Lievenshof ontwerpbestemmingsplan samengevoegd
Tekst van het document
Ontwerpbestemmingsplan
Lievenshof
Gemeente Hoeksche Waard Identificatienummer NL.IMRO.1963.BPLievenshof - ON01
Beechavenue 139 | 1119 RB Schiphol-Rijk | T (085) 401 05 67 | E info@lodewijckgroep.nl WWW.LODEWIJCKGROEP.NL
Lievenshof
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Juridische vormgeving 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 7
Hoofdstuk 2 Gebiedsbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
8 8 9
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
11 11 14 15 16
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Milieuzoneringen 4.2 Water 4.3 Ecologie 4.4 Stikstofdepositie 4.5 Geluid 4.6 Bodem 4.7 Archeologie en cultuurhistorie 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Externe veiligheid 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Kabels en leidingen 4.12 Duurzame ontwikkeling 4.13 Vormvrije mer-beoordeling
17 17 19 24 25 26 28 30 32 34 36 38 38 39
Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving 5.1 Algemeen 5.2 Regels
40 40 40
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
42 42 42
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan Bijlage 2 Quickscan flora & fauna Bijlage 3 Aerius - berekening (stikstofdepositie) Bijlage 4 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek Schoollocatie Bijlage 6 Verkennend bodemonderzoek Garagelocatie Bijlage 7 Aanvullend bodemonderzoek gedempte sloot Schoollocatie Bijlage 8 Aanvullend bodemonderzoek gedempte sloot Garagelocatie Bijlage 9 Archeologisch bureau - en verkennend booronderzoek Bijlage 10 Aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling
43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53
2
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Regels
55
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
56 56 61
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Waarde - Archeologie
63 63 64 68
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
71 71 72 73 74 75 76
Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
77 77 78
(ontwerp)
3
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Toelichting
(ontwerp)
5
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om 54 nieuwbouw woningen te realiseren in Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard. Het woningbouwprogramma bestaat uit een mix van compacte eengezinswoningen, middelgrote eengezinswoningen en grote eengezinswoningen. De bestaande bebouwing (een oud schoolgebouw, twee autobedrijven en een woonhuis) wordt gesloopt en op de vrijgekomen locatie worden grondgebonden woningen gerealiseerd. Binnen het plangebied vigeren de bestemmingsplannen: 1. Correctieve herziening Wonen zoals vastgesteld op 5 september 2017 , 2. 1ste partiële herziening bestemmingsplan Wonen, Rembrandtstraat 2 zoals vastgesteld op 16 april 2014; 3. Parapluplan Archeologie en parkeren, vastgesteld op 9 mei 2017. Het toevoegen van 54 gewenste woningen binnen deze bestemmingsplannen is niet mogelijk. Het bestemmingsplan 'Wonen' staat in de bestaande situatie binnen een klein deel van het plangebied een woonfunctie toe, maar het gewenste bouwplan kan niet gerealiseerd worden zonder een algehele bestemmingsplanwijziging. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de woningbouwontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het zuiden van Oud - Beijerland, ten westen van het bedrijventerrein 'Hoogerwerf'. Het plangebied wordt omsloten door de Rembrandtstraat, de Langeweg, de Pieter de Hooghlaan en de Jan Lievenslaan. Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied in de kern Oud - Beijerland globaal weer.
Afbeelding 1: Globale ligging plangebied (bron: google maps)
6
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
1.3
Juridische vormgeving
Beide vigerende plannen worden herzien om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. De huidige hoofdbestemmingen, 'Maatschappelijk' en 'Bedrijf, zullen in het nieuwe bestemmingsplan ruimte maken voor voornamelijk de bestemming 'Wonen'. Het betreft dus een volledige herziening ten opzichte van de vigerende situatie. De verbeelding en de regels zullen aangepast worden om het nieuwe woonmilieu mogelijk te maken. In hoofdstuk 5 volgt een nadere toelichting van de planregels. Het overkoepelende bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en parkeren' geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Hoeksche Waard en dient te worden gecontinueerd. Voorliggend bestemmingsplan zal de voor het plangebied relevante regels uit dit paraplubestemmingsplan overnemen.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit zes hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat een aantal algemene planaspecten, zoals de inleiding en de begrenzing van het plangebied. Hierna volgt hoofdstuk 2. Daarin vindt een uitgebreidere gebiedsbeschrijving plaats. Hoofdstuk 3 bevat de voor het bestemmingsplan relevante beleidskaders van rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 worden de randvoorwaarden beschreven vanuit, onder meer, milieuaspecten en archeologie, waarbinnen de planrealisatie tot stand kan komen. De planbeschrijving, oftewel, de wijze waarop de gemeente haar eigen beleid en dat van de hogere overheden, en de randvoorwaarden vertaald heeft naar een juridische regeling, komt in hoofdstuk 5 aan de orde. In hoofdstuk 6, tenslotte, wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aangetoond.
(ontwerp)
7
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsbeschrijving
Huidige situatie
Het plangebied bevindt zich aan de Jan Lievenslaan in Oud-Beijerland en betreft de kadastrale percelen 5081 - 5082, 5167, 5166, 5264, 4580 en 4980. Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door woningbouw aan de Jan Lievenslaan, aan de zuidzijde door de Rembrandtstraat en aan de westzijde door de Langeweg. In het plangebied bevindt zich in de huidige situatie een school, twee autobedrijven met bijbehorende parkeerplaatsen en buitenstalling, de Jan Lievenslaan en enkele groene elementen. Het plangebied is aan de noordzijde ontsloten bij het Van de Veldepad en de Jan Lievenslaan, en aan de zuidzijde aan de Rembrandstraat. Aan de westzijde is een ontsluiting voor fietsers grenzend aan de Langeweg.
