CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

concept omgevingsplan V1.2 toelichting

Thema bijeenkomst 12 mei 2026, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: RV Wijziging omgevingsplan ‘Buitenzomerlanden (beeldvorming)11.356 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-Omgevingsplan Buitenzomerlanden Toelichting

TAM-Omgevingsplan Buitenzomerlanden Toelichting

Datum

04 juli 2025

Versie

1.2

Bosch & Van Rijn Franz-Lisztplantsoen 220 3533 JG Utrecht Tel: Mail: Web:

030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl

© Bosch & Van Rijn 2025 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie

TAM-Omgevingsplan Buitenzomerlanden Toelichting

Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4

H OOFDSTUK 2 2.1

H OOFDSTUK 3 3.1 3.2

H OOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3

H OOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9

H OOFDSTUK 6 6.1 6.2

H OOFDSTUK 7 7.1 7.2

H OOFDSTUK 8

Inleiding

INLEIDING

3

Aanleiding Ligging en beschrijving plangebied Huidig juridisch-planologisch regime Leeswijzer

3 3 4 5

BESTAANDE SITUATIE

6

Historie en type landschap

6

PLANBESCHRIJVING

7

Voorafgaande ontwikkelingen van het gebied Project en inpassing

7 7

BELEIDSKADER

9

Nationaal beleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid

9 10 13

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

16

Milieueffectrapportage Bodem Water Archeologie en cultuurhistorie Conventionele explosieven (CE) Geluid Externe veiligheid Luchtkwaliteit Ecologie

16 17 19 22 24 26 26 28 30

JURIDISCHE PLANOPZET

33

Algemene opzet Toelichting op de regels

33 34

OVERLEG EN INSPRAAK

38

Omgevingsdialoog Uniforme openbare voorbereidingsprocedure

38 38

BIJLAGEN

40

2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding In en rondom het plangebied zijn de afgelopen decennia veel ontwikkelingen geweest die ieder verschillende effecten en nieuwe opgaven met zich mee hebben gebracht. Dit plan voegt meerdere opgaven integraal samen. In het plangebied komen de volgende ontwikkelingen samen: ▪ Het plangebied bestaat uit gronden die in het verleden opgehoogd zijn met slib en afgedekt met een laag grond. Deze grond is vervuild en wordt niet gebruikt voor het telen van consumptiegewassen. a.s.r. wil het agrarisch gebruik beëindigen. ▪ De grondeigenaar a.s.r. wil het gebied aanplanten met bos en openstellen voor publiek. ▪ Renewable Factory wil een zonneveld en een energieopslagsysteem (EOS) inpassen en toevoegen aan het reeds gerealiseerde windpark Oude Maas. ▪ Het zonneveld en EOS worden gerealiseerd op percelen met in het verleden opgebrachte vervuilde grond, waardoor deze percelen niet meer geschikt zijn voor agrarisch gebruik. ▪ De realisatie van windpark Oude Maas en natuurbegraafplaats Zomerlanden hebben een natuurcompensatieopgave gecreëerd. Door deze compensatie te integreren in dit plan kan er een groter bos gecreëerd worden. ▪ De bergingscapaciteit van het buitendijkse gebied dient in het kader van Ruimte voor de Rivier naar een geschikt peil te komen. Hiervoor wordt grond afgegraven en in een terp samengevoegd.

Om tot een gedragen ontwerp te komen is over langere termijn een gebiedsproces uitgevoerd, nader beschreven in paragraaf 3.1. De gemeente heeft ervoor gekozen om een wijziging van het omgevingsplan te doorlopen met toepassing van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM). Dit TAM-omgevingsplan maakt het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing mogelijk en stelt nieuwe kaders vast voor het plangebied.

1.2

Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt in de gemeente Hoeksche Waard, ten noordoosten van de kern Heinenoord en ten westen van de A29. Het zijn gronden die buitendijks liggen en op dit moment een agrarisch gebruik kennen. De exacte planbegrenzing wordt aangeduid in Figuur 1.

3

Figuur 1

Plangebied TAM-omgevingsplan Buitenzomerlanden.

1.3

Huidig juridisch-planologisch regime Het plangebied ligt in zijn geheel in het ‘Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard’. In dit tijdelijke omgevingsplan zijn de daarvoor tot eind 2023 vigerende bestemmingsplannen tijdelijk opgenomen, tot er voor de gehele gemeente een omgevingsplan als bedoeld in de Omgevingswet wordt vastgesteld. Deze paragraaf verwijst daarom naar de termen en regels uit bestemmingsplannen die onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn vastgesteld. In het grootste gedeelte van het plangebied zijn functies toegewezen middels bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’, vastgesteld op 24 december 2013. Deze gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’. Het gebied is ook verdeeld in delen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting hoog 1’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 1’. De zuidzijde van het plangebied kent ook nog de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Aan de noord- en oostzijde van het plangebied vormt bestemmingsplan ‘Windpark Oude Maas’, vastgesteld op 28 september 2017, het planologische kader. Hier hebben de gronden ook de bestemming ‘Agrarisch’ en gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting middelhoog 1’ en ‘Waterstaat – Waterstaatkundige functie’.

Aanvullend is er een gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – windturbine’ opgenomen. Figuur 2 geeft de verbeelding van beide bestemmingsplannen weer in relatie tot het plangebied. 4

Figuur 2

Plangebied geprojecteerd op het huidige Omgevingsplan

1.4

Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie van het plangebied beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het bij deze omgevingsplanwijziging van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In Hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of en hoe de ontwikkeling voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische planopzet. In Hoofdstuk 7 wordt ingegaan op het overleg en inspraak (participatie).

5

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie 2.1

Historie en type landschap Het plangebied ligt tussen de Oude Maas en de voormalige zeedijk ten noorden van Heinenoord, het is daarmee buitendijks gebied. De bodem van deze polder, bekend als De Buitenzomerlanden, is in de jaren ‘70 gebruikt als stortplaats voor slib uit de havens van Rotterdam. Later is daar een laag grond over gelegd en zijn er gewassen op geteeld. Uit bodemonderzoek is gebleken dat een deel van deze gronden verontreinigd is. De gronden worden veiligheidshalve niet meer gebruikt voor het telen van consumptiegewassen. Ten noorden van het plangebied zijn grienden aanwezig. De aanwezige beplanting wordt nog bedrijfsmatig gekapt, dit gebeurt op specifieke momenten in het jaar. Buiten deze kapperiode is dit gebied vrij toegankelijk voor wandelaars via bruggetjes die de grienden verbinden met de polders van het plangebied. Hierdoor is het een aantrekkelijk gebied voor extensieve recreatie waar inwoners van Heinenoord regelmatig gebruik van maken. Het gebied is recentelijk gewijzigd door de ontwikkeling van windpark Oude Maas. Twee van de vijf windturbines van het windpark grenzen direct aan het plangebied. In het relatief vlakke landschap zijn hierdoor hoge elementen toegevoegd.

6

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving Het omgevingsplan omvat meerdere ontwikkelingen, die hieronder apart en in samenhang beschreven worden.

