De+Staat+Van+Het+Dier+2024+FINAL+H1+Aangepast
Tekst van het document
STAAT VAN HET DIER – 78
Werkdieren Met werkdieren bedoelen we dieren die primair gehouden worden om werk voor mensen te verrichten. Denk bijvoorbeeld aan waakhonden, speurhonden, assistentiehonden en politiepaarden. Of aan boerderijkatten die overlast van muizen moeten voorkomen. Het contact tussen mensen en deze dieren varieert sterk. Sommige boerderijkatten hebben nauwelijks contact met mensen; assistentiehonden staan soms 24 uur per dag ten dienste van mensen. Aaibare dieren Met aaibare dieren (dieren voor gezelschap) bedoelen we hanteerbare dieren zoals de meeste honden en katten, konijnen, cavia’s, hamsters, en sommige vogels zoals parkieten en papegaaien. Mensen kopen deze dieren primair omdat ze er sociaal contact mee willen hebben, als een gezinslid. Wij noemen in dit hoofdstuk een dier waar de eigenaar sociale interactie mee zoekt een aaibaar dier, ongeacht of het dier het nu wel of niet waardeert om geaaid te worden. Er is bij deze groep vaak veel contact tussen mens en dier, maar dat hoeft niet altijd. Fokdieren en kweekdieren Met fok- of kweekdieren bedoelen we dieren die primair gehouden worden om nakomelingen mee te produceren. Het kan daarbij gaan om het fokken van nakomelingen voor de verkoop. Of om nakomelingen te produceren met een specifiek (uiterlijk) kenmerk, door sportfokkers. Denk bijvoorbeeld aan raskatten, rashonden en raskonijnen, of siervogels en reptielen.
5.3 Intrinsieke waarde Het eerste principe is het erkennen van de intrinsieke waarde en de integriteit van dieren. Dit draait om respect voor de intrinsieke waarde van dieren als wezens met gevoel, wezens die pijn en plezier kunnen ervaren. In de praktijk betekent dit onder andere dat er geen onnodige lichamelijke ingrepen bij dieren uitgevoerd worden en dat er bij het selecteren van ouderdieren in de fokkerij rekening gehouden wordt met de gevolgen van die keuze voor de belangen van zowel de ouderdieren als hun nakomelingen.
79 – STAAT VAN HET DIER
Fascinatiedieren Fascinatiedieren worden vaak gehouden omdat mensen willen observeren hoe deze dieren leven. Lichamelijke ingrepen worden niet vaak uitgevoerd bij deze dieren. Wel worden er incidenteel ingrepen die de voortplanting verhinderen gedaan. Sportdieren en werkdieren Het grootste risico bij sport- en werkdieren is dat de belangen van dieren ondergeschikt gemaakt worden aan die van de betrokken mensen, zoals bijvoorbeeld prijzen winnen. Daarmee kan de intrinsieke waarde van de dieren in het geding komen. Dieren worden al eeuwenlang ingezet bij sporten, spellen, tradities, feesten, evenementen en andere activiteiten; dat kwam aan bod in de RDA-zienswijze Plezier voor mens én dier? uit 2023.2 Met de verschuivende relatie tussen mens en dier lijkt de maatschappij niet meer vanzelfsprekend te aanvaarden dat deze activiteiten soms nadelige gevolgen hebben voor dierenwelzijn. In die zienswijze concludeerden wij dat activiteiten die op geen enkele manier te verenigen zijn met de zes leidende principes op termijn afgebouwd zouden moeten worden. Bij het beoordelen van de dierenwelzijnsrisico’s voor sport- en werkdieren gaat het niet alleen om de activiteit zelf, maar ook om de trainingsmethoden en hulpmiddelen die bij de training gebruikt worden. Het is mogelijk dat die onvoldoende rekening houden met de intrinsieke waarde van de dieren.
Zo is het gebruik van stroombanden bij honden verboden en staat het gebruik van bijzetteugels of speciale bitten bij paarden ter discussie. Ook het op de juiste manier toepassen van trainingsmethoden en aandacht voor leerprincipes bij dieren zijn belangrijke aandachtspunten. Daarnaast hebben juryleden bij wedstrijdsporten soms een ideaalbeeld voor ogen dat niet overeenkomt met de biomechanische mogelijkheden van honden en paarden. Hierdoor worden soms trainingsmethoden en -middelen gebruikt om spectaculaire bewegingen te stimuleren omdat deze onnatuurlijke bewegingen hoge scores krijgen in wedstrijden. Denk bijvoorbeeld aan dressuurpaarden die hun benen onnatuurlijk hoog optrekken. Kennisontwikkeling of opleiding van juryleden op dit gebied is daarom een aandachtspunt bij sport- en werkdieren: wat is normaal voor een hond of paard; wat moet als referentie dienen?
STAAT VAN HET DIER – 80
Overigens hebben dieren ook de behoefte om te bewegen, vaak als onderdeel van hun soortspecifieke gedrag. Een zekere mate van training, werk of sport kan daarom bevorderlijk zijn voor het welzijn van de dieren. Denk bijvoorbeeld aan de werk- en drijflust van border collies. Als de eigenaar niet voldoende tegemoetkomt aan de werk- en bewegingsbehoefte van dit hondenras, heeft dit een nadelig effect op het welzijn van het dier. Aaibare dieren Bij aaibare dieren worden vaak lichamelijke ingrepen verricht die voortplanting voorkomen. Soms gebeurt dit om welzijnsproblemen bij de dieren zelf te voorkomen, zoals schijnzwangerschap of baarmoederontsteking. Of om te voorkomen dat vrouwelijke zwerfdieren steeds opnieuw nakomelingen krijgen. Soms worden deze ingrepen uitgevoerd om gedrag dat mensen onwenselijk vinden, te verminderen, zoals sproeien bij katers en loopsheid bij teefjes. Ook gedrag dat niet alleen door mensen als onwenselijk ervaren wordt, maar ook problemen bij de dieren zelf kan veroorzaken, zoals agressie bij reuen of rammelaars, kan een reden zijn. Het is belangrijk om een zorgvuldige afweging te maken voordat een dergelijke ingreep uitgevoerd wordt. Castreren van een hond alleen omdat de fokker niet wil dat er in de toekomst met het dier gefokt wordt, kan onwenselijk zijn wanneer alle belangen afgewogen worden.