Afbeelding 2: Ligging plangebied (uitsnede van Google Maps)
8
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 2.1.1
Vigerende juridische-planologische situatie
Zoals in de inleiding benoemd vigeren er in de huidige situatie drie bestemmingsplannen binnen de grenzen van het plangebied. De volgende bestemmingen zijn in de vigerende situatie van kracht: 1. Binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'correctieve herziening Wonen' kent onderhavig plangebied de enkelbestemmingen 'Maatschappelijk', 'Verkeer - Verblijfsgebied', 'Bedrijf' en 'Groen'. Behoudens de bestemming 'Wonen' zijn woningen binnen de vigerende bestemmingen niet toegestaan. Tevens is er geen wijzigingsbevoegdheid of afwijkingsregel opgenomen die het bouwen van woningen op deze locatie mogelijk maakt. 2. Binnen de grenzen van het bestemmingsplan '1ste partiële herziening bestemmingsplan Wonen, Rembrandtstraat 2' vigeert enkel de bestemming 'Bedrijf'. Het realiseren van een woonmilieu is binnen deze bestemming niet toegestaan. Tevens is er geen wijzigingsbevoegdheid of afwijkingsregel opgenomen die het bouwen van woningen op deze locatie mogelijk maakt. 3. Het paraplubestemmingsplan Archeologie en parkeren is ook van kracht binnen het plangebied. Middels dit parapluplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' toegevoegd aan het plangebied. In paragraaf 4.7 wordt hier nader op ingegaan. De noodzakelijke regels omtrent parkeren zullen in voorliggend bestemmingsplan overgenomen worden.
Afbeelding 3: uitsnede vigerende bestemmingsplan (via www.ruimtelijkeplannen.nl)
2.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie zal het plangebied een woongebied worden met 54 grondgebonden woningen. De stedenbouwkundige verkaveling sluit zoveel mogelijk aan bij de aangrenzende woongebieden, daarmee wordt eenheid gecreëerd. Het woningbouwprogramma bestaat voornamelijk uit geschakelde woningen waarin de woonblokken bestaan uit minimaal 2 tot maximaal 8 woningen. De woningen krijgen een maximale goot - en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 meter. Het voorlopige stedenbouwkundig plan bevat ook de mogelijkheid om in het zuidoosten van het plangebied een drielaagse woning of beneden-boven woning te realiseren. Op de verbeelding behorende bij voorliggend bestemmingsplan is hiervoor een hoogtescheiding opgenomen. Op afbeelding 5 is het stedenbouwkundig plan weergegeven. Het parkeren wordt volledig binnen het plangebied opgelost. Er is voor gekozen om de parkeerplaatsen in het openbare gebied te realiseren. De parkeerplaatsen worden in de groene structuren naast de Jan Lievenslaan weggewerkt, hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt. De bestaande Jan Lievenslaan blijft de belangrijkste ontsluitingsweg in het plangebied. Ter plaatse van de huidige autogarage wordt het oostelijke gedeelte van het plangebied ontsloten.
In de bestaande situatie zijn hier reeds twee in - en uitritten aanwezig richting de autogarage, verkeerskundig zal er daarom geen grote wijziging plaatsvinden ten opzichte van de doorgaande weg de Rembrandtstraat.
(ontwerp)
9
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Afbeelding 4: Impressie toekomstige situatie, werkelijkheid kan afwijken.
Aan de oostzijde van het plangebied worden de grotere woningen met de grotere percelen gerealiseerd. De woningen en percelen zijn ruim en vallen hiermee in een hoger prijssegment. Het middengebied bestaat uit voornamelijk middelgrote eengezinswoningen. Het middengebied en de westzijde van het plan worden gescheiden door de Jan Lievenslaan. Met het rechtleggen van de Jan Lievenslaan, wordt de laanstructuur en functie als hoofduitsluiting sterker benadrukt. De westzijde van het plangebied kenmerkt zich door een mix van woonproducten van verschillende grootte om het toekomstige woongebied te voorzien van woningen in alle segmenten.
Afbeelding 5: Stedenbouwkundige verkaveling toekomstige situatie
10
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Het vervangt onder meer de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040 en de Nota Mobiliteit. Delen van de structuurvisie die de nationale ruimtelijke belangen borgen en die juridische doorwerking behoeven, zijn uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. In de nota zijn drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk wil de ruimtelijke ordening meer overlaten aan gemeenten en provincies, tenzij rijksdoelen en nationale belangen raken aan regionale opgaven. Er worden in de structuurvisie onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Betreffende opgaven worden per regio beschreven.
De gemeente Hoeksche Waard ligt in de zogenaamde Zuidvleugel, de woningbouwopgave rondom Rotterdam is hier één van de pijlers. Tot 2040 moeten er in dit gebied nog ongeveer 270.000 woningen worden bijgebouwd en ongeveer 220.000 woningen worden vervangen. De extra woningvraag concentreert zich voor de helft in het gebied rond Den Haag, dat een hoge ruimtedruk kent. Ook in de regio Rotterdam en het gebied rond Leiden slaat een aanzienlijk deel van de uitbreidingsopgave neer (respectievelijk 25% en 10%). In de regio Rotterdam is echter vooral sprake van een kwalitatieve mismatch tussen gevraagde en beschikbare woningen en woonmilieus. Tot 2040 zullen hier ruim 100.000 woningen moeten worden vervangen. Doorwerking plangebied De SVIR kent een dusdanig hoog abstractieniveau, dat er weinig directe opgaven op het voorliggende bestemmingsplan van toepassing zijn. De met dit bestemmingsplan gepaard gaande nieuwbouw draagt wel bij aan de woningbouwopgave die in de regio Rotterdam ligt. De SVIR vormt geen belemmering voor voorliggend planinitiatief.
