Lievenshof ontwerpbestemmingsplan samengevoegd
Tekst van het document
In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond; in géén van de boringen ter plaatse van de gedempte watergang is dempingsmateriaal en/of verontreiniging aangetroffen. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van de bodem voldoende is voor de toekomstige woonfunctie. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tegen de toekomstige functie en woningbouw binnen het plangebied zijn, na verwijdering van de puinverharding, geen milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.
(ontwerp)
29
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
Het nationale beleid voor archeologie is afkomstig uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd. Dit is gedaan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de Wamz hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is ook verwerkt in de Erfgoedwet sinds 1 juli 2016. In de toekomst zal de zorgplicht verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het archeologisch erfgoed in de bodem moet zoveel mogelijk behouden worden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Dit moet gedaan worden met archeologisch onderzoek. Het archeologisch belang moet vanaf het begin meewegen in de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.
Doorwerking plangebied Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren'. Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. In de regels is bepaald dat er alleen ontwikkelingen toegestaan zijn mits kleiner dan 500 m 2 en/of de werkzaamheden niet dieper reiken van 0,5 meter onder het maaiveld. De ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt overschrijd beide drempelwaardes. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een archeologisch bureau - en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 9 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit het onderzoek kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Conclusies archeologisch bureau - en verkennend booronderzoek De top van de laagopeenvolging in het plangebied bestaat uit recente opgebracht materiaal (cunetzand) en/of een verstoorde laag met daarin onder andere baksteenpuin en kachelslik. In twee boringen is een recent gedempte sloot, die voor het eerst op de topografische kaart ca. 1940 is afgebeeld, aangetroffen. Ter plaatse van de huidige bebouwing is de grond verstoord tot een diepte van 0,5 tot 1 m -mv.
Bij het verkennende booronderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische resten. Op basis van het bureauonderzoek is voor het plangebied per periode een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Op basis van het veldonderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied geen archeologische resten binnen 4 m -mv worden verwacht. De uitvoering van de plannen hebben dan ook geen consequenties voor eventueel aanwezige archeologische resten. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde onderzoek heeft de gemeente Hoeksche Waard het selectiebesluit genomen om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen plannen. Binnen de geplande verstoringsdiepte van 1,23 m beneden maaiveld worden geen archeologische resten in het plangebied verwacht. Het verkennende booronderzoek heeft aangetoond dat archeologisch relevante niveaus niet (meer) in het plangebied aanwezig zijn tot in ieder geval 4 m -mv. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan. Ook voor het vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
30
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 4.7.2
Cultuurhistorie
In de ruimtelijke ordening moet de cultuurhistorie worden afgewogen. Het Rijk heeft in 2009 hiervoor een aanzet gegeven in de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Het Rijk stelt dat de cultuurhistorie moet worden verantwoord in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. De Bro is samen met andere wetten al eerder aangepast op 17 juni 2011. Zo zijn ook het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Dit sluit aan op de vaststelling van de Wijzigingswet Monumentenzorg 1988. Ook sluit het aan op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in mei 2011. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen. Dit is met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waar de voorbereiding van een bestemmingsplan aan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd.
In deze beschrijving moet worden aangegeven hoe er met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Ook moet het aangeven hoe er met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. Er dient een beschrijving over de cultuurhistorische waarden worden opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan. Deze beschrijving moet toelichten hoe er met aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied wordt omgegaan. Dit betreft ook de cultuurhistorische waarden in de grond. Daarnaast moet er ook gekeken worden of er monumenten in het gebied zijn. De opsteller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan naar alleen archeologie. Ook het facet historische (steden)bouwkunde dient te worden meegenomen in de belangenafweging. Daarnaast gaat het ook om het facet historische geografie. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving op het gebied van het cultureel erfgoed in Nederland in één wet. De wet is van kracht sinds 1 juli 2016 en gaat over het behoud en beheer van cultureel erfgoed. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving is overgenomen in de Erfgoedwet.
Dit betreffen de Monumentenwet en de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is de aanwijzing van Rijksmonumenten overgenomen. Ook is overgenomen wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet over het cultureel erfgoed. Deze heeft betrekking op de museale objecten, musea, monumenten, en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten. Deze hadden elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat deze beschermingsniveaus worden gehandhaafd. Dit zijn de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Omgevingswet wordt naar verwachting in 2022 ingevoerd.