Een ander potentieel risico voor de integriteit van aaibare dieren is een overdreven antropomorfe benadering, waarbij dieren als mensen behandeld worden. Mensen realiseren zich soms onvoldoende dat ze niet kunnen weten hoe een ander organisme zijn eigen leven ervaart. Dit werd besproken in het RDA-essay Liefde maakt blind uit 2021.3 Fokdieren en kweekdieren De integriteit van fok- en kweekdieren kan aangetast worden als er bij de fokmethode onvoldoende rekening gehouden wordt met het welzijn, inclusief de gezondheid, van de ouderdieren. Ook kunnen er nakomelingen gefokt worden met uiterlijke kenmerken die hun welzijn benadelen. In Staat van het Dier 2019 wezen we al op de risico’s bij het fokken van honden en katten, waarbij het welzijn en de integriteit van zowel ouderdieren als nakomelingen niet altijd gegarandeerd is. Ook bij bijvoorbeeld slangen en vogels kan dit spelen (zie hoofdstuk 9).
81 – STAAT VAN HET DIER
5.4 Diervoeding Fascinatiedieren en kweekdieren Het tweede principe draait om goede voeding. Dieren dienen de beschikking te hebben over voldoende water en voedsel van goede kwaliteit. Voor veel soorten fascinatiedieren en de bijbehorende kweekdieren is gespecialiseerde voeding beschikbaar. Als dat niet het geval is, moeten houders meer moeite doen om informatie te verkrijgen over de juiste hoeveelheid en samenstelling van het voer. Deze informatie is voor veel diersoorten op internet beschikbaar. Sportdieren, werkdieren, aaibare dieren en fokdieren Voor de andere diercategorieën is er meestal voldoende wetenschappelijke kennis over gezonde voeding beschikbaar. Ook is kwalitatief hoogwaardige voeding in Nederland bijna altijd eenvoudig verkrijgbaar. Toch kunnen ook bij sportdieren, werkdieren, aaibare dieren en fokdieren problemen rondom voeding voorkomen: • Eigenaren baseren de keuzen voor de voeding van hun dieren niet altijd op wetenschappelijk gefundeerde voedingsadviezen. Denk bijvoorbeeld aan trends zoals het voeren van veganistische voeding aan obligate vleeseters en het voeren van rauw vlees aan huisdieren, met infectiegevaar.
Een ander voorbeeld is te weinig ruwvoer verstrekken aan paarden om tijd te besparen; • Er wordt met de voeding en de wijze van voederen niet altijd voldoende tegemoetgekomen aan de behoefte aan kauwen, knagen en foerageren van dieren; • Over de voeding van diensthonden is wel wat informatie beschikbaar, maar die is niet volledig en wordt in de praktijk niet altijd toegepast; • Overvoeren van dieren kan leiden tot obesitas en gerelateerde gezondheidsproblemen; dit komt met name veel voor bij aaibare dieren; • Op het RDA-congres in april 2023 werden voedingsfouten bij hobbyvogels als een belangrijk aandachtspunt benoemd, vooral bij papegaaien en parkieten.4
STAAT VAN HET DIER – 82
5.5 Huisvesting Het derde leidende principe gaat over een goede leefomgeving. Dieren dienen de beschikking te hebben over een comfortabele, voldoende grote en veilige omgeving, met een goed leefklimaat. Denk bijvoorbeeld aan een omgevingstemperatuur (en temperatuurswisselingen) die geschikt is voor de betreffende dieren, frisse lucht en een circadiaan ritme. Fascinatiedieren Fascinatiedieren worden meestal in terraria of aquaria gehouden. Het creëren van een zo natuurgetrouw mogelijke omgeving in dergelijke verblijven is een uitdaging voor eigenaren en kan niet altijd voldoende gerealiseerd worden. Sommige vissen, schildpadden en andere herpeten (amfibieën en reptielen) stellen op latere leeftijd aanzienlijk hogere eisen aan hun huisvesting, bijvoorbeeld aan de grootte van het verblijf. Dat vraagt om aanpassingen die wellicht niet voor alle houders haalbaar zijn. Aaibare dieren Sommige aaibare dieren, zoals honden en katten, worden vrij in huis gehouden. De huisvesting van deze dieren is over het algemeen geschikt; ze hebben meestal voldoende ruimte. Toch kan ook in dit geval de huisvesting ongeschikt zijn, bijvoorbeeld wanneer er veel grote honden of meerdere katten in een klein appartement gehouden worden. Of wanneer katten die gewend zijn naar buiten te kunnen, plotseling volledig binnengehouden worden.
Voor honden is het bovendien belangrijk dat ze regelmatig en voldoende lang uitgelaten worden. Andere aaibare dieren, zoals konijnen en cavia’s, worden in een afgeschermd verblijf in huis of in de tuin gehouden. De situatie voor deze categorie dieren is vergelijkbaar met die van fascinatiedieren. Konijnen en cavia’s moeten onder andere kunnen bewegen, knagen en rusten. Hun huisvesting moet op die behoeften afgestemd zijn. Bovendien zijn konijnen en cavia’s sociale dieren, die niet alleen gehouden moeten worden. Konijnen en cavia’s worden regelmatig in een te kleine omgeving en solitair gehouden, wat hun welzijn aantast.5 Hamsters daarentegen leven in de natuur vaak solitair of in kleine familiegroepen. Groepshuisvesting kan bij deze dieren tot ernstige verwondingen leiden. Een goede voorlichting over de behoeften van een diersoort bij aankoop is en blijft van groot belang, zoals ook
83 – STAAT VAN HET DIER
bepaald in artikel 3.17 lid 1 van het Besluit houders van dieren: ‘Bij de verkoop of aflevering van een gezelschapsdier, wordt aan een koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt schriftelijke, of indien de koper of degene aan wie de aflevering plaatsvindt daarmee instemt, digitale informatie over het verkochte of afgeleverde gezelschapsdier verstrekt teneinde hem in staat te stellen het gezelschapsdier zo goed mogelijk te verzorgen.’6 Fokdieren en kweekdieren Bij dieren die gehouden worden voor fok- of kweekdoeleinden, kan het voorkomen dat de fokker of kweker een houderijsysteem gebruikt dat efficiënt is, maar niet alle behoeften van de dieren vervult. Denk bijvoorbeeld aan teefjes of dekkaters die, soms in grote aantallen, in een schuur gehouden worden. Bedrijfsmatige fokkers of kwekers staan geregistreerd en worden gecontroleerd door de Nederlandse Voedselen Warenautoriteit (NVWA), waarbij de huisvesting een belangrijk aandachtspunt is. Dit geldt echter niet voor particuliere fokkers en kwekers.