(ontwerp)
11
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en is geconsolideerd op 1 januari 2017. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen die genoemd zijn in de conceptversie van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De 14 nationale belangen in het Barro zijn: 1. Rijksvaarwegen 2. Mainportontwikkeling Rotterdam 3. Kustfundament 4. Grote rivieren 5. Waddenzee en waddengebied 6. Defensie 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen 8. Elektriciteitsvoorziening 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen 10. Natuurnetwerk Nederland 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde 14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan Het Barro omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Het merendeel van de regels in het Barro legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen.
Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Het Barro bevat geen verplichtingen voor het plangebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft. Het Barro vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.
3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt er een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. In de praktijk werd de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking als lastig ervaren. Daarom is op 1 juli 2017 het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De derde trede is geschrapt en de eerste twee treden zijn samengevoegd. Hiermee is de 3-trapsstructuur losgelaten. Ook zijn de termen 'actueel' en 'regionaal' geschrapt die waren opgenomen in de voormalige eerste trede. De Ladder voor duurzame verstedelijking bestaat nu uit twee onderdelen. Het tweede lid van artikel 3.1.6. Bro omvat de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Deze luidt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014. De Afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten, die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking. Ook hier is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader gespecificeerd.
12
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Indien het om een woningbouwlocatie gaat, geldt het volgende uitgangspunt: Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.
Doorwerking plangebied Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 54 grondgebonden woningen en valt derhalve volgens jurisprudentie daarom onder de noemer stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking is verplicht. Met het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking moet eerst de behoefte aan de woningen beschreven worden. De woningbehoefte in Oud-Beijerland wordt in de beleidsdocumenten 'Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030'' van de gemeente Hoeksche Waard toegelicht en wordt bevestigd door de Woningmarktanalyse die in 2019 is uitgevoerd. De gemeente stelt in de "Regionale Woonvisie Hoeksche Waard 2030'' dat er sprake is van een vestigingsoverschot. Om deze extravraag te kunnen faciliteren en ook nog verder te stimuleren, is extra woningbouw noodzakelijk zodat verdringing voorkomen wordt en de daling van het aantal jonge huishoudens (deels) wordt gecompenseerd. Voor een evenwichtige samenstelling en stabiele omvang van de bevolking is het zaak dat de afname van circa 3.200 jongere huishoudens (<55 jaar) zoveel mogelijk gecompenseerd wordt door extra instroom. Aangezien niet alleen jongeren, maar ook huishoudens boven de 55 jaar kunnen instromen, betekent dit dat er tot 2035 per saldo minimaal 3.000- 4.000 nieuwe huishoudens zouden moeten instromen.
Gezien het verloop van de krimp aan jonge huishoudens zou deze fasering er idealiter ongeveer als volgt uit zien: Fase 1: 1.000 extra woningen, oplevering periode 2020-2023; Fase 2: 1.000 extra woningen, oplevering periode 2023-2025; Fase 3: 1.000 extra woningen, oplevering periode 2025-2030. Uit de "Woningmarktanalyse 2019" blijkt dat de grootste woningbehoefte ontstaat in de koopsector, in rij-/hoekwoningen, maar ook in het luxere segment. Bij de rijwoningen in de koopsector is veel vraag in het goedkopere segment tot € 200.000 (woning voor starters en koopstarters), maar ook in de wat duurdere segmenten. Naast rij- en hoekwoningen is er een aanzienlijke vraag naar tweekappers en vrijstaande woningen in het middeldure tot duurdere segment. Deze vraag is afkomstig van gezinnen die een volgende stap in de wooncarrière willen zetten. Dit zijn eigen inwoners of gezinnen vanuit de Randstad die vanwege de betere prijs-kwaliteitverhouding een woning in de Hoeksche Waard zoeken. Voorliggende ontwikkeling sluit aan op de woningbehoefte in de gemeente Hoeksche Waard. Het tweede lid van Artikel 3.1.6. Bro bevat tevens een bepaling over ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied. Dit is niet van toepassing bij onderhavig planinitiatief. De realisatie van de 54 woningen betreft een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied.
Met het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijk is gemotiveerd dat er behoefte is aan de realisatie van de 54 woningen. Het betreft tevens een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Onderhavige ontwikkeling past binnen de wetgeving van de Bro.
(ontwerp)
13
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie is op 1 april 2019 vastgesteld door de provincie Zuid-Holland en is opgesteld in kader van de Omgevingswet die in 2022 in werking treedt. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'inleiding' dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: landschap en cultuurhistorie; gezondheid en veiligheid; natuur en recreatie; ruimte en verstedelijking; wonen; bodem en ondergrond; cultuurparticipatie en bibliotheken; klimaatadaptie; zoetwater en drinkwater; bereikbaarheid; regionale economie; energievoorziening.
Omgevingsvisie Zuid-Holland voor het onderdeel kantoren en verstedelijking en wonen Op 20 februari 2019 is de 'omgevingsvisie Zuid-Holland voor het onderdeel kantoren en verstedelijking en wonen' vastgesteld. Hierin is opgenomen dat de provincie op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, voorziet in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vragen om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin de duurzaamheidsdoelstelling zijn uitgewerkt.