3.1

Voorafgaande ontwikkelingen van het gebied De realisatie van Windpark Oude Maas is gestart na de vaststelling van het bestemmingsplan in 2017. Bij de realisatie van het windpark en de natuurbegraafplaats Zomerlanden ten oosten van de A29 zijn bomen gekapt, welke gecompenseerd worden in het gebied. Daarnaast hebben de ontwikkelingen in het buitendijkse gebied ervoor gezorgd dat de bergingscapaciteit in het stroomprofiel van de rivier afgenomen is. De initiatiefnemer heeft een plan met Rijkswaterstaat opgesteld om dit te herstellen door middel van een terp. De gemeenteraad van de voormalige gemeente Binnenmaas heeft eind 2018 het visiedocument ‘De Buitenzomerlanden – Opladen aan de Oude Maas’ opgesteld. Hierin worden zonnevelden in het buitendijkse gebied aangegeven als onderdeel van de visie voor de langere termijn. In 2020 is de eerste planvorming gestart voor een zonnepark op deze locatie. Na enkele bijeenkomsten is het initiatief eind 2021 ingetrokken. Vervolgens is een uitgebreid participatief gebiedsproces opgezet, gericht op ‘De Buitenzomerlanden’ ten westen van de A29. Het gebiedsproces is zo vormgegeven dat omwonenden mee kunnen beslissen over het plan. Hiervoor is een werkgroep opgericht met een brede lokale vertegenwoordiging.

Door middel van bijeenkomsten en vragenlijsten zijn de inwoners van Heinenoord nauw betrokken geweest bij het vormen van de uitgangspunten voor ontwikkelingen in het plangebied. Begin 2024 was het proces op het punt dat realiseerbare ontwerprichtingen opgesteld konden worden. Deze zijn uitgewerkt en gepresenteerd aan de werkgroep en de inwoners van Heinenoord. In mei van dat jaar hebben inwoners hun voorkeursontwerp kunnen kiezen via een enquête. Het voorkeursontwerp is nader uitgewerkt in het Landschapsplan (Bijlage A).

3.2

Project en inpassing

3.2.1

Recreatie en natuur Het grootste deel, ruim 21 hectare, van het plangebied zal worden ingericht voor recreatie en versterking van de lokale biodiversiteit. Dit is nader uitgewerkt in het Landschapsplan (bijlage A). Nabij Heinenoord wordt het bos ingericht voor recreatie, met wandelpaden en een picknickweide. De groenstrook rond het zonneveld en het EOS wordt zo ingericht dat deze het zicht op het 7

zonneveld en EOS vermindert. Het gebied wordt zo ingericht dat een zo groot mogelijke diversiteit aan habitats wordt gecreëerd. De aanleg van bosranden en opgaande vegetaties zorgt voor geschikt foerageergebied en voedselaanbod. Op de lange termijn zullen holtes en scheuren ontstaan in de bomen, welke als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen fungeren. Het Buitenzomerlandenbos biedt daarnaast ook nieuw leefgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals o.a. boommarter, vos en wezel, maar ook insecten en het planten/zaaien van specifieke waardplanten voor beschermde insectensoorten zoals o.a. Iepenpage, Kleine ijsvogelvlinder en Sleedoornpage. Voor vogels zal het nieuw aangelegde bos leef- en broedgebied bieden, eventueel versterkt door de plaatsing van nestkasten, voor o.a. de soorten blauwborst, boomklever, buizerd, sperwer en oeverzwaluw. Voor een volledig overzicht van de beschermde soorten waarvoor specifiek habitat zal worden gecreëerd in het Buitenzomerlandenbos, zie het beplantingsplan (Bijlage 1 bij de regels).

3.2.2

Zonneveld In het noordoostelijk deel van het plangebied, tussen de windturbines en ten zuiden daarvan, wordt een zonneveld van bijna 11 hectare beoogd. Het zonneveld bestaat uit zogenoemde tafels met panelen in een oost-westopstelling. Om de opgewekte energie om te zetten naar een gewenste spanning voor transport zijn enkele transformatoren in de vorm van bouwwerken nodig. Daarnaast zullen toegangswegen in het zonneveld nodig zijn ten behoeve van onderhoud en in het geval van calamiteiten. Het zonneveld wordt in het kader van veiligheid afgezet met hekwerken.

3.2.3

Energieopslagsysteem (EOS Aan de noordzijde van het plangebied, tussen de twee bestaande windturbines van Windpark Oude Maas en grenzend aan het zonneveld, is een energieopslagsysteem (EOS) beoogd met een oppervlak van bijna 3.800 vierkante meter. Het EOS bestaat uit bouwwerken geen gebouwen zijnde, meestal in de vorm van containers. In het kader van de veiligheid (o.a. voortvloeiend uit de PGS-371) wordt het EOS op een terp gerealiseerd en zijn er ten minste twee aanrijdroutes voor nooddiensten in geval van calamiteiten.

8

Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1

Nationaal beleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie Op nationaal niveau is de Nationale Omgevingsvisie uit 2020 (NOVI) leidend in het nationale ruimtelijke beleid. In de NOVI schetst het Rijk een lange termijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van een duurzame leefomgeving in Nederland. Dit wordt gebundeld in de volgende vier strategische opgaven: 1. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 2. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarbij wordt een integrale benadering voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie van uit het Rijk. In de NOVI wordt een voorkeur uitgesproken voor grootschalige clustering van duurzame energieproductie, waarbij een afweging tegenover andere relevante waarden zoals landschap, nationale veiligheid, natuur, cultureel erfgoed, water, bodem en draagvlak dient te worden gemaakt. Ook moeten bewoners van een gebied worden betrokken, participeren in het project en waar mogelijk meeprofiteren. Het ruimtelijk beleid voor zonnevelden valt onder de strategische opgave ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’.

De insteek van het beleid is om de energie-infrastructuur geschikt te maken voor duurzame energiebronnen en hiervoor ruimte te reserveren, en de opgave van duurzame energie te realiseren met oog voor de kwaliteit van de omgeving en deze zoveel mogelijk te combineren andere functies.

4.1.2

Nationaal Plan Energiesystemen Het NPE brengt in kaart hoe het energiesysteem van de toekomst eruitziet en wat er nodig is om daar te komen. Het NPE bevat richtinggevende keuzes die alle belanghebbenden helderheid geven over wat er op hen af komt en wat er van hen verwacht wordt in relatie tot het veranderende energiesysteem. De richtinggevende keuzes in het NPE zijn: ▪ Maximaal aanbod: maximaal inzetten op aanbod van duurzame energie en energie-infrastructuur; ▪ Energiebesparing: besparing als belangrijke hoeksteen van het energiebeleid; ▪ Slimme inzet: schaarse energie- en infrastructuur inzetten vanuit systeemperspectief en voor opbouw van ketens en markten; ▪ Internationale samenwerking: sterke internationale samenwerking en een maximaal verbonden energiesysteem; 9

▪

4.1.3

Samen sturen: met burgers en bedrijven, ruimte voor initiatief en participatie.

Conclusie Dit plan draagt bij aan de nationale doelstellingen door een clustering van verschillende methoden van duurzame energieopwek. Hierdoor ontstaat een breder opwekprofiel. Daarnaast wordt ook energieopslag mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen zorgen voor een versterking van de energietransitie en een efficiënter gebruik van de schaarse energie-infrastructuur.