5.6 Diergezondheid Het vierde leidende principe gaat over diergezondheid: dieren verdienen de juiste behandeling en verzorging om een goede gezondheid te waarborgen en pijn, verwondingen en ziekten te voorkómen. De kwaliteit van de geboden gezondheidszorg hangt af van de kennis van de eigenaar en de adviezen van geconsulteerde deskundigen zoals dierenartsen. Daarnaast hangt de geboden zorg ook af van de bijbehorende kosten en van de vraag of de eigenaar hiervoor verzekerd is, als die mogelijkheid bestond. Fascinatiedieren Binnen de Nederlandse diergeneeskundeopleiding wordt relatief weinig aandacht besteed aan ‘bijzondere dieren’, dat wil zeggen andere gezelschaps- en hobbydieren dan honden, katten en paarden. Hierdoor heeft een reguliere dierenarts meestal beperkte specifieke kennis over zulke dieren. Er zijn in Nederland ook dierenartsen die in bijzondere dieren gespecialiseerd zijn. Veel verenigingen voor bijzondere dieren (specialistenverenigingen) hebben lijsten van dierenartsen die in ‘hun’ diersoort gespecialiseerd zijn. Het raadplegen van zo’n gespecialiseerde dierenarts vraagt echter wel een extra inspanning van de eigenaar.
STAAT VAN HET DIER – 84
Bepaalde diergeneesmiddelen, inclusief die voor herpeten, vissen en vogels, zijn niet zonder tussenkomst van een dierenarts verkrijgbaar. Bovendien neemt de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen voor specifieke diergroepen af. Er is bijvoorbeeld een nieuwe registratieprocedure aangekondigd voor (niet-recept plichtige) diergeneesmiddelen voor bepaalde soorten gezelschapsdieren. Ook zal de overgangstermijn voor antimycotica en antiprotozoaire middelen aflopen, waardoor deze middelen verminderd beschikbaar zullen zijn. En er komt er een einde aan de overgangstermijn voor de zogenaamde Vijf grams regeling.7 Die regeling maakt het mogelijk om bepaalde diergeneesmiddelen voor specifieke diergroepen vrij te verkopen. Denk bijvoorbeeld aan antibiotica en antiparasitica. Door de inperking van deze regeling komt er meer toezicht op het gebruik van deze middelen. Eigenaren zullen hierdoor na 2027 nog maar beperkte mogelijkheden hebben om vogels en exotische dieren zelf te behandelen. Dit alles kan een risico vormen voor de gezondheid van deze dieren. De gezondheid en het welzijn van gehouden vogels, vooral van hobbymatig gehouden hoenderachtigen, maar ook bepaalde watervogels en loopvogels, is de afgelopen jaren beïnvloed door de grootste uitbraak van vogelgriep tot nu toe. Ook hobbymatig gehouden hoenders kunnen ziek worden.
Bovendien moeten hobbyvogels soms afgeschermd worden van de wilde vogelpopulatie.8 Door deze afschermplicht kan de bewegingsvrijheid van de vogels, en daarmee hun welzijn, beperkt worden. Sportdieren, werkdieren en aaibare dieren Diergezondheidsproblemen kunnen ontstaan door infectieziekten, voedingsfouten, blootstelling aan toxische stoffen, trauma, erfelijke ziekten of schadelijke uiterlijke kenmerken. Veel infectieziekten kunnen door effectieve vaccinatieprogramma’s voorkomen worden. Voedingsfouten kunnen gebitsproblemen veroorzaken bij knaagdieren en konijnen, bijvoorbeeld door een tekort aan ruwvoer. Voedingsfouten kunnen ook tot obesitas leiden, bijvoorbeeld bij honden en katten. Trauma of blootstelling aan toxische stoffen veroorzaken relatief weinig problemen bij gezelschaps- en hobbydieren. De meeste gezondheidsproblemen bij honden en katten zijn gerelateerd aan schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen (zie hoofdstuk 9). Veel van deze ziekten en aandoeningen veroorzaken langdurige problemen en de behandelingen gaan vaak gepaard met hoge kosten.
85 – STAAT VAN HET DIER
Een ander risico voor de diergezondheid, en daarmee voor dierenwelzijn, zou kunnen zijn dat eigenaren de kosten voor diergeneeskundige zorg niet willen of niet kunnen dragen. Dit probleem vraagt extra aandacht door de toenemende armoede in Nederland.9 Er bestaan initiatieven zoals voedselbanken voor huisdieren en mogelijkheden voor financiële ondersteuning voor de kosten van diergeneeskundige hulp. Het effect van armoede op het houden en verzorgen van dieren en het risico op een aantasting van dierenwelzijn vraagt om een verdere verkenning (zie ook hoofdstuk 8). Bij werk- en sportdieren zijn er enkele specifieke aandachtspunten op het gebied van diergezondheid. Diergeneeskundige zorg kan bij werk- en sportdieren op een zodanige manier ingezet worden dat het gezondheidsproblemen maskeert, waardoor de dieren bijvoorbeeld onterecht door de sportkeuring komen en aan wedstrijden mee kunnen doen. Dit speelt onder andere in de paardensport. Bovendien is er mentale en fysieke training van de dieren nodig, waarbij voldoende aandacht moet zijn voor de trainingsopbouw, om het werk of de (top)sport te kunnen verrichten. Bij de paardensport is de laatste jaren meer aandacht voor het opstellen van trainingsschema’s, maar bij de hondensport en diensthonden is er nog onderzoek nodig naar verantwoorde en effectieve trainingsschema’s.