Doorwerking plangebied Binnen de kern Oud-Beijerland komen geen cultuurhistorische waarden voor zoals rijks- en gemeentelijke monumenten of beschermde stads- dorpsgezichten. Ook binnen het plangebied is geen sprake van deze waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van 54 woningen.
(ontwerp)
31
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.8
Luchtkwaliteit
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen. Deze wet wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit (Wlk) genoemd. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor de volgende stoffen: zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordening vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Geldig
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Vanaf 2015
Fijn stof (PM10)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
vanaf 11 juni 2011
24-uurgemiddelde concentratie
max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
vanaf 11 juni 2011
Tabel 3: Grenswaarden NO2 en PM10 Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gehouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen Besluit Niet in Betekende Mate (NIBM) In dit besluit is precies bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10; Een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
32
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Doorwerking plangebied Op basis van de NSL - monitoringstool kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in de huidige situatie van voldoende kwaliteit is. De ontwikkeling van 54 woningen valt binnen het NIBM - besluit, op voorhand kan daarom gesteld worden dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit ter plaatse. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit ook in de beoogde situatie van voldoende kwaliteit is. Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Afbeelding 10: luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Het plangebied is rood omlijnd (via NSL Monitoring)
(ontwerp)
33
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldige persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (één op één miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts één persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers. Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van die bevolking rond een risicobron.
Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. Deze wet is opgevolgd door de Wet basisnet. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Besluit externe veiligheid buisleidingen'
Doorwerking plangebied Het plaatsgebonden risico van 10-6 contour is niet aan de orde binnen het plangebied. Alle risicobronnen zijn ver verwijderd van de beoogde ontwikkeling, waardoor het plangebied niet in de veiligheidszones ligt. Op onderstaande uitsnede van de risicokaart is het plangebied met paars kader weergegeven, géén van plaatsgebonden risico contouren reikt tot over het plangebied. Het groepsrisico zal met de ontwikkeling afnemen. De maximale hoeveelheid mensen die in de huidige situatie bij de bedrijven en in de school aanwezig kunnen zijn is ruim groter dan in de toekomstige woningen. Indien het aantal mensen binnen het plangebied niet toeneemt, is een nadere toets aan het groepsrisico niet noodzakelijk.
34
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Afbeelding 11: Uitsnede risicokaart (plangebied weergegeven met paarse cirkel)
(ontwerp)
35
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.10
Verkeer en parkeren
Het plangebied ligt aan reeds bestaande infrastructuur, namelijk de Jan Lievenslaan. Het plangebied wordt ontsloten via de reeds aanwezige ontsluiting. Daarnaast wordt een extra ontsluiting toegevoegd via de Rembrandtstraat. Deze weg ontsluit een doodlopende straat. Gezamenlijk voorziet de bestaande en toekomstige infrastructuur in voldoende capaciteit om het toekomstige gebruik op te vangen.
Afbeelding 12: Toekomstige situatie + geplande parkeerplaatsen.
Parkeren Bij het parkeren worden de normen van de Nota Parkeernormen Oud-Beijerland 2016 gehanteerd. De gemeente Hoeksche Waard neemt de kencijfers uit de CROW-publicatie 317 over voor het bepalen van de parkeerbehoefte die de diverse daarin onderscheiden functies oproept. Deze publicatie en met name de daarin aangegeven kencijfers maakt daarmee onderdeel uit van deze Nota Parkeernormen. De aanbevelingen van het CROW nemen de vorm aan van kencijfers. Deze kencijfers zijn gebaseerd op (literatuur)onderzoek en praktijkervaringen van gemeenten in het hele land. Hierbij worden betrekkelijk ruime bandbreedten aangegeven en wordt een onderscheid gemaakt naar een aantal verschillende gebieden binnen en buiten de kom (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied). Uit studies blijkt namelijk dat functies in centrumgebieden een lagere parkeervraag oproepen dan functies elders binnen de bebouwde kom en daarbuiten. Het plangebied ligt in het gebied dat is geclassificeerd als 'rest bebouwde kom'.
36
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Verder maakt het CROW onderscheid tussen gemeenten in Nederland al naar gelang hun mate van stedelijkheid (van zeer sterk stedelijk tot niet stedelijk). Een grotere mate van verstedelijking geeft een geringere parkeerbehoefte. Oud-Beijerland is volgens deze indeling te beschouwen als matig stedelijk. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in het zuiden van de bebouwde kom van Oud - Beijerland, daarmee valt het plangebied binnen de categorie 'rest bebouwde kom'. De totale parkeerbehoefte volgt uit onderstaande tabel.
