Bijlagen Bijlage 10 Vooronderzoek conventionele explosieven
Tekst van het document
Hanan
290-021-VO-01
Pagina 1 van 71
Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied ‘’s-Gravendeel West’.
290-021-VO-01
Pagina 2 van 71
ONDERZOEKSGEBIED:
’s-Gravendeel West
OPDRACHTGEVER:
Lodewijck Groep
DATUM:
27-09-2021
TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:
Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group B.V.
………………………………………………………... DOCUMENTCODE:
290-021-VO-01
VERSIE:
Definitief
DISTRIBUTIELIJST:
Explosive Clearance Group B.V. Lodewijck Groep
Copyright Explosive Clearance Group B.V. 2021. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken. 290-021-VO-01
Pagina 3 van 71
Samenvatting In opdracht van Lodewijck Groep heeft Explosive Clearance Group (ECG) een historisch onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) in het onderzoeksgebied ‘’s-Gravendeel West’, conform het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO). Op basis van archiefonderzoek, het ruimingenregister van de Explosieven Opruimingsdienst, kaartmateriaal en luchtfoto-interpretatie zijn er binnen het onderzoeksgebied geen concrete en/of eenduidige indicaties/aanwijzingen achterhaald van oorlogshandelingen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten. Uit de beeldvergelijkingen komen minimale veranderingen naar voren in het landschap van het onderzoeksgebied. Ten tijde van de oorlog werd het gebied gebruikt voor landbouwdoeleinden. Tegenwoordig bestaat het gebied nog steeds uit akkerbouwgrond. Omdat er geen indicaties zijn achterhaald die wijzen op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten, zal geen verdacht gebied worden afgebakend (zie Bodembelastingkaart OO in Bijlage 1). ECG adviseert u om de geplande werkzaamheden in het onderzoeksgebied op reguliere wijze uit te voeren. Daarbij wordt u aangeraden om uitvoerende partijen op de hoogte te stellen van het Protocol Toevalsvondst dat in Bijlage 2 van deze rapportage is opgenomen.
Mochten er onverhoopt munitie(gelijkende) objecten worden aangetroffen in de als ‘onverdacht’ geclassificeerde gebieden, dan wordt u geadviseerd om de werkzaamheden direct te staken en de lokale politie van deze vondst op de hoogte te stellen. Tevens wordt u geadviseerd om in een dergelijke situatie contact op te nemen met een Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO)-gecertificeerd opsporingsbureau en gezamenlijk vast te stellen of opschaling noodzakelijk is. ECG is in bezit van het CS-OOO certificaat en kan meedenken in een vervolgtraject en eventueel diensten verzorgen bij opsporingswerkzaamheden.
290-021-VO-01
Pagina 4 van 71
Inhoudsopgave 1
INLEIDING ..................................................................................................................... 6
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8
AANLEIDING ..................................................................................................................................... 6 VERANTWOORDING ........................................................................................................................... 6 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 8 NORMEN BETREFFENDE DE BEOORDELING EN AANVAARDBAARHEID VAN DE RISICO’S VAN OO ........................ 9 DOEL VAN HET VOORONDERZOEK ....................................................................................................... 10 KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM ....................................................................................................... 11 ONDERZOEKSGEBIED ........................................................................................................................ 12 INVENTARISATIE REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES ............................................................................. 14
2
ONDERZOEKSMETHODE ...................................................................................................15
2.1 VOORONDERZOEK CONFLICTPERIODE .................................................................................................. 15 2.2 VOORONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE ............................................................................................. 17 2.3 AFBAKENING VERDACHT GEBIED ......................................................................................................... 18 2.4 GERAADPLEEGDE BRONNEN............................................................................................................... 18 2.5 TOELICHTING BRONNEN .................................................................................................................... 19 2.6 WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFINSTELLINGEN.................................................................................... 23 2.7 GEOGRAFISCHE HERLEIDBAARHEID VAN GEGEVENS UIT INTERNATIONALE ARCHIEVEN................................... 24 2.8 LUCHTFOTO-INTERPRETATIE .............................................................................................................. 25 2.8.1 CLASSIFICATIE, DOEL EN METHODE...................................................................................................... 25 2.8.2 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN ...........................................................................................................
26 2.9 NAUWKEURIGHEID EN HERLEIDBAARHEID ............................................................................................ 26
3
RESULTATEN VOORONDERZOEK CONFLICTPERIODE ..................................................................28
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
LOCATIESPECIFIEKE KENMERKEN ......................................................................................................... 28 OVERZICHTSTABEL CONFLICTPERIODE .................................................................................................. 31 FIGUREN BEHORENDE BIJ OVERZICHTSTABEL ......................................................................................... 40 MIJNENVELDREGISTER ...................................................................................................................... 43 NAOORLOGSE RUIMINGEN VAN OO .................................................................................................... 43
4
RESULTATEN VOORONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE .............................................................45
4.1 4.2 4.3
BEELDVERGELIJKING NAOORLOGSE LUCHTFOTO’S EN SATELLIETBEELDEN.................................................... 45 OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN ......................................................................................................... 49 OVERZICHTSTABEL NA-CONFLICTPERIODE ............................................................................................. 50
5
AFBAKENING VERDACHT GEBIED .........................................................................................51
5.1
SAMENVATTING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES .............................................................................. 51
6 7 8 9
LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................53 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................54 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................55 BIJLAGEN .....................................................................................................................67
BIJLAGE 1: BODEMBELASTINGKAART OO ....................................................................................................... 67 BIJLAGE 2: PROTOCOL TOEVALSVONDST ........................................................................................................ 69
290-021-VO-01
Pagina 5 van 71
1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een gedeelte om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.1
1.1
AANLEIDING
Verscheidene partijen werken momenteel aan nieuwbouwontwikkeling ’s-Gravendeel West. Het betreft de realisatie van 179 woningen voor diverse doelgroepen, waarbij het woningaanbod varieert van starterswoning tot vrijstaande villa, gesitueerd in drie deelgebieden met eigen karakteristieke kenmerken van ’s-Gravendeel en het land.2 De stedenbouwkundige plankaart is in tekening 290-021TE-01 op de volgende pagina weergegeven. Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO)3 in het onderzoeksgebied ‘’s-Gravendeel West’ heeft Lodewijck Groep aan Explosive Clearance Group (ECG) de opdracht verstrekt om een historisch vooronderzoek uit te voeren. In een historisch vooronderzoek wordt vastgesteld of er in (delen van) het onderzoeksgebied sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op het aantreffen van OO. Met deze kennis kan worden bepaald of nader (opsporings)onderzoek raadzaam is opdat bodemroerende werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd. In deze rapportage is een Vooronderzoek conflictperiode (indicaties: oorlogshandelingen WOII) en een Vooronderzoek na-conflictperiode (contra-indicaties: naoorlogse grondroerende activiteit) opgenomen.4
1.2
VERANTWOORDING
Deze bureaustudie is uitgevoerd conform de door ECG opgestelde offerte van 13 juli 2021 met kenmerk ‘290-021-VO-01’ betiteld als ‘Offerte vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten ’s Gravendeel West’ en de in de offerte opgenomen kaart van het onderzoeksgebied (op bladzijde 12 van de offerte). Naar aanleiding van de stedenbouwkundige plankaart zoals weergegeven in tekening 290-021-TE-01 is het onderzoeksgebied aan de noordzijde enigszins uitgebreid ten opzichte van de omschreven kaart uit de oorspronkelijke offerte. Het volgende dient expliciet te worden vermeld: een vooronderzoek (d.w.z. een bureaustudie) naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten blijft indicatief van aard; het is geen exacte wetenschap. 1 Uit Amerikaans onderzoek in Europa na de Tweede Wereldoorlog (1947) waarbij de uitwerking van 26.444 ingezette
bommen (verspreid over 38 doelen) is bestudeerd, is gebleken dat hiervan 13% procent om verschillende redenen niet tot ontploffing zijn gekomen (blindgangers). 2 ’s-Gravendeel West, ‘Landelijk wonen’ <https://www.sgravendeel-west.nl/#plan> [geraadpleegd 10 september 2021]. 3 De term Ontplofbare Oorlogsresten (OO) vervangt de term Conventionele Explosieven (CE). Zie: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2019, nr. 471, Besluit 28 november 2019. 4 ECG raadt de opdrachtgever aan om de bevindingen van deze bureaustudie te delen met de gemeente Hoeksche Waard.
