CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitendijk-Land van Esseweg Toelichting

Beeldvormende bijeenkomst 22 juni 2021, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitendijk-Land van Esseweg te Strijen21.990 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De kreken kunnen worden gebruikt voor een aanvullende functie als waterberging. De inpassing van het bedrijf aan de Land van Esseweg 9 en de sloop van de tegenovergelegen woning draagt bij aan het versterken van de kwaliteiten. De randen van het bedrijf worden voorzien van een rij landschapsbomen welke zorgen voor zichtlijnen en daarnaast het zicht op de gebouwen te ontnemen. Door het slopen van de burgerwoning en het realiseren van een volwaardig agrarisch bedrijf wordt aangesloten en invulling gegeven aan doelmatig ingericht landschap voor de agrarische sector. Door de verdere groei van het paardenbedrijf ontstaat er een agrarisch bedrijf wat toekomst proof is wat een bijdrage levert om ook op langere termijn een agrarisch landschap te behouden. Tevens zorgt het houden van paarden in de weide een mooi beeld waar mening voorbijganger voor stopt. Ze ervaren zo nog bewuster de grote open ruimten in het landschap. Ook is dit een bindende factor voor het recreatief medegebruik van de Hoeksche Delta. Het gebied wat zich aan de rand van het eiland bevindt. Door de gebouwen daarnaast een passende schaal mee te geven is er evenwicht tussen de economische dragers van dit gebied en de bijdrage aan het landschap van het deelgebied ‘Natuurlijk! Verbonden’.

Hoeksche Delta De ‘Hoeksche Delta’ is de natuurlijke buitenrand van de Hoeksche Waard met buitendijkse natuurgebieden en een overgangszone aan de zuidzijde van het eiland, waar vormen van intensieve recreatie voorkomen. Het versterken van deze natuurgebieden en het recreatief medegebruik van deze gebieden in het ontwikkelen waard. Voor het achterblijvende perceel aan de Buitendijk 60 wordt gekeken naar een passende herbestemming binnen de ‘Hoeksche Delta’ en ‘Natuurlijk! Verbonden’. Conclusie Vanuit de ‘Omgevingsvisie Hoeksche Waard’ wil de gemeente enerzijds maatschappelijke opgaven het hoofd bieden in combinatie met economische ontwikkelingen middels ‘de Hoeksche Werken’ en anderzijds de landschappelijke-/cultuurhistorische kenmerken en diversiteit van de Delta behouden door invulling te geven aan ‘de Hoeksche Waarden’. Voor alle locaties binnen het plangebied zijn er aspecten waaraan bijgedragen wordt aan de realisatie van de werken en waarden. Zo biedt het plan ruimte voor economische ontwikkelingen op beide locaties welke in samenspraak zijn (of worden) met maatschappelijke opgaven. Ook worden de ontwikkelingen die het plan mogelijk maken zodanig opgenomen in de kenmerken van de verschillende deelgebieden dat hierbij een extra waarde wordt gecreëerd voor de Hoeksche Waard.

3.3.2

Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ welke is vastgesteld op 25 mei 2010, en het ‘Paraplubestemmingsplan Strijen’, welke is vastgesteld op 25 september 2018 van toepassing. Bij dit laatste plan zijn er wijzigingen aangebracht aan de regels van onderliggende bestemmingsplan, waaronder het vigerende bestemmingsplan

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

25

‘Buitengebied’. Voor elke locatie wordt hieronder een overzicht gegeven van de huidige bestemmingen welke zijn opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Buitendijk 60

Afbeelding 9: Uitsnede vigerend bestemmingsplan Buitendijk 60 (www.ruimtelijkeplannen.nl) Voor beoogde ontwikkelingen voor vervolgfuncties is in artikel 3.7.5 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van vervolgfuncties bij algehele bedrijfsbeëindiging. De agrarische bestemming kan gewijzigd worden naar een van de genoemde vervolgfuncties in de in dit artikel opgenomen tabel 3.3. Tabel 3.3 Vervolgfuncties waarvoor gebruikgemaakt kan worden van een wijzigingsbevoegdheid vervolgfunctie: • wonen • veehandelsbedrijf, foeragehandel, paardenhandel • africhtingsbedrijf voor paarden • veearts met praktijkruimte • ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten • opslag en stalling van niet-agrarische producten, uitgezonderd consumentenvuurwerk • categorie 3 bedrijven die naar aard en schaal gelijk te stellen zijn aan een categorie 2 bedrijf • overige bedrijven (categorie 1 en 2 van de bedrijvenlijst uit de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering) • kinderboerderij • paardenstalling (inclusief exploitatie paardenkoets)/paardenpension (inclusief paardenbak) • manege/rijschool • kleinschalige horecagelegenheid • bed & breakfast • kampeerboerderij • kleinschalig kamperen • aan-huis-gebonden beroep • sociale functies (zorgboerderij, kinderopvang, resocialisatie) • museum/tentoonstellingsruimte • dierenpension, hondenfokkerij

Voor de locatie Buitendijk 60 worden de mogelijkheden voor omschakeling zo veel als mogelijk open gehouden. Daarom blijft het bestaande planologische regime gehandhaafd. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen kan dan getoetst worden aan de regels uit het bestemmingsplan dan wel middels een goede ruimtelijke ordening. Land van Esseweg 9

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

26

Afbeelding 10: Uitsnede vigerend bestemmingsplan Land van Esseweg 9 (www.ruimtelijkeplannen.nl) In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de voorgenomen vergroting van het bouwvlak mogelijk wordt gemaakt (art. 3.7.2). Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn onderstaande voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden worden in deze paragraaf waar nodig nader toegelicht. Met deze wijzigingsbevoegdheid kan de beoogde bedrijfswoning niet worden gerealiseerd. Derhalve is de herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voor de beleidsmatige verantwoording voor het vergroten van het bouwvlak wordt er wel getoetst aan de voorwaarden uit artikel 3.7.2.