4.2

Provinciaal en regionaal beleid De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is als visiedocument opgesteld met een beschrijving van de huidige staat van de fysieke leefomgeving en een toekomstbeeld waar de provincie naartoe wil werken. Om daar te komen zijn ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes geformuleerd. In de ambities wordt omschreven waar de provincie heen wil, de beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. De provincie werkt hierin zowel thematisch als gebiedsgericht en houdt bij te maken keuzes te allen tijde oog voor de integraliteit van het Omgevingsbeleid. De provincie wil het gebruik van fossiele energiebronnen afbouwen en wil toe naar een klimaatneutrale energievoorziening. Het doel is om uiterlijk in 2050 de CO2-uitstoot volledig te verminderen ten opzichte van 1990, met een tussendoel van 55% vermindering in 2030. Een van de ambities van de provincie is ‘Schone energie voor iedereen’. In die lijn heeft de provincie beleidsdoelen uitgezet, waaronder ‘Energietransitie’. Op het gebied van energietransitie heeft de provincie in samenwerking met de 7 RES’en het doel vastgesteld om in 2030 6,3 tot 6,8 TWh zon- en windenergie op te wekken. Het beleid voor zonne-energie is gebaseerd op de volgende principes: 1. Meervoudig ruimtegebruik.

Benut bestaande en nieuwe bebouwing en overige functies die combinaties kunnen vormen met zonne-energie (PV en warmtecollectoren). 2. Bescherming van de schaarse open ruimte en landschapswaarden. Dit betekent dat de provincie terughoudend is met het toestaan van zonnevelden. 3. Een goede ruimtelijke ordening, waarbij infrastructuur (energienetwerk) als leidend principe wordt gehanteerd. Wek energie op daar waar het gebruikt wordt (in of nabij de bebouwde omgeving) en waar aansluiting op het energienetwerk logisch is. 4. Ruimtelijke kwaliteit, zorgvuldig omgaan met de bestaande functies en kwaliteiten van het gebied. Bij de locatiekeuze, omvang en inrichting van een zonneveld zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit uit de Omgevingsverordening altijd van toepassing. 10

Uitgaande van deze principes maakt de provincie de realisatie van zonne-energie ruimtelijk mogelijk, binnen het bestaande stads- en dorpsgebied en onder voorwaarden op een aantal voorkeurslocaties en functies daarbuiten. Eén van de voorkeurslocaties, zoals bepaald in de Omgevingsverordening, is bij een windpark. De provincie gaat in grootschalige energieprojecten (wind- en zonne-projecten vanaf 10 MW) in Zuid-Holland ervan uit dat minimaal 50% van het eigendom van de productie belegd wordt bij lokale omgeving en streeft naar 100%. De precieze definitie van lokaal eigendom en de eisen aan energiecoöperaties werkt de provincie uit in een apart beleidskader.

4.2.1

Regionale Energiestrategie 2.0 Regio Hoeksche Waard In het nationaal Klimaatakkoord van 2019 is afgesproken dat in 2030 in totaal 35 TWh aan duurzame elektriciteit op land wordt geproduceerd. Aan 30 energieregio’s is gevraagd om een Regionale Energiestrategie (hierna RES) op te stellen. In de RES wordt ingezet op bewezen technieken voor de opwek van duurzame elektriciteit: via windturbines en zonnepanelen (op grote daken, op land en eventueel op water). De gemeente Hoeksche Waard valt samen met een RES-regio. De bijdrage van RES-regio Hoeksche Waard aan de nationale doelstelling van 35 TWh bestaat uit minimaal 0,386 TWh (met een bandbreedte van 0,09 TWh) en maximaal 0,476 TWh aan grootschalige opwek van elektriciteit. Uit de analyse in de RES 2.0 komt geen aanleiding om het RES-bod te wijzigen. De gemeente Hoeksche Waard heeft de ambitie om in 2040 energieneutraal te zijn. Hiervoor moet aanvullend op de doelstelling uit het RES-bod meer duurzame energie opgewekt worden. Daarvoor worden uitnodigingskaders opgesteld voor uitbreiding van zon-op-land, zon-op-water en overige restruimten. Het RES-bod is nog niet volledig vervuld. Met aanvullend en uitnodigend beleid ziet de gemeente een sturingsmiddel om een stimulans te geven aan de invulling van het RES-bod.

4.2.2

Voorkeursvolgorde Zon Op basis van de brief van het ministerie van Klimaat en Energie in oktober 2023 hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen afspraken gemaakt over de aangescherpte voorkeursvolgorde zon. Dit houdt in dat overheden een ‘Nee, tenzij’-houding innemen voor zonnepanelen op landbouw- en natuurgronden. Voornaamste overweging van de overheden heeft betrekking op de schaarste van ruimte en de vele urgente opgaven die ieder een ruimteclaim heeft. Multi- functioneel ruimtegebruik wordt met deze afspraken de norm. De opgaven vragen om scherpe keuzes en zonder dat dit afbreuk doet aan de RES-afspraken. Daarom sturen overheden langs vier treden voor de opwek van zonne-energie. 11

▪ ▪ ▪ ▪

Trede 1: Zonnepanelen op daken en gevels Trede 2: Onbenutte terreinen in bebouwd gebied Trede 3: Onbenutte terreinen in landelijk gebied Trede 4: Landbouw- en natuurgronden.

Uitgangspunt is dat zonnepanelen zoveel mogelijk op daken en gevels komen of in combinatie met ander functies worden toegepast. Rijk en medeoverheden stimuleren de plaatsing van zonnepanelen op daken van gebouwen, maar ook op bijvoorbeeld kassen, industrieterreinen, stortplaatsen en boven parkeerplaatsen. Belangrijke voorwaarde is dat multifunctionele combinaties landschappelijk goed inpasbaar zijn en passen op het elektriciteitsnet. Daarmee blijven de doelstellingen voor de RES-opgave onveranderd. Gebruik van landbouw- en natuurgronden voor zonne-energie is niet langer toegestaan, enkele uitzonderingen daargelaten. Deze afspraken zijn juridisch verankerd in de provinciale verordeningen. De provincie kan een uitzondering maken voor gronden die al een andere bestemming zouden krijgen, voor combinaties van zonnepanelen met bepaalde vormen van agrarische bedrijfsvoering of lokale energie-opwek. Projecten waarvan de participatietrajecten al in een vergevorderd stadium zijn en die niet (helemaal) conform de aangescherpte voorkeursvolgorde zon zijn vormgegeven, kunnen doorgang vinden. Het zonneveld en energieopslagsysteem vormen een logische combinatie met de bestaande windturbines van Windpark Oude Maas. Er wordt efficiënt gebruik gemaakt van het bestaande stroomnet. Het plan omvat daarnaast verschillende opgaven, waarvan meerdere urgent.

Met dit uitgewerkte plan wordt er invulling gegeven aan een bodemsaneringsopgave, compensatie van waterbergingscapaciteit en natuur. Hiermee wordt de beschikbare ruimte effectief multifunctioneel gebruikt, met een integrale invulling van de opgaven. Zoals toegelicht in paragraaf 3.1 is er een uitgebreid gebiedsproces geweest met een hoge participatiegraad ten tijde van de wijziging Voorkeursvolgorde Zon.