290-021-VO-01
Pagina 6 van 71
1.3
ALGEMEEN
Onderzoek naar en opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten is gericht op het verkleinen van de kans dat OO onverhoeds worden aangetroffen bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en op het voorkomen van ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen OO. De belangrijkste gevolgen van het ongewenst tot uitwerking komen van OO zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van (bij het opsporen van OO betrokken)5 werknemers, omstanders en andere personen. Deze gevaren ontstaan indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen of onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van OO, of wanneer het opsporen van OO op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van OO zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.6 Om spontane vondsten te voorkomen, dient de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden – degene voor wiens rekening een bouwwerk/civieltechnisch tot stand wordt gebracht) zich ervan te gewissen dat de betrokken werkgevers en zelfstandigen in staat zijn de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden in de uitvoeringsfase na te komen.
Dit is een inspanningsverplichting samenhangende met verantwoord opdrachtgeverschap en betekent dat de opdrachtgever zekerheid verkrijgt dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap. Kortom: de opdrachtgever dient reeds in het ontwerp er zoveel mogelijk voor te zorgen dat er zekerheid bestaat dat het werk veilig kan worden uitgevoerd. Verantwoord opdrachtgeverschap houdt hierbij in dat de aandacht voor de gezondheid en de veiligheid van degenen die het werk uitvoeren in alle fases van een project (van ontwerp tot oplevering) is geborgd en dat de opdrachtgever zich altijd bewust is van zijn verantwoordelijkheid en daarnaar handelt. Door vanaf het begin van een project de gevolgen voor gezond en veilig werken te beoordelen en maatregelen te nemen, kunnen risico’s in de uitvoeringsfase worden voorkomen. Is bij de voorbereiding van een bouwwerk goed nagedacht over de veiligheidsaspecten en de planning, dan leidt dat tot minder arbeidsrisico’s bij de realisering van het bouwwerk.
Ten gevolge van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij grond- en/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar is over de samenstelling van de (water)bodem en hiervoor de juiste onderzoeken te (laten) verrichten. Vervolgens kan de opdrachtnemer/uitvoerder beoordelen of er in de uitvoeringsfase bepaalde risico’s kunnen ontstaan en waarmee er in een Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en een eventueel Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan) rekening mee gehouden dient te worden. 5 Het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten mag op Arbo-grondlagen alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor
gecertificeerd zijn. Per 1 januari 2021 is het Werkveld Specifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) vervangen door het Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). Het vooronderzoek valt buiten het bereik van het CS-OOO. Zie voetnoot 7. 6 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl.
290-021-VO-01
Pagina 8 van 71
Het vaststellen of er sprake is van specifieke gevaren in verband met de potentiële aanwezigheid van OO kan plaatsvinden middels een historisch vooronderzoek7 waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten.8 Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de onderzoekverplichting in artikel 4.10 van het Arbobesluit om het risico van de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten voorafgaand aan werkzaamheden in een gebied te inventariseren, te analyseren en te evalueren.
1.4
NORMEN BETREFFENDE DE BEOORDELING EN AANVAARDBAARHEID VAN DE RISICO’S VAN OO
Naar de risico’s behorende bij achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten is in Nederland beperkt onderzoek verricht. Het is (vooralsnog) niet mogelijk een percentage toe te wijzen aan de kans op letsel als gevolg van een accidentele/ongecontroleerde in werking tredende OO. Om hier een onderbouwde conclusie op te geven dient kwantitatief wetenschappelijk onderzoek plaats te vinden naar de kans dat er OO gevonden worden en ontploft. Bij het eerste aspect (het beoordelen van de kans dat er OO gevonden worden) speelt evident de kwaliteit en diepgang van het vooronderzoek een rol en bij het tweede aspect (de kans dat OO ongecontroleerd in werking treedt en met welke gevolgen) spelen onder andere de hoofdsoort en subsoort van de OO (inclusief uitwerking), de gebruikte ontstekingsinrichting (bij voorkeur eveneens informatie welke middels een vooronderzoek kan worden achterhaald) de geplande activiteit/het toekomstig gebruik en de locatie een rol. Er is verder geen integraal en formeel vastgelegd normenkader beschikbaar voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van eventuele risico’s samenhangende met het aantreffen van OO.9 In Nederland kennen we geen wet- en regelgeving of landelijk beleid dat richting geeft aan de omgang met risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten, tenminste waar het gaat om publieke risico’s (dus anders dan het arbeidsomstandighedenrisico).
Er is dus geen sprake van landelijke risiconormen over welke risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten al dan niet aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het lokaal bevoegd gezag een eigen afweging moet maken op grond van haar verantwoordelijkheid voor de openbare veiligheid over de acceptatie van risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten. Dit betekent echter niet dat het bevoegd gezag per definitie actie moet
7 Richtlijnen voor een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten zijn in tegenstelling
tot het voormalige Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) niet in het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) opgenomen omdat het ministerie van SZW besloten heeft deze uit de wettelijke certificatie rondom het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten te halen. Reden hiervoor is dat deze werkzaamheden strikt genomen geen veiligheidsrisico dragen zoals bedoeld in arbo-technische zin. Om een handvat voor de kwaliteitsborging van een Vooronderzoek en Risicoanalyse te bieden is op 8 februari 2021 het vrijwillig Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01) voor vrijwillige certificatie vrijgegeven. Zie www.vomes.nl. In het CS-VROO-01 zijn eisen opgenomen waaraan een Vooronderzoek of een Risicoanalyse onafhankelijk kunnen worden beoordeeld/getoetst. 8 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen Ontplofbare Oorlogsresten liggen, maar geeft antwoord op de vraag of het (op basis van primair bronnenmateriaal) aannemelijk (theoretische indicatie) is dat in een bepaald gebied nog OO zouden kunnen worden aangetroffen. Door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van OO worden vastgesteld.