Doorwerking plangebied Voorliggend planinitiatief voorziet in voldoende en passende woningen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Tevens draagt deze ontwikkeling bij aan de ambitie om woningen CO2-neutraal en klimaatrobuust te laten zijn. De woningen zijn bijna energieneutraal en de wijk is toegerust op de gevolgen van klimaatverandering. Voorliggend planinitiatief draagt derhalve bij aan de omgevingsvisie Zuid-Holland.
14
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regionale Woonvisie 2030
Het provinciale beleid is kwantitatief en kwalitatief op regionaal niveau uitgewerkt in de Regionale Woonvisie 2030. De visie gaat niet alleen over woningen, bewoners, aantallen en woningkwaliteit, maar ook over ruimtelijke en sociaalmaatschappelijke vraagstukken. Al deze pijlers zijn bepalend voor de woonvisie, waarin kwaliteitsverhoging centraal staat. De woonvisie gaat uit van de volgende punten - die dus aansluiten op het provinciale beleid: voorzieningenniveau in stand houden door groei van de woningvoorraad; gefaseerde woningbouw, aanbod afgestemd op de vraag; gedifferentieerd aanbod op gemeentelijk en wijkniveau; nieuwe ontwikkelingen in bestaande wijken hebben meerwaarde voor locatie en omgeving. In juli 2017 heeft vervolgens een actualisering van de regionale woonvisie plaatsgehad. Met de actualisatie wordt vooral extra aandacht besteedt aan de vitaliteit van de regio. Reden hiervoor is dat in de regio vooral sprake zal zijn van een toenemende vergrijzing. Om te kunnen voorzien in deze volkshuisvestelijke opgave moeten tot 2025 nog circa 3.000 woningen gebouwd worden, verdeeld over de vijf gemeenten en hun onderliggende kernen. Daarbij, een toekomst bestendige woningvoorraad is bij voorkeur energieneutraal, geschikt voor jonge èn oudere bewoners, bereikbaar per auto en OV, en van een hoge ruimtelijke kwaliteit.
De hieruit voortvloeiende opgaven betreffen: Het realiseren van voldoende nieuwbouw om te kunnen voorzien in de toename -als gevolg van gezinsverdunning- van de reguliere woningbehoefte van de eigen inwoners; Het realiseren van nieuwbouw om extra instroom van gezinnen te kunnen faciliteren; Een vergroting van het aantal (voor senioren) geschikte woningen. Ter uitvoering van deze opgaven heeft de regio een woningmarktanalyse laten uitvoeren. Daaruit blijkt dat in de toekomst de vraag naar dure en middeldure woningen aanwezig is, daar waar een aanbod nu nog ontbreekt. Gezien het voorgaande, blijkt dat er vraag is naar dure en middeldure woningen.
Doorwerking planinitiatief Uit de regionale Woonvisie blijkt dat er binnen de regio Hoeksche Waard behoefte is aan een gedifferentieerd aanbod van woningen. Voorliggend planinitiatief voorziet in deze behoefte door 54 woningen te realiseren. Er is gekozen voor een mix van compacte eengezinswoningen, middelgrote eengezinswoningen en grote eengezinswoningen. De nieuwe woningen dragen bij aan de woningvoorraad en de ambitie om de extra instroom van gezinnen te kunnen faciliteren.
(ontwerp)
15
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Hoeksche Waard
In 2019 heeft de gemeente Hoeksche Waard haar Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie biedt handvatten en inspiratie aan iedereen die een bijdrage wil leveren aan de Hoeksche Waard. Dit wordt ‘Waardmaken’ genoemd en heeft betrekking op de ‘Hoeksche Werken’ en ‘Hoeksche Waarden’. Er zijn verschillende maatschappelijke opgaven waar de gemeente Hoeksche Waard de komende jaren mee te maken heeft. Vijf maatschappelijke opgaven vragen specifieke aandacht voor de gemeente. Deze opgaven vormen de Hoeksche Werken binnen de Omgevingsvisie. Het gaat om: 1. Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig; 2. Vitaal economisch klimaat; 3. Bereikbaar, nabij en toegankelijk; 4. Duurzame, innovatieve landbouw; 5. Vitale dorpen en actieve samenleving. De Hoeksche Waarden staan voor omgevingskwaliteit, zoals landschap, natuur, rust, ruimte, energie en gezondheid. De Omgevingsvisie heeft de gemeente Hoeksche Waard opgedeeld in een vijftal deelgebieden met eigen Hoeksche Waarden en ambities.
Doorwerking plangebied Het plangebied maakt onderdeel uit van het deelgebied 'Dorpse Trots'. Daarbinnen wordt onder andere ingezet op het versterken van de onderscheidende identiteit van het dorp, de vitaliteit, leefbaarheid en overgang met het landelijk gebied. De ontwikkelingen binnen het plangebied sluiten aan op deze doelstellingen. De sanering van een bedrijfsbestemming en de realisatie van 54 woningen draagt bij aan de leefbaarheid van de omgeving. De nieuwe woonwijk en de woningen worden klimaatbestendig vormgegeven, binnen het plangebied wordt voldoende aandacht besteed aan bijvoorbeeld de waterhuishouding. De woningen worden bovendien voorzien van zonnepanelen en zijn gasloos, daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de duurzaamheid van het woningvastgoed van de gemeente Hoeksche Waard. Voorliggend bestemmingsplan sluit aan op de doelstellingen die zijn vastgelegd in de omgevingsvisie van de gemeente Hoeksche Waard en is daarmee uitvoerbaar. 3.4.2
Welstandsnota
Het welstandsbeleid is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. Het welstandsbeleid van de gemeente Hoeksche Waard is neergelegd in de Welstandsnota. In deze nota zijn criteria opgenomen voor de welstandsbeoordeling voor aanvragen om omgevingsvergunningen. In de nota zijn verschillende welstandsgebieden opgenomen die ieder een eigen verschijningsvorm en daarom eigen gebiedscriteria hebben. Op 4 maart 2014 heeft de (toenmalige) gemeente Oud-Beijerland de herziening van de Welstandsnota 'Welstandsnota gemeente Oud-Beijerland' vastgesteld. De doelstelling is een versoepeling en vereenvoudiging van het welstandsbeleid door welstandsvrije objecten aan te wijzen en de regels voor overige bouwwerken te versoepelen. Verder zijn recente wetswijzigingen in de nota verwerkt zodat deze weer up-to-date is. Tenslotte is de welstandsnota in twee delen gesplitst om deze toegankelijker te maken. 3.4.2.1 Beeldkwaliteitsplan Initiatiefnemer heeft in samenspraak met de gemeente Hoeksche Waard besloten een stap verder te gaan om de gewenste ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied te realiseren. In samenspraak met het bevoegd gezag is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan vervangt de Welstandsnota specifiek voor het plangebied dat met voorliggend bestemmingsplan wordt ontwikkeld.
Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 toegevoegd aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. 16
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Milieuzoneringen
De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de nieuwe bedrijvigheid (het parkeren) problemen oplevert voor de milieugevoelige functies in de omgeving (zoals wonen).
Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 1 richtafstandentabel VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering
Doorwerking plangebied Het plangebied kan gekenmerkt worden als "gemengd gebied" omdat zich binnen en rondom het plangebied zowel woningen als bedrijven bevinden. Dit betekent dat de richtafstanden uit de VNG-brochure met een stap naar beneden mogen worden bijgesteld. De richtafstanden tussen de gevoelige bestemming en de milieubelastende bestemmingen worden behaald waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geboden zonder de bedrijfsvoering van de bedrijven ten zuiden van het plangebied, dan wel de kerk te hinderen. Aanvullend onderzoek naar bijvoorbeeld de geluidsbelasting van deze bedrijven is in principe niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is hier overigens wel aandacht aan besteed middels een akoestisch onderzoek die in paragraaf 4.5 nader wordt toegelicht. Ter verduidelijking zijn de aanwezige bedrijven per windrichting nader beschreven: Ten noorden van het plangebied ligt een klein bouwvlak met de bestemming 'Bedrijf Nutsvoorziening'. Een nutsvoorziening geldt als een categorie 2 locatie. De kortste feitelijke afstand bedraagt circa 80 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale afstand van 10 meter die noodzakelijk is.
Ten oosten van het plangebied is een kerkgebouw gevestigd. Een kerk valt onder milieucategorie 2 vanwege het geluid dat uitgestoten wordt. De kortste feitelijke afstand tussen de kerk en gevoelige bestemmingen in het plangebied is ongeveer 14 meter. Daarmee wordt voldaan aan de minimale afstand van 10 meter die noodzakelijk is.
Ten zuiden van het plangebied ligt een bedrijventerrein waar bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 zoals genoemd in de staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Bedrijfsactiviteiten in categorie 3.1 en 3.2 zijn alleen toegestaan als ze naar aard, omvang en hinderuitstraling gelijk te stellen zijn met bedrijfsactiviteiten in categorie 2. De kortste feitelijke afstand tussen het bedrijventerrein en het plangebied bedraagt 19 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de minimale afstand van 10 meter die noodzakelijk is.
(ontwerp)
17
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Ten westen van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming waar bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 zoals genoemd in de staat van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Bedrijfsactiviteiten in categorie 3.1 en 3.2 zijn alleen toegestaan als ze naar aard, omvang en hinderuitstraling gelijk te stellen zijn met bedrijfsactiviteiten in categorie 2. De kortste feitelijke afstand tussen het bedrijventerrein en het plangebied bedraagt 15 meter. Daarmee wordt voldaan aan de minimale afstand van 10 meter die noodzakelijk is.
Afbeelding 6: Visuele projectie toekomstige woningen en invloedsgebieden omliggende bedrijven
18
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.2
Water
4.2.1
Rijksbeleid
Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert in het nieuwe NWP het waterbeleid op een aantal terreinen. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015 en opgenomen in de actuele versie van het NWP voor de periode 2016-2021; Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma).
Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP en de betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma's op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM) Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat.
Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
(ontwerp)
19
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Hoogheemraadschap Hollandse Delta Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Hollandse Delta. Het waterbeleid van dit waterschap is neergelegd in het waterbeheerprogramma 2016-2021. In het Waterbeheerprogramma (WBP) staan de doelen van het waterschap voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen, voldoende water, schoon water (inclusief de Europese Kaderrichtlijn Water) en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater).
Afbeelding 7: Doelenboom waterbeheerprogramma Het waterschap Hollandse Delta is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door nieuw verhard oppervlak tot afvoer te laten komen
Doorwerking plangebied Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. Deze paragraaf beschrijft de huidige watersituatie in het plangebied. Daarnaast legt het vast aan welke watereisen ontwikkelingen, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, moeten voldoen. Het doet dit door ruimtelijke plannen onder meer te toetsen aan " hydrologisch neutraal" conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening.
Bestaande situatie In de huidige situatie is in het plangebied 10.612m² verhard oppervlak aanwezig. Alle waterafvoeren zijn aangesloten op het gemengde stelsel ter plaatse. Er is niet tot nauwelijks sprake van infiltratie Grenzend aan het plangebied is aan de westzijde een hoofdwatergang aanwezig.