4.2.3

Conclusie Door in dit omgevingsplan planologische ruimte te bieden voor zowel energieopwek als -opslag, wordt gewerkt aan een verdere invulling van provinciale- en RES-doelstellingen. Op basis van het uitgebreide participatietraject en combinatie van invulling van meerdere gebiedsopgaven, voldoet het plan aan de uitzonderingsgronden van de voorkeursvolgorde zon. Door de realisatie nabij een windpark voldoet de locatie aan de voorwaarden van de Omgevingsverordening.

12

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Hoeksche Waard De Omgevingsvisie biedt handvatten en inspiratie aan iedereen die een bijdrage wil leveren aan de Hoeksche Waard. Hierin wordt Waardmaken geïntroduceerd als manier van ontwikkelen. In de Omgevingsvisie is ervoor gekozen een uitnodiging te doen aan de samenleving om bij te dragen aan de Hoeksche Waard. Het accent is gelegd op wat de Hoeksche Waard wil; niet op wat niet mag. Of in Omgevingswet termen: ‘Ja mits’, in plaats van ‘Nee, tenzij’. Het gaat dus om een gewenste koers, niet om een alomvattend beleid. Bij de totstandkoming van een initiatief worden initiatiefnemers uitgenodigd bij te dragen aan de Hoeksche Waard: aan de maatschappelijke opgaven (Hoeksche Werken) en aan de omgevingskwaliteit (Hoeksche Waarden). Onder de Hoeksche Werken valt ‘Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig’. Hierin staat de ambitie om in 2040 een energieneutraal en klimaatbestendig eiland te zijn. Aanvullende ambities zijn o.a.: ▪ Voldoende ruimte en inspanning voor herstel biodiversiteit; ▪ Voldoende ruimte en inspanning voor waterkwaliteit en waterkwantiteit; ▪ Aandacht en beleid voor behoud identiteit dragend erfgoed. Het plangebied is onderdeel van de Hoeksche Delta. De omgevingsvisie stelt hiervoor o.a. de volgende te ontwikkelen waarden vast: ▪ Het vergroten van de beleefbaarheid van natuurlijke processen, weidsheid en ongereptheid.

▪ Versterken van het uitzicht op de rivier en de cultuurhistorische waarde van de grasgorzen. ▪ Versterken van de beleefbaarheid van cultuurhistorisch waardevolle elementen zoals grienden, het fort en de eendenkooi. ▪ Versterken van de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de natuurgebieden. Om dit te bereiken wordt gestuurd op zorgvuldig ontwerp bij initiatieven, waarbij afstemming wordt gezocht met andere opgaven. Bijvoorbeeld het versterken van de biodiversiteit en de aanleg van recreatieve routes. Bij ontwikkeling van duurzame energieopwekking ligt de voorkeur bij geconcentreerde locaties voor wind en zon. Voorbeelden van het versterken van biodiversiteit zijn natuurinclusief bouwen, soort specifieke beschermingsmaatregelen bij ruimtelijke projecten en ecologisch beheer van de openbare ruimte. Vanuit de gedachte van de Omgevingswet benaderen de gemeente nieuwe initiatieven die niet passen binnen het omgevingsplan vanuit het ‘Ja, mits-principe’. Aangetoond moet worden dat het initiatief bijdraagt aan de Hoeksche Werken en de Hoeksche Waarden.

13

4.3.2

Nota Ruimtelijke Kwaliteit Hoeksche Waard 2020 De Nota Ruimtelijke Kwaliteit biedt een kader voor de gemeente ruimtelijke afwegingen te maken bij initiatieven, met name gericht op gebouwen en bouwwerken. Er is op basis van bestaande en historische structuren en kenmerken een gebiedsindeling gemaakt met een vertaling naar een gebiedsgerichte ruimtelijke visie. De essentie van een gebiedsgericht beleid voor het uiterlijk van bouwwerken is een zorgvuldige gebiedsindeling en een hierop afgestemd selectief beleid. In de ruimtelijke analyse en visie is een beeld geschetst van de belangrijkste gebiedseigen ruimtelijke eigenschappen en beeldkwaliteit aspecten binnen de Hoeksche Waard. Op basis daarvan is het grondgebied opgedeeld in ruimtelijk/morfologisch of functioneel samenhangende deelgebieden. Afhankelijk van de waarde en de gevoeligheid van het gebied en de betekenis voor het collectieve beeld van de gemeente is voor elk deelgebied een niveau vastgesteld voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken. De Buitenzomerlanden zijn aangewezen als ‘bijzonder’ deelgebied vanwege de buitendijkse locatie. De landschappelijke waarde van het buitendijks gebied is erg belangrijk voor de Hoeksche Waard. Het is daarom noodzakelijk deze waarde zoveel mogelijk te behouden en te versterken.

Bebouwing in het buitendijks gebied kan de visuele en landschappelijke kwaliteit negatief beïnvloeden. Het beleid is er dan ook op gericht geen verdere bebouwing in dit landschapstype toe te staan. Indien de gemeente de wens heeft toch bebouwing in het buitendijks gebied te situeren, dient er een zorgvuldig beeldkwaliteitsplan opgesteld te worden waarbij de landschappelijke inpassing het belangrijkste uitgangspunt is.

4.3.3

Visie de Buitenzomerlanden ‘Opladen aan de Oude Maas’ Gemeente Hoeksche Waard wil de noordrand ontwikkelen tot een aantrekkelijk gebied waar je kunt wandelen, fietsen en recreëren. Langs de Oude Maas wil de gemeente de natuur- en recreatieve waarden vergroten en tegelijkertijd duurzame energie opwekken voor de energietransitie. Van het gebied de Buitenzomerlanden wil de gemeente een Deltapark maken dat onderdeel wordt van het toekomstige Nationaal Park NLDelta BiesboschHaringvliet. De Buitenzomerlanden biedt kansen door in te zetten op natuur- en recreatieve meerwaarde. Daarnaast wil de gemeente in 2040 energieneutraal zijn. De bouw van windturbines en het realiseren van een zonneveld in de noordrand van de Hoeksche Waard leveren een belangrijke bijdrage om dit doel te realiseren. In de buurt van de windturbines is intensieve verblijfsrecreatie uitgesloten, daar kan de natuur zich wel ontplooien. De met vervuild havenslib opgehoogde polders in het gebied blijken een geschikte plek om meerdere vormen van duurzame energie te clusteren. Dit gaat goed samen met het uitbreiden en verbeteren van de natuur voor de natuurcompensatie. Bestaande agrarische polders kunnen geleidelijk transformeren. 14

4.3.4

Programmaplan Duurzaamheid De raad van Hoeksche Waard heeft in 2020 het programmaplan Duurzaamheid vastgesteld. In dit programmaplan staan de doelen en inspanningen beschreven, die bijdragen aan onze duurzame toekomst. Het programmaplan Duurzaamheid is een kader met de ambities en doelen voor de middellange en lange termijn. In het programmaplan is gesteld dat de verwachting is dat in 2030 twee derde van de benodigde elektriciteit duurzaam opwekken. Onderdeel van deze ambitie is om bij Heinenoord ten westen van de A29 een zonnepark met opslag te realiseren. Daarnaast is een belangrijk speerpunt de biodiversiteit van de openbare ruimte te herstellen en te vergroten. Voor de korte termijn zijn er op basis van dit plan uitvoeringsplannen gemaakt. In deze uitvoeringsplannen staat beschreven wat we in de periode 2021 tot en met 2026 concreet gaan doen om deze doelen te bereiken. De uitvoeringsprogramma’s ‘Hoeksche Waard richting energieneutraal’, ‘Circulaire economie’ en ‘Klimaatadaptatie’ zijn op 15 juli 2021 vastgesteld door de raad. Hoe hieraan voldaan wordt staat hierna. In de paragraaf over Duurzaamheid (paragraaf 5.10) wordt getoetst hoe het plan bijdraagt aan duurzaamheid en uitvoering is gegeven aan deze uitvoeringsprogramma’s.