9 Raad voor de financiële verhoudingen, Herziening bommenregeling gemeentefonds Kenmerk 2015-0000363666 (26 juni 2015) 9: ‘Om een doelmatige afweging te kunnen maken tussen veiligheid en kosten is een beoordelingskader nodig waarmee gemeentebesturen de risico’s van explosieven in bodem en water in kunnen schatten.’
290-021-VO-01
Pagina 9 van 71
ondernemen ten aanzien van de Ontplofbare Oorlogsresten die zich nog in de (water)bodem bevinden.10 De tendens is dat op dit moment het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten als een risico wordt gezien, i.p.v. het daadwerkelijk exploderen.11
1.5
DOEL VAN HET VOORONDERZOEK
In het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01) is omschreven dat een vooronderzoek tot doel heeft om te beoordelen of er in het onderzoeksgebied sprake is van aanwijzingen van de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten, en indien deze aanwijzingen er zijn, om het verdachte gebied af te bakenen. Het vooronderzoek omvat twee onderdelen, namelijk een Vooronderzoek conflictperiode (indicaties) en een Vooronderzoek na-conflictperiode (contra-indicaties). Een vooronderzoek kan één of beide onderdelen bevatten. In een vooronderzoek wordt bronnenmateriaal geïnventariseerd en vervolgens geanalyseerd. De resultaten van de analyse worden verwerkt in een rapportage en weergegeven op een Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten.12 Het uitgangspunt van deze studie is, om door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, een gefundeerd antwoord te verkrijgen op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of een deel hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen en potentieel verdacht (aanwijzingen/indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten)? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als onverdacht kan worden aangemerkt (aanwijzingen contraindicaties)? 3.
Indien er sprake is van verdacht gebied wat is dan de hoofdsoort, subsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Ontplofbare Oorlogsresten (en voor de hoofdsoort afwerpmunitie tevens het type ontstekingsinrichting en het verwachte aantal)? Oorlogshandelingen zijn gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten hebben geleid. Met behulp van historisch feitenmateriaal als literatuur, archief- en luchtfotomateriaal wordt getracht te achterhalen door welke oorlogshandelingen en welke 10 E. Cator, I. Helsloot en J. Vlagsma, Afbakening van verdacht gebied in Amsterdam. Onderzoek naar nieuwe, onderbouwde
methodes voor de afbakening van CE-verdachte gebieden (Nijmegen juni 2017) 40. 11 M. Dijkstra, Een op risico gebaseerde methode om de efficiëntie en effectiviteit van Conventionele Explosieven onderzoeken van RWS projecten te verbeteren (Delft 2013) 97. 12 Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (VOMES), Nadere bepalingen voor het beoordelen van bronnenmateriaal en afbakening van verdacht gebied behorende bij het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten, kenmerk CS-VROO-02, versie 21-01, Status definitief, Goedkeuringsdatum 08-02-2021, 4.
290-021-VO-01
Pagina 10 van 71
naoorlogse activiteiten er al dan niet een (beredeneerbare) verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Hierbij wordt specifiek en voor zover mogelijk op basis van feitelijkheden bepaald of (en zo ja: waar) in het onderzoeksgebied Ontplofbare Oorlogsresten verwacht kunnen worden. In het onderstaande schema is een overzicht weergegeven van gebeurtenissen/oorzaken die kunnen hebben geleid tot het achterblijven van OO (indicaties). MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
LUCHTAANVALLEN
Bombardement
Beschieting met boordwapens
Beschieting met raketten
Vliegtuigcrash/ Inslag V-wapen
GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)
Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)
In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven
Mijnenveld
MUNITIE VERNIETIGING
MILITAIR GEBRUIK
MUNITIE OPSLAG
Springput
Militair oefenterrein
Munitie fabricage en/of opslag
Munitiedump of stort
Stationering militairen
Munitie inrichtingen
Munitiedump in water
Vliegveld
Incident munitieopslag (explosie)
Vernielingsactiviteiten
Figuur 1: Overzicht van mogelijke oorzaken/scenario’s voor de aanwezigheid van OO.
1.6
KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM
Een vooronderzoek vereist een multidisciplinaire aanpak, met onderscheid in de volgende expertises: historisch onderzoek, deskundigheid Ontplofbare Oorlogsresten, civiele techniek, luchtfotointerpretatie en Geografische Informatiesystemen (GIS). Het onderzoeksteam voor het vooronderzoek zal daarom bestaan uit meerdere medewerkers van ECG met diverse opleidingen en vakgebieden. Het basisteam dat het vooronderzoek daadwerkelijk uitvoert en rapporteert, bestaat uit academisch geschoolde historici. Daarnaast kunnen bij enkele cruciale onderzoeksfases een senior deskundige OOO en een civiel-technicus worden betrokken, om de verkregen historische gegevens te vertalen in een advies waarbij tevens rekening gehouden wordt met munitietechnische en bouwkundige 290-021-VO-01
Pagina 11 van 71
aspecten. Tevens wordt het onderzoeksteam ondersteund door een GIS-specialist en gekwalificeerde luchtfoto-analisten. Het onderzoeksteam bestaat uit de volgende personen:
Dhr. drs. H.M.P.J. van der Burgt (Historisch onderzoek, GIS-systemen en luchtfoto-interpretatie); Dhr. T. Derks (Senior deskundige OOO – Deskundigheid ontplofbare oorlogsresten); Mevr. Ö. Keles MA (Historisch onderzoek en luchtfoto-interpretatie); Dhr. J.M. van Limbeek MA (Historisch onderzoek en luchtfoto-interpretatie); Dhr. D.H.W. Lodewijk MA (Historisch onderzoek en luchtfoto-interpretatie); Dhr. C.P. Neelen MA/MSc (Historisch onderzoek, GIS-systemen en luchtfoto-interpretatie); Mevr. H. Noij MA (Historisch onderzoek en luchtfoto-interpretatie); Dhr. Ing. F. Pas (Civiele techniek).
1.7
ONDERZOEKSGEBIED
Het onderzoeksgebied bevindt zich aan de westzijde van plaats ’s-Gravendeel en ligt in het oosten de gemeente Hoeksche Waard. Het onderzoeksgebied omvat ca. 7,5 hectaren grond en betreft onbebouwd terrein. In het onderzoeksgebied zijn enkele watergangen aanwezig. In het zuidoosten van het onderzoeksgebied ligt een deel van de bebouwing aan de Welhof. Het onderzoeksgebied is in tekening 290-021-TE-02 op de volgende pagina weergegeven.