Fokdieren Het is belangrijk dat fokdieren vrij zijn van erfelijke ziekten en schadelijke uiterlijke kenmerken, niet alleen voor hun eigen gezondheid, maar ook voor de gezondheid en het welzijn van hun nakomelingen. Een aanzienlijk deel van de aandoeningen bij gezelschapsdieren heeft een erfelijke basis. Daarom is het selecteren van fokdieren die vrij zijn van schadelijke erfelijke kenmerken en erfelijke ziekten cruciaal. Een voorbeeld van zo’n schadelijk uiterlijk kenmerk is kortschedeligheid (brachycefalie), wat onder andere ademhalingsproblemen, oogbeschadigingen en gebitsproblemen kan veroorzaken. Bij verschillende diersoorten, waaronder honden, katten en konijnen, veroorzaakt kortschedeligheid gezondheidsproblemen. Naast deze zichtbare schadelijke kenmerken zijn erfelijke ziekten wijdverspreid bij veel honden- en kattenrassen. Door inteelt kan een ziekte veroorzakende genetische mutatie zich sterk binnen de populatie verspreiden (zie ook hoofdstuk 9).
STAAT VAN HET DIER – 86
Bij fokkers kan specifieke kennis omtrent dierziekten en genetica ontbreken. Het populatiebeheer door fokkerijorganisaties is vaak niet primair gericht op gezondheid en het behoud van genetische diversiteit. Een positieve uitzondering vormt de fokkerijorganisatie voor het Nederlandse kooikerhondje. Voor dit ras is met medewerking van de fokkerijorganisatie in februari 2024 het platform Fit2Breed geïntroduceerd.10 Via dit platform worden alle beschikbare gegevens op het gebied van afstamming, gezondheid, DNA-testen en genetische diversiteit gecombineerd. De informatie wordt toegepast om erfelijke ziekten tegen te gaan en genetische diversiteit te behouden.10 Het platform is wetenschappelijk doorontwikkeld en is in principe toepasbaar voor alle dierpopulaties (rashonden, kruisingen, katten, paarden, et cetera). Dit biedt kansen voor de toekomst.
5.7 Natuurlijk gedrag Het vijfde leidende principe richt zich op het faciliteren van natuurlijk gedrag bij dieren. Vaak gaat het dan om interacties met de omgeving, andere dieren of mensen. Bij interactie met de omgeving is het belangrijk dat dieren voldoende mogelijkheden hebben om hun essentiële natuurlijke gedragingen te vertonen en hun behoeften te vervullen, zoals rusten, eten, drinken, ontlasten, urineren, zelfverzorging, exploratie, thermoregulatie, veiligheid, gezondheid, beweging, nestbouwgedrag en maternaal gedrag. Voor interacties met andere dieren is het belangrijk dat dieren voldoende mogelijkheden hebben om sociaal gedrag, reproductie en seksueel gedrag te vertonen. Bij interacties met mensen is het van belang dat deze positief verlopen, dat de cognitieve vermogens van dieren niet over- of onderschat worden, en dat er bij het hanteren, trainen en werken met dieren aandacht aan gedragssignalen besteed wordt en leerprincipes toegepast worden. Fascinatiedieren Bij fascinatiedieren is het de vraag of de huisvesting, inclusief de inrichting ervan, voldoende mogelijkheden biedt voor het uitvoeren van natuurlijk gedrag. Zo kunnen vogels bijvoorbeeld niet voluit vliegen in een volière. De exploratiemogelijkheden zijn ook vaak beperkt; de inrichting blijft meestal lange tijd onveranderd.
Voor vogels, met name kromsnavels, is er veel wetenschappelijk bewijs dat zij behoefte hebben aan exploratie en voedselverrijking.11 Naar de behoeften van herpeten en vissen is minder onderzoek gedaan, waardoor het minder duidelijk is in hoeverre zij
87 – STAAT VAN HET DIER
bijvoorbeeld behoefte hebben aan exploreren of jagen. Door de huisvesting zoveel mogelijk aan te passen aan de natuurlijke omgeving van de dieren kan het risico dat niet aan hun behoeften voldaan wordt, verminderd worden. Hoewel er door de meeste eigenaren veel aandacht besteed wordt aan de kwaliteit van voeding voor fascinatiedieren, wordt deze meestal op een eenvoudige en soms eenzijdige manier aangeboden. Bij vogels kan dit leiden tot tekorten aan voedingsstoffen of verveling. Sportdieren en werkdieren Bij sport- en werkdieren wordt lang niet altijd voldoende aandacht besteed aan mogelijkheden voor interacties met de omgeving, andere dieren en mensen. Paarden zijn van nature kuddedieren en zouden niet individueel gehouden moeten worden. Toch worden zij in de praktijk vaak zodanig gehuisvest dat er weinig tot geen fysiek contact met andere paarden kan zijn. Hoewel ze elkaar soms wel kunnen zien, ontbreekt het vaak aan mogelijkheden voor groomen (elkaar krabbelen, bijten), spelen of samen rusten. Veel Nederlanders lijken te beseffen dat groepsdieren niet solitair gehouden moeten worden. In onze publieksenquête was 46% het bijvoorbeeld (helemaal) eens met de stelling dat een paard nooit alléén in een stal of wei zou mogen staan.
Aaibare dieren Bij aaibare dieren bestaat er een breed spectrum, waarbij het ene dier redelijk natuurlijk gedrag kan vertonen, bijvoorbeeld een buitenkat, terwijl het andere dier dit totaal niet kan, bijvoorbeeld een konijn dat solitair in een hok gehuisvest wordt. Een van de belangrijkste risico’s bij aaibare dieren is dat de dieren gehouden worden om te voldoen aan de behoeften van de eigenaar, waarbij onvoldoende rekening gehouden wordt met de sociale behoeften van het dier. Binnen een soort kunnen er rasspecifieke behoeften zijn, zoals bij de border collies die we al eerder noemden. Wanneer er niet voldoende voorzien wordt in de hoge activiteitsbehoefte van dit hondenras, kunnen er gedragsproblemen ontstaan. Nederland heeft een beperkt aantal losloopgebieden voor honden. Het vrij kunnen rondrennen en spelen, en daarmee energie kwijt kunnen, past goed in het natuurlijk gedragsrepertoire van honden. Honden los laten lopen heeft echter ook impact op de natuur en de dieren die daarin leven. (Aangelijnd uitlaten overigens ook.)