3.7.2 Ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden met inachtneming van het volgende: a. van de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend gebruik mag worden gemaakt, indien de vergroting van het bouwvlak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of ontwikkeling noodzakelijk is; b. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde bouwgrenzen gelegen blijft; c. het bouwvlak mag worden vergroot tot maximaal 2,25 ha, tenzij vanwege milieuvoorschriften of regelgeving met betrekking tot dierenwelzijn een groter oppervlak noodzakelijk is; d. de vergroting van het bouwvlak geen onevenredige afbreuk doet aan de in lid 3.1 sub c genoemde waarden; e. de vergroting van het bouwvlak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn, waarbij in ieder geval voldaan dient te worden aan het bepaalde in lid 43.3 en 43.4 'Afstanden gevoelige objecten ten opzichte van landbouwbedrijven en kassen'; f. een verzoek om toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt ter toetsing voorgelegd aan de agrarisch deskundige omtrent de vraag of aan het gestelde in sub a en c van deze regel wordt voldaan. De in lid 3.1 onder c genoemde waarden zijn: het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van: 1.

de in het gebied voorkomende landschapswaarden in de vorm van het contrast tussen open agrarisch gebied en de meer verdichte dijken, de herkenbaarheid van het landschap door de bochtige dijken met bebouwing/beplanting en de rationele, rechte verkaveling hierbinnen; 2. de in dit gebied voorkomende cultuurhistorische waarden in de vorm van de historische bebouwing en het ontginningspatroon;

Ad a. De doelmatigheid en noodzakelijkheid van de vergroting van het bouwvlak is aangetoond in het onafhankelijke onderzoek van ‘Land&Co’ welke als Bijlage 3 aan deze toelichting is gevoegd. Door de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten vanaf de Buitendijk 60 en de groei van de paardenhouderij is het beoogde bouwvlak noodzakelijk; Ad b. De bestaande loods aan de Land van Esseweg 9 blijft in de beoogde situatie binnen het bouwvlak;

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

27

Ad c. Het beoogde bouwvlak pas met een omvang van circa 1,4 ha binnen de maximale omvang van 2,25 hectare; Ad d. De in lid 3.1 onder c genoemde waarden komen overeen met de waarden die door de provincie zijn vastgelegd in de omgevingsvisie. In paragraaf 3.2 is reeds uitgebreid omschreven dat het plan een positieve bijdrage levert aan de landschapswaarden uit het zeekleipolderlandschap; Ad e. De milieuhygiënische inpasbaarheid wordt uitgebreid omschreven in hoofdstuk 4. De genoemde afstanden in de artikelen 43.3 en 43.4 worden gerespecteerd. Ad f. Een onafhankelijk agrarisch deskundige is reeds geraadpleegd. Zie ook de verantwoording onder Ad a. Gezien voorgaande is de beoogde uitbreiding van het bouwvlak passend binnen de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 3.7.3. Mede doordat een bestaande woning wordt gesloopt (Land van Esseweg 10) is de beoogde bedrijfswoning op basis van het gemeentelijke beleid toegestaan.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

28

Land van Esseweg 10

Afbeelding 11: Uitsnede vigerend bestemmingsplan Land van Esseweg 10 (www.ruimtelijkeplannen.nl) In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Voor de locatie aan de Land van Esseweg 10 is er geen wijzigingsbevoegheid opgenomen voor het verkleinen van de woonbestemming en het terugbrengen van het aantal wooneenheden van 2 naar 1. Derhalve is een herziening noodzakelijk.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

29

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat het plan geen significante negatieve effecten heeft. Derhalve is een passende beoordeling, dus een MER, niet noodzakelijk. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14. Voor het houden van paarden zijn in D14 grenswaarden opgenomen van 100 paarden, hierbij de paarden in opfok uitgezonderd. In de beoogde bedrijfsopzet is sprake van een uitbreiding met 10 paarden. Er kan dus geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het tweede criteria geldt er daarom geen plicht tot het opstellen van een MER. Het houden van het genoemde aantal paarden is tevens geborgd in de regels van het plan. Er is daarom geen sprake van een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter ook een m.e.r.beoordelingsplicht.

Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Onder de D-drempelwaarde is voor dit initiatief een vormvrije MER-beoordeling nodig omdat er wel sprake is van het oprichten van een installatie van het houden van dieren, zijnde 10 paarden. Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geeft aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het college van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen op een MER-beoordeling. Door middel van deze toelichting op het bestemmingsplan heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Deze toelichting kan dan ook worden beschouwd als vormvrije MER-beoordelingsnotitie. In overeenstemming met artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een MER-beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit.

Dit maakt het mogelijk dat het college in één vergadering besluit over de MERbeoordeling en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. Beide zaken liggen dan tegelijk ter inzage. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

30

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Het college kan gelijktijdig met het nemen van een besluit op het ontwerpbestemmingsplan een besluit nemen op de vormvrije MERbeoordeling. 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: • Beschrijving waterrelevant beleid; • Bestaande waterhuishoudkundige situatie; • Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1

Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven doormiddel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het regionaal Waterplan, zoals bedoeld in de Waterwet artikel 4.4, 4.5 en 4.8, is vervat in de Omgevingsvisie (voortvloeiend uit de ‘Visie ruimte en mobiliteit’). De provincie Zuid-Holland wil maatschappelijke en economische kansen benutten om te transformeren naar een energie- en waterefficiënte samenleving. De kwaliteit en functionaliteit van water dienen optimaal te zijn en vragen permanent om verbetering en bescherming. Aanpassingen van en keuzes in het bodem- en watersysteem worden gevergd door klimaatverandering, toenemende verzilting, inklinking en het veranderend ruimtegebruik (ook in de ondergrond).