290-021-VO-01
Pagina 12 van 71
1.8
INVENTARISATIE REEDS UITGEVOERDE RAPPORTAGES
ECG is bij een aantal potentiële informatiedragers nagegaan of er in het verleden al onderzoek is uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Onder een onderzoek wordt door ECG verstaan: een vooronderzoek, een Risicoanalyse en/of (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels van: De Beoordelings Richtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE); Het Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE 2012 en WSCS-OCE 2016); Het huidige Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) of het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01). BRON
INFORMATIE
VEO Bommenkaart https://www.explosievenopsporing.nl./veobommenkaart/ [geraadpleegd 10 september 2021]
Geen resultaat
Gemeente Hoeksche Waard
Geen resultaat
ProRail
N.v.t. Geen beheersgebied
Rijkswaterstaat
N.v.t. Geen beheersgebied
Waterschap
N.v.t. Geen beheersgebied
Provincie Zuid-Holland
Geen resultaat
Tabel 1: Toetsing eerder vooronderzoek, Risicoanalyse en opsporingsonderzoek Ontplofbare Oorlogsresten.
Er zijn bij ECG geen eerdere onderzoeken naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied bekend.
290-021-VO-01
Pagina 14 van 71
2 ONDERZOEKSMETHODE Het vooronderzoek bestaat uit twee delen: het Vooronderzoek conflictperiode en het Vooronderzoek na-conflictperiode. In het eerste deel wordt op basis van (historische) bronnen vastgesteld of er aanwijzingen zijn dat het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. In het tweede deel wordt nagegaan of er reeds naoorlogse bodemingrepen hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied. De resultaten van beide onderzoeksdelen worden tegen elkaar afgewogen om te beoordelen of een gebied kan worden aangemerkt als ‘verdacht’ op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten.
2.1
VOORONDERZOEK CONFLICTPERIODE
Het merendeel van de uit de literatuur, archieven en luchtfoto’s achterhaalde aanwijzingen voor oorlogshandelingen wordt in een chronologische gebeurtenissenlijst in Hoofdstuk 3 weergegeven. Een indicatie wordt bij voorkeur vanuit het perspectief van meerdere primaire bronnen parallel geanalyseerd en geverifieerd op de omschrijving van:
de aard van de oorlogshandeling; het aantal en de soort Ontplofbare Oorlogsresten dat tijdens de oorlogshandeling is ingezet; de (inslag)locatie van de Ontplofbare Oorlogsresten; eventuele verificatie en lokalisering van de indicatie op luchtfotomateriaal; relevantie; herleidbaarheid tot (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied.
Om dit te bewerkstelligen is de chronologische gebeurtenissenlijst in Hoofdstuk 3 derhalve op de volgende wijze ingedeeld: De datum waarop de indicatie/aanwijzing en/of oorlogshandeling heeft plaatsgevonden; Informatie/beschrijving indicatie uit een secundaire bron, bijvoorbeeld literatuur; Informatie/beschrijving indicatie uit een primaire schriftelijke bron uit een archief in Nederland (in de meeste gevallen het perspectief van de “passieve zijde”, bijvoorbeeld verslag luchtbeschermingsdienst, schademelding of politierapport); Informatie/beschrijving indicatie uit een primaire schriftelijke bron uit een buitenlands archief (in de meeste gevallen het perspectief van de “actieve zijde” - inclusief de eventuele achterhaalde betrokken eenheid); Informatie/waarneming indicatie beeld- en luchtfotomateriaal uit zowel nationale als internationale archieven. Deze worden weergegeven in een lichtblauw vak om de beelddata te benadrukken; Informatie/waarneming indicatiekaart uit zowel nationale en internationale archieven. Deze worden weergegeven in een lichtbruin vak om het kaartmateriaal te benadrukken; Ingezette OO met verschijningsvorm, hoofdsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, ontstekingsinrichting, aantal en eventuele nadere informatie (ECG neemt in een aantal gevallen
290-021-VO-01
Pagina 15 van 71
de meest voor de hand liggende informatie op – dat wil zeggen dat de OO zijn weergegeven welke het meest waarschijnlijk tijdens de aanval zijn gebruikt); Verificatie en herleidbaarheid van de indicatie/oorlogshandeling. De indicatie wordt vanuit het perspectief van meerdere secundaire en bij voorkeur primaire bronnen beoordeeld op de aanwezigheid van voldoende betrouwbare concrete informatie en geografische herleidbaarheid (bijv. middels luchtfoto’s) en in het GIS-systeem voorzien van een ID-code. De tabel in Hoofdstuk 3 is als volgt opgezet. De tabel dient horizontaal te worden gelezen, te beginnen bij de datum van de indicatie, gevolgd door eventuele secundaire en primaire schriftelijke bronnen. Waar mogelijk worden indicaties geverifieerd met behulp van luchtfoto’s en kaartmateriaal in de gearceerde balken. De blauwe arcering dient om de verificatie van indicaties met luchtfoto’s van voor en na de oorlogshandeling te benadrukken; de bruine arcering wordt gebruikt voor het kaartmateriaal. Vervolgens worden de ingezette OO waar mogelijk gespecificeerd naar hoofdsoort, subsoort, kaliber en ontsteker. Tot slot wordt bepaald of de indicatie relevant is voor het onderzoek. Relevante indicaties zijn geografisch herleidbaar en kunnen bij voorkeur worden geverifieerd met een tweede bron.
DATUM
SECUNDAIRE
PRIMAIRE
PRIMAIRE SCHRIFTELIJKE
SCHRIFTELIJKE
SCHRIFTELIJKE BRON
BRON
NATIONALE
INTERNATIONALE
ARCHIEVEN
ARCHIEVEN
INGEZETTE OO
RELEVANTIE
BRON
LITERATUUR
ANALYSE LUCHTFOTO’S ANALYSE KAARTMATERIAAL Tabel 2: Opzet tabel Hoofdstuk 3.
Iedere relevante waarneming is verwerkt in het GIS-systeem, inclusief een unieke GIS-ID indien wordt afgebakend, bronverwijzing en eventuele verdere beschikbare informatie. In de chronologische gebeurtenissenlijst worden voor de bronverwijzingen (uitgezonderd luchtfoto’s) voetnoten gehanteerd. Bij het beoordelen of de bij het onderzoek achterhaalde informatie/aanwijzingen/indicaties relevant zijn, worden selectiecriteria uit het CS-VROO-01 toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied.’13
13 CS-VROO-01, 17.
290-021-VO-01
Pagina 16 van 71
Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant of onbetrouwbaar beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten. Locatieverwijzingen dienen verder ongewijzigd uit het bronbestand te worden overgenomen.