STAAT VAN HET DIER – 88
Nederland heeft niet onbeperkt de ruimte. Cruciaal is de vraag hoe mensen en dieren zich tot elkaar moeten verhouden binnen de beperkte ruimte die beschikbaar is in ons land. Houders van dieren lijken zich steeds meer realiseren dat dieren (gedrags-) behoeften hebben, zich kunnen vervelen en pijn kunnen voelen. Zij houden daar steeds meer rekening mee. Op het gebied van voedselverrijking voor aaibare dieren zijn bijvoorbeeld grote stappen gemaakt. Voor vrijwel alle soorten aaibare dieren is geschikte voedselverrijking beschikbaar, zoals hooiballen voor konijnen en voerpuzzels voor honden en kromsnavels. Of door de houders van de dieren ook daadwerkelijk gebruik gemaakt wordt deze mogelijkheden, is van veel factoren afhankelijk.
5.8 Positieve emotionele toestand Het zesde principe draait om het faciliteren van een overwegend positieve emotionele toestand bij dieren. De balans tussen positieve en negatieve ervaringen moet positief uitvallen. Daarvoor is het noodzakelijk dat dieren keuzemogelijkheden krijgen en enige autonomie om hun eigen voorkeuren te volgen. Ook verrijking en enige controle over hun omgeving zijn belangrijk. Dieren moeten in staat zijn om te reageren op veranderingen in hun sociale en fysieke omgeving. Bij gezelschaps- en hobbydieren kan vooral de interactie met mensen en andere dieren zorgen dat zij meer positieve dan negatieve ervaringen opdoen. Het is daarom essentieel dat een eigenaar kennis en kunde heeft over diergedrag, de manier waarop dieren leren en het trainen van dieren. Op die manier kan het dier zijn omgeving inclusief de interactie met andere dieren en mensen als overwegend positief ervaren, a life worth living. Uit de resultaten van onze publieksenquête blijkt dat veel Nederlanders positief oordelen over het welzijn van gezelschapsdieren. Met heel veel gezelschapsdieren gaat het ook goed. Maar in sommige situaties is nog aandacht nodig om voor deze dieren tot a life worth living te komen. Denk bijvoorbeeld aan: • Er worden steeds meer zwerfhonden uit het buitenland geïmporteerd om als huishond in Nederland te houden.
Sommige van deze honden kunnen zich slecht aanpassen aan de nieuwe situatie. Als honden door onder andere een slechte socialisatie voortdurend angstig zijn, heeft dit een negatief effect op hun welzijn.
89 – STAAT VAN HET DIER
•
•
Ook bij dieren die in Nederland gefokt of gekweekt zijn, zijn er diverse factoren die bepalen of het dier een positieve emotionele toestand kan bereiken. Denk bijvoorbeeld aan de selectie van de ouderdieren, prenatale invloeden zoals stress bij het moederdier, verloop van de bevalling, zorg voor de nakomelingen door het moederdier, socialisatie en vroege opvoeding van de jongen. Als een hondenfokker hier onvoldoende aandacht aan besteedt, kan dit tot problemen zoals langdurige onzindelijkheid, angst en agressie leiden. Wanneer een nieuwe eigenaar dan onvoldoende kennis heeft over hondengedrag, kan dit de emotionele toestand van de dieren verder negatief beïnvloeden, waardoor bijvoorbeeld agressie kan ontstaan, met eventueel bijtincidenten tot gevolg. Vuurwerk kan bij zowel gehouden als niet-gehouden dieren heftige angst en paniek veroorzaken. Vooral omdat het licht, het geluid en de rook onverwachts komen en onvoorspelbaar zijn, en dus de veilige leefomgeving van dieren aantasten. Vuurwerk veroorzaakt daarmee een kortdurende maar zeer heftige negatieve emotionele toestand bij heel veel dieren. Bij sommige dieren kan vuurwerk tot langdurige, soms heftige, angstklachten leiden, zoals angst voor geluiden. Wij vinden het belangrijk dat dit aspect meer nadruk krijgt in discussies over het al dan niet instellen van een (gedeeltelijk) vuurwerkverbod.
5.9 Conclusie In dit hoofdstuk hebben we een eerste poging gedaan om de zes leidende principes toe te passen op het houden van gezelschaps- en hobbydieren. Op basis hiervan trekken we nu enkele voorlopige conclusies, waarbij we ons richten op manieren om het voor deze dieren nog beter te maken. Zes leidende principes Voor principe 1, het erkennen van de intrinsieke waarde en integriteit van dieren, concluderen wij dat veel gezelschaps- en hobbydieren een goed leven lijken te leiden, maar dat er specifieke situaties zijn waarin meer aandacht voor de intrinsieke waarde van deze dieren nodig is. Denk bijvoorbeeld aan fokbeleid en training. Bij lichamelijke ingrepen bij dieren is het altijd belangrijk om alle verschillende belangen zorgvuldig af te wegen.
STAAT VAN HET DIER – 90
Voor principes 2-4 lijkt het zinvol om de risico’s met betrekking tot voeding, huisvesting en gezondheid diepgaander te inventariseren voor de verschillende diercategorieën. Denk bijvoorbeeld aan de vraag of informatie voldoende ontsloten is, de redenen dat beschikbare kennis niet altijd toegepast wordt en de vraag of de kosten van het houden en verzorgen van gezelschaps- en hobbydieren voldoende in beeld zijn bij potentiële eigenaren. Daarbij moeten de financiële zorgen van een groeiende groep Nederlanders en de mogelijkheden van huisdierenverzekeringen ook meegenomen worden. Bij sportdieren is extra aandacht nodig voor de trainingsmethoden- en programma’s, waarbij de fysieke training zorgvuldig opgebouwd dient te worden en de voeding daarop aangepast moet worden. Ook moet ingezet worden op het voorkómen van ongelukken en blessures, en het tegengaan van het verbergen van gezondheidsproblemen om toch aan trainingen of wedstrijden deel te kunnen nemen. Bij alle diercategorieën verdienen de genoemde aandachtspunten voor de diergezondheidszorg een verdere verkenning. Denk bijvoorbeeld aan de beschikbaarheid van diergeneesmiddelen of praktische en veilige behandelingsmogelijkheden zonder tussenkomst van een dierenarts.