4.3.5

Conclusie Het plan levert een bijdrage aan bovenstaande ‘Werken’ en ‘Waarden’. De ‘Werken’ worden ondersteunt door natuurontwikkeling die kansen biedt voor herstel van de biodiversiteit en het zonnepark levert een bijdrage aan de energieneutraliteit. De ‘Waarden’ worden versterkt door met de inrichting een aansluiting te zoeken met de bestaande grienden en het gebied wordt opengesteld, zodat dit nieuwe natuurgebied als wel als de bestaande natuurgebieden ten noorden beter toegankelijk zijn. Dit omgevingsplan maakt geen gebouwen in de Buitenzomerlanden mogelijk; enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarnaast wordt met de functiewijziging naar natuur ingezet op een versterking van de landschappelijke kwaliteit. De ontwikkeling van een zonneveld in dit gebied in combinatie met natuur is in lijn met het gemeentelijk beleid.

15

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1

Milieueffectrapportage Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, zoals gedefinieerd in artikel 16.43 van de Omgevingswet, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Ow). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. Het bevoegd gezag dient vervolgens te beoordelen of het project mer-(beoordelings)plichtig is of niet. In het Omgevingsbesluit staan de regels omtrent deze afweging in artikel11.6 en 11.8. Voor deze afweging wordt in Bijlage V Omgevingsbesluit onderscheid gemaakt tussen verschillende type projecten. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a) de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b) voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.

5.1.1

Beoordeling en conclusie Zoals gesteld is Bijlage V van het Omgevingsbesluit opgedeeld in verschillende type projecten. In kolom 1 zijn verschillende categorieën van projecten aangewezen, waaronder ‘eerste bebossing of ontbossing met als doel een andere ruimtelijke functie van de grond’ (A4). Voor deze categorie projecten is een merplicht, zoals genoemd in artikel 16.43 Omgevingswet, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een 'eerste bebossing’ geldt wel een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Voorliggend plan maakt een eerste bebossing van circa 20 ha mogelijk met de functiewijziging van ‘agrarisch’ naar ‘natuur’ in combinatie met het landschapsplan. Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. Bij het ontwerpomgevingsplan is een mer-beoordelingsnotitie geleverd waarop de gemeente een besluit kan nemen in het kader van de mer-beoordelingsprocedure. Bij een milieueffectbeoordeling, moet op grond van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, drie criteria worden betrokken, dit zijn: ▪ kenmerk van de activiteit; ▪ plaats van de activiteit; ▪ kenmerken van het potentiële effect (in samenhang met bovenstaande omstandigheden).

16

Voor kenmerk van de activiteit is geconstateerd dat de aanleg van nieuw bos ten noordoosten van Heinenoord en bijbehorende milieueffecten niet leidt tot de noodzaak voor een mer-procedure. De milieueffecten zijn overwegend positief voor het plangebied en de omringende gebieden. Vooral voor ecologie en landschap heeft het voornemen positieve effecten. Voor de plaats van de activiteit geldt dat het plangebied ligt in agrarisch gebied. De ontwikkeling draagt bij aan het ontsnipperen van lokale bosschages. Er is geen sprake van belangrijke negatieve milieueffecten. Voor het laatste criterium kenmerken van het potentiële effect is gesteld dat de te verwachtte effecten in het algemeen positief zijn. De aanleg van nieuw bos biedt geschikt leefgebied voor een verscheidenheid aan flora en fauna, als ook een nieuw recreatiegebied voor lokale bewoners. In het kader bodem en water bevat het voorgenomen project een gecombineerde aanpak. Het negatieve effect van o.a. bebossing op de waterbergingscapaciteit in het plangebied wordt opgelost met een terp. Met de terp wordt tegelijkertijd een bodemsaneringsopgave aangepakt. Waarbij ernstig verontreinigde grond wordt geconcentreerd en afgedekt.

Concluderend blijkt uit de analyse van de potentiële milieueffecten voortvloeiend uit het voorgenomen project, dat significante negatieve effecten zijn uitgesloten en dat daarmee het doorlopen van een mer-procedure niet noodzakelijk is.

5.2

Bodem Aanvullend op de algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving staan in het Bal en het omgevingsplan specifieke zorgplichten opgenomen. Van het plangebied is bekend dat er verontreinigde bodem is. In dit hoofdstuk wordt het onderzoek en beoogde ontwikkelingen in het plangebied toegelicht.

5.2.1

Onderzoek In het verleden is er sprake geweest van ophogingen van de percelen in het plangebied met havenslib. Hierna is er een kleiige/zandige afwerklaag opgebracht; de herkomst van de opgebrachte klei /zand laag is onbekend. Uit de onderzoeken blijkt dat zowel het havenslib als de zandige ophooglaag licht tot sterk verontreinigd zijn. De overige bodemkwaliteit komt niet overeen met de functie: landbouw/ natuur. Deze is indicatief veelal klasse "Industrie". Bij de realisatie van het Windpark Oude Maas en ten behoeve van Ruimte voor de Rivier is aanvullende vervuilde grond ontgraven. Bij uitvoering van deze werkzaamheden is een saneringsplan opgesteld.

17

Figuur 3

Saneringslocaties zijn met bruine vlakken aangeduid

De saneringslocatie weergegeven in Figuur 3 maakt onderdeel uit van een groter gebied dat in het verleden is opgehoogd met verontreinigd havenslib. Op dit verontreinigde slib is een circa 1 m dikke kleilaag aangebracht. Plaatselijk is hierboven een zandige toplaag aanwezig. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat deze kleilaag van circa 0 tot 1 m onder maaiveld en het onderliggende havenslib heterogeen licht tot sterk verontreinigd is met zware metalen (met name zink en cadmium) en OCB’s1. Conform het bodemsaneringsplan wordt een terp gerealiseerd ten zuiden van windturbine 2. Deze terp bevat de ernstig verontreinigde grond die weggegraven wordt om aan de compensatieverplichting te voldoen op basis van de watervergunning voor windpark Oude Maas. Daarnaast is aanvullende compensatie nodig voor de realisatie van de andere onderdelen van dit Omgevingsplan; hiervoor wordt aanvullend grond weggegraven en verwerkt onder het energieopslagsysteem. De ontvangende bodem is vergelijkbaar verontreinigd, dit heeft geen negatieve effecten op de bestaande laag. De terp wordt afhankelijk van de functie afgedekt met een leeflaag van minimaal 0,5 m grond van de klasse industrie die vrijgekomen is bij de bouw van het windpark, weergegeven in Figuur 4. Door deze werkzaamheden wordt de bodemkwaliteit van de nieuwe bovengrond aanzienlijk verbeterd ten opzichte van de huidige situatie.

Hierdoor zal de toxische druk worden verlaagd naar onder de grenswaarde voor onacceptabele risico's.