Woningtype
Parkeernorm
Aantal eenheden
Parkeerbehoefte
Huur, huis, vrije sector
1,9
18
34,2
Koop, huis, tussen/hoek
1.9
36
68,4
Totaal
102,6
Tabel 4: Parkeerbalans Lievenshof (actualiseren) De totale parkeerbehoefte bedraagt 102,6 parkeerplaatsen, afgerond 103. In het stedenbouwkundig plan is voorzien in parkeerplaatsen op privéterrein en in openbaar gebied. De CROW heeft bepaald dat privé parkeerplaatsen niet altijd éénzelfde weging hebben omdat deze niet vrij uitwisselbaar zijn. Een openbare parkeerplaats kan namelijk altijd gebruikt worden wanneer één auto vertrekt, een privé parkeerplaats niet. In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt of er op basis van het stedenbouwkundig plan voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden.
Parkeervoorziening
Feitelijk aantal Wegingsfactor
Aantal eenheden
Theoretisch aantal parkeerplaatsen
Enkele oprit zonder garage
1
0,8
8
6,4
Dubbele oprit zonder garage
2
1,7
5
8,5
Totaal privé terrein
Openbaar gebied
14,9
1
Totaal plangebied
1
88
88
102,9
Tabel 5: Parkeervoorziening Lievenshof Op basis van bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat het plangebied voorziet in afgerond 103 parkeerplaatsen. Er worden in totaal 103 parkeerplaatsen gerealiseerd waarvan 15 op eigen terrein en 88 in openbaar gebied. Geconcludeerd wordt dat er binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden om de parkeerbehoefte te voorzien. De woningen zijn goed te bereiken via de ontsluitingen op de Jan Lievenslaan en de Rembrandtstraat. Met toepassing van de juiste parkeernormen en rekenmethodiek is bovendien aangetoond dat in voldoende parkeerplaatsen voorzien kan worden. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
37
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.11
Kabels en leidingen
Er kunnen planologische relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het geldende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van het geldende bestemmingsplan kan dan vastgesteld worden welke maatregelen, overleggen en/of rapporten noodzakelijk zijn om een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Doorwerking plangebied Op basis van de vigerende bestemmingsplannen van de gemeente Hoeksche Waard kan geconcludeerd dat er in en nabij het plangebied geen planologisch relevante kabels en /of leidingen aanwezig zijn. Overige kabels zullen bij start van de graaf - en werkzaamheden middels een klic melding inzichtelijk gemaakt worden.
4.12
Duurzame ontwikkeling
Duurzaamheid beperkt zich niet enkel tot de realisatie van slimme installaties en een warme jas om de huizen. Het start al bij de stedenbouw. Een plan dat perfect aansluit op zijn locatie met een eigen identiteit en karakter heeft meer toekomstwaarde. Bovendien voelen de bewoners zich fijner waar de leefkwaliteit hoog is. Om deze reden is het van belang dat er aandacht wordt besteed aan de inrichting van de buitenruimte. In Lievenshof wordt dit gedaan door de openbare ruimte voldoende maat te geven en het integreren van groen. Ook dieren en planten moeten goed kunnen gedijen in hun omgeving. Zo wordt gebruik gemaakt van beplanting die zowel beschutting biedt aan dieren als voedsel is voor insecten. Waar mogelijk worden in de toekomstige bebouwing nestkasten gerealiseerd waardoor veilige broedplaatsen voor vogels ontstaan. De nieuwe bewoners zullen bovendien geadviseerd worden hun tuin niet volledig te verharden. Naast de ruimtelijke kwaliteit, stedenbouwkundige inpassing, architectonisch verschijning en sociale waarden, zal duurzaamheid ook in de technische uitwerking de nodige aandacht krijgen. Door middel van slimme technieken worden energiezuinige woningen met een lage maandelijkse energielast gerealiseerd. Onderstaande afbeelding laat goed zien welke duurzaamheidsmaatregelen in het plangebied worden toegepast.
Alle woningen worden energiezuinig uitgevoerd met een energieprestatie coëfficiënt van nul (EPC=0).