Dit heeft in veel gevallen invloed op de ruimtelijke ordening. Het beleid ten aanzien van water is uiteengezet in de volgende pijlers: • Waternetwerk; de provincie Zuid-Holland wil het waternetwerk van Zuid-Holland nadrukkelijker profileren als belangrijke drager van de identiteit, economie en leefkwaliteit van de provincie. Het veelzijdige waternetwerk biedt namelijk veel potentie voor betere benutting, integratie en verder ontwikkeling van de diverse kwaliteiten. • Waterveiligheid; door in te zetten op sterke keringen en te anticiperen op de potentiële gevolgen van overstromingen kiest de provincie voor een duurzaam waterveiligheidsbeleid. • Zoetwatervoorziening; het regionale watersysteem is zodanig ingericht dat variaties in de aan- en afvoer van rivierwater kunnen worden opgevangen. De beschikbaarheid van voldoende water is echter niet altijd vanzelfsprekend. Het is van belang dat er een duurzame balans gevonden wordt waarin ruimtegebruikers worden voorzien in hun behoefte aan zoetwater en kosten en baten van het waterbeheer in evenwicht zijn. • Kwaliteit van oppervlaktewater; de belangrijkste ambitie is het realiseren van doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) voor 2028. Dit betekent een goede chemische en ecologische waterkwaliteit in de KRW-waterlichamen.

Deze strategische doelen zijn in de omgevingsvisie en -verordening geconcretiseerd in operationele doelen. Op basis van de waterrelevante kaarten uit de omgevingsverordening is het plangebied niet gelegen ter plaatse van gronden waarvoor een operationeel doel is opgesteld.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

31

Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Hollandse Delta. Het waterschap heeft middels de Keur wetgeving voor bescherming van het waterhuishoudkundig systeem. Hier in zijn onder andere regels opgenomen tot het versneld afvoeren van water door verhard oppervlak. Een toename in verhard oppervlak moet worden gecompenseerd door een retentievoorziening met een oppervlakte van 10% van de toename in verhard oppervlak. In de beleidsregel BL-11 van de ‘Nota toetsingskader en beleidsregels voor het watersysteem 2014’, is aangegeven dat een toename in verharding van 1500 m2 in het buitengebied is vrijgesteld van deze compensatie.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard, afkomstig van de drie locaties geloosd op septic tank. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken, de paddocks, erfverharding en weilanden valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende gronden alwaar het kan infiltreren, dan wel onder afschot richting de perceelsloten gaat. In Afbeelding 12 en Afbeelding 13 is een afbeelding met de oppervlaktewaterlichamen in de omgeving van het plangebied opgenomen. Rondom het plangebied zijn enkele oppervlaktewaterlichamen aanwezig. Op beide bedrijfslocaties wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Op het bedrijf is een werkvoorraad gewasbeschermingsmiddelen aanwezig.

Deze worden opgeslagen volgens de regels uit het Activiteitenbesluit waardoor wordt verzekerd dat met de opslag geen besmetting met het (hemel)water plaatsvindt. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten en/of infiltreren in de weilanden.

Afbeelding 12: Uitsnede Legger waterschap Hollandse Delta Buitendijk 60

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

32

Afbeelding 13: Uitsnede Legger waterschap Hollandse Delta Land van Esseweg 9 en 10 4.2.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie worden nieuwe paddocks en een paardenstal geplaatst. Daarnaast is er verharding voor de voer/hooi- en mestopslag noodzakelijk. Met de beoogde ontwikkelingen vindt er een toename in verhard oppervlak plaats in de vorm van de nieuwe stal van circa 1.200 m2, verharding voor voer en mestopslag van circa 1125 m2, nieuwe woning van circa 125 m2 en erfverharding van circa 1500 m2. De paddock worden niet verhard daar deze bestaan uit een deklaag van zand welke door middel van een anti-worteldoek wordt gescheiden van de bodem. Hierdoor kan het hemelwater welke hierop valt eenvoudigweg infiltreren. Daarnaast vindt er sloop van de bestaande woning aan de Land van Esseweg 10 plaats, circa 110 m2. Gezamenlijk vindt er dus een toename in verhard oppervlak plaats van 3.950 m2. Op basis van de BL-11 betekent dit dat er een watercompensatie met een omvang van 395 m2 benodigd is. Derhalve zal een retentievoorziening van 395 m2 watercompensatie wordt aangebracht. Deze watercompensatie zal gerealiseerd worden door de watergang T12510, zie Afbeelding 14, te verbreden. Volgens de peilbesluiten is de beoogde locatie van de voorziening geheel binnen hetzelfde peil gebied gelegen. Hierdoor is er sprake van compensatie in de directe nabijheid van de toename verharding. Op Afbeelding 14 is het zoekgebied waar de verbreding plaats zal vinden gemarkeerd.