1

OCB: Organochoolbestrijdingsmiddelen

18

Figuur 4

Locatie ontgraving en situering terp

5.2.2

Ontwikkelingen Het plangebied heeft voor langere periode een agrarische functie gehad. Op basis van bodemonderzoek ten behoeve van ontwikkelingen in de directe omgeving is gebleken dat deze gronden deels ernstig verontreinigd zijn. De teelt van consumptiegewassen is daardoor niet meer gewenst. Het Besluit activiteit leefomgeving biedt met artikel 4.1240 twee standaard saneringsaanpakken, of een combinatie daarvan. Met het oog op het benodigde grondverzet ten behoeve van Ruimte aan de Rivier is gekozen voor een combinatie van de twee saneringsaanpakken. Een deel van de verontreinigde bodem wordt ontgraven en binnen het plangebied geconcentreerd op een locatie in de vorm van een terp. Vervolgens wordt een afdeklaag aangebracht die blootstelling van mensen aan de verontreiniging in de bodem voorkomt. Met het grondverzet wordt geen verontreinigde grond verwijderd uit het plangebied.

5.2.3

Conclusie Op basis van de benodigde saneringswerkzaamheden en gedeeltelijke functieverandering van agrarisch naar natuur in combinatie met een zonneveld is het duidelijk dat er sprake zal zijn van grondverzet bij de realisatiefase. De bekende verontreiniging wordt hiermee deels gesaneerd.

5.3

Water Conform artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In deze paragraaf worden de gevolgen voor de watersystemen toegelicht.

19

5.3.1

Beleidskader Het beleid met betrekking tot de waterhuishouding is gevat is verschillende beleidsstukken. Deze zijn hieronder toegelicht. ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

5.3.2

Europese richtlijn: Kaderrichtlijn Water (KRW) Rijksbeleid: Nationaal Water Programma 2022-2027 Rijksbeleid: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Provinciale Omgevingsvisie (laatst gewijzigd op 18-02-2025) Omgevingsprogramma Zuid-Holland (laatst gewijzigd op 01-05-2024) Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (laatst gewijzigd 18-02-2025) Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie Hoeksche Waard Waterschapsverordening Hollandse Delta Watervisie WSHD 2050

Waterhuishouding Het plangebied ligt in de uiterwaarden van de Oude Maas. Dat wil zeggen dat het plangebied buitendijks is gelegen van de keringen van waterschap Hollandse Delta. Het plangebied is in de huidige staat onverhard en onderdeel van het stroomprofiel van de Oude Maas Oppervlaktewater In het plangebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig die in beheer zijn van het waterschap. Het bouwplan ligt volledig in het rivierbed van de Oude Maas. Het stroomprofiel van de rivier Oude Maas bevindt zich tussen 1,06 m NAP tot 3,06 m NAP. Hiermee wordt onder andere rekening gehouden door het batterijveld op een terp aan te leggen. Zo blijven de batterij-eenheden boven het stroomprofiel. Het volume van de aan te voeren materialen op de locaties tussen de hoogtes die het stroomprofiel begrenzen dient gecompenseerd te worden en vergund te worden door Rijkswaterstaat. De ontwikkelingen die op deze locaties plaatsvinden zijn de aanleg van bos, energieopslag en een zonneveld. De totale hoeveelheid te compenseren m3 is als volgt: ▪ Bos: 58 m3 ▪ Batterijveld: 837 m3 ▪ Zonneveld: 284 m3 ▪ Totaal: 1.279 m3 De compensatie wordt ingevuld door grond af te graven en in een terp en ter plaatse van het energieopslagsysteem te verwerken. De locaties van deze ingrepen zijn weergegeven in Figuur 5.

Het afgraven van de grond gebeurt binnen de buitenbeschermingszone (buitenkant) van de primaire waterkering, categorie A van waterschap Hollandse Delta.

20

Figuur 5

Locatie weg te graven en aan te brengen grond in terp en onder EOS

Waterkwaliteit Ruimtelijke ontwikkelingen nabij rivieren moeten rekening houden met milieuregelgeving, waterkwaliteit, klimaatadaptatie en ecologische bescherming om duurzaam en verantwoord waterbeheer te ondersteunen. Dit is onder andere beschreven in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voorkomen dat verontreinigende stoffen in grond- en oppervlaktewater terechtkomen. Dit is belangrijk vanwege de schadelijke effecten van stoffen zoals PFAS op mens en milieu. Nederland werkt binnen de EU aan een gelijk speelveld voor milieuverontreiniging. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen rekening moeten houden met strikte milieunormen, zoals die in de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de European Chemical Strategy. Ontwikkelingen moeten aansluiten bij de ambitie om meer ruimte te geven aan natuurlijke waterstromen en biodiversiteit. Dit draagt bij aan een gezonde ecologische omgeving en vermindert de negatieve impact van menselijke ingrepen. Voor activiteiten nabij rivieren gelden strikte regels voor lozingen en ingrepen in het watersysteem. Het Rijk en waterbeheerders monitoren continu de waterkwaliteit om de ecologische gezondheid van rivieren te waarborgen.

5.3.3

Vergunningplichten Grondwateronttrekking en lozing Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren. 21

Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen waarbij middels bronbemaling meer dan 100 m3 per uur of in totaal meer dan 100.000 m3 grondwater wordt onttrokken geldt een vergunningsplicht. Wanneer dieper dan 9 m grondwater wordt onttrokken, dient een vergunning te worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat (Artikel 6.37, Bal). Indien de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Voor lozingsactiviteiten, ook als hiervoor geen meldplicht of vergunningplicht geldt, is in elk geval de specifieke zorgplicht van toepassing (Artikel 2.11, Bal). Watervergunning – Waterschap Hollandse Delta/Rijkswaterstaat Het aanbrengen van verhard oppervlak, en daarmee het versneld afvoeren van hemelwater op oppervlaktewater van Waterschap Hollandse Delta, is vergunningplichtig. Aangezien het project buitendijks tot ontwikkeling komt en er geen versnelde afvoer richting oppervlaktewater in het beheer van Waterschap Hollandse Delta plaatsvindt, is voor dit project geen sprake van een dergelijke vergunningplicht. Wel worden er activiteiten uitgevoerd bij een oppervlaktewater in beheer bij het Rijk. Hiervoor geldt een vergunningsplicht.

Ook vinden er graafwerkzaamheden plaats in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering van waterschap Hollandse Delta en worden struiken en bomen aangeplant nabij de waterkering. Ook hiervoor geldt een vergunningsplicht. Voor de aanplant van de struiken en bomen is een omgevingsvergunning aangevraagd, de overige vergunningen zijn al verkregen.

5.4

Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie en archeologie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Er moet bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op: ▪ het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van in het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten; ▪ het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

5.4.1

Drempelwaarden Het plangebied heeft in het omgevingsplan ‘Landelijk Gebied Binnenmaas’ een dubbelbestemming archeologische verwachting ‘hoog 1’ en ‘middelhoog 1’. Voor de archeologische verwachtingswaarde ‘hoog 1’ geldt een drempelwaarden voor ingrepen in de bodem met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en 22

dieper dan 0,5 m-Mv. En voor verwachting ‘middelhoog 1’ geldt een drempelwaarde voor een oppervlakte tot 500 m2 en dieper dan 0,5 m-Mv.