Afbeelding 13: Duurzaamheidsdoelstelling Lievenshof
38
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.13
Vormvrije mer-beoordeling
Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht. Bij sommige ontwikkelingen met activiteiten uit de D-lijst is een vormvrije m.e.r.-plicht mogelijk. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r. (kolom 1), maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt (kolom 2) dan is er een vormvrije m.e.r. mogelijk. Er dient bij elke m.e.r.-vorm een aanmeldnotitie te worden opgesteld. In overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit wordt beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan).
Overigens moet daarnaast worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben, waarbij naast de drempelwaarden ook de omstandigheden ter plaatse worden betrokken. Dit in verband met het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 15 oktober 2009 (C-225/08). Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal worden.
Doorwerking planinitiatief Het type en omvang van een ontwikkeling, die relevant zijn in het kader van het Besluit m.e.r., staan beschreven in bijlage C en D, onder de kolom 'drempelwaarde' van het Besluit m.e.r. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie worden opgesteld. De ontwikkeling van 54 woningen valt onder de activiteit "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals opgenomen in bijlage D onder D11.2 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Geen van de genoemde drempelwaarden uit kolom 2 wordt overschreden. De vormvrije m.e.r. - beoordeling is toegevoegd als bijlage 10 aan voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
39
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische vormgeving
Algemeen
Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het krachtens artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag liggen, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van het overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.
5.2
Regels
Het navolgende stelt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels aan de orde. Deze ziet er als volgt uit: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Het hoofdstuk 'Inleidende regels' bevat de begripsbepalingen en de wijze van meten. De definities van de begrippen sluiten aan bij de regels van het bestemmingsplan 'Correctieve herziening Wonen' van de gemeente Hoeksche Waard. Ook sluiten ze aan bij de eisen van de SVBP2012. De 'Begrippen' geven aan wat in de regels van het bestemmingsplan met bepaalde termen wordt bedoeld en de 'Wijze van meten' geven aan hoe men moet meten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels.
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen et cetera. De aard van de toegelaten inrichting van de gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. In de bestemmingsplannen worden meerdere bestemmingen onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn regelingen als de bestemmingsomschrijving, bebouwingsmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden gekoppeld. Per bestemming hanteert men de indeling volgens de SVBP 2012. Deze volgorde en de naamgeving zijn standaard en dienen in principe te worden gevolgd. Het bestemmingsplan kent de volgende enkelbestemmingen Artikel 3 Verkeer - Verblijfsgebied; Artikel 4 Wonen; Artikel 5 Waarde - Archeologie
40
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof De enkelbestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is in het bestemmingsplan opgenomen voor de woonstraten, paden en voet- en rijwielpaden. Daar bijbehorend kunnen parkeer-, waterhuiskundige-, groen- en nutsvoorzieningen worden gebouwd. Verder schrijven de bouwregels voor dat gebouwen niet zijn toegestaan in deze bestemming. Kleinere bouwwerken kunnen worden aangelegd door middel van een omgevingsvergunning. Deze bestemming is specifiek ook opgenomen voor de nieuwe Jan Lievenslaan die het gebied tussen de twee woonblokken. De enkelbestemming 'Wonen is in het bestemmingsplan opgenomen om het gewenste woonmilieu te realiseren. Wonen is de hoofdfunctie binnen het plangebied. In de bouwregels (en op de verbeelding) zijn onder andere de maximale goot - en bouwhoogte opgenomen en zijn tevens regels opgenomen voor de bouw van aan - en bijgebouwen. Op basis van uitgevoerde archeologisch onderzoek is geadviseerd om het plangebied archeologisch gezien vrij te geven voor het bouwplan. De gemeente Hoeksche Waard heeft voorafgaand aan de vaststelling van voorliggend ontwerpbestemmingsplan een selectiebesluit genomen waarmee het plangebied is vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling. Op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek is een nieuwe dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegevoegd waarmee de archeologie waarden beschermd blijven.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels De algemene regels bestaan uit de volgende regels: Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Artikel 7 Algemene bouwregels Artikel 8 Algemene gebruiksregels Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Artikel 11 Overige regels De Anti-dubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. De 'Algemene bouwregels' bepalen dat het burgemeester en wethouders in het gehele plangebied nadere eisen kunnen stellen aan de plaats en de afmetingen van bouwwerken. Het college kan dit doen ten behoeve van bijvoorbeeld een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld. De 'Algemene gebruiksregels' bepalen het plangebied en den aanwezige bebouwing niet gebruikt mogen worden ten behoeve van een seksinrichting of ee coffeeshop. De derde algemene bepalingen betreffen de 'Algemene afwijkingsregels'. Deze regels bepalen dat burgemeester en wethouders middels omgevingsvergunning mag afwijken van hetgeen het bestemmingsplan bepaalt voor bijvoorbeeld het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken (geen gebouwen) tot een maximum van tien procent.