20
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
Afbeelding 8: bestaande verharding plangebied
Toekomstige situatie Er is sprake van een herontwikkeling waarbij de bestaande inrichting volledig wordt verwijderd. De school en de bedrijfsbebouwing komen te vervallen net als alle bij deze gebouwen behorende bestrating. Er worden 54 nieuwbouw woningen gerealiseerd met bijbehorende bovenwijkse voorzieningen. De Jan Lievenslaan wordt rechtgetrokken. Het totale verharde oppervlak bedraagt in de nieuwe situatie 11.042 m²
Afbeelding 9: Toekomstige verharding plangebied
(ontwerp)
21
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Hydrologisch Neutraal bouwen Allereerst dient voorkomen te worden dat het hemelwater vervuild wordt. Vervuiling zal worden voorkomen door het gebruik van duurzame niet uitlogende bouwmaterialen. Dit wordt getoetst bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Verder zullen in alle standleidingen bladvangers worden aangebracht. Bij hydrologisch neutraal bouwen wordt door het waterschap gekeken naar de toename van het verharde oppervlak. Dat is in dit geval 430 m². De grens voor de vergunningplicht ligt bij een toename van 500 m² zodat er geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. De omvang van de verhardingstoename is dermate klein dat er geen effect op de waterhuishouding wordt verwacht.
Watertoets
Huidige situatie
Beoogde situatie
Toename
Verhard oppervlak (m2 )
10.612
11.042
430
Vrijstelling aanlegvergunning (m2)
500
Compensatieplicht
-70
Tabel 2: Verharding plangebied (oude vs nieuwe situatie)
Convenant klimaatadaptief bouwen De gemeente gaat uit van het convenant klimaatadaptief bouwen. Volgens dit convenant dient er 50 mm water in het plan geborgen en geïnfiltreerd te worden. Bij een toename van 430 m² aan verhardingen komt dit neer op een bergingsopgave van 21,5 m³. Daarnaast moet er volgens het convenant 50% van de neerslag in het plangebied infiltreren. De totale verharding in het gebied beslaat 62,6% van de oppervlakte. Om 50% van de neerslag in het gebied te houden dient 17.628 = 8.814 m² onverhard te blijven of deels te worden aangesloten op een infiltratievoorziening. De totale verharding bedraagt 11.042 m². Hieruit volgt dat 2.228 m² van de verhardingen af moet wateren op de bodem. In de praktijk zal dit gehaald worden doordat de terrassen in de tuinen van de bewoners afwateren op eigen grond. Het gaat hier dan om 2.436 m². Omdat hierbij geen rekening gehouden hoeft te worden met extreme buien kan de grond dit normaal gesproken goed aan. Teneinde te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen dient het regenwater volgens het drietrapsbeleid vasthouden-bergen-afvoeren te worden bekeken. Vasthouden van een klein deel van het hemelwater op de locatie is mogelijk. Binnen het plangebied kunnen in de openbare ruimte voorzieningen gemaakt worden waarin water geborgen kan worden.
De terrassen in de tuinen wateren af op eigen grond zodat het water hier langzaam de bodem in trekt.
Bergen van hemelwater. De bergingsopgave voor extreme buien bedraagt 21,5 m³. Hiertoe kan in het openbaar groen een gebied van ca 80 m², 30 cm verlaagd worden aangelegd. Hierop dient dan tenminste 430 m² verhard oppervlak te worden aangesloten.
Afvoeren door infiltreren. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de grondslag ter plaatse vooral kleihoudend en zwak ziltig is. Deze grond is slecht doorlatend.
22
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Conclusies watertoets 1. Het plan leidt niet tot strijdigheid met belangen van het waterschap; 2. De bergingsopgave bedraagt 21,5 m³ en deze kan en zal in het plan worden gerealiseerd; 3. Voldaan kan worden aan de eis dat 50% van de jaarlijkse neerslag in het plangebied blijft; 4. De grondslag in het gebied bestaat uit klei met een doorlatendheid die < 1,0 m/dag. Infiltratie is hierdoor slechts beperkt mogelijk. Er kan middels infiltratie niet voldaan worden aan de vereiste ledigingstijd van tenminste 24 h en ten hoogste 48 h. 5. Indien gekozen wordt voor een open, bovengrondse waterberging dan dient door het bevoegd gezag geaccepteerd te worden dat deze meerdere dagen onder water kan staan; 6. Indien bovenstaande niet acceptabel wordt geacht dan zal een ondergrondse voorziening gerealiseerd worden met een vertraagde afvoer van 2 l/s. 7. Bij de bouw van de woningen moeten materialen gebruikt worden die op grond van het besluit bodemkwaliteit zijn toegestaan en daardoor geen bovenmatige verontreiniging van de bodem en het hemelwater kunnen veroorzaken. De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met het waterschap Hollandse Delta. Uit dit overleg (d.d. juni 2020) is gebleken dat er geen watervergunning nodig is en dat het waterschap geen bezwaar heeft tegen de beoogde ontwikkeling.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
23
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.3
Ecologie
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.