5.4.2

Onderzoek en analyse De beoogde ontwikkelingen in dit gebied overschrijden deze drempelwaarden zoals deze gelden voor het plangebied. In het kader van de ontwikkeling van windpark Oude Maas en werkzaamheden ten behoeve van Ruimte voor de Rivier is reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage B). Voor dit onderzoek is gewerkt met een aanname van een verstoringsdiepte van 0,5 tot 2 m onder maaiveld. Aanvullend is gekeken naar potentiële effecten van ophoging tot 2 m boven het maaiveld. Het onderzoeksgebied is in Figuur 6 opgenomen. In het kader van het onderzoek en de ontwikkelingen van het windpark en Ruimte voor de Rivier worden de volgende adviezen gegeven: ▪ Gezien de beschikbare milieuboringen, de maaiveldhoogte en de verwachte diepteligging van eventuele archeologische niveaus, worden de eventuele archeologische niveaus niet bereikt met de graafwerkzaamheden ten behoeve van de voorgenomen ingrepen. De voorgenomen ingrepen vormen dus geen bedreiging voor eventuele archeologische resten en/of sporen. Daarom wordt geadviseerd om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren voor de werkzaamheden die tot 0,5 à 2 m -Mv reiken. ▪ Tevens zullen ophogingen plaatsvinden. Met ophoging van het terrein kunnen archeologische resten en/of sporen in het veen worden verdrukt. Ook kunnen grondsporen tijdelijk verblauwen.

Aangezien in het plangebied nu ook al sprake is van een ophogingspakket, wordt aangenomen dat het effect van een extra ophogingspakket een verwaarloosbaar effect heeft op eventueel aanwezige archeologische resten en grondsporen. Hiervoor zal dus geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Het onderzoek concludeert dat de mate van archeologische resten en/of sporen mede afhankelijk is van de bodemopbouw. Binnen het plangebied is sprake van een ophogingspakket dat op basis van het AHN en milieukundige boringen waarschijnlijk minstens 2 m dik is. De exacte diepteligging van de onderkant van het ophogingspakket is op basis van het milieukundige onderzoek niet gebieds- dekkend te bepalen. De globale maaiveldhoogte van het plangebied bedraagt echter wel +2,6 à +4 m NAP. De verschillende archeologische niveaus worden voor zover bekend vanaf ongeveer 5 m -Mv verwacht.

23

Figuur 6

Onderzoeksgebied archeologisch bureauonderzoek (rood kader

5.4.3

Conclusie Dit plan omvat verschillende activiteiten die tot bodemverstoringen leiden. Het is echter niet aannemelijk dat deze dieper dan 2 m -Mv zullen reiken. In acht nemend dat de archeologische waarden op 5 m -Mv verwacht worden, zijn er geen aanvullende beschermende maatregelen nodig voor uitvoering van het plan. Ten behoeve van mogelijk toekomstige ontwikkelingen die wel een negatief effect kunnen hebben is ervoor gekozen om de regels ter bescherming van de archeologische waarden in dit omgevingsplan te behouden.

5.5

Conventionele explosieven (CE) In gebieden waar veel activiteit geweest is tijdens bijv. de Tweede Wereldoorlog is het gebruikelijk om een CE-onderzoek uit te voeren. De aanwezigheid van conventionele explosieven of niet-gesprongen explosieven kan een risico zijn bij de realisatie van een planvoornemen en potentieel (tijdelijke) effecten hebben op de omgeving.

24

5.5.1

Onderzoek en analyse In 2018 is een vooronderzoek conventionele explosieven uitgevoerd ten behoeve van Windpark Oude Maas (Bijlage C). De scope van dit onderzoek omvat het gehele plangebied van voorliggend plan Het doel van het vooronderzoek CE is het vaststellen of er in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat (delen van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is (zijn) geweest bij oorlogshandelingen waardoor er (mogelijk) CE op/in de (water)bodem zijn achtergebleven. Uit het onderzoek wordt duidelijk dat er voornamelijk indicaties zijn van activiteiten en potentiële CE-locaties ten oosten van de A29. Dit is gebied buiten het plangebied ‘Buitenzomerlanden’. In Figuur 7 is de inventarisatiekaart van het (voor)onderzoeksgebied te zien.

Figuur 7

Inventarisatiekaart uit CE-onderzoek. Paarse lijn: plangebied van Buitenzomerlanden

5.5.2

Conclusie Uit het onderzoek is op te maken dat er sprake is van een onverdacht gebied. Voor de onverdachte gebieden geldt dat er geen aanwijzingen zijn aangetroffen in de geraadpleegde bronnen dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor CE in de bodem zijn achtergebleven. In de onverdachte gebieden kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat er vervolgstappen in de explosievenopsporing noodzakelijk zijn. De voorgenomen werkzaamheden in de onverdachte gebieden kunnen plaatsvinden zonder nader onderzoek of CE-begeleiding.

25

5.6

Geluid Naar de effecten van de batterijen en omvormers van zowel het energieopslagsysteem (EOS) als het zonneveld is een geluidsonderzoek uitgevoerd. De geluidsnormen waaraan voldaan moet worden zijn opgenomen het Omgevingsplan (artikel 22.63). Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting van het onderzoek en de belangrijkste conclusies. Het volledige akoestisch onderzoek is opgenomen als (Bijlage D).

5.6.1

Onderzoek en analyse In het onderzoek worden de effecten in kaart gebracht van een batterijopstelling met een vermogen van 20 MW en een opslagcapaciteit van 80 MWh. Op het moment van onderzoek is nog geen batterijtype bekend en de exacte locatie van de batterijen is nog niet in detail bekend. Er zijn daarom aannames gemaakt. Deze zijn zoveel mogelijk 'worst-case' gemaakt: er is gerekend aan de Tesla Megapack 2XL. Dit is één van de luidste batterijtypes. Daarbovenop zijn de 'worst-case' aannames gemaakt dat de batterijen te allen tijde op- of ontladen en dat de koelventilatoren altijd maximaal bezig zijn met koelen. Door deze uitgangspunten te nemen, zullen de daadwerkelijke akoestische gevolgen voor de leefomgeving in de praktijk met zekerheid kleiner zijn dan uit het onderzoek naar voren komt. Naast het onderzoek van het geluid van het EOS op geluidgevoelige objecten in de omgeving is ook cumulatie van dit geluid met het geluid van de windturbines en omvormers van het zonneveld onderzocht.

5.6.2

Conclusie Op basis van het onderzoek blijkt dat onder de worst-case aannames géén omliggende woningen te staan waarbij de normen uit het Omgevingsplan overschreden worden. De cumulatieve situatie, waarin we het geluid van de windturbines, de omvormers van het zonneveld en de batterijen (inclusief omvormers) bij elkaar optellen, verslechtert niet meer dan 1 dB voor de omliggende woningen. Dit is een aanvaardbare toename. Daarom kunnen het zonneveld en de BESS vanuit akoestisch oogpunt gerealiseerd worden.