Burgemeester en wethouders verlenen zulk omgevingsvergunning echter pas indien door die omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woon- en milieusituatie, de sociale en de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Voorts bevat het bestemmingsplan ook 'Algemene wijzigingsregels'. Deze regels bepalen dat burgemeester en wethouders onder voorwaarden het bestemmingsplan kunnen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. Tot slot bepalen de 'Overige regels' dat voor dit bestemmingsplan geldt dat de parkeernormen zoals door de gemeente Hoeksche Waard gehanteerd, moeten worden nageleefd en het bestemmingsplan daar rekening mee moet houden in de uitvoering ervan. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk omvat standaard overgangsrecht en de slotregel conform artikel 3.2.1 van het Bro. Artikel 12 Overgangsrecht Artikel 13 Slotregel
(ontwerp)
41
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het opstellen van dit bestemmingsplan en de bijbehorende ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer. Exploitatieplan Conform artikel 6.12, eerste lid van de Wro moet de gemeente raad een exploitatieplan vaststellen, tenzij conform artikel 6.12 tweede lid, onder a van de Wro, het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst aangegaan waarin alle kosten conform 6.2.3 en 6.2.4 van het Bro zijn opgenomen. Planschade Een belanghebbende kan, na een besluit tot vaststellen van een bestemmingsplan, een verzoek indienen om een tegemoetkoming in de schade, indien die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in artikel 6.1 tweede lid van de Wro genoemde oorzaak (artikel 6.1 van de Wro). Op basis van een uitgevoerde planschaderisicoanalyse kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak.
Het is niet aannemelijk dat een verzoek tot planschade toegewezen zal worden. Het aspect planschade heeft geen invloed op de economische uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Het ontwerpbestemmingsplan wordt gelijktijdig met de ter inzagelegging toegezonden aan diverse overleginstanties in het kader van het vooroverleg. De resultaten van het vooroverleg zullen in het vast te stellen bestemmingsplan worden verwerkt, inclusief een onderbouwing welke reactie wel/niet tot aanpassing van het plan hebben geleid.
Zienswijzen Op grond van het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht is het college bevoegd om de formele bestemmingsplanprocedure te starten door het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen en éénieder de gelegenheid te geven daarover zienswijzen in te dienen. Na het besluit van het college zal het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd. Binnen deze termijn kunnen zoals gezegd door éénieder zienswijzen worden ingediend. Ingediende zienswijzen zullen vervolgens van een beantwoording worden voorzien. De (eventueel) ingediende zienswijzen zullen worden samengevat en voorzien van een antwoord in de Nota Zienswijzen. In de Nota Zienswijzen wordt tevens toegelicht waarom een ingediende zienswijze wel/niet tot aanpassing van het plan heeft geleid. De Nota Zienswijzen zal als bijlage aan de toelichting van het vastgestelde bestemmingsplan worden toegevoegd.
42
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlagen bij toelichting
(ontwerp)
43
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 1
44
Beeldkwaliteitsplan
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 2
(ontwerp)
Quickscan flora & fauna
45
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 3
46
Aerius - berekening (stikstofdepositie)
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 4
(ontwerp)
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
47
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 5
48
Verkennend bodemonderzoek Schoollocatie
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 6
(ontwerp)
Verkennend bodemonderzoek Garagelocatie
49
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 7 Aanvullend bodemonderzoek gedempte sloot Schoollocatie
50
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 8 Aanvullend bodemonderzoek gedempte sloot Garagelocatie
(ontwerp)
51
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 9
52
Archeologisch bureau - en verkennend booronderzoek
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Bijlage 10
(ontwerp)
Aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling
53
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
54
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Regels
(ontwerp)
55
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder:
1.1
plan
het bestemmingsplan 'Lievenshof' met identificatiecode NL.IMRO.1963.BPLievenshof - ON01.
1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.3
aan- en uitbouw
een uitbreiding van het hoofdgebouw die, wat afmetingen betreft, ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw. 1.4
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.5
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.6
aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit
een beroeps- of bedrijfsactiviteit uitgeoefend door de hoofdbewoner, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publiekstrekkend zijn en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.