Doorwerking plangebied Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is een toets aan de natuurwetging noodzakelijk. De eerste stap van een natuurtoets bestaat uit een quickscan flora en fauna. Aanvullend op de quickscan flora & fauna heeft een aanvullende schouw plaatsgevonden binnen het plangebied. Het samengevoegde rapport is toegevoegd als bijlage 2 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit het onderzoek kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Ter verduidelijking wordt het plangebied onderverdeeld in de Langeweg 10, het groen in en direct rondom het plangebied en het schoolgebouw & garagebedrijf. Conclusie Quickscan Flora & Fauna & Aanvullende schouw Langeweg 10 Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van plangebied Lievenshof te Oud-Beijerland, wordt geconcludeerd dat de bungalowwoning (Langeweg 10) als verblijfplaats voor vleermuizen potentieel geschikt is. Ook is het voorkomen van huismussen niet geheel uit te sluiten. Ter plaatse dient derhalve aanvullend onderzoek naar zowel de vleermuis als de huismus uitgevoerd te worden. Planologisch wordt de bescherming van deze soorten geregeld middels een sloopvergunning. Deze sloopvergunning is opgenomen in artikel 4.6 van de regels.
Groen in en direct rondom het plangebied Tevens kan niet worden uitgesloten dat zich in het groen in en direct rondom het plangebied, in de broedperiode nesten van algemene vogelsoorten bevinden. Het rooien van het groen dient derhalve buiten het broedseizoen plaats te vinden. In het voorjaar van 2021 wordt het groen in en direct rondom het plangebied nogmaals gecontroleerd op de aanwezigheid van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten. Op basis van de reeds uitgevoerde onderzoeken wordt de kans op vleermuizen en/of jaarrond beschermde nesten zeer klein geacht. Schoolgebouw en garagebedrijf Ter plaatse van het schoolgebouw en het garagebedrijf worden op basis van de quickscan en de aanvullende schouw geen beschermde soorten verwacht. Aanvullend onderzoek is hier dan ook niet noodzakelijk.
24
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.4
Stikstofdepositie
Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).
Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in geval van een beroep). Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de realisatiefase als de gebruiksfase doorgerekend te worden.
Doorwerking plangebied Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is een stikstofberekening noodzakelijk. Zowel de gebruiksfase als de realisatiefase dient in kaart gebracht te worden. Het rapport is toegevoegd als bijlage 3 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit het onderzoek kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Conclusie Aerius - berekening In dit onderzoek zijn voor de sloop van bestaande bebouwing en terreinverhardingen gevolgd door de herinrichting en bouw van 54 woningen in plangebied Lievenshof te Oud Beijerland de te verwachten stikstofdeposities ter plaatse van Natura 2000-gebieden berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat er in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase op geen van de Natura 2000-gebieden een stikstofdepositie optreedt die groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Op grond van de depositie van stikstof is er geen reden het initiatief te belemmeren. Op grond van de beoordelingssystematiek hoeft er geen vergunning in het kader van de Wnb te worden aangevraagd.
(ontwerp)
25
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.5
Geluid
Wegverkeer In de Wet geluidhinder is bepaald dat het bevoegd gezag bij vaststelling van een bestemmingsplan de wettelijke grenswaarden in acht moet nemen. Toetsing aan de ten hoogste toelaatbare belasting van de Wet geluidhinder vindt plaats per weg. Het geluidsniveau ten gevolge van het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten, zoals nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorheen: voorkeursgrenswaarde). Deze bedraagt 48 dB, indien dit geluidsniveau wordt overschreden kan de gemeente een hoger geluidsniveau toestaan de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag enkel worden verleend, indien uit akoestisch onderzoek is gebleken dat bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen om het geluidsniveau terug of onder de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te brengen niet mogelijk is. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens.
Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen – vastgelegd in eerder genomen besluiten – blijven gelden. Spoorverkeerslawaai Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de geluidszone van een spoorweg valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (Wgh artikel 77). Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarde genoemd in de Wgh, of indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen om hogere waarden vast te stellen. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.
Luchtverkeerslawaai Op grond van artikel 8.30a van de Wet luchtvaart stelt de minister elk vijfde kalenderjaar een geluidsbelastingkaart vast. Die heeft betrekking op de geluidsbelasting overdag (Lden) en 's nachts (Lnight)) veroorzaakt door de luchthaven op woningen en bij Algemene Maatregel van Bestuur aan te wijzen categorieën van andere geluidgevoelige gebouwen.
Doorwerking plangebied Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 4 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit het onderzoek kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren van een belastende industrie (paragraaf 4.1), een spoorweg en/of luchtvaartverkeer. Zoals in paragraaf 4.1 ook toegelicht wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel ingegaan op industrielawaai.
26
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Wegverkeerslawaai Gevels Uit de berekeningsresultaten blijkt op de gevels van de nieuwe woonbestemming een geluidbelasting wegverkeerslawaai van ten hoogste 65 dB. Daar waar de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden worden dove gevels toegepast. In het akoestische onderzoek zijn de betreffende gevels weergegeven. In de resterende waarneempunten wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor verschillende gevels is een aanvraag 'hogere waarde' noodzakelijk, ook deze gevels worden in het akoestische onderzoek weergegeven. Met gevelmaatregelen moet het woon- en leefklimaat binnen de woningen worden gewaarborgd. Geluidsluwe buitenruimte De gemeente Hoeksche Waard stelt als aanvullende eis dat elke woning moet beschikken over een geluidluw gedeelte in de achter- of zijtuin. Uit de rekenresultaten blijkt dat bij een aantal gevels niet aan de eis met betrekking tot de geluidluwe gevel kan worden voldaan. In dat kader is een onderzoeksvariant opgesteld waarbij het wegdek van het westelijke deel van de Rembrandstaat (wegvak tussen rotonde en de Jan Lievenslaan) én de Jan Lievenslaan wordt voorzien van een geluidreducerend wegdek. De reductie van de geluidemissie van dit wegdek ten opzichte van de bestaande aanwezige klinkerbestrating is circa 5 dB.