2.2
VOORONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE
In het Vooronderzoek na-conflictperiode wordt nagegaan of de bodem in het onderzoeksgebied naoorlogs is geroerd. Zo ja, dan kan een verdacht gebied mogelijk als onverdacht worden aangemerkt binnen de geroerde laag. Stelregel is dat bij naoorlogse grondroerende werkzaamheden eventuele OO zouden zijn opgemerkt en geruimd. Er worden diverse bronnen geraadpleegd om te achterhalen of er grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Een gedeelte daarvan is verplicht gesteld in het CS-VROO-02. Een tabel met het overzicht van de gebruikte bronnen is opgenomen in paragraaf 2.4 Geraadpleegde bronnen. In Hoofdstuk 4 is een chronologische lijst van bodemingrepen opgenomen, welke op de volgende wijze is ingedeeld: Datum waarop de contra-indicatie betrekking heeft; Informatie/beschrijving contra-indicatie uit een secundaire bron, bijvoorbeeld literatuur of van internet; Informatie/beschrijving contra-indicatie uit een primaire bron uit een archief; Informatie/waarneming indicatie kaart, beeld en luchtfoto materiaal. Weergegeven in een lichtblauw vak om de beelddata te benadrukken; Informatie/waarneming indicatie kaart uit zowel nationale en internationale archieven. Weergegeven in een lichtbruin vak om het kaartmateriaal te benadrukken Informatie/beschrijving contra-indicatie uit een geo-informatiebron.
Het gaat hoofdzakelijk om (open) GIS-datasets van informatiedragers zoals het Kadaster. Diepte van de contra-indicatie, (indien mogelijk) gespecificeerd t.o.v. NAP of in m-MV; Relevantie: afweging of de contra-indicatie overlap vertoont met indicaties in hetzelfde gebied.
DATUM
SECUNDAIRE
PRIMAIRE
SCHRIFTELIJKE
SCHRIFTELIJKE BRON
GEO-INFORMATIEBRON
DIEPTE
RELEVANTIE
VECTOR GIS-DATASETS
T.O.V. NAP OF M-MV
BRON
LITERATUUR,
ARCHIEVEN
INTERNET
ANALYSE LUCHTFOTO’S ANALYSE KAARTMATERIAAL Tabel 3: Opzet tabel Hoofdstuk 4.
290-021-VO-01
Pagina 17 van 71
2.3
AFBAKENING VERDACHT GEBIED
Op basis van de informatie uit het Vooronderzoek conflictperiode en het Vooronderzoek naconflictperiode wordt er eventueel verdacht gebied afgebakend. Indicaties en contra-indicaties worden tegen elkaar afgewogen. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er beperkt of geen sprake is van naoorlogse bodemingrepen, dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale als verticale zin plaatsvinden (indien de noodzakelijke parameters aanwezig zijn). Per indicatie zijn in het CS-VROO-02 uitgangspunten opgenomen voor de afbakening van verdacht gebied. De indicaties worden in GIS voorzien van zogenaamde risicobuffers waarin zich Ontplofbare Oorlogsresten zouden kunnen bevinden. Het CS-VROO-02 is een informatief document, niet normatief. Dit betekent dat het niet verplicht is voor de certificaathouder om de onderdelen uit deze ‘Nadere bepalingen’ toe te passen in het werkproces. Bij de uitvoering van het vooronderzoek wordt het CS-VROO-02 als richtlijn toegepast, waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.14 In het onderzoeksgebied kunnen activiteiten hebben plaatsgevonden waarbij grond is aangevoerd welke mogelijk OO bevatten. Dit fenomeen wordt conform de regelgeving buiten beschouwing gelaten.
2.4
GERAADPLEEGDE BRONNEN
In het indicatieonderzoek (Vooronderzoek conflictperiode) dienen de relevante bronnen te worden geïdentificeerd en geraadpleegd. In de onderstaande tabel is aangegeven om welke bronnen het gaat. De als “aanvullend” aangeduide bronnen dienen in ieder geval te worden geraadpleegd indien er sprake is van luchtaanvallen door de Royal Air Force en/of artilleriebeschietingen. In de rapportage wordt gemotiveerd waarom een aanvullende bron wel of niet geraadpleegd is. Eventuele leemten in kennis worden gespecificeerd. Op de navolgende pagina’s volgt een toelichting van de verschillende bronnen. BRON Literatuur Gemeentearchief en Provinciaal Archief Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, waaronder toegang 077, inventarisnummer 1328 en toegang 216k, inventarisnummers 181-186 Nationaal Archief te Den Haag, waaronder collectie 2.04.53.15 en collectie 2.13.167 Semi-Statische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Explosieven Opruimingsdienst Defensie
RAADPLEGEN Verplicht Aanvullend
GERAADPLEEGD Ja Ja Ja
Ja Ja Ja
14 De nadere bepalingen in het CS-VROO-02 stellen zodoende geen eisen aan de certificaathouder, maar bevatten
informatie over de inhoudelijke uitvoering van het onderzoek door de certificaathouder.
290-021-VO-01
Pagina 18 van 71
BRON
RAADPLEGEN Verplicht Aanvullend
Luchtfotocollectie Wageningen UR, Kadaster en Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland te Edinburgh Krantenberichten, via Delpher en Nationaal Archief toegang 2.04.110 Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 575 The National Archives te Londen, gegevens aangaande luchtaanvallen door Royal Air Force Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 409 The National Archives te Londen, gegevens aangaande artilleriebeschietingen National Archives and Record Administration II (NARA II at College Park (VS) Getuigenverklaringen Kadaster (naoorlogs kaartmateriaal) Library and Archives Canada te Ottawa (Canada)
GERAADPLEEGD Ja
Ja
Ja Ja
Aanvullend ECG
Ja Ja Ja Nee Nee15 Ja Nee
Tabel 4: Overzicht van geraadpleegde bronnen Vooronderzoek conflictperiode.
Bij het contra-indicatieonderzoek (Vooronderzoek na-conflictperiode) dienen een aantal verplichte bronnen te worden geraadpleegd en geanalyseerd. In de onderstaande tabel is aangegeven welke dit zijn, en of er eventueel aanvullende bronnen zijn geraadpleegd. BRON Literatuur Kadaster (kaartmateriaal) Internet GIS online Rijkswaterstaat (online beeldbank) Gemeentelijk archief Provinciaal archief Nationaal archief
RAADPLEGEN Verplicht Aanvullend
GERAADPLEEGD Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Tabel 5: Overzicht van geraadpleegde bronnen Vooronderzoek na-conflictperiode.