1.7
antenne-installatie
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
1.8
antennedrager
antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
1.9
archeologische deskundige
De regioarcheoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.
56
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 1.10
archeologisch onderzoek
Een onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of graven en/of begeleiden, overeenkomstig de onderzoeksmethoden zoals geadviseerd in FAMKE, verricht door een daartoe bevoegde instantie conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
1.11
archeologische verwachting
De aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische overblijfselen uit de vroegere tijd en als zodanig wetenschappelijk van belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.
1.12
archeologische waarde
De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kans op het voorkomen van archeologische overblijfselen uit de vroegere tijd en als zodanig wetenschappelijk van belang zijn en het cultuurhistorische erfgoed vertegenwoordigen
1.13
bebouwing
een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.14
bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
1.15
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
1.16
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.17
bevoegd gezag
bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.18
bijgebouw
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, met een aan dat hoofdgebouw ondergeschikte functie.
(ontwerp)
57
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
1.19
bouwen
plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.
1.20
bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
1.21
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen en dat zodanige afmetingen en vormen heeft dat dit gedeelte zonder ingrijpende voorzieningen voor functies uit de bestemmingsomschrijving geschikt of geschikt te maken is.
1.22
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
1.23
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel.
1.24
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.25
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.26
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.27
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voorzover dit bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt.
1.28
erfbebouwing
de bij een hoofdgebouw behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.
58
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 1.29
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.30
hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
1.31
horeca
een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt; de volgende categorieën horeca-instellingen worden onderscheiden: Horeca categorie 1 (licht): horeca 1a: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van (al dan niet voor consumptie ter plaatse) bereide etenswaren, ijs, koffie en thee met als nevenactiviteit het verstrekken van (alcoholhoudende) dranken ter plaatse; horeca 1b: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van (alcoholhoudende) dranken ter plaatse; Horeca categorie 2 (middel): een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het schenken van (alcoholhoudende) dranken voor consumptie ter plaatse, al dan niet met als nevenactiviteit het verstrekken van kleine etenswaren ter plaatse; Horeca categorie 3 (zwaar): een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het bedrijfsmatige ten gehore brengen van muziek en het geven van gelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met als nevenactiviteit de verstrekking van (alcoholhoudende) en dranken en kleine etenswaren ter plaatse. 1.32
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
activiteiten die in een woning door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past.
1.33
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
1.34
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.
1.35
peil
1. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van aansluitende, afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw; Een en ander voor zover in deze regels niet anders is bepaald.
(ontwerp)
59
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 1.36
rapport
Een schriftelijke weergave (document) van een archeologisch onderzoek, dat is uitgevoerd door een gekwalificeerd archeologisch onderzoeksbureau. Het archeologische onderzoek kan worden voorafgegaan door een door burgemeester en wethouders goedgekeurd PvE.
1.37
seksinrichting
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen: a. een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon; b. een seksbioscoop of sekstheater; c. een seksautomatenhal; d. een seksclub of parenclub; e. al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel. 1.38
voorgevel
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw, op 1 m boven peil, of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt op basis van bijvoorbeeld specifieke (omgevings)kenmerken, zoals de aanwezigheid van de hoofdentree van het gebouw.
1.39
waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen ten dienste van de waterhuishouding waaronder wadi's, waterlopen, waterpartijen, watergangen, dammen, sluizen, duikers, retentiebekkens, vijvers.
1.40
weg
een voor openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeerterreinen.
1.41
woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.42
zijdelingse perceelsgrens
de grens tussen twee percelen, die voor- en achterzijde van een perceel verbindt.
60
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Artikel 2 2.1
Wijze van meten
de afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse bouwperceelsgrens:
tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk waar die afstand het kortst is.
2.2
de bedrijfsvloeroppervlakte
binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.
2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.4
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
2.5
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.6
de hoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.
2.7
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.8
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.9
de oppervlakte van een overkapping
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.
(ontwerp)
61
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
2.10
ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakkapellen, en overstekende daken en bouwlagen en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en -hoogten niet meer dan 1 m bedraagt.