Voor principes 5 en 6 is een verkenning nodig van de betekenis en invulling van ‘natuurlijk gedrag’ en ‘positieve emotionele toestand’ bij gezelschaps- en hobbydieren. Op diverse gebieden zal waarschijnlijk meer onderzoek nodig zijn, bijvoorbeeld naar de (soortspecifieke) eigen belangen van dieren, de behoeften van dieren op het gebied van natuurlijk gedrag en methoden om te zorgen dat interacties met mensen als positief ervaren worden, of manieren om een positieve emotionele toestand te bereiken. Voorbeelden van openstaande vragen zijn: • De gedragsbehoeften van dieren die duizenden jaren geleden gedomesticeerd zijn, zijn deels nog onbekend. In hoeverre komen de gedragsbehoeften van honden bijvoorbeeld nog overeen met die van wolven? • Wat zijn de belangrijkste welzijnsrisico’s bij gezelschaps- en hobbydieren? Zijn daar verschillen tussen de diverse diercategorieën die wij in dit hoofdstuk besproken hebben? • Worden bepaalde problemen hoofdzakelijk veroorzaakt door de motivatie van de dierhouder, diens beschikbare middelen en de beschikbaarheid van, al dan niet specialistische, diergeneeskundige zorg? Of zijn de problemen voornamelijk gerelateerd aan de keten? En welke oplossingen zijn er dan mogelijk?
91 – STAAT VAN HET DIER
Ketenbenadering Het is zinvol om de gehele keten rondom het houden van gezelschaps- en hobbydieren te evalueren, om te identificeren waar eenvoudig winst te behalen is op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. Hiermee kunnen elementen van de keten die momenteel onvoldoende aandacht krijgen, in beeld gebracht worden. Denk bijvoorbeeld aan onderwerpen zoals fokkerij, erfelijke aandoeningen, voeding, het voorkómen van gezondheidsproblemen gerelateerd aan obesitas, de overgang van een curatieve naar een preventieve benadering, en de betaalbaarheid van diergeneeskundige zorg. Drie concrete voorbeelden zijn: • Bij bepaalde gezelschapsdieren, met name honden en katten, komen relatief veel erfelijke gebreken voor (zie hoofdstuk 9). Het is relevant om te verkennen welke rol dierenartsen en andere professionals kunnen spelen bij een overgang van een curatieve naar preventieve benadering van diergezondheid. Dat wil zeggen, van het behandelen van erfelijke aandoeningen met medicijnen of chirurgie naar het voorkómen van deze aandoeningen door het begeleiden van fokkers en het informeren van eigenaren. Ook de beweegredenen van fokkers en de rol die sommigen van hen spelen bij het in stand houden van erfelijke aandoeningen, vereist een nadere verkenning.
De haalbaarheid van diverse preventieve maatregelen kan wellicht beoordeeld worden met een enquête onder dierenartsen, fokkers en consumenten; • Het is ook relevant om andere risico’s bij het fokken van gezelschaps- en hobbydieren in kaart te brengen, en maatregelen die genomen kunnen worden om deze risico’s te verminderen. Denk bijvoorbeeld aan het fokken van honden met risicovol gedrag, zoals agressie. Op dit moment is er opnieuw aandacht voor bijtincidenten: wat zijn de relevante ontwikkelingen in dit verband? 12 Hoe staat het met het kennisniveau van fokkers en wat drijft hen precies? En hoe zit dat met eigenaren? Met DNA-onderzoek is het tegenwoordig mogelijk om vast te stellen welke rassen betrokken zijn bij een kruising; kan dit wellicht helpen om het aantal bijtincidenten te verminderen? • Hoe kan gezorgd worden dat het proces van het aanschaffen van een gezelschapsdier zorgvuldig doorlopen wordt? Relevante vragen zijn: is de motivatie passend, wat zijn de verwachtingen, op welke factoren is de keuze gebaseerd en wordt er advies ingewonnen, en zo ja, waar? Het voorkomen van een mismatch kan veel dierenleed voorkomen.
STAAT VAN HET DIER – 92
Wat er moet gebeuren voor productiedieren • Verder verkennen van de mogelijkheden die de zes leidende principes bieden om het welzijn van gezelschaps- en hobbydieren te evalueren; • Inventariseren van de belangrijkste risico’s op het gebied van voeding, huisvesting en gezondheid voor de diverse subgroepen binnen gezelschaps- en hobbydieren; • Aandacht vragen voor dierwaardigheid van trainingsmethoden- en programma’s bij het gebruik van gezelschaps- en hobbydieren voor sport en spel; • Evalueren van de complete keten rondom het houden van gezelschaps- en hobbydieren: waar is eenvoudig winst te behalen op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid; • Verkennen van mogelijkheden om dierenwelzijn te bevorderen via aanpassingen in het proces van het aanschaffen van een gezelschapsdier.
Bronnen 1. Raad voor Dierenaangelegenheden, 2019. Staat van het dier. Beschouwingen en opinies over de verschuivende relatie tussen mens en dier in Nederland. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag. 2. Raad voor Dierenaangelegenheden, 2023. Plezier voor mens én dier? Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag. 3. Raad voor Dierenaangelegenheden, 2021. Liefde maakt blind. Essay. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag. 4. Landelijk Informatie Centrum Gezelschapsdieren. Voeding voor papegaaien en parkieten. Artikel op website: https://www.licg.nl/vogels/voeding-voor-papegaaienen-parkieten/#:~:text=Dieren%20uit%20de%20droge%20gebieden,sommige%20 gevallen%20nectar%20of%20insecten. Bezocht op 18 maart 2024. 5. Levende Have. Konijnen en huisvesting. Artikel op website: https://www.levendehave. nl/dierenwikis/konijnen/konijnen-en-huisvesting#:~:text=De%20meeste%20 hobbykonijnen%20leven%20nog,een%20tekort%20aan%20vitamine%20D. Bezocht op 18 maart 2024. 6. Besluit houders van dieren, 2024. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/ BWBR0035217/2024-01-01. 7. College ter beoordeling van geneesmiddelen. Vrijstelling niet receptplichtige diergeneesmiddelen bestemd voor specifieke gezelschapsdieren. Artikel op website: https://www.cbg-meb.nl/ onderwerpen/bd-vrijstelling-of-ontheffing. Bezocht op 18 maart 2024.