De compensatie zal voorafgaand dan wel gelijktijdig met de aanleg van de verharding worden gerealiseerd. Voor de nadere uitvoering zal contact opgenomen worden met het waterschap.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

33

Afbeelding 14: Zoekgebied retentievoorziening, inzet ligging in de omgeving. Het bestaande watersysteem incl. de aansluiting op de sloten van het waterschap blijven voor het overige in tact. Hiermee wordt voldaan aan de Keur en Nota toetsingskader en beleidsregels voor het watersysteem 2014 van Waterschap Hollandse Delta. Volledigheidshalve is in de regels van het bestemmingsplan vastgelegd dat bij elke toename in verhard oppervlak de Keur van Waterschap Hollandse Delta in acht moet worden genomen. In de beoogde situatie blijft het (bedrijfs)afvalwater van huishoudelijke aard, dus ook van de nieuwe bedrijfswoning aan de Land van Esseweg 9, geloosd worden op de septictank. De septictank voor de woning Land van Esseweg 10 wordt met de sloop verwijdert. Ook de voorzieningen zoals toilet/wasbak e.d. worden hier op aangesloten. Overig bedrijfsafvalwater is niet aanwezig daar de paarden worden gehuisvest in hokken voorzien van stro. De urine en vaste mest wordt opgenomen in het stro, waardoor strorijke vaste mest ontstaat. Deze mest wordt opgeslagen ter plaatse van de vaste mestopslag welke is voorzien van een goot en een kelder om eventuele vloeistoffen en hemelwater welke hier neervalt op te vangen. Eventueel vrijkomende urine, het reinigingswater van het enkele keren per jaar reinigen van de stallen wordt opgevangen in de mestkelder onder de vaste mestopslag.

Op het bedrijf is een werkvoorraad gewasbeschermingsmiddelen aanwezig. Deze worden opgeslagen volgens de regels uit het Activiteitenbesluit waardoor wordt verzekerd dat met de opslag geen besmetting met het (hemel)water plaatsvindt. Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het (bodem)watersysteem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de (bodem)waterkwaliteit en ecologie. Ten aanzien van het aspect water zijn er derhalve geen belemmeringen. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

34

biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN.

De provincie Zuid-Holland heeft in zijn omgevingsverordening de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Nederland. De provincie richt zich op het behouden, herstellen en op lange termijn vergroten van de biodiversiteit. Dit kan gekoppeld worden aan maatschappelijke doelen zoals een aantrekkelijk en klimaatbestendig woon- en vestigingsklimaat, waterveiligheid en waterkwaliteit, recreatie en het tegengaan van bodemdaling. Deze doelen kunnen bereikt worden door duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van het NNN en andere natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden. De begrenzing van het netwerk en de regels ten aanzien van het netwerk zijn opgenomen in de omgevingsverordening (Ov). Het netwerk kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Op grond van de Ov geldt dat er formeel geen plannen en/of projecten mogen worden uitgevoerd in provinciaal belangrijke gebieden, die een significant hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. Conform de themakaart ‘Natuur Netwerk Nederland’ van de Ov is binnen het plangebied geen NNN aanwezig, zie Afbeelding 15. Ten zuiden van het plangebied is wel NNN gelegen, namelijk de het Natura 2000-gebied Hollands Diep. Het is dan ook van belang dat met alle beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied rekening gehouden wordt met de natuurwaarden die aanwezig zijn binnen het NNN gebied.

Er mogen geen negatieve effecten optreden. Met de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten van de Buitendijk 60 naar de Land van Esseweg 9 wordt de afstand tot het NNN vergroot welke een positief effect hebben op het NNN.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

35

Afbeelding 15: Uitsnede themakaart 'Natuurnetwerk Nederland' 4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn de Voordelta, het Haringvliet en het Hollands Diep. De provincie Zuid-Holland heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft het Hollands Diep, dat op een afstand van circa 1,0 kilometer van de locatie Land van Esseweg 9 ligt. De afstand tot de locatie Buitendijk 60 tot het gebied bedraagt slecht circa 100 meter. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van paardenhouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend op omliggende Natura 2000gebieden. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Indien er sprake is

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

36

van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). In de huidige situatie is er een paardenhouderij aanwezig op het Buitendijk 60 en een akkerbouwtak op het bedrijf aan de Land van Esseweg 9. Voor de paardenhouderij is een melding in het Activiteitenbesluit aanwezig van 15-07-2009 voor het houden van 45 paarden, welke nog steeds als zodanig wordt gebruikt. Voor het beoordelen van de stikstofdepositie in het kader van het bestemmingsplan de uitgangssituatie.

Beoogde situatie – Buitendijk 60

Met het verplaatsen van de paardenhouderij en het intrekken van de milieutoestemming zijn er op de Buitendijk 60 geen rechten meer. Wanneer voor deze locatie een toestemming wordt aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming zijn hier dus ook geen bestaande rechten meer. Voor een dergelijke toestemming dient, indien geen verleende toestemming aanwezig is, gekeken te worden naar de vigerende rechten op referentiedatum dan wel een nadien verleende milieutoestemming met een lagere stikstofemissie. Hierbij incluis eventuele intrekkingen van milieutoestemmingen. Daar deze milieutoestemming wordt ingetrokken zijn er dus geen emissies meer op de locatie aan de Buitendijk 60. Bij planologische procedures wordt eveneens gekeken naar welke rechten er op moment van vaststellen van het dan betreffende plan, mogelijk zijn. Omdat met het vaststellen van dit plan, de milieutoestemming komt te vervallen zijn hier geen rechten meer beschikbaar. Om te borgen dat er geen toename plaatsvindt van stikstofemissies na vaststelling van dit plan is er in de gebruiksregels een bepaling opgenomen dat dit niet mogelijk is zonder een nadrukkelijke toestemming in het kader van de Wet natuurbescherming.

Beoogde situatie – Land van Esseweg 9

De verplaatsing van de paardenhouderij heeft een neutraal effect op de beschermde gebieden, dit omdat de ammoniakuitstoot toeneemt maar wordt verplaatst verder weg van de beschermde gebieden. De paardenhouderij is nu gelegen op circa 100 meter van het Hollands Diep en vanaf de nieuwe locatie is deze afstand 1,0 kilometer. Dit heeft voornamelijk effect op de uitstraling van het bedrijf naar het gebied voor wat betreft geluid, licht, optische effecten (nieuwe bebouwing kort bij het gebied). Vanuit het beoogde gebruik vinden er naast de ammoniakemissies ook stikstofemissies van NOx plaats naar de lucht. Dit komt voort uit de vervoersbewegingen van en naar het plangebied aan de Land van Esseweg 9 en de bijbehorende vervoersbewegingen binnen deze inrichting. Om inzichtelijk te maken welke mogelijke effecten hiervan optreden op de Natura2000-gebieden is er AERIUS-berekening gemaakt. Een toelichting op de invoergegevens voor deze berekening alsmede de berekening zelf (gebruiksfase) is bijgevoegd als Bijlage 4 en Bijlage 5 bij de toelichting. Om te borgen dat er geen toename plaatsvindt van stikstofemissies na vaststelling van dit plan is er in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat er maximaal 10 volwassen paarden met 5 bijbehorende paarden in opfok (K1) en 89 paarden in opfok (K2) ter plaatse van de Land van Esseweg 9, toegestaan zijn.

Verder is in de gebruiksregels een bepaling opgenomen dat een verdere toename niet mogelijk is zonder een nadrukkelijke toestemming in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van de uitgevoerde AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een significant negatief effect wat betreft het aspect stikstofdepositie.

Aanlegfase

Voor de beoogde situatie aan de Land van Esseweg 9 dient inzichtelijk gemaakt te worden dat de beoogde werkzaamheden voor de bouw van de paardenstal en overige voorzieningen niet tot negatieve effecten leiden op omliggende Natura 2000-gebieden. Dit betreft de aanlegfase van het project. Indien er geen (toename van) depositie is van stikstofdepositie zijn er geen significante negatieve effecten. De invoergegevens en de berekening van de eventuele stikstofdepositie zijn gebaseerd op de toekomstige werkzaamheden die benodigd zijn om de gewenste situatie te realiseren. Hierbij moet gedacht worden aan de afgraven van gronden voor de bouw van de gebouwen, het aan en afvoeren van bouwmateriaal en personen alsmede het gebruik van materieel voor de bouw, zoals een hijskraan. (allen de aanlegfase)

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

37

Daar de aanlegfase voorziet in de bouw van een stal waar paarden in opfok worden gehouden is het logischerwijs uitgesloten dat deze dieren al gehouden worden op deze locatie als de stal nog niet is gebouwd of men bezig is met bouwen. De aanlegfase bestaat voornamelijk uit de emissie van stikstofoxiden (NO x), de uitstoot van ammoniak NH3 is nihil. De effecten van ammoniak per kilogram emissie op de Natura 2000-gebieden is hoger dan het effect vanuit de emissie per kilogram van stikstofoxiden. Daar met de berekening in de gebruiksfase geen sprake is van een significant negatief effect wat betreft het aspect stikstofdepositie en de emissies vanuit de aanlegfase de emissies uit de gebruiksfase onderschrijdt, kan met zekerheid gesteld worden dat de aanlegfase eveneens geen significant negatief effect wat betreft het aspect stikstofdepositie. Overige storingsfactoren De beoogde uitbreiding van het bedrijf leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten.

Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief binnen het plangebied dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Aan de Buitendijk 60 komt in eerste instantie enkel de paardenhouderij te vervallen. Overige ingrepen zijn niet voorzien in dit plan waardoor mogelijke natuurwaarden niet in het geding zijn. Voor het achterblijvende perceel aan de Buitendijk 60 wordt ter zijner tijd met een passende herbestemming nader bekeken welke effecten er zijn op de natuurwaarden.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

38

Bij ingrepen dienen verboden handelingen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Binnen het beoogde bouwvlak zijn geen greppels of sloten gelegen welke worden verwijderd met de aanleg van de beoogde gebouwen en bouwwerken. Bij aanleg van deze voorzieningen wordt de bovengrond verwijderd tot funderingsdiepte door een graafmachine, welke wordt ondersteund door enkele vrachtwagens (of tractoren met dumper). Nadien volgt er tijdens de bouw dat er gebruik wordt gemaakt van hijskranen en ander klein materieel. Deze werkzaamheden vinden plaats nabij het bestaande gebouw. Eventueel beschermde soorten, zoals in de nabijheid gesignaleerde ijsvogels en patrijzen (rode lijst), zijn nimmer kortbij de bestaande gebouwen gevestigd en de gronden daaromheen zijn geen geschikt habitat. Deze, en andere, diersoorten vinden hun habitat veelal langs de randen van de percelen waar meer ruigte is, of midden op het perceel waar juist geen obstakels of verstoringen zijn (en waar eventuele predatoren van grote afstand te zien zijn).

Aangrenzend aan de oostelijke zijde van het perceel ligt de brede Spieringsloot. Deze brede watergang is in beheer van en wordt onderhouden door Waterschap Hollandse Delta. Aan beide zijden een brede rietkraag die om het jaar gemaaid wordt. Zo blijft elk jaar één rietkant staan. Wildbeheer Eenheid Hoeksche Waard (WBE Hoeksche Waard) plaatst ieder jaar in de Spieringsloot een flink aantal eendenbroedkorven. Aangrenzend aan de Spieringsloot hebben eigenaren sinds 2009 een 4 meter brede grasstrook aangelegd met medewerking van CCWH (Coöperatie Collectief Hoeksche Waard U.A.). Hieronder is een foto opgenomen van de Spieringssloot met de brede grasranden en rietovers. Eigenaren nemen derhalve in het kader van een actieve zorgplicht deel aan het behoud en versterken van de leefgebieden van soorten. Het versterken van deze bestaande structuren, tussen bestaande ruigte en open akkers, draagt bij aan het behoud en groei van soorten in het algemeen en voor de patrijzen in het bijzonder. Dit laatste wordt ook aanbevolen in het gedane onderzoek van de ‘Grauwe Kiekendief – Kenniscentrum Akkervogels’ in samenwerking met de CCHW, genaamd ‘Patrijzen in de Hoeksche Waard’ uit 2020.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

39

Afbeelding 16: Foto Spieringssloot ter hoogte van de Land van Esseweg 9 Omdat de beplanting rondom het perceel behouden blijft is het niet noodzakelijk om binnen het plangebied mitigerende maatregelen te treffen voorafgaand aan de geplande ontwikkeling. De bestaande/ overblijvende beplanting in de omgeving geeft in beginsel voldoende ruimte aan vogels, zoogdieren, amfibieën, reptielen en insecten om een veilig onderkomen te vinden. Wel is het van belang dat in combinatie met de (bedrijfs-)ontwikkeling voldoende nieuwe landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd. Hier wordt in voorzien zoals beschreven in paragraaf 4.7. Voor de overgang tussen de randen van het perceel richting de nieuwe bebouwing is eerst sprake van de inpassing, voorts de omheining voor de opfokpaarden voordat de gebouwen worden bereikt. Aan de oostzijde is tevens het geplande woonhuis waardoor deze kant van het perceel rustig blijft voor het gevogelte. Aan de westelijke zijde vinden geen ingrepen plaats die een negatief effect hebben op het leefgebied van soorten. Wel vindt ook aan deze zijde een landschappelijke inpassing plaats. Per saldo kan derhalve worden geconcludeerd dat door toedoen de uitbreiding van de erfbeplanting/ landschappelijke inpassing van Land van Esseweg 9 er een grotere soortendiversiteit wordt gecreëerd, met als gevolg dat de aanwezige flora en fauna een positieve impuls krijgt.

Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet Natuurbescherming.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

40

4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. In het Activiteitenbesluit zijn voorwaarden opgenomen voor ammoniakemissies afkomstig van veehouderijen. Deze voorwaarden hebben betrekking op het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die zijn gelegen in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Uitzondering hierop betreffen bedrijven waar paarden worden gehouden. Het aspect ammoniak vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. 4.5 Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten.

Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. Voor onderhavig plan heeft Klein Bodemonderzoek B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de gronden waarop het plan betrekking heeft. Het doel van dit onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreiniging in grond en grondwater te signaleren welke consequentie, kan hebben voor de geplande ontwikkeling van de locatie. Het opgestelde rapport van het verkennend bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 6.

“Van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie is het volgende beeld verkregen: • Zintuiglijk zijn er geen verontreinigingen waargenomen; • Op basis van de historie van het perceel en het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat onderhavige locatie als een niet verdachte locatie voor de aanwezigheid van asbest kan worden beschouwd. Deze conclusie wordt bevestigd doordat tijdens de boorwerkzaamheden op of in de bodem op basis van zintuiglijke waarnemingen geen asbestverdacht materiaal is geconstateerd. Toekomstige woning • Analytisch zijn in grondmengmonster MM1 (0,0-0,5 m-mv) geen verhoogde gehalten aan met de onderzochte componenten geconstateerd; • Analytisch zijn in grondmengmonster MM2 (0,5-2,0 m-mv) geen verhoogde gehalten aan met de onderzochte componenten geconstateerd; • Analytisch zijn in het grondwater geen verhoogde gehalten met de onderzochte componenten geconstateerd. Toekomstige opfokstal • Analytisch is in grondmengmonster MM3 (0,0-0,5 m-mv) een licht verhoogd gehalte aan PCB geconstateerd; • Analytisch zijn in grondmengmonster MM4 (0,5-1,5 m-mv) geen verhoogde gehalten met de onderzochte componenten geconstateerd. • Analytisch is in het grondwater een licht verhoogd gehalte aan barium geconstateerd.” Op basis van het beeld wat is verkregen is de volgende conclusie opgenomen:

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

41

“Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese “niet verdachte locatie”, voor de locatie van de toekomstige woning juist is. De opgestelde hypothese “niet verdachte locatie”, van de toekomstige opfokstal is formeel gezien niet juist. Er zijn immers op deze locatie enkele licht verhoogde gehalten aangetroffen. De geconstateerde gehalten liggen allen onder de indexwaarde van 0,5 en/of interventiewaarde en vormen géén aanleiding tot het instellen van een nader bodemonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de afgifte van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein.” Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor het plan. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.6.1

Cultuurhistorie en aardkunde

4.6.2

Archeologie

Uit de kaart behorende bij Omgevingsverordening Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt in een gebied met aardkundige of cultuurhistorische waarden. De betrokken kaarten met nummer ‘8 – Archeologische waarden’ en ‘15 – Cultureel erfgoed’ geven binnen het plangebied evenals in de directie omgeving geen aanduiding(en) weer. De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Hoeksche Waard hebben de gronden ter plaatse van de beoogde uitbreiding aan de Land van Esseweg 9, als de overige locaties, geen dubbelbestemming Archeologie gekregen. Op basis van de Beleidsnota Archeologie van de gemeente Hoeksche Waard en bijbehorende kaart liggen de locatie binnen de een lage en middelhoge verwachting. Voor de locaties Land van Esseweg 10 en Buitendijk 60 geldt dat er geen sprake is van bodem verstorende werkzaamheden. Ter plaatse van de Buitendijk 60 vinden immers geen wijzigingen plaats.

Aan de Land van Esseweg 10 vindt sloop van de reeds bestaande woning plaats waar derhalve de grond al dermate verstoord is dat er geen archeologische waarden te verwachten zijn. Voor de Land van Esseweg 9 geldt dat de gronden al jaren als agrarische gronden in gebruik zijn. Uit het bodemonderzoek is gebleken dat de gronden onder de bestaande bebouwing en verharding al bij aanleg zijn verstoord en dat op de omliggende gronden binnen het plangebied door de jaren heen grondbewerking heeft plaatsgevonden, met (zware) machines, waarmee de bovengrond volledig is verstoord. De ondergrond is nog wel in tact. De beoogde bebouwing aan de Land van Esseweg 9 wordt slechts tot funderingsdiepte in de bovengrond afgegraven. Mogelijke aanwezige archeologische waarden in de diepere grondlagen worden in situ bewaard. Onderzoek PM.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

42

Afbeelding 17: Verwachtingskaart Archeologie Hoeksche Waard 4.7 Landschappelijke inpassing Het landschap is gebaat bij een inpassing welke in overeenstemming is met de omgeving. Het behoort de karakteristieke kenmerken van het gebied te versterken en negatieve invloeden zo veel mogelijk weg te nemen. De Hoeksche Waard als geheel is een uniek agrarische polder met een weids en open landschap waarin dorpen, dijken, polders en kreken het landschap kernmerken. De waarden dienen dan ook zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterkt worden. Met de inpassing van de locaties Land van Esseweg wordt hier rekening mee gehouden. Zo wordt bebouwing gesloopt (Land van Esseweg 10) en wordt aan de Land van Esseweg 9 de bebouwing zo geplaatst dat er zichtlijnen ontstaan naar het open poldergebied. Hierdoor worden de karakteristieken versterkt. De buitenbak is geen constructie of gebouw wat het open karakter van het landschap sterk beïnvloed. Toch wordt met deze inpassing gezorgd dat de (nieuwe) gebouwen niet als uitstulpingen in de polder zichtbaar zijn, maar worden deze aan dominantie onttrokken door een rij landschapsbomen. Voor de locatie aan de Buitendijk 60 zijn geen inpassingen voorzien daar deze van oudsher gevestigde bebouwing al passend is in het heersende landschap.

Daarnaast kan er met een voorgenomen wijziging van deze locatie eventuele aanvullende inpassing nader worden beschouwd. Een uitsnede van de Landschappelijke inpassing is opgenomen in Afbeelding 21. Een versie op schaal is als bijlage bijgevoegd.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

43

Afbeelding 18: Beoogde landschappelijke inpassing Land van Esseweg 9 4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit.

Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: • Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. • Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. De afstand wordt in beginsel berekend vanaf de rand van het bestemmingsvlak waarbinnen de beoogde activiteiten plaatsvinden. Wanneer er binnen deze afstand al bestaande belemmeringen zijn mag de feitelijke situatie worden aangehouden.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

44

Bedrijf naar de omgeving: Allereerst is beoordeeld welke uitstraling het bedrijf heeft naar de omgeving. Aan de Land van Esseweg 9 worden twee bedrijfstakken voorzien. Zijnde de bestaande Akkerbouwtak en de beoogde Paardenhouderij. Voor beide bedrijfstakken zijn in onderstaand Tabel 1 gegevens opgenomen betreffende milieucategorie en richtafstanden.

Tabel 1: Bedrijven en milieuzonering - Land van Esseweg 9 Adres Land van Esseweg 9

Soort bedrijf / woning Paardenhouderij / fokkerij Akkerbouw

SBI-2008 Categorie 0143-1

Cat. 3.1

Maatgevend aspect Geur

Afstand (m) 50

Afstand dichtstbijzijnde woning Zie aspect geur §4.9

011-012-013

2

Geluid

30

23 meter*

De overige aspecten hebben allen een kleinere richtafstand en zijn derhalve niet maatgevend. Voor de Paardenhouderij is het aspect geur maatgevend. Voor het aspect geur is in sectorale wetgeving van het Activiteitenbesluit milieubeheer een apart toetsingskader opgenomen. Hieraan wordt getoetst in paragraaf 4.9. De bestaande Akkerbouwtak heeft een richtafstand van 30 meter. De afstand vanaf het plangebied tot de dichtstbijzijnde woning aan de Land van Esseweg 12 is 23 meter. De bedrijfsactiviteiten vinden echter plaats vanaf het inrit, welke op meer dan 30 meter is gelegen. In onderstaande Afbeelding 19 is dit inzichtelijk gemaakt. De ruimte tussen de inrit en de westelijke grens van het plangebied wordt gebruikt voor de landschappelijke inpassing van het bedrijf (zie voorgaande paragraaf). Tevens worden de bedrijfsactiviteiten niet in deze richting uitgebreid. In de richting waar de bedrijfsactiviteiten worden uitgebreid is de woning aan de Land van Esseweg 6 gelegen op 65 meter van het plangebied. Derhalve wordt er vanuit de inrichting voldaan aan de richtafstanden vanuit de ‘Bedrijven en milieuzonering’.

Afbeelding 19: Afstand woning Land van Esseweg 12 - inrit Land van Esseweg 9 Omgeving naar bedrijf Naast de uitstraling van het bedrijf naar de omgeving is er ook gekeken welke (mogelijke) functies in de omgeving invloed kunnen hebben op het bedrijf. Bij de vorige toetsing, zie hiervoor, is aangegeven dat er twee woningen zijn gelegen in de nabijheid van het bedrijf. Dit zijn de Land van Esseweg 6 en 12. Verderop, op ruim 400 meter, aan de Land van Esseweg (4b) is een biologische akkerbouw/veeteeltbedrijf gelegen. De afstand tot de laatstgenoemde is dermate groot dat deze buiten beschouwing wordt gelaten. De twee woningen in de directe omgeving liggen op voldoende afstand. De afstanden vanaf de woningen tot het plangebied, dan wel de werkelijke bedrijfsactiviteiten is opgenomen in Tabel 2 op de volgende pagina.

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

45

Tabel 2: Bedrijven en milieuzonering – Omgeving naar de Land van Esseweg 9 Adres

Soort bedrijf / woning

SBI-2008 Categorie

Maatgevend aspect

Afstand (m)

Afstand tot plangebied

Land van Esseweg 6 Land van Esseweg 12

Woning Woning

-

-

-

65 m 23 m

Afstand tot - bedrijfsactiviteiten 72 m 30 m

Land van Esseweg 6

Divers

55 e.v. ‘Logies-, Maaltijdenen Drankenverstrekking – maximale categorie 3.1 59 e.v. ‘Cultuur, Sport en Recreatie’ – tot maximale categorie 3.1

Geluid

50

39 m

- Woning 57 m

Geluid

50

39 m

57 m

Aan de Land van Esseweg 6 is momenteel een woonbestemming opgenomen waarbinnen enkele recreatieve activiteiten plaatsvinden. Het is goed mogelijk dat deze activiteiten in de nabije toekomst uitgebreid worden. Hoewel nog er nog geen duidelijkheid is over de exacte plannen is er in Tabel 2 een overzicht gegeven van de recreatieve activiteiten binnen de ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hierbij is er een maximale milieucategorie aangehouden van 3.1. Recreatieve activiteiten welke een hogere milieucategorie hebben zijn evenwel niet wenselijk (denk aan kunstijsbanen, dierentuinen en (overdekte) zwembaden) dan welk niet ruimtelijke inpasbaar door de ligging in een stiltegebied (diverse schietbanen en/of circuits). Voor SBI-2008-categorie 55 (Tabel 2, kolom 3) is de maximale milieucategorie voor alle genoemde activiteiten 3.1. De bijbehorende richtafstand van milieucategorie 3.1 functies is maximaal 50 meter. Uit Tabel 2 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de 50 meter grens. De beoogde bedrijfswoning binnen het plangebied ligt echter op meer dan 50 meter. De gronden die wel binnen de richtafstanden zijn gelegen zijn bedoeld voor de landschappelijke inpassing en verplichte afstand tot de weg. In onderstaande Afbeelding 20 is dit inzichtelijk gemaakt. Hierbij zijn de beoogde recreatieve activiteiten als uitgangssituatie genomen.

Ondersteunende functies (waaronder parkeren) worden hier buiten gelaten. Uit Tabel 2 en Afbeelding 20 blijkt dat de huidige functies in de omgeving niet belemmerend werken voor de beoogde functie op de Land van Esseweg 9. De mogelijke recreatieve functies aan de Land van Esseweg 6 zijn evenwel ook mogelijk.

Afbeelding 20: Overzicht richtafstanden milieucategorie 3.1 - Land van Esseweg 6

Toelichting – Buitendijk-Land van Esseweg

46

Conclusie In het kader van de ‘Bedrijven en milieuzonering’ blijkt dat de beoogde ontwikkeling aan de Land van Esseweg 9 niet belemmerend werkt voor de omliggende functies en ook niet belemmerd wordt. Het plan kan wat dit aspect doorgang vinden. 4.9 Geur In het kader van een ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9.1

Activiteitenbesluit

In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen ten aanzien van het aspect geur afkomstig van het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven. De regels van het Activiteitenbesluit zijn van toepassing indien niet meer dan 100 paarden gehouden worden, waarbij bijbehorend opfok wordt uitgezonderd voor het bepalen van de grens van 100 paarden. Met de uitbreiding wordt in de beoogde situatie ruimte geboden voor de stalling van 10 volwassen paarden in de bestaande loods met bijbehorende paarden in opfok (5 stuks) en 89 paarden jonger dan 3 jaar (opfok) in de nieuw op te richten stal. Het totaal aantal paarden in opfok komt derhalve neer op 94. Op basis van voorgaande is het Activiteitenbesluit van toepassing. In het Activiteitenbesluit is opgenomen dat de afstand tussen een dierenverblijf waar paarden worden gehouden en geurgevoelig object ten minste 50 meter dient te zijn, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Deze afstand dient gemeten te worden tussen het geuremissiepunt en de gevel van de dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Daarnaast is het Activiteitenbesluit opgenomen dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelige object ten minste 25 meter dient te zijn, indien het geurgevoelige object in het buitengebied is gelegen.

Ook deze afstand dient gemeten te worden vanaf de buitenzijde van de paardenstallingen en de gevel van de het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen de genoemde afstanden gemeten te worden tussen de bouwvlakken. Dit om de bestaande rechten van zowel de naastgelegen burgerwoningen, bedrijven als de eigen bedrijfsvoering te respecteren. Burger en bedrijfsexploitant hebben namelijk het recht om hun bouwperceel volledig te bebouwen (maximale planologische ruimte). De woning aan de Land van Esseweg 12 ligt voor een deel in de bestemming Tuin welke voor de woonbestemming is gelegen, zie ook Afbeelding 21. De woonbestemming is verder naar achteren gelegen en in de bestemming Tuin zijn planologisch gezien geen uitbreidingen toegestaan, waardoor de bestaande woning de maximale planologische afstand weergeeft. Voor de woning aan de Land van Esseweg 6-8 is in het vigerende bestemmingsplan een uitbreidingsen sloopverbod opgenomen vanwege de karakteristieke waarde van het gebouw en zijnde een ‘voormalig bedrijfscomplex’. Daar de bestaande gebouwen planologisch gezien zijn vastgelegd kan voor deze locatie ook worden uitgegaan van de werkelijke bebouwing. Op Afbeelding 21 zijn de 50 meter-contour rondom de bestaande woningen/terreinen aan de Land van Esseweg 6 en 12 weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10234805/1