62
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken en busstroken; b. voet- en fietspaden; c. speelvoorzieningen; d. waterlopen en waterpartijen; e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, blusvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, en nutsgebouwen met een oppervlakte van ten hoogste 15 m2, worden gebouwd; b. ten behoeve van speelvoorzieningen bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 4 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de verkeers- of wegaanduiding of de verlichting bedraagt ten hoogste 3 m. 3.3
Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3.2 voor de bouw van gebouwen tot een oppervlak van maximaal 10 m 2 en een bouwhoogte van maximaal 4 m mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 3.4
Specifieke gebruiksregels
a. Onverminderd het bepaalde in lid 3.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor evenementen niet toegestaan. b. Onverminderd het bepaalde in lid 3.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor standplaatsen niet toegestaan. 3.5
Afwijken van de gebruiksregels
a. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 3.4 voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van evenementen, onder de voorwaarde dat geen onnodige overlast voor omwonenden ontstaat. Het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement worden mede hieronder begrepen. b. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 3.4 voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van standplaatsen, onder de voorwaarde dat geen onnodige overlast voor omwonenden ontstaat.
(ontwerp)
63
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Artikel 4 4.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, daaronder begrepen een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder mede begrepen gastouderopvang; b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, verkeersvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 4.2.1 Hoofdgebouwen a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend grondgebonden en beneden-bovenwoningen worden gebouwd; b. de maximale goot - en bouwhoogte bedraagt respectievelijk 6 en 11 meter tenzij op de verbeelding anders aangegeven; c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' bedraagt de maximale goot - en bouwhoogte 11 m; d. de diepte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal 12 m. 4.2.2 Erfbebouwing op het voorerf a. Op de gronden gelegen voor en tot 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning zijn uitsluitend aan- en uitbouwen in de voorgevel en erfafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan waarbij geldt dat: 1. aan- en uitbouwen zowel binnen als buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden; 2. de diepte gemeten uit de voorgevel niet meer mag bedragen dan 1,5 m; 3. de afstand tot de openbare weg niet minder mag bedragen dan 1,5 m. 4. de breedte niet meer mag bedragen dan 75% van de breedte van de voorgevel; b. de goothoogte van aan- en uitbouwen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,3 m met een maximum van 4 m; c. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen ten hoogste 4 m bedraagt; d.
de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van de gezamenlijke oppervlakte van het voor-, zij- en achtererf met een maximum van: 1. voor percelen met een oppervlakte die kleiner is dan 500 m²: 50 m²; 2. voor percelen met een oppervlakte die ligt tussen 500 m² en 750 m²: 62,5 m²; 3. voor percelen met een oppervlakte die ligt tussen 750 m² en 1.000 m² : 75 m²; 4. voor percelen met een oppervlakte die groter is dan 1.000 m²: 100 m²; e. de bouwhoogte van erfafscheidingen ten hoogste 1 m bedraagt. 4.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden geldt dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m. b. ten behoeve van speelvoorzieningen bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 4 m.
64
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 4.2.4 Erfbebouwing op het zij- en achtererf a. Op de gronden gelegen op 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning mogen aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen, erfafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarbij geldt dat: 1. de diepte van aan- en uitbouwen, gemeten vanuit de zijgevel van het hoofdgebouw waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd, ten hoogste 3,5 m bedraagt; 2. de diepte van aan- en uitbouwen, gemeten vanuit de achtergevel van het hoofdgebouw waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd, ten hoogste 2,5 m bedraagt; 3. de afstand van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tot perceelsgrenzen 0 of ten minste 1 m bedraagt; b. de goothoogte van aan- en uitbouwen ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt vermeerderd met 0,3 m met een maximum van 4 m; c. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 3 m bedraagt; d. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen ten hoogste 4 m bedraagt; e. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 3 m bedraagt; f. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste 50% van de gezamenlijke oppervlakte van het voor-, zij- en achtererf met een maximum van: 1. voor percelen met een oppervlakte die kleiner is dan 500 m²: 50 m²; 2.