2.5
TOELICHTING BRONNEN
Literatuur Voor het onderzoeksgebied dienen relevante literatuurbronnen te worden geraadpleegd, zowel standaardwerken als eventuele specifieke regionale informatiebronnen. Daarbij gelden met betrekking tot het onderzoek naar gebeurtenissen in de periode mei 1940 als verplicht te raadplegen standaardwerken in ieder geval:
15 Er zijn geen getuigen achterhaald door ECG of aangedragen door de opdrachtgever.
290-021-VO-01
Pagina 19 van 71
Nierstrasz, e.a. (Ministerie van Oorlog, hoofdkwartier van de chef van de generale staf, kriegsgeschiedkundige afdeling), De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, diverse delen (’s-Gravenhage 1953); Molenaar, F.J., De luchtverdediging in de meidagen 1940 2 delen (‘s-Gravenhage 1970). Gemeentelijk en provinciaal archief Bij het raadplegen van het gemeentelijk en provinciaal archief worden de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde Ontplofbare Oorlogsresten en de oorlogsschaderapporten geraadpleegd. Indien deze stukken niet aanwezig zijn, dient dit te worden vermeld in de rapportage. Bij het onderzoek in het provinciaal archief wordt in elk geval onderzoek verricht in de relevante archieven van het Militair Gezag. Verder worden er in het provinciaal archief, indien beschikbaar, ook stukken van de luchtbeschermingsdienst, stukken over aangetroffen/geruimde Ontplofbare Oorlogsresten en de oorlogsschade geraadpleegd. Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten dient in het gemeentelijk en provinciaal archief voorts te worden gezocht naar gegevens over relevante naoorlogse ontwikkelingen (contra- indicaties), tenzij met de opdrachtgever overeen is gekomen dat dergelijk onderzoek geen deel uit maakt van de opdracht.
Indien deze gegevens niet aanwezig zijn, wordt dit vermeld in de rapportage. Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) In het NIOD raadpleegt ECG de Collectie Departement van Justitie (toegangsnummer 216k), waarin zich processen-verbaal bevinden met betrekking tot bomafworpen en andere luchtoorlog gerelateerde gebeurtenissen in een aantal Nederlandse gemeenten, en de Collectie Generalkommissariat für das Sicherheitswesen – Höhere SS- und Polizieführer Nord-West (toegangsnummer 077), waarin zich een relatief compleet overzicht bevindt van bomafworpen en andere luchtoorlog gerelateerde gebeurtenissen op Nederlands grondgebied in de periode september 1940 – april 1941. Nationaal Archief te Den Haag ECG raadpleegt uit het Nationaal Archief onder andere de collectie “Binnenlandse Zaken” (toegangsnummer 2.04.53.15) waarin de berichten van gemeenten aan de Rijksinspectie Luchtbescherming te Den Haag in de periode 1940-1943 zijn ontsloten. Semi-Statische archiefdiensten (SSA) Ministerie Defensie te Rijswijk ECG raadpleegt de collectie van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) waarin de ruimingen in de periode 1945-1947 zijn ontsloten.
Nederlands Instituut voor Militaire Historie De collectie “Duitse verdedigingswerken in Nederland en rapporten van het Bureau Inlichtingen te Londen (1940–1945)” met collectienummer 575 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie
290-021-VO-01
Pagina 20 van 71
(NIMH) wordt geraadpleegd om te helpen vaststellen of er indicaties zijn dat er Duitse militaire werken in het onderzoeksgebied aanwezig waren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Explosieven Opruimings Dienst Defensie Bij het raadplegen van het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) wordt als eerste de database met meldingen van aangetroffen Ontplofbare Oorlogsresten en de collectie mijnenveldkaarten geraadpleegd. Indien in de database met meldingen van aangetroffen Ontplofbare Oorlogsresten indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen, wordt de collectie MORA’s/UO’s geraadpleegd. Indien in de collectie mijnenveldkaarten indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen, wordt de collectie mijnenveld ruimrapporten te worden geraadpleegd The National Archives te Londen De organisatie dient aan te tonen dat in The National Archives te Londen een relevante onderzoeksinspanning is geleverd aangaande het verzamelen van informatie over door de Royal Air Force (RAF) uitgevoerde luchtaanvallen in het onderzoeksgebied of de directe omgeving. Hierbij dient de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 in ogenschouw te worden genomen en dient onderzoek te worden verricht in relevante stukken van ten minste de volgende vier onderdelen van de RAF:
Bomber Command; Coastal Command; Fighter Command/Air Defense Great Britain; Second Tactical Air Force.
Het onderzoek dient gericht te zijn op het vaststellen van het:
Aantal; Hoofd- en subsoort, Gewichtsklasse; Type ontsteker;
van de afwerpmunitie en raketten die tijdens de luchtaanval zijn ingezet en op de inslaglocaties daarvan. Bundes-Militärarchiv te Freiburg In het Bundesarchiv-Miltärarchiv wordt tenminste de collectie Lageberichte van de Luftwaffenführungsstab Ic geraadpleegd, die meldingen bevat over bomafworpen op Nederlands grondgebied in de periode 10 mei 1940 – 10 november 1941. Luchtfotocollectie Wageningen Universiteit, Kadaster en RCAHMS (NCAP) ECG inventariseert de beschikbare luchtfoto’s betreffende de datum waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. De inventarisatie geschiedt in ieder geval in de volgende luchtfotocollecties: 290-021-VO-01
Pagina 21 van 71
Collecties ‘JARIC’ en ‘ACIU’ berustend bij Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland/National Collection of Aerial Photography te Edinburgh; Wageningen UR te Wageningen; Kadaster te Zwolle. Daaruit worden de meest geschikte luchtfoto’s geselecteerd. Bij de selectie van luchtfoto’s wordt rekening gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van het fotobeeld, de dekking en de schaal. Er dienen luchtfoto’s te worden gebruikt van zo kort mogelijk vóór de gebeurtenis, en van zo kort mogelijk ná de relevante gebeurtenis (mits van voldoende kwaliteit voor interpretatie op oorlogsschade). De organisatie deint zich daarbij rekenschap te geven van het feit dat de betrouwbaarheid van de conclusies zal toenemen naarmate luchtfoto’s van meer verschillende opnamedata worden gebruikt en naarmate de data van de luchtfoto’s dichter bij de gebeurtenis liggen. Hoe meer oorlogshandelingen (mogelijk) van relevantie zijn voor het onderzoeksgebied, hoe meer luchtfoto’s dienen te worden geraadpleegd. De organisatie dient de selectie van luchtfoto’s voldoende te motiveren.
Krantenberichten Ten behoeve van onderzoek naar contra-indicaties in de vorm van explosievenruimingen over de periode 1940-1972 wordt in ieder geval gezocht naar krantenberichten via de online zoekmachine Delpher, en via de verzameling krantenknipsels uit het archief van de Hulpverleningsdienst (Nationaal Archief toegang 2.04.110). Kadaster Ten behoeve van het onderzoek naar contra-indicaties wordt in ieder geval naoorlogs kaartmateriaal uit het archief van het kadaster geraadpleegd met als doel het inventariseren van naoorlogse ruimtelijke ontwikkelingen. Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) De collectie “Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940” met collectienummer 409 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie wordt geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat grondgevechten en/of artilleriebeschietingen hebben plaatsgevonden in de periode mei 1940. The National Archives Londen The National Archives te Londen geldt als een aanvullende bron met betrekking tot onderzoek naar Geallieerde artilleriebeschietingen in de periode vanaf september 1944.