93 – STAAT VAN HET DIER
8. Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Ophokplicht en afschermplicht bij vogelgriep. Artikel op website: https://www.nvwa.nl/onderwerpen/vogelgriep-preventie-en-bestrijding/ ophokplicht. Bezocht op 18 maart 2024. 9. Commissie sociaal minimum, 2023. Een zeker bestaan – Naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum. Rapport II. 10. Universiteit Utrecht, 2024. Unieke tool om erfelijke ziektes bij kooikerhondje te voorkomen. Nieuwsbericht op website: https://www.uu.nl/nieuws/unieke-tool-om-erfelijke-ziektesbij-kooikerhondje-te-voorkomen. Bezocht op 20 maart 2024. 11. Universiteit Utrecht, 2012. Voeding en gedrag. Nieuwsbrief Gedragskliniek voor dieren: https://diergeneeskunde.nl/wp-content/uploads/2020/10/infobrief-gedragskliniek-04. pdf. Bezocht op 20 maart 2024. 12. Kamerstuk Tweede Kamer, 2023. Voorstel voor verschillende maatregelen tegen bijtincidenten door honden. Geraadpleegd via: https://open.overheid.nl/documenten/05d73914-62454742-936f-7f60347e6b22/file.
STAAT VAN HET DIER – 94
95 – STAAT VAN HET DIER
6. Naar de dierentuin van de toekomst Beschouwing over dieren in dierentuinen
Als er voor een dier in een dierentuin, asiel of opvangcentrum geen plek is, is het aanvaardbaar dit dier te doden indien er binnen een half jaar geen goede bestemming voor kan worden gevonden 30% 17%
2022
51%
31% 18%
2018
Foto: 4x6 / iStockphoto
Dierentuinen zouden in Nederland verboden moeten worden; wilde dieren horen niet achter tralies
10% 25%
65%
2022
9%
62%
2018
29%
Ik verwacht bij een bezoek aan de dierentuin alle dieren te kunnen zien, ook dieren die zich liever verstoppen
49%
30% 21%
2022
65% 23% 12%
2022
51%
33% 16%
2018
64%
25% 11%
2018
(helemaal) oneens
niet eens, niet oneens
(helemaal) eens
Nu volgt een aantal stellingen. Geef aan in hoeverre u het hiermee oneens of eens bent Basis: helft respondenten (n=circa 1.000)
STAAT VAN HET DIER – 96
ENQUÊTERESULTATEN
53%
Als wij dierentuindieren niet de mogelijkheden kunnen geven om hun natuurlijk gedrag uit te voeren, dan is die soort niet geschikt om in dierentuinen te worden gehouden
Tijdens de coronacrisis moesten dierentuinen gedurende lange perioden hun deuren sluiten. Dit had invloed op zowel de dieren als de dierentuinen zelf. Om financiële steun van de overheid te verkrijgen, konden dierentuinen transitieplannen indienen, met aandacht voor hun bedrijfsvoering, educatie, conservatie en dierenwelzijn. Deze plannen waren bedoeld om dierentuinen toekomstbestendiger maken. Het huidige vergunningensysteem bevat namelijk weinig prikkels voor verdere ontwikkeling, zo concludeerde de RDA in Staat van het Dier 2019. Niettemin ontplooien dierentuinen zich wel degelijk en slaan ze nieuwe richtingen in. In dit hoofdstuk bespreken we hoe de gebeurtenissen van de afgelopen jaren relevant zijn geweest voor dierentuinen en hun toekomstperspectief. Hoe zou de Nederlandse dierentuin er in de toekomst uit kunnen zien als we kijken naar de maatschappelijke verwachtingen en huidige wetenschappelijke inzichten?
6.1 Vreemde snoeshanen ter lering ende vermaeck – terugblik op Staat van het Dier 2019 Met in totaal meer dan tien miljoen bezoeken per jaar zijn dierentuinen populaire bestemmingen voor een dagje uit. Dierentuinen kunnen op een groot maatschappelijk draagvlak rekenen, zagen we in Staat van het Dier 2019.1 Tegelijk stellen burgers wel voorwaarden aan de wijze waarop de dieren gehouden worden. Zo vond bijna twee derde van de respondenten van onze publieksenquête in 2018 dat soorten alleen geschikt zijn om in dierentuinen te houden als zij daar mogelijkheden krijgen om hun natuurlijk gedrag uit te voeren. Dierentuinen hebben in de afgelopen decennia aanzienlijke ontwikkelingen doorgemaakt. In 2019 concludeerden wij dat de professionalisering van de sector en de kennisuitwisseling over het houden en fokken van dieren geleid hebben tot een duidelijke verbetering in het welzijn en de gezondheid van dieren in dierentuinen. Dit is onder andere terug te zien in de trend naar minder soorten, beter passende soorten, minder grote dieren, ruimere verblijven, natuurlijkere sociale omgevingen met meerdere diersoorten in één verblijf (mixed species-verblijven), en fysieke omgevingen die meer tegemoetkomen aan de natuurlijke behoeften en gedragingen van soorten (ecodisplays).
Wij zien ook dat dieren in dierentuinen, net als in andere bedrijfsmatige dierhouderijen, afhankelijk zijn van een financieel bestendige onderneming met voldoende investeringsruimte om het welzijn van
97 – STAAT VAN HET DIER
dieren te blijven bevorderen. (Een aantal dierentuinen is echter een stichting zonder winstoogmerk, wat betekent dat de winst terugvloeit in de stichting.) Die financiële ruimte is ook nodig om adequate invulling te geven aan taken als educatie en het behoud van soorten, en om wetenschappelijk onderzoek uit te voeren. Nederland telt in totaal 65 vergunde dierentuinen, variërend van aquaria en reptielenhuizen, tot vlindertuinen en safariparken. Deze dierentuinen bieden niet alleen een leuk dagje uit, maar dragen ook bij aan de educatie van het publiek en het behoud van diersoorten. Conform het Besluit houders van dieren zijn dierentuinvergunninghouders verplicht om bij te dragen aan de instandhouding van diersoorten door het uitvoeren van tenminste een van de volgende activiteiten: deelnemen aan onderzoek of fokprogramma’s gericht op het behoud van de diersoorten en opvangen van dieren uit opvangcentra en in beslag genomen dieren.2 Daarnaast moeten dierentuinen natuurlijk zorgen voor het welzijn van hun dieren. Binnen de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) werken de 13 grote en bekendste Nederlandse dierentuinen samen om hun publieke functies beter te kunnen vervullen en dierenwelzijn te verbeteren. Een aantal kleinere dierentuinen is georganiseerd binnen de vereniging Dier en Park.
