt 0,0009% van de huidige achtergronddepositie. De bijdrage vanuit het project is zeer gering en zorgt niet voor meetbare verschillen in de groeisnelheid van planten en daarmee een effect op de concurrentie van de vegetatie binnen het habitattype (zie tekstbox 2).
Zelfs als er 100 dergelijke activiteiten zouden plaatsvinden (om eventuele cumulatie mee te nemen), dan zou dit nog steeds maar 0,09% van de huidige achtergronddepositie binnen de Biesbosch zijn. Het wel of niet plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkeling zal daarom geen significant effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen die voor het habitattype H6510B glanshaver- en vossenstaarthooilanden (vossenstaart) zijn gesteld. H91E0B Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) In het gebied de Noordwaard komt de enige 3 ha van dit habitattype voor. Vegetatiekundig bezien is het habitattype goed ontwikkeld, maar qua structuur matig ontwikkeld. Het is een aanplant buiten de directe invloed van de rivierdynamiek. Dit is een atypische situatie waarin overstroming door de rivier ontbreekt. De trend is dat het areaal en de kwaliteit stabiel zijn. Het habitattype zal zich niet spontaan uitbreiden. Desondanks is de instandhoudingsdoelstelling: vergroten van het areaal en verbeteren van de kwaliteit. Het grootste knelpunt betreft verruiging door gebrek aan rivierdynamiek. Hierdoor neemt de kwaliteit van de huidige bossen niet toe. De uitbreidingsdoelstelling is moeilijk te realiseren omdat er maar weinig geschikte locaties binnen de Natura 2000begrenzing zijn. De locaties die abiotisch wel geschikt zijn, zijn aangewezen voor de uitbreiding van stroomdalgraslanden.