Wanneer uit overige bronnen indicaties zijn gebleken dat het onderzoeksgebied in deze periode is getroffen door Geallieerde artilleriebeschietingen, dien de War Diaries van de relevante Geallieerde eenheden te worden geraadpleegd om detailinformatie aangaande deze beschietingen te verzamelen.
290-021-VO-01
Pagina 22 van 71
National Archives and Record Administration II (NARA II at College Park (VS) Er dient aanvullend bronnen onderzoek plaats te vinden in The National Archives (NARA) te College Park in Maryland (VS) wanneer er duidelijk indicaties zijn dat het onderzoeksgebied is getroffen door luchtaanvallen met afwerpmunitie door de United States Army Air Forces (USAAF). Het onderzoek in NARA dient gericht te zijn op het vaststellen van het
Aantal; Hoofd- en subsoort, Gewichtsklasse; Type ontsteker;
van de afwerpmunitie die tijdens de luchtaanval is ingezet en op de inslaglocaties daarvan. Het onderzoek bevat in elk geval raadleging van de collectie Mission Reports (World War II Combat Operations Reports 1941-1946; Record Group 18, MLR Number NM6 7A; Arc identifier 596339). Getuigenverklaringen In overleg met de opdrachtgever wordt bepaald of getuigen worden gehoord. Dit wordt gerapporteerd. Indien getuigen worden gehoord, dient een schriftelijke getuigenverklaring te worden opgesteld en getekend door de getuige en/of door een vertegenwoordiger van de opdrachtgever die bij het horen van de getuige aanwezig is. De getuigenverklaring wordt opgenomen als bijlage bij het rapport.
2.6
WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFINSTELLINGEN
Voor deze bureaustudie zijn diverse archiefinstellingen geraadpleegd. De wijze van raadplegen van de archiefbewaarplaatsen is in de navolgende tabel gespecificeerd conform de eisen in het CS-VROO.
ARCHIEF Gemeentearchief Provinciaal Archief NIOD Nationaal Archief te Den Haag Semi-Statische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie WUR Kadaster Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland te Edinburgh Krantenberichten, via Delpher en Nationaal Archief 290-021-VO-01
WIJZE VAN RAADPLEGEN FYSIEK DATABASE ANDERS BEZOCHT
(EERDER BEZOCHT)
TOELICHTING
Aanvraag per mail. Database met Excel-bestand Via Dotkadata Via Dotkadata
Database en online
Pagina 23 van 71
ARCHIEF
WIJZE VAN RAADPLEGEN FYSIEK DATABASE ANDERS BEZOCHT
Nederlands Instituut voor Militaire Historie collectie 575 The National Archives te Londen, gegevens aangaande luchtaanvallen door Royal Air Force Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 409 The National Archives te Londen, gegevens aangaande artilleriebeschietingen Kadaster (naoorlogs kaartmateriaal)
(EERDER BEZOCHT)
TOELICHTING
Deels online
Collectie online
Via Dotkadata
Tabel 6: Wijze van het raadplegen van de diverse archiefbewaarplaatsen.
2.7
GEOGRAFISCHE HERLEIDBAARHEID VAN GEGEVENS UIT INTERNATIONALE ARCHIEVEN
Archiefdocumenten van de Geallieerde strijdmachten kunnen passages van oorlogshandelingen bevatten waarin locaties met Nord de Guerre-coördinaten zijn aangeduid. Het Nord de Guerrecoördinatenstelsel is buiten gebruik geraakt, maar de locaties waar de coördinaten naar verwijzen kunnen alsnog worden achterhaald. De eenvoudigste methode omvat het gebruik van stafkaarten uit de oorlogsperiode waarop het Nord de Guerre-stelsel werd geprint door de Geallieerden. Door de kaart te georefereren (op de huidige locatie plaatsen in een GIS), kunnen de coördinaten op het oog worden afgelezen. De tweede methode is het omrekenen van Nord de Guerre-coördinaten naar moderne coördinatenstelsels met behulp van de ‘Echodelta coordinate translator’.16 Deze tool is op het internet beschikbaar voor openbaar gebruik. Naast de voornoemde methodes hanteert ECG voor het vooronderzoek een eigen GIS-dataset waarin het Nord de Guerre-coördinatenstelsel voor Nederlands grondgebied is gereconstrueerd. Op deze wijze kunnen Nord de Guerre-coördinaten eenvoudig naar een huidige locatie worden herleid in een GIS. Het coördinaten-grid besloeg een groot gebied in Noordwest-Europa en was onderverdeeld in vakken van 500x500km, welke op hun beurt onderverdeeld waren in vakken van 100x100 km.
Nord de Guerre-coördinaten werden genoteerd met de unieke letter van de betreffende 500x500 km zone, de unieke letter van de 100x100km zone en een X- en Y-coördinaat. Een locatie kan bijvoorbeeld liggen in 500x500km zone Q, 100x100km zone D, op X-coördinaat 23 en Y-coördinaat 45. De juiste notatie is dan: QD2345. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat zoals QD2345 beslaat
16 https://www.echodelta.net/mbs/eng-translator.php.
290-021-VO-01
Pagina 24 van 71
een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes of acht cijfers is genoteerd, dan wordt respectievelijk verwezen naar een locatie van 100 bij 100 meter en 10 bij 10 meter.
2.8
LUCHTFOTO-INTERPRETATIE
Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Het primaire doel van de luchtfoto-interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlogsgerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten. 2.8.1 CLASSIFICATIE, DOEL EN METHODE Er zijn meerdere typen luchtfoto’s, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen. Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken.
Vervolgens worden de luchtfoto’s middels georeferentie en georectificatie in een GIS zo exact mogelijk middels 10 tot 15 controlepunten gepositioneerd op een recente ondergrond om de waarnemingen op de luchtfoto’s zo nauwkeurig mogelijk te herleiden naar de hedendaagse locaties. De luchtfoto’s zijn met behulp van digitale beeldbewerkingsprogramma’s (IrfanView en Photoshop) bewerkt om de beeldkwaliteit daar waar nodig te optimaliseren. De luchtfoto’s worden geïnterpreteerd op indicaties van oorlogshandelingen door twee deskundigen met ervaring in de interpretatie van luchtfoto’s uit het tijdvak 1940-1945. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden gezien, waarmee tevens indicaties uit literatuur en archiefbronnen geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. Er worden voor de waargenomen indicaties op een luchtfoto drie niveaus van betrouwbaarheid onderscheiden: Classificatie A: Bevestigd: betrouwbaarheid grenst aan zekerheid. De waarneming kan worden bevestigd met een tweede bron (betrouwbaarheid 99%); Classificatie B: Waarschijnlijk: de organisatie is overwegend zeker van de classificatie van het object op de luchtfoto (betrouwbaarheid 50% of hoger); Classificatie C: Mogelijk: de organisatie is overwegend onzeker van de validiteit van de classificatie van het object op de luchtfoto (betrouwbaarheid lager dan 50%).