voor percelen met een oppervlakte die ligt tussen 500 m² en 750 m²: 62,5 m²; 3. voor percelen met een oppervlakte die ligt tussen 750 m² en 1.000 m² : 75 m²; 4. voor percelen met een oppervlakte die groter is dan 1.000 m²: 100 m²; g. de bouwhoogte van erfafscheidingen ten hoogste 3 m bedraagt; h. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3 m bedraagt. 4.3
Afwijken van de bouwregels
4.3.1
Nokverhoging
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder b en c teneinde nokverhogingen op hoofdgebouwen met een symmetrisch zadeldak mogelijk te maken, waarvan de hoogte tussen de nok en de bovenkant van de zoldervloer kleiner is dan 2,1 m en het dakvlak zich uitstrekt over maximaal één bouwlaag, met dien verstande dat: a. de dakopbouw over de volle breedte van de woning moet worden gerealiseerd; b. de dakopbouw op de achterzijde van het dakvlak wordt gebouwd; c. het dwarsprofiel voldoet aan de volgende maatvoering: 1. de afstand tussen de onderkant van het glas en het vloerpeil van de zoldervloer dient ten minste 0,85 m te bedragen; 2. de afstand tussen de bovenkant van het glas en het vloerpeil van de zoldervloer dient maximaal 2 m te bedragen; 3. de afstand tussen de buitenkant van het kozijn en de buitenkant van het buitenspouwblad dient, horizontaal gemeten, ten minste 1 m te bedragen; 4. de onderkant van het kozijn dient direct aan te sluiten op het dakvlak van de woning; 5. het korte dakvlak van de dakopbouw dient evenwijdig te lopen aan het eronder gelegen bestaande dakvlak; 6. de daklengte dient ten minste 0,8 m te bedragen. 4.3.2
Dakopbouwen
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 teneinde dakopbouwen, anders dan bedoeld in lid 4.3.1, op hoofdgebouwen mogelijk te maken, met dien verstande dat: a. het een dakopbouw betreft op een dak waarvan de hellingshoek kleiner is dan 30° op grondgebonden woningen in rijen van drie woningen of meer, dan wel; b. het een dakopbouw betreft ter vervanging van de bestaande dakopbouw mits de maatvoering niet wordt gewijzigd; c. geen afbreuk wordt gedaan aan het bestaande straatprofiel en/of cultuurhistorische waarden.
(ontwerp)
65
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 4.3.3
Algemene voorwaarden voor afwijking
De in lid 4.3.1 en 4.3.2 genoemde omgevingsvergunningen voor afwijken kunnen slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. het samenhangende straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de sociale veiligheid; e. de milieusituatie; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.4
Specifieke gebruiksregels
a. Binnen de bestemming is de uitoefening van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan, als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende regels: 1. de voor beroepsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 30% per woning bedragen, tot een maximum van 45 m²; 2. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan; 3. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan; 4. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan; 5. er mag geen gebruik worden gemaakt van reclame-uitingen; 6. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel b. Onverminderd het bepaalde in lid 4.1 is het gebruik van vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woonruimte niet toegestaan. c. Onverminderd het bepaalde in lid 4.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor een seksinrichting niet toegestaan. 4.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4 voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden bedrijf als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende regels: a. de voor bedrijfsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 30% per woning bedragen, tot een maximum van 75 m²; b. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan; c. detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel, en horeca zijn niet toegestaan; d. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan; e. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel. 4.6
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
4.6.1
Sloopverbod
Ter plaatse van het perceel 'Langeweg 10' is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of onderdelen daarvan te slopen.
4.6.2
Toetsingscriteria
Een omgevingsvergunning als bedoeld onder 4.6.1 kan slechts worden verleend, indien: a. Uit een aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuissoorten, conform het Vleermuisprotocool, is gebleken dat het perceel 'Langeweg 10' geen geschikt leefgebied vormt en/of de noodzakelijke provinciale ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend. Het onderzoeksrapport dient bij de sloopvergunning gevoegd te worden; én
66
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof b. Uit een aanvullend onderzoek naar huismussen, uitgevoerd door een gecertificeerd ecologisch adviseur, is gebleken dat het perceel 'Langeweg 10' geen geschikt leefgebied vormt en/of de noodzakelijke provinciale ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend. Het onderzoeksrapport dient bij de sloopvergunning gevoegd te worden.
(ontwerp)
67
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Artikel 5
Waarde - Archeologie
5.1
Bestemmingsomschrijving
5.1.1
Algemeen
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden.
5.2
Bouwregels
Ten aanzien van de in artikel 5.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: a. op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen op de in artikel 5.1 bedoelde gronden bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen worden gebouwd, mits: 1. reeds uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn; of, 2. het bouwwerken betreffen die vergunningsvrij op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kunnen worden gebouwd; of, 3. het bouwwerken betreffen die niet dieper reiken dan 4,0 m onder het maaiveld. 5.3