5.7

Externe veiligheid Artikel 5.2 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden dient te worden met: het belang van het voorkomen, 26

beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Onder omgevingsveiligheid kunnen meerdere onderwerpen worden geschaard, zoals externe veiligheid, natuurbranden en overstromingsrisico’s. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

5.7.1

Omgevingsrisico Uit artikel 6.4 Bbl volgt een specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken voor de initiatiefnemer. Op grond van deze zorgplicht is een exploitant gehouden om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd voor het brandveilig gebruik van bouwwerken. Daarbij moet worden gewaarborgd dat bij calamiteiten (bijvoorbeeld brand) de risico’s beheersbaar zijn en dat de negatieve effecten voor mens en milieu worden beperkt. Voor EOS'en volgt uit de PGS 37-1 de belangrijkste risico's voor de (brand) veiligheid van de omgeving. Dit is de richtlijn voor lithiumhoudende energiedragers: energieopslagsystemen (EOS), waarin maatregelen voor de veilige opslag van elektriciteit in energieopslagsystemen zijn opgenomen. De PGS 37-1 is in december 2023 vastgesteld en zal in de nabije toekomst in de regelgeving van het Bal worden opgenomen. In de PGS 37-1 wordt gedefinieerd wat nodig is om veilig om te gaan met een EOS en welke maatregelen er genomen moeten worden voor verschillende karakteristieken (ingedeeld in 6 ‘typicals’).

In de PGS-37-1 zijn veiligheidsafstanden en brandwerendheidseisen opgenomen om overslag bij brand te voorkomen: ▪ Indien de afstand van het EOS tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort (in dit geval de windturbines), of andere brandbare objecten, ten minste 5 m en minder dan 10 m bedraagt, moet de brandwerendheid van het EOS ten minste 30 min bedragen. ▪ Indien de afstand van het EOS tot de begrenzing van de locatie, een ander bouwwerk dat tot de locatie behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 m bedraagt, is ten aanzien van de brandwerendheid geen eis van toepassing. ▪ Binnen deze afstanden vindt geen opslag van brandbare stoffen dan wel brandgevaarlijke activiteiten (m.u.v. onderhoudswerkzaamheden) 27

plaats die een brand kunnen veroorzaken of waarlangs een brand zich kan voort- planten naar het EOS. De beoogde locatie van het EOS bevindt zich in buitendijks gebied en wordt begrensd door de Oude Maas aan de noordzijde en een dijk (Buitenpolderpad) aan de zuidzijde. De dichtstbijzijnde woning ligt op meer dan 750 m afstand van het EOS. Door de grote afstand tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten blijven de risico’s voor deze objecten beperkt. Het ontwerp van de EOS voldoet aan de eisen van de PGS-37-1 en is geborgd in de planregels.

5.7.2

Bereikbaarheid hulpdiensten Rondom het EOS worden onderhoudswegen aangelegd. Het EOS is via deze wegen bereikbaar vanaf alle kanten. Voertuigen van hulpdiensten kunnen worden opgesteld aan de noord- en zuidzijde van het EOS.

5.7.3

Nabijheid windturbines De meest nabijgelegen windturbine ligt op een afstand van circa 80 m van het te realiseren EOS. Een eventuele calamiteit bij het EOS, zoals brand, zal daarmee geen risico vormen voor de windturbines. Andersom kunnen de windturbines bij falen wel het EOS treffen. Voor windturbines gelden specifieke normen op het gebied van externe veiligheid, welke zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Het gaat daarbij vooral om kwetsbare gebouwen en locaties en risicovolle installaties, die bij treffen voor ‘domino-effecten’ kunnen zorgen. Het gaat hier bijvoorbeeld om een opslag van gevaarlijke stoffen, die bij treffen door een windturbine een extra risico voor de omgeving oplevert. Aangezien er ter plaatse van het EOS geen mensen langdurig verblijven is het EOS zelf geen kwetsbaar gebouw of locatie (zie definitie kwetsbare gebouwen en locaties in bijlage VI van het Bkl). Er zijn geen andere kwetsbare gebouwen of locaties in de omgeving aanwezig en voor het EOS worden, in het kader van de PGS-37-1, maatregelen genomen in het kader van brandveiligheid. Een (onderdeel van een) falende windturbine kan het EOS treffen, gezien de veiligheidsmaatregelen en de afwezigheid van kwetsbare gebouwen vormt dit geen noemenswaardig risico voor de omgeving. Daarmee ontstaat er geen ontoelaatbaar extern veiligheidsrisico vanwege de realisatie van het EOS.

5.8

Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden 28

voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ▪ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Figuur 8

Uitsnede NIBM-tool (versie 2024)

Om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft, zijn twee mogelijkheden: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aan- gewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM- tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig. Een berekening met de NIBM-tool (Figuur 8) laat zien dat de realisatie van onderliggend project ‘Niet in betekenende mate’ bijdraagt aan een verslechtering 29

van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om een worstcase-inschatting van voertuigbewegingen voor realisatie: in totaal 1300 voertuigbewegingen, waarvan in het worstcasescenario 38% zwaar vervoer (vrachtwagens). De periode van realisatie betreft ongeveer 12 maanden, waarmee het weekdaggemiddelde afgerond naar boven uitkomt op 4. De bijdragen liggen met respectievelijk 0,02 NO2 en 0,00 PM10 μg/m3 ruim onder de norm van 1,2 μg/m3.

5.9

Ecologie In de Omgevingswet (Ow) is de bescherming van gebieden en soorten vastgelegd. Een ecologische quickscan is uitgevoerd om de aanwezigheid van beschermde soorten, de functie en het belang van het gebied voor deze soorten en het effect van de geplande werkzaamheden in kaart te brengen (Bijlage E). Hieronder volgt een korte uiteenzetting van de belangrijkste bevindingen en conclusies.

5.9.1

Flora en fauna onderzoek Voor zowel boom- als gebouw bewonende vleermuizen worden er geen verblijfplaatsen verwacht in het plangebied. Wel kan het plangebied als foerageergebied worden gebruikt. Voor grondgebonden zoogdieren zijn sporen van haas, vos en ree aangetroffen als ook twee wissels van een bever aan de rand van het plangebied. Voor vogels is een foeragerende buizerd waargenomen. Vaste verblijfplaatsen (nesten) zijn niet aangetroffen. Negatieve effecten van de geplande werkzaamheden worden alleen voor amfibieën en reptielen verwacht, mits deze aanwezig zijn. Het plangebied is geschikt voor deze soorten, maar tijdens het veldonderzoek zijn er geen soorten aangetroffen. Naast de zorgplicht zijn er geen bijzondere verplichtingen waaraan voldaan moet worden. Door werkzaamheden zo veel mogelijk overdag uit te voeren, zo min mogelijk gebruik te maken van verlichting en door buiten het broedseizoen te werken kunnen negatieve effecten worden voorkomen. Het behoeft aanbeveling om het bouwterrein af te schermen met een beverraster t.b.v. bescherming voor de bever als ook het voorkomen van bevervraat aan jonge bosaanplant. Het gebied wordt zo ingericht dat een zo groot mogelijke diversiteit aan habitats wordt gecreëerd. De aanleg van bosranden en opgaande vegetaties zorgt voor geschikt foerageergebied en voedselaanbod.

Er zullen op de lange termijn holtes en scheuren ontstaan in de bomen, welke als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen fungeren. Het Buitenzomerlandenbos biedt daarnaast ook nieuw leefgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals o.a. boommarter, vos en wezel, maar ook insecten en het planten/zaaien van specifieke waardplanten voor beschermde insectensoorten zoals o.a. Iepenpage, Kleine ijsvogelvlinder en 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16798407/1