Voor enkele waarneempunten, weergegeven in het akoestische onderzoek, is een aanvraag om een ‘hogere waarde’ na maatgelen noodzakelijk. Industrielawaai Aan de zuidzijde van het plangebied liggen op circa 19 meter afstand enkele bedrijven. Met betrekking tot de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (paragraaf 4.1) blijkt dat deze bedrijfsfuncties in de maximaal toegestane milieucategorie 2, voldoen aan richtafstanden voor milieuzonering. Indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden kan verdere toetsing en nader onderzoek achterwege blijven. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is toch een beknopte kwalitatieve inventarisatie gedaan naar de mogelijke geluidsbelasting van deze bedrijven. Hierbij is specifiek gekeken naar eventuele maximale geluidniveaus in de nachtperiode. Uit onderzoek blijkt dat er ter plaatse van de toekomstige woningen geen relevante geluidsbelasting ontstaat. Daarmee is zowel een acceptabel woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners als de bedrijfsvoering van de bedrijven voldoende geborgd.
Conclusie Ten aanzien van het gemeentelijke geluidbeleid beschikt, ondanks de extra geluidreducerende maatregelen niet elke woning over een volledig geluidluwe gevel op de twee en derde bouwlaag. In het plan zijn alle redelijkerwijs uit te voeren voorzieningen getroffen de geluidbelasting zo laag mogelijk te houden. Voor de tweede en derde bouwlaag van de woningen waar niet wordt voldaan, wordt een ontheffing conform hoofdstuk 3.8 Afwijking van het beleid noodzakelijk geacht. Het belang van woningbouw verantwoord afwijking van het gemeentelijke geluidbeleid. Toekomstige bewoners zullen bij de aankoop van de woning gewezen worden op het geluidsniveau en de genomen maatregelen. In het kader van de aanvraag bouwvergunning zal de vereiste karakteristieke geluidwering moeten worden getoetst. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid en vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
27
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof
4.6
Bodem
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten regels moeten stellen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels zijn nodig om voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Een historisch onderzoek kan worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem een planontwikkeling in de weg staat. Dit onderzoek kan aangevuld worden met een nader bodemonderzoek. Het is niet toegestaan om te bouwen op vervuilde grond. Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Bij het toepassen van grond en bagger hanteert dit besluit een toets. De bodem moet met de gebruiksfunctie in balans zijn. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. De bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu moet in balans zijn met gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Te denken valt aan woningbouw of het aanleggen van wegen. Er moet bij plannen rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Dit is bepaald in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.
Doorwerking plangebied Om de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan aan te tonen is het noodzakelijk om de bodemkwaliteit in kaart te brengen. Het plangebied is in het verleden en het heden mogelijk verontreinigd geraakt. Doelstelling van het onderzoek is vast te stellen of de bodemkwaliteit binnen het plangebied passend is bij een woonfunctie. Het plangebied kent verschillende gebruiken in de bestaande situatie. Ten aanzien van het bodemonderzoek is het plangebied derhalve opgedeeld in de 'Schoollocatie' en de 'Garagelocatie'. De rapporten van beide verkennende bodemonderzoeken zijn toegevoegd als (respectievelijk) bijlages 5 en 6 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. Beide verkennende bodemonderzoeken zijn aangevuld omdat bij nadere beoordeling van historische topografische kaarten is gebleken dat binnen het plangebied twee watergangen aanwezig zijn geweest. De betreffende watergangen zijn gedempt met onbekend materiaal waardoor de bodem ter plaatse verdacht is met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging. De aanvullende onderzoeken zijn toegevoegd als bijlages 7 en 8. In onderstaande paragraaf worden de conclusies uit de onderzoeken kort toegelicht, voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportages.
Conclusies verkennend en aanvullend bodemonderzoek 'Schoollocatie' Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Jan Lievenslaan 1 te Oud Beijerland, kadastraal bekend als gemeente Oud Beijerland, sectie C, nummers 5081 & 5082, blijkt dat: de kolengruis en baksteenhoudende bovengrond licht verontreinigd is met zware metalen, PAK en OCB; de ondergrond is licht verontreinigd met lood; in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond; in géén van de boringen ter plaatse van de gedempte watergang is dempingsmateriaal en/of verontreiniging aangetroffen. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van de bodem voldoende is voor de toekomstige woonfunctie. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is niet noodzakelijk. Tegen de toekomstige functie en woningbouw binnen het plangebied zijn geen milieuhygiënische bezwaren aan te voeren.
28
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Lievenshof Conclusies verkennend en aanvullend bodemonderzoek 'Garagelocatie' Uit de resultaten van het aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Rembrandtstraat 2 en Langeweg 10 te Oud Beijerland, kadastraal bekend als gemeente Oud Beijerland, sectie C, nummer 4580, blijkt dat: de bovengrond ter plaatse van de olieopslag in de container en de wasplaats met olieafscheider licht verontreinigd is met minerale olie. In het grondwater zijn geen verontreinigingen met minerale olie en BTEXN aangetoond; de puinlaag op het westelijk terreindeel niet verder noordelijk aanwezig is tot de lijn van de achtergevel. Aangezien het een puinverharding betreft is er geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De betreffende puinverharding dient voorafgaand aan de werkzaamheden afgevoerd te worden naar een erkende verwerker. Vooraf dient wel een melding verricht te worden aan het ILT; het grondwater ter plaatse van de inpandige olieopslag niet verontreinigd is met minerale olie en BTEXN; de ondergrond en het grondwater ter plaatse van het voormalige tankcluster niet verontreinigd zijn met minerale olie en/ of BTEXN; op het terreindeel rondom de woning de grond licht verontreinigd is met zware metalen en PAK.