De betrouwbaarheid van de classificatie wordt per object vastgelegd. Indien een object met de betrouwbaarheid “mogelijk” invloed uitoefent op de afbakening van het verdachte gebied, wordt dit
290-021-VO-01
Pagina 25 van 71
duidelijk in de rapportage beschreven.’17 2.8.2 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN Hoewel luchtfoto’s een belangrijke bron van informatie vormen voor het explosievenonderzoek, dient rekening te worden gehouden met een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden: Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het gebied (inclusief gebiedsafdekking); Opnamedata; Hanteren van beeldparen/overlappend beeldmateriaal (voor stereoscopische interpretatie en ontdekken beeldfouten/beschadigingen); Beeldkwaliteit (en eventuele digitale beeldverbeteringsmogelijkheden); Opnamehoogte en (brandpunt van) de gehanteerde lens (schaal); Beschikbare neveninformatie (bijv. bombardements- en aanvalsdata); Kwaliteit van de scan (bijvoorbeeld belichtingsfouten ed.); Ondersteunende technische mogelijkheden (bijv. analoge of digitale interpretatie-systemen); Ervaring en kwalificaties van het uitvoerende personeel met interpreteren/analyseren. Daarnaast blijft een luchtfoto een momentopname van een situatie die bijvoorbeeld een week, een maand of een jaar later totaal anders zou kunnen zijn. Het is mogelijk dat een bomkrater of een loopgraaf op de ene foto wel, maar op een eerdere of latere luchtfoto niet (meer) zichtbaar is. Tussentijdse herstel- en/of dempwerkzaamheden en camouflage kunnen een vertekend/onvolledig beeld geven.
Bovendien kunnen bijvoorbeeld: jaargetijden, bebouwing, schaduwwerking, wolken, puin, begroeiing (bijv. een bos, boomgaard of park) en water een belemmerend effect hebben op het ontlenen van gegevens aan luchtfotografie. Voor dit onderzoek is er door ECG een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtopnamen in de luchtfotocollecties van Wageningen University (WUR), de Topografische Dienst/Kadaster te Zwolle (TOPO/Kadaster), The National Archives te Londen (TNA), The National Archives and Record Administration in College Park te Maryland USA (NARA II) en The National Collection of Aerial Photography (NCAP) – The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) te Edinburgh (Schotland). Het overzicht van de geïnventariseerde luchtfoto’s bevindt zich in Hoofdstuk 8.
2.9
NAUWKEURIGHEID EN HERLEIDBAARHEID
De resultaten van een vooronderzoek worden beïnvloed door de nauwkeurigheid van de achterhaalde informatie en de mate waarin oorlogshandelingen kunnen worden herleid naar specifieke locaties. Herleidbaarheid speelt een zeer belangrijke rol in het onderzoek. Onnauwkeurigheid is ten eerste aanwezig in het primaire bronnenmateriaal. Beschrijvingen van oorlogshandelingen in archiefdocumenten kunnen onvolledig zijn en/of onnauwkeurige locatieomschrijvingen bevatten. Dit is bijvoorbeeld het geval in diverse bronnen uit internationale archieven van de Geallieerden, waarin locaties met Nord de Guerre-coördinaten worden aangeduid. 17 CS-VROO-01, 18.
290-021-VO-01
Pagina 26 van 71
Afhankelijk van de notatie zijn de coördinaten herleidbaar tot een gebied van 1 x 1 km of kleiner, maar de praktijk leert dat de daadwerkelijke locatie van een oorlogshandeling kan afwijken van het aangegeven kaartvierkant. Als gevolg kunnen onjuiste locaties als verdacht gebied worden bestempeld, of wordt er een te groot verdacht gebied afgebakend. ECG voorkomt dit zo veel mogelijk door gebruik te maken van luchtfotoanalyse. Met behulp van luchtfoto’s is het in veel gevallen mogelijk om oorlogshandelingen feitelijk naar een specifieke locatie te herleiden. Onnauwkeurigheid is ten tweede aanwezig op het gebied van de Uitvoeringsopdrachten van de Explosieven Opruimingsdienst (EOD) in het onderzoeksgebied en het omliggende gebied. De omschrijvingen van de locaties zijn inclusief spelfouten en dergelijke letterlijk overgenomen. Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie-aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. Om de door de EOD opgegeven adressen en plaatsaanduidingen te lokaliseren is door ECG gebruik gemaakt van Google Earth & Maps.
Er heeft geen controle plaatsgevonden of de hieraan ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen. Verder zijn te globale locatieaanduidingen en ruimingen waarbij geen Ontplofbare Oorlogsresten zijn aangetroffen (bijvoorbeeld “schroot”) niet meegenomen. Tevens is een ander nadeel van deze bronnen dat zij niet volledig zijn: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD nauwelijks gegevens beschikbaar. Onnauwkeurigheid kan ten derde ontstaan door het georefereren van luchtfoto’s in een GIS. Deze afwijking ontstaat doordat de luchtfoto als tweedimensionaal vlak over het gekromde aardoppervlak wordt gelegd. Met name langs de randen van de luchtfoto kan de afwijking toenemen, alsook wanneer er weinig referentiepunten te vinden zijn. Dit laatste komt voor wanneer een gebied na de Tweede Wereldoorlog ingrijpend is veranderd. ECG onderkent deze onnauwkeurigheid en hanteert in de meeste gevallen een geografische tolerantie van 5 meter. Deze tolerantie wordt toegevoegd aan de risicobuffers voor verdacht gebied voor indicaties die met behulp van luchtfoto’s zijn afgebakend.
290-021-VO-01
Pagina 27 van 71
3 RESULTATEN VOORONDERZOEK CONFLICTPERIODE In het Vooronderzoek conflictperiode wordt op basis van bronnenonderzoek vastgesteld of er aanwijzingen zijn dat het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen.
3.1
LOCATIESPECIFIEKE KENMERKEN
Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie voor of ten tijde van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald. Met behulp van een geallieerde stafkaart uit 1943, afkomstig van de Library of Congress, kan de topografie van het onderzoeksgebied ten tijde van de oorlog worden achterhaald.18 De kaart is gegeorefereerd in ArcGIS waardoor het huidige onderzoeksgebied op de oude situatie kan worden geprojecteerd en op de volgende pagina weergegeven (figuur 2). Op deze kaarten staan diverse toponiemen weergeven. In de wetenschap van deze (voor een deel) uit de huidige topografie verdwenen locatieverwijzingen zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd. Uit de kaart blijkt bovendien dat het onderzoeksgebied gedurende de Tweede Wereldoorlog in de voormalige gemeente ’s-Gravendeel lag. Zoals in paragraaf 2.7 werd vermeld, hanteerden de Geallieerden gedurende de Tweede Wereldoorlog onder andere het zogeheten Nord de Guerre-coördinatenstelsel. De gegevens uit bijvoorbeeld de Daily Logs met de eventueel daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van Geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie.