CConstaterende datHoeksche Waard
Koppel je AI →
Document · PDF

bp en bijlagen Burg de Vries Broekmanlaan 2 Obl

Besluitvormende raad 25 maart 2025, gemeente Hoeksche WaardBij agendapunt: Bestemmingsplan Burgemeester De Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland32.252 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

1.37 kantoor: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van de administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen en de aard daarmee gelijk te stellen instellingen. 1.38 overig bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.39 overig dienstverlenend bedrijf/dienstverlenende voorziening: een dienstverlenend bedrijf of dienstverlenende voorziening dat/die geen kantoor is.

5

1.40 pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.41 peil: • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van aansluitende, afgewerkte terrein bij voltooiing van de bouw; • indien wordt gebouwd in of aan een dijk, waterkering of in gebieden waar het peil op een perceel een verhang kent van meer dan 1 m: o 1. indien de hoofdtoegang van het bouwwerk aan de weg grenst: de hoogte van de weg, waarbij dit peil zich uitstrekt tot een zone van ten hoogste 3 m achter de achtergevelbouwgrens van een op bedoeld perceel aangegeven bouwvlak, mits het een aanbouw aan het hoofdgebouw betreft; o 2. indien de hoofdtoegang van bouwwerk niet aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein; o 3. voor vrijstaande bijgebouwen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein; • indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil (of ander plaatselijk aan te houden waterpeil). Een en ander voor zover in deze regels niet anders is bepaald.

1.42 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen: • a. een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon; • b. een seksbioscoop of sekstheater; • c. een seksautomatenhal; • d. een seksclub of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar of in combinatie met een sekswinkel. 1.43 staat van bedrijfsactiviteiten: een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan deel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen. 1.44 standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten. 1.45 stille elementen verharding Elementenverharding in een rijweg met een geluidreductie van ca. 2 dB ten opzichte van reguliere elementenverharding. 6

1.46 voorgevel: de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw, op 1 m boven peil, of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt op basis van bijvoorbeeld specifieke (omgevings)kenmerken, zoals de aanwezigheid van de hoofdentree van de woning, of vanuit stedenbouwkundig oogpunt kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

1.47 voorgevelrooilijn: denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een bouwwerk loopt tot aan de perceelsgrenzen. 1.48 weg: een voor openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeerterreinen. 1.49 woning: een complex van ruimten van, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Hieronder vallen tevens bijzondere woonvormen zoals begeleid wonen door (licht-)verstandelijke gehandicapten en ex-psychiatrische patiënten.

7

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse bouwperceelsgrens: tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk waar die afstand het kortst is. 2.2 de bedrijfsvloeroppervlakte: binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. 2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 de hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.7 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.9 de oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.10 ondergeschikte bouwdelen: Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakkapellen, en overstekende daken en bouwlagen en daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bouwonderdelen, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen en -hoogten niet meer dan 2,5 m bedraagt.

8

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: • a. groenvoorzieningen; • b. bermen en beplanting; • c. paden; • d. speelvoorzieningen; • e. beeldende kunst; • f. evenementen; • g. waterlopen en waterpartijen; • h. waterhuishoudkundige voorzieningen; • i. nutsvoorzieningen; 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden geldt dat er geen gebouwen mogen worden gebouwd. 3.2.2 Overige bouwwerken Ten aanzien van de in lid 3.2 bedoelde gronden geldt dat de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer mag bedragen dan 3 m. 3.2.3 Bestaande bouwwerken Bouwwerken, welke niet voldoen aan het bepaalde in de leden 3.2.1 t/m 3.2.2, zijn toegestaan voor zover deze rechtsgeldig zijn gebouwd of een rechtsgeldige bouwtitel hebben op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan. De bestaande, afwijkende maatvoering geldt dan als maximale maatvoering.

9

Artikel 4 Verkeer – Verblijfsgebied 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 De voor Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonstraten, paden; b. voet- en rijwielpaden; met de daarbij behorende: c. parkeervoorzieningen; d. waterhuishoudkundige voorzieningen; e. groenvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden geldt dat geen gebouwen mogen worden gebouwd. 4.2.2 Overige bouwwerken Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden voor overige bouwwerken de volgende bouwregels: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m. 4.2.3 Bestaande bouwwerken Bouwwerken, welke niet voldoen aan het bepaalde in de leden 4.2.1 en 4.2.2 zijn toegestaan voor zover deze rechtsgeldig zijn gebouwd of een rechtsgeldige bouwtitel hebben op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan. De bestaande, afwijkende maatvoering geldt dan als maximale maatvoering. 4.3 Specifieke gebruiksregels 1. Onverminderd het bepaalde in lid 4.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor evenementen in strijd met het plan; 2. Onverminderd het bepaalde in lid 4.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor standplaatsen in strijd met het plan. 4.4 Afwijken van de gebruiksregels 1.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 4.3 voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van evenementen, onder de voorwaarde dat geen onnodige overlast voor omwonenden ontstaat. Het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement worden mede hieronder begrepen; 2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 4.3 voor het gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van standplaatsen, onder de voorwaarde dat geen onnodige overlast voor omwonenden ontstaat.

10

Artikel 5 Water 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor: • a. waterberging; • b. waterhuishouding; • c. waterpartijen en waterlopen; • d. waterrecreatie; • e. verkeer en transport te water; • f. bruggen, dammen, duikers; • g. overige voorzieningen ten behoeve van kruisend verkeer.

5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden gelden voor gebouwen de volgende bouwregels: a. er mogen geen gebouwen worden gebouwd; 5.2.2 Overige bouwwerken Ten aanzien van de in lid 5.1 bedoelde gronden geldt dat overige bouwwerken mogen worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m. 5.2.3 Bestaande bouwwerken Bouwwerken, welke niet voldoen aan het bepaalde in de leden 5.2.1 en 5.2.2 zijn toegestaan voor zover deze rechtsgeldig zijn gebouwd of een rechtsgeldige bouwtitel hebben op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan. De bestaande, afwijkende maatvoering geldt dan als maximale maatvoering.