Ongeveer de helft van de 65 vergunde parken is niet aangesloten bij de NVD of de vereniging Dier en Park. NVD-dierentuinen zijn ook aangesloten bij de Europese Vereniging van Dierentuinen en Aquaria (European Association of Zoos and Aquaria, EAZA), waar kennisuitwisseling plaats vindt tussen meer dan vierhonderd Europese dierentuinen. Deze samenwerkingen bieden voordelen zoals het delen van kosten van gemakkelijke kennisuitwisseling, maar ook het uitwisselen van dieren voor het fokken van de nieuwe generaties. De samenwerking tussen dierentuinen buiten de eigen vereniging noemden we in 2019 als een aandachtspunt.
6.2 Draagvlak én kritiek In de publieksenquête van 2022 zagen we een vergelijkbaar beeld als in 2018. Slechts een kleine groep (21%) was het (helemaal) eens met de stelling ‘Dierentuinen zouden in Nederland verboden moeten worden; wilde dieren horen niet achter tralies’. Dit is wel een significant groter percentage dan in 2018, toen dit maar 16% was. We zagen ook opnieuw dat een flink deel van de respondenten (65%)
STAAT VAN HET DIER – 98
vond dat diersoorten alleen geschikt zijn om in dierentuinen te houden als ze daar hun natuurlijk gedrag uit kunnen voeren. Hetzelfde percentage Nederlanders verwachtte niet daadwerkelijk alle dieren te kunnen zien bij een bezoek aan de dierentuin, zoals dieren die zich liever verstoppen. Wij verwachten dat de kritische blik op het houden van dieren in dierentuinen aan kracht zal winnen door de maatschappelijke verschuiving richting een meer gelijkwaardige relatie tussen mens en dier. Op zeezoogdierenparken in hun huidige vorm klonk de afgelopen jaren regelmatig kritiek.3 In 2021 werden bijvoorbeeld Kamervragen gesteld over dierenwelzijn in Dolfinarium Harderwijk.4 Diverse bedrijven zijn toen gestopt met samenwerken met dit park.5 Ook is het beleid rondom het houden van wilde diersoorten buiten dierentuinen de afgelopen jaren al strenger geworden, met het verbod op het gebruik van wilde zoogdieren in circussen dat op 15 september 2015 van kracht werd en de huis- en hobbydierenlijst voor zoogdieren die naar verwachting op 1 juli 2024 in werking zal treden.6,7 Blik vooruit De ontwikkelingen in de maatschappij en in de regelgeving rondom wilde dieren waren voor de RDA aanleiding om in 2023 een verkenning te starten van een dierwaardige en toekomstbestendige dierentuin (zie Kader).8 Bij het nadenken over toekomstrichtingen, dierentuin-specifiek en sector-breed, is het nuttig om te
begrijpen op welke gronden het draagvlak rust en welke factoren de kritische blik op dierentuinen drijven. Daarom hebben wij in 2023 ook een aanvullende publieksenquête laten uitvoeren door Kantar Public.9 Deze was volledig gericht op de maatschappelijke houding ten opzichte van dierentuinen. We verkenden welke factoren de houding ten opzichte van dierentuinen beïnvloedden en welke taken van dierentuinen respondenten het belangrijkst vonden. De inzichten die we hieruit verkregen hebben, nemen we samen met de wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van dierenwelzijn en de taken van dierentuinen mee in onze verkenning van de toekomst van de dierentuin. Deze verkenning wordt naar verwachting in 2024 gepubliceerd.10
99 – STAAT VAN HET DIER
Verkenning van de dierentuin van de toekomst De RDA werkt momenteel aan een zienswijze op eigen initiatief over de toekomst van dierentuinen.8 Voor deze verkenning is de volgende hoofdvraag opgesteld: Aan welke randvoorwaarden moet de dierentuin van de toekomst voldoen? Om deze vraag te beantwoorden zal er aandacht besteed worden aan de volgende deelvragen: • Welke trend is er waarneembaar in de maatschappelijke houding ten opzichte van dierentuinen? Wat wordt er van dierentuinen als institutie verwacht? • Welke functie vervullen dierentuinen op educatief, sociaal en ecologisch vlak? • Welke dierenwelzijnsproblemen zijn er in dierentuinen? Is er sprake van inbreuk op de integriteit van dieren? • Hoe verhoudt de aantasting van het welzijn en de integriteit van dieren in dierentuinen zich tot de doelstellingen van dierentuinen op het gebied van educatie en de instandhouding van soorten? • Als we uitgaan van de zes leidende principes van dierwaardigheid, waar liggen dan de uitdagingen voor dierentuinen? Wat kan er vanuit het perspectief van het dier gedaan worden om dierentuinen beter te maken? • Wat zijn dan passende ontwikkelrichtingen voor toekomstbestendige, dierwaardige dierentuinen? Wat is daarvoor nodig?
6.3 Gevolgen van de coronapandemie Gevolgen voor dieren In 2020 en 2021 moesten dierentuinen gedurende langere perioden hun deuren sluiten voor het publiek om de verspreiding van het coronavirus af te remmen. Uiteraard had dit een grote impact op de dagelijkse gang van zaken in dierentuinen. Onderzoekers hebben in deze unieke periode gekeken welk effect het ontbreken en terugkomen van bezoekers had op verschillende dieren in dierentuinen. Dit deden ze aan de hand van het gedrag van de dieren, hun gebruik van de ruimte en stresshormoonlevels in hun ontlasting. Het gedrag van sommige diersoorten veranderde weinig door het sluiten en heropenen van dierentuinen.11 Bij andere diersoorten werden wél gedragsveranderingen waargenomen. Zo bleek in een Brits onderzoek dat sommige amfibieën zich tijdens de lockdown, in afwezigheid van bezoekers, meer lieten zien. 12 IJsberen in een Amerikaanse dierentuin
STAAT VAN HET DIER – 100