11

Artikel 6 Wonen 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan huis verbonden beroepen, waaronder mede begrepen gastouderopvang; met de daarbij behorende: c. tuinen en erven; d. wegen en paden; e. parkeervoorzieningen; f. verkeersvoorzieningen; g. waterhuishoudkundige voorzieningen; h. groenvoorzieningen; i. nutsvoorzieningen. 6.2 Bouwregels Ten aanzien van de in lid 6.1 bedoelde gronden gelden voor hoofdgebouwen de volgende bouwregels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd; b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; c. het aantal woningen in het plangebied bedraagt ten hoogste 38; d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan aangegeven; e. ter plaatse van een gevel met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – balkons uitgesloten’ mogen aan die gevel geen balkons worden gerealiseerd; f. ter plaatse van een gevel met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen -balkons 1’ mogen aan die gevel alleen balkons worden gerealiseerd met een dichte ballustrade van minimaal 1.50 m hoogte; g.

ter plaatse van een gevel met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – balkons 2’ mogen aan die gevel alleen balkons worden gerealiseerd met een dichte ballustrade van minimaal 1,50 m hoogte, terwijl aan de zuidzijde van die balkons de dichte ballustrade minimaal 1,80 m hoog moet zijn. 6.3 Voorwaardelijke verplichting Binnen een jaar na het in gebruik nemen van de woningen moet ter wille van het bereiken van een aanvaardbaar akoestisch geluidniveau bij de woningen in het plangebied, het wegdek van de Burg. De Vries Broekmanlaan, voor het rijgedeelte van de weg voor zover grenzend aan het plangebied, worden voorzien van een stille elementen verharding, welke verharding ook in stand moet worden gehouden. 6.3 Specifieke gebruiksregels 6.3.1 Ten aanzien van het gebruik geldt het bepaalde in lid 6.1. 6.3.2 Binnen de bestemming is de uitoefening van een beroep aan huis toegestaan, als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende regels: 12

• • • • • •

a. de voor beroepsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 30% per woning bedragen, tot een maximum van 45 m2; b. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan; c. detailhandel en horeca zijn niet toegestaan; d. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan; e. er mag geen gebruik worden gemaakt van reclame-uitingen; f. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel.

6.3.3 Onverminderd het bepaalde in lid 6.1 is het gebruik van de daar bedoelde gronden voor een seksinrichting in strijd met het plan. 6.4 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 6.3.2 voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, met inachtneming van de volgende regels: a. de voor bedrijfsuitoefening te gebruiken vloeroppervlakte mag maximaal 30% per woning bedragen, tot een maximum van 75 m2; b. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan; c. detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel, en horeca zijn niet toegestaan; d. er mag geen milieu- of verkeershinder ontstaan; e. het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner van het betreffende perceel.

13

Artikel 7 Waarde – Archeologie 5 7.1 Bestemmingsomschrijving 7.1.1 Algemeen De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden. 7.1.2 Voorrang van dubbelbestemming Indien de belangen van de in artikel 7 lid 1.1 bedoelde dubbelbestemming in strijd zijn met de belangen van een andere samenvallende dubbelbestemming, dan geldt de volgende rangorde: 1. Waterstaat/Waterstaat - Waterkering; 2. Leiding - Gas/Leiding - Brandstof; 3. Waarde - Archeologie 1/Waarde - Archeologie 2/Waarde - Archeologie 3/Waarde Archeologie 4/Waarde - Archeologie 5/Waarde - Ecologie/Waarde - Landschap/Leiding Water/Leiding - Riool.

7.2 Bouwregels Ten aanzien van de in artikel 7 lid 1.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: a. op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd; b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen op de in artikel 7 lid 1.1 bedoelde gronden bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen worden gebouwd, mits: 1. reeds uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn; of, 2. het bouwwerken betreffen die vergunningsvrij op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kunnen worden gebouwd; of, 3. het bouwwerken betreffen die niet dieper reiken dan 0,5 m onder het maaiveld; of, 4. een planomvang hebben kleiner dan 10 ha. 7.3 Afwijken van de bouwregels a. Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 2 sub a voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen, anders dan de bouwwerken zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 sub b, met dien verstande dat: 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarde van het gebied; of, 2. een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft dat, onverminderd het elders in het plan bepaalde, een omgevingsvergunning voor afwijken in redelijkheid niet kan worden geweigerd. b.

Bij de afweging van de omgevingsvergunning voor afwijken geven burgemeester en wethouders toepassing aan de volgende criteria: 1. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen dient in het belang van de bescherming van de archeologische betekenis van de gronden een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de 14

aanvraag kan worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; 2. burgemeester en wethouders winnen alvorens de omgevingsvergunning voor afwijken te verlenen advies in bij een archeologisch deskundige; c. in afwijking van het bepaalde artikel 7 lid 3 sub a en artikel 7 lid 3 sub b kan de omgevingsvergunning voor afwijken worden verleend indien voor de werkzaamheden voortvloeiend uit de bouwaanvraag reeds een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7 lid 4 is verleend; het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemmingen blijft onverminderd van toepassing. 7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Omgevingsvergunningplichtige werken Het is verboden ter plaatse van de gronden als bedoeld in artikel 7 lid 1.1 de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen uitvoeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, van burgemeester en wethouders: a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het bodem verlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; c. het uitvoeren van grondbewerkingen; d.

het aanbrengen van diepwortelende beplanting; e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden en of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten; h. het verhogen of verlagen van de grondwaterstand. 7.4.2 Uitzondering Het in artikel 7 lid 4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. reeds uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische (verwachtings)waarden aanwezig zijn; b. het normale onderhoudswerkzaamheden betreffen die gericht zijn op en noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het plan; c. het andere werken en werkzaamheden betreffen die uit oogpunt van bescherming van de archeologische waarde van ondergeschikte betekenis zijn, zoals werken en werkzaamheden die niet dieper dan 0,5 m onder het maaiveld plaatsvinden en een omvang hebben kleiner dan 10 ha; d. het werken of werkzaamheden betreffen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.

15

7.4.3 Verlening omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 4.1 wordt slechts verleend indien is gebleken dat de genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken of werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden in de gronden. 7.4.4 Regels omgevingsvergunning Voor zover de genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, indien aan de orde; c. de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

7.4.5 Rapportage In het belang van de bescherming van de archeologische betekenis van de gronden dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag kan worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 7.4.6 Advies archeologisch deskundige Alvorens te beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige. 7.4.7 Meldingsplicht Aangetroffen archeologische waarden dienen te worden gemeld aan burgemeester en wethouders. Burgemeester en wethouders informeren vervolgens de Rijksdienst Voor Archeologisch, Cultuurlandschap en Monumenten in de provincie Zuid-Holland. 7.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen, in die zin dat: a. aan de gronden de bestemming Waarde - Archeologie 5 wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b.

aan de gronden de bestemming Waarde - Archeologie 5 wordt gewijzigd naar de bestemming Waarde - Archeologie 1, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse sprake is van een archeologische vindplaats; c. aan de gronden de bestemming Waarde - Archeologie 5 wordt gewijzigd naar de bestemming Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3 of Waarde - Archeologie 4, 16

indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er sprake is van een veranderde archeologische verwachtingswaarde; d. de maatvoering als bedoeld in artikel 7 lid 1 en artikel 7 lid 4.1 kan worden gewijzigd na vaststelling van het gemeentelijk archeologiebeleid.

17

HOOFDSTUK 3 Algemene regels Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels 9.1 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening De regels van stedenbouwkundige aard van de Bouwverordening zijn uitsluitend van toepassing voor zover het betreft: • a. de bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer, brandblusvoorzieningen; • b. de brandweeringang; • c. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten; • d. de ruimte tussen bouwwerken; • e. de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen. 9.2 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van bouwwerken, ten behoeve van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. een goede woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; d. de sociale veiligheid; e. de milieusituatie; f. de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 9.3 Parkeren a. Ingeval er gedurende de planperiode sprake is van nieuwbouw, of uitbreiding van nietwoonfuncties met meer dan 50 m2, dan gelden de laatste door de gemeenteraad vastgestelde parkeernormen, waarbij als uitgangspunt het parkeren op eigen terrein genomen moet worden; b. Burgemeester en wethouders kunnen, indien voor het realiseren van de parkeernorm geen fysieke ruimte aanwezig is op eigen terrein, in onderstaande gevallen afwijken van het bepaalde onder a: o 1.

wanneer in de directe omgeving op andere wijze in het aantal vereiste parkeerplaatsen kan worden voorzien, mits de parkeerbalans daardoor niet wordt verstoord, of; o 2. wanneer een bijdrage wordt gestort in het gemeentefonds overeenkomstig de berekening en voorwaarden. 9.4 Antenne-installaties 9.4.1 Algemeen De oprichting van antenne-installaties en antennedragers is niet toegestaan.

18

9.4.2 Afwijkingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van lid 9.4.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het oprichten van antenne-installaties en antennedragers met in achtneming van het bepaalde in onderstaande (lid 9.4.2 en 9.4.4). 9.4.3 Algemene criteria a. Antenne-installaties en antennedragers dienen zoveel mogelijk aan het karakter van de directe omgeving te worden aangepast door gebruikmaking van bestaande bouwwerken, zoals reclamemasten of –zuilen, hoogspanningsmasten, schoorstenen, windmolens en degelijke; b. Bij de plaatsbepaling binnen het plangebied en voor zover geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande gebouwen en bouwwerken, dient plaatsing op de bedrijventerreinen en kantoorlocaties de voorkeur te krijgen; c. Aangetoond moet zijn dat de advieswaarden van de Gezondheidsraad voor blootstelling aan elektromagnetische velden ter plaatse van de objecten, waar zich gedurende langere tijd mensen bevinden, niet worden overschreden; d. Het aantal antennedragers mag niet meer zijn dan strikt noodzakelijk is voor de realisering van een adequaat netwerk met voldoende capaciteit. Bij het bepalen van het strikt noodzakelijke aantal antennedragers wordt het principe van site-sharing gehanteerd; e.

Bij de plaatsing van antenne-installaties en antennedragers dient het beginsel van sitesharing te worden gehanteerd tenzij dit, blijkens een voldoende onderbouwde motivering, technisch niet mogelijk is of in redelijkheid niet kan worden verlangd. 9.4.4 Bouwregels a. antenne-installaties kleiner dan 5 m en voor het overige niet voldoen aan het bepaalde in artikel 2 lid 15 onder b van Bijlage II uit het Besluit omgevingsrecht zijn niet toegestaan; b. en antenne-installatie mag uitsluitend worden geplaatst op gebouwen hoger dan 12 m; c. ten aanzien van de plaatsing van een antennedrager op het dak van een gebouw geldt het volgende: o 1. deze dient bij een op het dak aanwezig object te worden geplaatst; o 2. in het midden van het dak te worden geplaatst, of, o 3. elders op het dak, mits de afstand tot de voorgevellijn minimaal 2 m bedraagt; d. een antennedrager, welke meer dan 5 m hoog is en niet op een gebouw is geplaatst, mis niet toegestaan; e. de afstand tussen twee woongebouwen waarop één of meerdere antenne-installaties zijn geplaatst dient minimaal 300 m te bedragen; f. de bedrading van de antenne-installatie dient inpandig, in of direct langs de antennedrager te worden aangebracht dan wel in een kabelgoot, mits deze kabelgoot ten minste 1 m achter de voorgevellijn is geplaatst; g.

per gebouw mogen ten hoogste drie antennedragers worden geplaatst en/of maximaal zes antenne-installaties; h. antenne-installaties mogen niet op bouwwerken met specifieke bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument 1' of specifieke bouwaanduiding - monument 2' worden geplaatst;

19

i. de afstand van een antennedrager welke meer dan 5 m hoog is, inclusief de daarop geplaatste antennes, tot een woning of een monumentaal pand dient minimaal 100 m te bedragen; j. van het bepaalde onder f kan slechts worden afgeweken indien plaatsing op een locatie, als bedoeld f in redelijkheid niet kan worden verlangd in verband met het realiseren van een landelijk dekkend netwerk, mist de antennedrager landschappelijk wordt ingepast; k. antenne-installaties mogen niet worden opgericht in landschappelijk waardevol gebied of in kwetsbare natuurgebieden, tenzij gekoppeld aan bestaande hoogspanningsmasten, lichtmasten of andere bestaande verticale elementen; l. de maximaal toegestane hoogte van antenne-installaties is 40 m; m. ten aanzien van de plaatsing van de techniekkast bij een antenne-installatie gelden de volgende bepalingen: o 1. deze dient inpandig of ondergronds te worden geplaatst. Inpandige plaatsing is slechts mogelijk indien voldaan wordt aan de ten tijde van de indiening van de omgevingsvergunning voor het bouwen geldende advieswaarden van de Gezondheidsraad voor blootstelling aan elektromagnetische velden ter plaatse van objecten waar zich gedurende langere tijd mensen bevinden; o 2. indien de techniekkast op een gebouw wordt geplaatst, dient deze niet groter te zijn dan 2 m2 en minimaal 1 m achter de dakrand te worden geplaatst.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels Het is verboden de gronden en/of bouwwerken, zoals bedoeld in de in hoofdstuk 2 opgenomen regels, te gebruiken ten behoeve van: • a. een seksinrichting; • b. een coffeeshop.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels 11.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van: a. de gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de bouwregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. de bouwregels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte van de boverige bouwwerken wordt vergroot tot niet meer dan 10,00 m; d. de bouwregels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken en toestaan dat de hoogte van overige bouwwerken ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40,00 m; e. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits: o 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 5 m2 bedraagt; 20

o

2. de hoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt; f. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen en overige bouwwerken met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een goothoogte van niet meer dan 4 m (ten dienste van het openbaar nut), zoals schakelhuisjes, transformatorhuisjes, wachthuisjes, telefooncellen, muurtjes, standbeelden en straatmeubilair; g. het overschrijden van de aangeduide bouwgrenzen voor de bouw van bouwwerken van ondergeschikte aard zoals loggia's, erkers, keldertoegangen, dakoverstekken, luifels en balkons, die qua aard en afmetingen bij de bestemming passen tot maximaal 2,50 m in de richting van de weg, onverminderd het elders in deze regels bepaalde, indien de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad en het past binnen het stedenbouwkundig beeld van de omgeving. 11.2 Randvoorwaarden toepassing omgevingsvergunning voor afwijken Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan een omgevingsvergunning voor het afwijken mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels 12.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen indien de wijziging betrekking heeft op: a. de situering en de vorm van de aangegeven bouwvlakken in nieuwe bouwvlakken;

12.2 Randvoorwaarden toepassing wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan een wijziging mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

21

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken 13.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 13.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van lid 13.1.1 omgevingsvergunning verlenen van lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 13.1.1 met maximaal 10%. 13.1.3 Lid 13.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik 13.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

13.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 13.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 13.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in het lid 13.2.1 na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 13.2.4 Lid 13.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

22

Artikel 14 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ´Burgemeester de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland’ van de gemeente Hoeksche Waard.

23

A 951

A 944

23-25

34 Plangebied

3

A 952 A 1306

21

5

Burg. de Vries Broekmanlaan 2, Oud-Beijerland

1 Bestemmingen G

725

A 694 S. va

19 17

A 695

an

15 13

11

32 30

G

A 1535

13

. De

V-VB Burg

7

G WR-A5

Wiel singe l

9

700

2

Vrie

A 698 699

W

s Br oekm anla

A 697

5

16

3

W

14 12

13

10 8 6 4

A 1497

Burg

. Die

orst

singe

Verkeer - Verblijfsgebied

WA

Water

2

Waarde - Archeologie 5

Bouwvlakken

A 1044 bouwvlak 28 A A 1045 Maatvoeringen 26 A A 1046 13 maximum bouwhoogte (m) 24 A 1054 A 1047 22 A 1055 A 1048 20 A 1056 A 1049 18 A 1057 A 1050 A 1058 Verklaringen 11 A 1059 699 17 9

A 1060 A 1061 A 1062 A 1063 A 1064 A 1065

A 1066 A 1523

WR-A5

A 1043

7

A 1067 A 1068 A 1069 A 1070 A 1071 A 1072

Bestaande bebouwing, topografische en kadastrale gegevens (BGT, BRK versie september 2021)

GEMEENTE HOEKSCHE WAARD BESTEMMINGSPLAN Burg. de Vries Broekmanlaan 2, Oud-Beijerland

Concept

oktober 2022

tek.

0609308-B-01

blad

1 van 1

schaal 1 : 500

7NL.IMRO.xxxx

versie xxxx

5

A 1073 A 1074

3 1

penh

V-VB

n Be W Wonen ijere nstr aat Dubbelbestemmingen

WA

A 696

Groen

gew.

26-10-2022

get.

20-09-2021

pmw.

J. Konings

JK

t. 0180 - 61 31 44

Bijlagen bij bestemmingsplan ‘Burgemeester de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland’

-akoestisch onderzoek (Kraaij akoestisch advies, 5 juni 2023, nr. VL-2121.R01_rev2) -quick scan Flora & Fauna (Breur Ecologie & Onderzoek, 25 januari 2022, nr. QS21015v2) - soortgericht onderzoek (Breur Ecologie & Onderzoek, 22 augustus 2022, nr. SO21052v01) -Stikstof (Ad Fontem, 17 oktober 2023, nr. 21AF087) -bodemonderzoek (Spectrum HSE Technology, 28 juni 2021, nr. 21.17.1.017) -verkeersonderzoek (Megaborn, 14 juli 2021, nr. DBo2101)

Akoestisch Onderzoek Herontwikkeling Burg. De Vries Broekmanlaan 2 (voormalig Lidl-terrein) Oud-Beijerland

Akoestisch Onderzoek Herontwikkeling Burg. De Vries Broekmanlaan 2 (voormalig Lidl-terrein) Oud-Beijerland

Projectnummer

: VL.2121.R01

Revisie

:2

Rapportdatum

: 5 juni 2023

Auteur

:xx

Opdrachtgever

BO VGO III BV Kerkstraat 132 3262 PH Oud-Beijerland

Contactpersoon

: De heerxxBO) De heer xxR3)

Kraaij Akoestisch Adviesbureau Frisodonk 5 4707 VG Roosendaal T: 0165-544833 M: 06-10078854 E: info@kraaijbv.nl

Akoestisch onderzoek Burg. de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 4

2

WETTELIJK KADER ..................................................................................................................................... 6 2.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................... 6 2.2 WEGVERKEERSLAWAAI.................................................................................................................................... 6 2.2.1 Nieuwe situaties ................................................................................................................................ 7 2.2.2 30 km/u wegen .................................................................................................................................. 7 2.3 REKEN- EN MEETVOORSCHRIFT GELUID 2012...................................................................................................... 8 2.4 CUMULATIE .................................................................................................................................................. 8 2.5 GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING ........................................................................................................................ 8 2.6 GEMEENTELIJK HOGERE WAARDENBELEID .......................................................................................................... 9

3

UITGANGSPUNTEN .................................................................................................................................. 10 3.1 3.2 3.3 3.4

4

ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 10 VERKEERSGEGEVENS ..................................................................................................................................... 12 REKENMETHODE .......................................................................................................................................... 13 MODELLERING ............................................................................................................................................ 13

REKENRESULTATEN ................................................................................................................................. 15 4.1 GELUIDBELASTING VANWEGE DE GELUIDGEZONEERDE WEGEN .............................................................................. 15 4.1.1 Oostdijk/Achterspuistoep ................................................................................................................ 15 4.1.2 Beneden Oostdijk/Koninginneweg................................................................................................... 16 4.2 GELUIDBELASTING VANWEGE DE NIET GELUIDGEZONEERDE, 30 KM/U WEGEN ......................................................... 17 4.2.1 Burgemeester Diepenhorstsingel ..................................................................................................... 17 4.2.2 Burgemeester De Vries Broekmanlaan ............................................................................................ 18 4.3 GECUMULEERDE GELUIDBELASTING WEGVERKEERSLAWAAI................................................................................... 19

5

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 21 5.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................. 21 5.2 TOETS AAN DE WET GELUIDHINDER ................................................................................................................. 21 5.2.1 Oostdijk/Achter Spuistoep ............................................................................................................... 21 5.2.2 Beneden Oostdijk/Koninginneweg................................................................................................... 21 5.3 AKOESTISCH WOON- EN LEEFKLIMAAT/ GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING .................................................................. 22

6

MAATREGELENONDERZOEK EN GEMEENTE HOGERE WAARDEBELEID..................................................... 23 6.1 6.2 6.3 6.4

BRONMAATREGELEN .................................................................................................................................... 23 SITUERING BUITENRUIMTES/ BALKON............................................................................................................... 23 BORSTWERING BALKONS ............................................................................................................................... 23 MAATREGELEN BIJ DE ONTVANGER .................................................................................................................. 23

Bijlagen

Bijlage I : Bijlage II : Bijlage III : Bijlage IV : Bijlage V : Bijlage VI:

Figuren

Figuur 1 : Figuur 2 : Figuur 3 :

VL.2121.R01_rev2

Modelgegevens Rekenresultaten vanwege de Oostdijk/Achter Spuistoep Rekenresultaten vanwege de Beneden Oostdijk/Koninginneweg Rekenresultaten vanwege de Burgemeester Diepenhorstsingel Rekenresultaten vanwege de Burgemeester De Vries Broekmanlaan Gecumuleerde rekenresultaten wegverkeerslawaai

Overzicht modellering Detailweergave model met ligging toetspunten Weergave toetspunten ter plaatse van balkons

pagina 3

05-06-2023

Akoestisch onderzoek Burg. de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland

1

INLEIDING

In opdracht van BO VGO III BV en in samenwerking met Juridisch Planologisch Adviesbureau R3 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd ter bepaling van de geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouw op het voormalig terrein van de Lidl, gelegen aan de Burgemeester De Vries Broekmanlaan 2 in Oud-Beijerland. De opdrachtgever is voornemens om de bestaande bebouwing op het perceel te slopen en daarvoor in de plaats twee gebouwen op te richten voor in totaal 38 appartementen, verdeeld over vier bouwlagen. Op het perceel geldt momenteel namelijk een enkelbestemming ‘Detailhandel’ met een maximum bouwhoogte van 7 en 10 meter binnen het bepaald bouwvlak. De voorgenomen herontwikkeling van het terrein past niet in het geldend bestemmingsplan “correctieve herziening Wonen”. Om het nieuwbouwplan mogelijk te maken dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd middels een ruimtelijke procedure. Het akoestisch onderzoek maakt onderdeel uit van de bestemmingsplanprocedure en heeft tot doel de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai te bepalen en deze te toetsen aan de normen uit de Wet geluidhinder.

Op grond van de Wet geluidhinder is het verplicht bij wijziging van een bestemmingsplan, waarbij nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, die zijn gelegen binnen een geluidzone vanwege (spoor)weglawaai of industrielawaai, de geluidbelasting middels een akoestisch onderzoek vast te stellen. Het nieuwbouwplan ligt binnen de geluidzones van de Oostdijk/Achterspuistoep, de Beneden Oostdijk/Koninginneweg en formeel ook binnen de zone van de Graaf van Egmondstraat. De Wet geluidhinder is dus van toepassing. Aangezien de Graaf Egmondstraat op circa 100 meter afstand ligt, volledig wordt afgeschermd van de planlocatie door tussenliggende bebouwing en een lage verkeersintensiteit kent, zal deze weg geen invloed meer uitoefenen op de planlocatie en is daarom buiten beschouwing gelaten. De planlocatie ligt niet binnen de geluidzone van een spoorlijn of industrieterrein. Aan de zuidzijde van de herontwikkeling bevindt zich de Burgemeester Diepenhorstsingel, aan de westzijde de Burgemeester De Vries Broekmanlaan en aan de noordzijde de Sabine van Beijerenstraat. Deze wegen hebben een snelheidsregime van 30 km/u. Dergelijke wegen hebben volgens de Wgh geen geluidzone en formeel dus ook geen toetsingsplicht aan de Wgh.

Op basis van jurisprudentie is het, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, echter wel wenselijk de geluidbelasting van dergelijke wegen te beschouwen als deze relevant geacht worden voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde ontwikkeling. De Diepenhorstsingel heeft vanwege de functie van de weg een dermate hoge verkeersintensiteit dat de geluidbelasting vanwege deze weg relevant wordt geacht voor de geluidbelasting op het plan. Ook is het mogelijk dat vanwege de korte afstand tot de planlocatie, de geluidbelasting vanwege de Burg. de Vries Broekmanlaan invloed heeft op het plangebied, ondanks dat de verkeersintensiteit aanzienlijk lager wordt geschat. Deze wegen zijn daarom ook in het akoestisch onderzoek meegenomen en beoordeeld op een goede ruimtelijke ordening. De van Beijerenstraat loopt dood en wordt alleen gebruikt voor bestemmingsverkeer, de verkeersintensiteit wordt daarom dermate laag geschat, dat deze weg geen relevante invloed meer zal uitoefenen op de ontwikkeling. Voorliggend rapport is een actualisatie van het eerder verschenen rapport met kenmerk VL.2121.R01 dd. 26-07-2021. De reden dat deze actualisatie is uitgevoerd, is dat de gemeente Hoeksche Waard inmiddels beschikt over een Verkeersmodel met prognosecijfers. Dit rapport is hierop aangepast.

Bovendien blijkt uit de eerdere rapportage dat er nog geen sprake is van een geluidluwe buitenruimte bij alle appartementen. In overleg met de gemeente is bepaald dat er minimaal sprake moet zijn van een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte om vanuit akoestisch oogpunt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te creëren. Met een aanvullende berekening is inzichtelijk gemaakt dat hiervan sprake is. Voor onderhavig onderzoek is gebruikt gemaakt van de volgende informatie: • Digitale ondergronden van het onderzoeksgebied, gedownload via de website van het Nationaal Georegister; • Ruimtelijke plannen; • Google Earth/Streetview; • AHN-viewer; • BGT-import met panden en bodemgebieden, gedownload van de website van PDOK download viewer;

VL.2121.R01_rev2

pagina 4

05-06-2023

Akoestisch onderzoek Burg. de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland

• •

Verkeersgegevens, afkomstig uit het Verkeersmodel van Hoeksche Waard en aangeleverd door de OZHZ; Gemeentelijk geluidbeleid Hoeksche Waard ‘Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening gemeenten Hoeksche Waard’, kenmerk D-17-1667776/JAL dd. 22 augustus 2017;

De genoemde geluidbelastingen in dit rapport zijn voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai inclusief aftrek ingevolge artikel 110g van de Wet geluidhinder, tenzij anders is vermeld. Deze aftrek is geregeld in artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Leeswijzer In hoofdstuk 2 van deze rapportage wordt het wettelijk kader beschreven. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de uitgangspunten voor het onderzoek uiteengezet. In hoofdstuk 4 worden de resultaten en de beoordeling daarvan weergegeven. In hoofdstuk 5 wordt de conclusie gegeven op basis van de toetsing aan het wettelijk kader en de cumulatieberekening. Het maatregelenonderzoek wordt in hoofdstuk 6 behandeld en tot slot wordt in hoofdstuk 7 beschreven onder welke voorwaarden voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid.

VL.2121.R01_rev2

pagina 5

05-06-2023

Akoestisch onderzoek Burg. de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland

2

WETTELIJK KADER 2.1

Algemeen

De regels (grenswaarden) met betrekking tot de (maximaal) toelaatbare hoeveelheid geluid afkomstig van een industrieterrein, weg of spoorweg, zijn opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeerslawaai is hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing, voor industrielawaai geldt dat hoofdstuk V van de Wgh van toepassing is en voor spoorweglawaai is hoofdstuk VII van de Wgh van toepassing. De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen een conform deze wet geldende geluidszone. De grenswaarden (voorkeursgrenswaarde en ten hoogste toelaatbare waarde) uit de Wet geluidhinder zijn van toepassing op de geluidsbelasting op de gevel van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen (o.a. woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen in het water, scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen). In artikel 1 en artikel 1b lid 4 van de Wet geluidhinder is de volgende definitie opgenomen voor het begrip gevel: de bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak. In afwijking van artikel 1 wordt onder een gevel in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet verstaan: a.

een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in de NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

b.

Daarnaast gelden voor de verschillende geluidgevoelige ruimten in de verschillende geluidgevoelige bestemmingen, afhankelijk van het gebruik van de ruimte, afwijkende normen met betrekking tot de toelaatbare geluidbelasting binnen deze ruimten. 2.2

Wegverkeerslawaai

De regels en normen die gelden voor wegverkeerslawaai zijn opgenomen in hoofdstuk VI “Zones langs wegen” van de Wet geluidhinder. De regels en normen uit de Wet geluidhinder (Wgh) gelden binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. De breedte van de zone van een weg is geregeld in afdeling 1 “Omvang geluidzones” van genoemd hoofdstuk. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder heeft elke weg een geluidzone, met uitzondering van de volgende wegen: 1. 2.

wegen gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

De breedte van een zone is, op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder, afhankelijk van de ligging in stedelijk 1 of buitenstedelijk 2 gebied en van het aantal rijstroken. De afstanden, genoemd in artikel 74, eerste lid, worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook.

1

Onder stedelijk gebied wordt verstaan, het gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor toepassing van hoofdstuk VI (“Wegen”) van de Wet geluidhinder, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens. 2 Onder buitenstedelijk gebied wordt verstaan, het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor toepassing van hoofdstuk VI (“Wegen”) van de Wet geluidhinder, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens.

VL.2121.R01_rev2

pagina 6

05-06-2023

Akoestisch onderzoek Burg. de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland

In onderstaande tabel staan de zones langs wegen weergegeven. Tabel 2.1: Zonebreedtes wegen Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken

Zone in stedelijk gebied 200 meter

Zone in buitenstedelijk gebied 250 meter

3 of 4 rijstroken

350 meter

400 meter

5 of meer rijstroken

350 meter

600 meter

Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg. De zone loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de wegas. Zij behoudt de breedte die zij had ter hoogte van het einde van de weg. In de nabijheid van de onderzoekslocatie liggen de Oostdijk/Achterspuistoep en de Beneden Oostdijk/Koninginneweg als geluidgezoneerde wegen die mogelijk relevant zijn. Deze wegen liggen beiden in stedelijk gebied, hebben een maximaal toegestane rijsnelheid van 50 km/uur en bestaan grotendeels uit één of twee rijstroken. De zonebreedte van deze wegen is daarom 200 meter. De ontwikkellocatie ligt op circa 40 meter van het uiteinde van de Oostdijk/Achter Spuistoep en op circa 90 meter van de rand van de Beneden Oostdijk en ligt daarmee binnen de geluidzones van beide wegen. Er dient dus getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Het westelijk einde van de Beneden Oostdijk gaat over in de Koninginneweg, daarom worden deze wegen in het akoestisch onderzoek als één weg beschouwd. Zo ook de Oostdijk en de Achterspuistoep. In de Wet geluidhinder wordt voor wegverkeerslawaai onderscheid gemaakt in nieuwe situaties, bestaande situaties en reconstructies.

De grenswaarden en regels die hierbij gelden zijn opgenomen in de onderstaande afdelingen (artikelen) van hoofdstuk VI “Zones langs wegen” van de Wet geluidhinder: • • •

afdeling 2 “Maatregelen met betrekking tot nieuwe situaties in zones” (artikel 76 t/m 87i); afdeling 3 “Bestaande situaties” (artikel 87j t/m 90); afdeling 4 “Reconstructies” (artikel 98 t/m 100b).

Voor onderhavige situatie is de afdeling 2 van toepassing. 2.2.1 Nieuwe situaties Conform de Wet geluidhinder worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de waarden van de geluidbelasting van de gevel van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, in acht genomen. Op grond van artikel 82 bedraagt de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting vanwege een weg 48 dB. In afwijking hierop kan op grond van de artikelen 83 tot en met 85 een hogere waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor woningen in buitenstedelijk gebied de 53 dB niet te boven mag gaan en voor woningen in stedelijk gebied de 63 dB niet te boven mag gaan. In onderhavige situatie is de ontwikkellocatie gelegen in stedelijk gebied en is uitgegaan van een ontheffingswaarde van maximaal 63 dB. 2.2.2 30 km/u wegen De Wet geluidhinder is niet van toepassing op wegen die liggen binnen een woonerf en voor 30 km/u-wegen, omdat er aldaar geen zones gelden. Deze wegen veroorzaken meestal geen geluidbelastingen boven de voorkeurswaarde. Dat kan wel voorkomen bij een klinkerweg of een weg met relatief veel verkeer. In de jurisprudentie is om deze reden bepaald dat een akoestische afweging bij het opstellen van een ruimtelijk plan nodig is met een verwijzing naar een goede ruimtelijke ontwikkeling.

Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als

VL.2121.R01_rev2

pagina 7

05-06-2023

Akoestisch onderzoek Burg. de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland

referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde van 63 dB volgens de Wgh als maximaal aanvaardbare waarde. Hierbij zal, in lijn met de Wgh, eveneens een aftrek van 5 dB worden toegepast.. De Burgemeester Diepenhorstsingel en de Burgemeester De Vries Broekmanlaan liggen in de nabijheid van de planlocatie, hebben een wegdekverharding van klinkers bij de planlocatie en op beide wegen geldt bovendien een 30 km/u regime. Bovendien heeft de Diepenhorstsingel een relatief hoge verkeersintensiteit. Omdat de geluidbelasting vanwege deze twee wegen relevant kan zijn voor de planlocatie zijn beide wegen eveneens in het onderzoek opgenomen. 2.3

Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012

Met ingang van 20 mei 2014 is het Reken- en meetvoorschrift Geluid gewijzigd. Deze wijziging is tijdelijk van kracht en betreft een verruiming van de aftrek bij wegen met een snelheid van 70 km/ uur en hoger. De wijziging voorkomt tijdelijke extra belemmeringen voor woningbouwplannen. In onderhavige situatie is de maximale snelheid op de in het onderzoek betrokken wegen 50 km/uur en is deze verruiming niet van toepassing. 2.4

Cumulatie

Indien er blootstelling plaatsvindt aan meer dan één geluidbron, dient de gecumuleerde geluidbelasting te worden berekend conform bijlage I, hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De methode berekent de gecumuleerde geluidbelasting, rekening houdende met verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidbronnen en geeft inzicht in het woon- en leefklimaat. De geluidbelasting van verschillende geluidbronnen wordt alleen gecumuleerd als er sprake is van een relevante blootstelling aan meerdere geluidbronnen. Dit is alleen het geval indien de zogenaamde voorkeurswaarde van die onderscheiden bronnen wordt overschreden. Hierbij wordt bij de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai geen aftrek ingevolge artikel 110g van de Wgh toegepast. 2.5

Goede ruimtelijke ordening

Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de aanvaardbaarheid van het akoestisch woon- en leefklimaat ook met inachtneming van de 30 km/uur wegen te worden onderbouwd. Daarom is de berekende geluidbelasting vanwege alle in het onderzoek betrokken wegen in de directe omgeving van de planlocatie berekend in de toekomstige situatie (cumulatieberekening prognosejaar 2032) en kwalitatief beoordeeld op de MilieuKwaliteitsMaat volgens de methode ‘Miedema’, zoals weergegeven in onderstaande tabel. Hierbij wordt geen aftrek ingevolge artikel 110g van de Wgh toegepast. Tabel 2.2: Milieukwaliteitsmaat gecumuleerde geluidbelasting (bron: RIVM) Geluidbelasting Kwalificatie < 45 dB

Zeer goed

46 - 50 dB

Goed

51 – 55 dB

Redelijk

56 – 60 dB

Matig

61 – 65 dB

Tamelijk slecht

66 – 70 dB

Slecht

>70 dB

Zeer slecht

Bovendien kan er voor een goed akoestisch woonmilieu naar gestreefd worden dat bij elke woning een geluidluwe gevel aanwezig is of, indien dat niet mogelijk is, er tenminste een geluidluwe buitenruimte is.

VL.2121.R01_rev2

pagina 8

05-06-2023

Akoestisch onderzoek Burg. de Vries Broekmanlaan 2 Oud-Beijerland

2.6

Gemeentelijk Hogere waardenbeleid

Door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid zijn voor de gemeenten die met elkaar gefuseerd zijn tot de gemeente Hoeksche Waard (waaronder voormalige gemeente Oud-Beijerland) voorwaarden opgesteld voor het vaststellen van hogere waarden. Deze voorwaarden zijn vastgelegd in het rapport “Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening gemeenten Hoeksche Waard” dd. 22-8-2017. Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid is noodzakelijk om te bepalen of het aanvragen van een hogere waarde mogelijk is. Burgemeester en wethouders willen met het huidige geluidbeleid inspelen op jurisprudentie en dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening, naast de toetsing aan de Wet geluidhinder voor geluidgezoneerde wegen, ook te worden beoordeeld of de geluidbelasting vanwege de (relevante) niet gezoneerde bronnen toelaatbaar is. Dit om de afweging te kunnen maken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat, buiten en binnen de woning. Het beleid behelst het beheersen van geluidhinder bij toekomstige ontwikkelingen. Het beleid dient ook als richtlijn te worden toegepast bij de realisatie van woningen, die volgens een (globaal) bestemmingsplan al wel zijn toegestaan. In het geluidbeleid staat dat, voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld en/of kan worden aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening, aan een aantal onderzoeksverplichtingen voldaan moet zijn.

Deze betreffen allereerst het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting ten gevolge van alle relevante geluidbronnen waar sprake van is (dus zowel wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai, scheepvaartlawaai als industrielawaai). In het akoestisch onderzoek dient tevens de cumulatieve geluidbelasting te worden meegenomen in de beoordeling, conform het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012. Daarbij dient ook het geluid van 30 km/uur wegen meegenomen te worden boven de 53 dB (ex. aftrek), geluid vanwege de scheepvaart (boven de 55 dB) en bij voorkeur ook industrielawaai van eventuele individuele bedrijven (indien relevant). Voor het vaststellen van de cumulatieve geluidbelasting in het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt, net als bij de toetsing aan het Bouwbesluit 2012, voor wegverkeerslawaai uitgegaan van de situatie exclusief aftrek conform artikel 110g Wgh. Indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarden plaatsvindt, dient, afhankelijk van de situatie, ook onderzoek naar bron- en overdrachtsmaatregelen en een motivatie van de gekozen inrichting uitgevoerd te worden. De motivatie van de gekozen inrichting is echter alleen noodzakelijk indien sprake is van grootschalige ontwikkelingen (meer dan 10 nieuwbouwwoningen).

In kleinschalige ontwikkelingen (minder dan 10 woningen) zal het treffen van geluidreducerende maatregelen doorgaans op ernstige bezwaren stuiten van financiële of stedenbouwkundige aard. Dit betekent dat in deze gevallen onderzoek naar geluidreducerende maatregelen niet noodzakelijk is. Voor rijkswegen en spoorwegen dient gebruik te worden gemaakt van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wgh. Indien de beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting heeft plaatsgevonden en er afdoende maatregelenonderzoek is uitgevoerd, maar deze niet doeltreffend zijn of stuiten op ernstige bezwaren, stelt het college van B&W de benodigde hogere waarde(n) vast, indien zij de kwaliteit van de woon- en leefomgeving acceptabel acht. Dit is het geval als er een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte aanwezig is. Er is sprake van een geluidluwe gevel en buitenruimte als de geluidbelasting gelijk of lager is dan: • 53 dB ex aftrek door cumulatie van wegen en 50 dB door gecumuleerde wegen met snelheid > 70 km/u; • 55 dB door railverkeer en scheepvaart; • 50 dB door industrie. Als aanvullende eis geldt dat huizen met tuinen moeten kunnen beschikken over een geluidluw gedeelte in de achter- of zijtuin.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15158737/1